Door bossen en langs meren in Polen

 

Polen 5

Ik was dit jaar al begonnen een tocht door Schotland te organiseren, maar ik durfde het met de steile bergen daar nog niet aan. Ik besloot nog een keer – de vijfde keer! – door Polen te gaan fietsen. Het liefst was ik naar het Oosten gegaan, maar sinds Rusland de Oekraïne had aangevallen, leek me dit geen goede bestemming, misschien wel nooit meer in mijn leven. Ik ontdekte een interessante fietsroute in het Noordwesten van Polen, route 20 door mooie bossen en langs mooie meren. Op internet zag ik mooie foto’s van prachtige met Europees geld aangelegde fietspaden over de tracés van opgeheven spoorlijntjes. Dus ik verzon een leuke route, eerst nog een stukje vanuit Duitsland langs de Oostzeekust en dan door het binnenland langs de route 20 terug naar Duitsland.

Tijdreisje

31 mei – 1 juni

Op de laatste dag van mei nam ik de trein naar Berlijn en van daar met de lokale trein naar Anklam, gelegen aan een groot met de Oostzee in verbinding staand binnenmeer (haf) dat in Polen de Zalew Szczeciński heet. Na een wat onwennige eerste avond in Duitsland waar alles net iets anders is dan in Nederland (mensen stoppen voor zebra’s en accepteren vaak geen plastic geld bijvoorbeeld) fietste ik naar het zeer ecologisch verantwoorde maar peperdure elektrische  pontje naar Usedom.

het pontje naar Usedom

Na een niet al te lange fietstocht over het eiland, waar ik ook mooie rode wouwen zag vliegen, kwam ik dan bij mijn gereserveerde hotel aan. De man bij de incheck was bijzonder onvriendelijk en snauwde mij toe dat de toeristenbelasting alleen contant betaald mocht worden. Even later werd mijn betaalkaart geweigerd op een terras voor een betaling onder tien euro. Naast mijn bed stond zo’n prachtige ouderwetse telefoon, met daarbij de mededeling dat het tarief 20 cent per tik was. Zo ging dat vroeger. Zo werd het ook een beetje een reis in de tijd.

Mooie en lelijke Oostzeekust

2 – 3 juni

De volgende dag bereikte ik na maar een paar kilometer fietsen de Poolse grens. Waar je vroeger een visum nodig had, rijd je gewoon door alsof er niets aan de hand is. Wel opeens veel Polen, voor wie Duitsland onbetaalbaar moet zijn. In Polen begon een route die ik minder dan twee jaar geleden op de huurfiets van Międzyzdroje naar Gdańsk had gereden. Zelfs de eerste twee overnachtingsplekken waren gelijk aan die van de vorige keer. Langs het fietspad naar het Oosten weer dezelfde mengeling van positieve en negatieve indrukken als de vorige keer.

Dan weer rijd je door prachtige dennenbossen vlak bij zee, dan weer heb je mooi uitzicht op de rustige Oostzee en dan rijd je tussen de honderden goedkope visrestaurants, appartementenblokken en campings door. Honderden nieuwe appartementengebouwen staan nog in de steigers om binnenkort het goedkope toerisme te kunnen verwelkomen. Maar soms rijd je ook langs mooi met riet omzoomde plasjes waar de grote karekieten uit alle macht hun aanwezigheid betonen, zoals aan het grote Jamno-meer ten Noorden van Koszalin.

Bossen, meren, vogels en libellen

4 – 7  juni

Voorbij Koszalin maakte ik een bocht naar het Zuiden om door te steken naar route 20 waarvan ik (te) hoge verwachtingen had. Mijn eerste overnachting daar was bij een soort Youth Hostel voor paardrijvakanties bij Polanów. Ik had wel een prima kamer en hoefde niet in een zaal met slaapzakken tussen de paardrijmeisjes te slapen. Ik had ontbijt geboekt.

śniadanko – ontbijtje

Toen ik het ontbijtzaaltje binnenkwam, wist ik niet wat ik zag: voor mij stonden klaar drie (!) spiegeleieren, een bord met kaas, twee soorten worst, warme knakworstjes, tomaat en komkommer, drie soorten brood, koffie en eventueel thee. Ik heb één spiegelei op brood, nog een boterham met kaas gegeten en een kop koffie daarbij.

Vogels in Polen

Vogelen op de fiets doe ik graag. Het past bij mijn luie filosofie dat vogels maar naar mij toe moeten komen en dat ik er niet achteraan ga met allerlei apps en GPS-apparaatjes. Als je een paar honderd kilometer door een land fietst waar interessante vogels te zien zijn, kom je altijd wel iets leuks tegen. Je komt vogels tegen zonder op zoek te zijn. Eén vogel is hier absoluut niet zeldzaam maar in onze ogen en oren toch heel bijzonder: de veldleeuwerik. Waar je ook fietst, je hoort er wel één hoog in de lucht. Een vanzelfsprekendheid die we in Nederland kwijt zijn geraakt. Ik ben nog nooit in Polen geweest zonder grauwe klauwieren te zien. Dit jaar zag ik ze iets minder, maar zeldzaam zijn deze mooie vogeltjes hier niet. Van het kleine spul noem ik vooral de luidruchtige vinken, de groenlingen, geelgorzen, witte kwikstaarten, heel veel huismussen en ook af en toe een grijze gors. Langs de rietvelden van de vele meren leek de grote karekiet algemener dan bij onze de kleine. Boven de velden zweefden niet alleen buizerds, maar ook af en toe een rode wouw. Een keer of vier zag ik kraanvogels in kleine groepjes over het veld stappen, prachtige vogels. Maar het absolute toppunt was mijn ontmoeting met de wielewaal die vlakbij een meer ongelooflijk geel in de top van een boom zijn prachtige tonen voortbracht. Het is wel mooier dan 'tudeljooo'. Ik ga hier niet schrijven over wat ik niet gezien heb.


Van hier ging het, grotendeels over route 20, naar de iets grotere plaats Szczecinek, in het Duits vroeger Neu Stettin geheten. De route ging door prachtige bossen en over vrij primitieve, maar meestal nog net berijdbare, fietspaden. Hier en daar ging de weg langs meertjes en daar kon ik weer enthousiast aan de libellenstudie beginnen. Het leuke is dat in dit soort biotopen toch heel andere libellen voorkomen dan in West Nederland. Naast de mij al bekende viervlek zag ik hier voor het eerst prachtige bruine korenbouten, mannetje, vrouwtjes en paringwielen. Wonderlijke beesten toch.

Af en toe werden de door tractoren verwoeste bospaden zo slecht dat fietsen uitgesloten was.

Libellen in Polen

Natuurlijk hoef je niet naar Polen voor libellen, maar als je er toch bent, zijn er best leuke mogelijkheden om die rare beesten te bestuderen. Het uitgebreide merengebied waar ik door fietste, was een mooi libellengebied, ook juist voor soorten die je in Zuid Holland minder zal aantreffen, soorten die van relatief zuur water houden in meren, vennen en beken. Ik zag vooral grote hoeveelheden bruine korenbouten, waarvan de mannetjes overigens helemaal niet bruin zijn. Daarnaast de gewone soorten als oeverlibel, variabele waterjuffer en viervlek. Niets bijzonders, wel leuk om te fotograferen, wat me met een onhandig klein cameraatje nog best lukte.

Die avond sliep ik in een vervallen hotel in Szczecinek, waarvan de bovenste etage toch best in orde bleek. ‘s Ochtends kreeg ik zelfs een redelijk ontbijt, wel met oploskoffie. Het was inmiddels 6 juni geworden en vanaf dat moment reed ik voornamelijk naar het Westen en Zuidwesten. Op weg naar Sulinowo zag ik weer de prachtigste kraanvogels. Wat zijn ze mooi en wat zijn ze groot! Ik was nu op weg naar mijn belangrijkste bestemming: Stare Drawsko, midden in het Drawski nationale park, een prachtig beschermd landschap vol met meren en bossen, een landschap gevormd in en na de ijstijden. In Sulinowo zag ik voor het eerst een officieel bordje van de route 20 en even later zoefde ik over een oude spoorweg, een grote uitzondering op deze route die toch vooral uit half verharde on onverharde wegen bleek te bestaan. Op weg naar het hotel zag ik weer zoveel libellen dat ik af en toe afstapte om er een paar te fotograferen met mijn kleine onhandige cameraatje. Het waren weer vooral bruine korenbouten.

In Stare Drawsko had ik een rustdag gepland, dus twee overnachtingen in een middelmatig hotel dat zichzelf drie sterren had toebedeeld. Stare Drawsko ligt prachtig tussen twee grote meren en omgeven door bossen en heuvels. Je zou hier zo twee weken kunnen doorbrengen zonder je te vervelen. Ik at bij mijn eigen hotel. Tot mijn grote verbazing liet ik mij overtuigen dat ik de heerlijk Flaki-soep moet nemen. Flaki zijn ingewanden: ingewandensoep. Toch smaakte hij best goed.

Het Drawsko nationale landschapspark

Ten Zuiden van Połczyn Zdrój en ten Noordwesten van Czaplinek ligt het Drawski Park Krajobrazowy, een landschapspark van meer dan 38,000 hectare, gesticht in 1979, waarin zich zeven natuurreservaten bevinden. Het bestaat vooral uit heuvels van niet veel hoger dan 200 meter, dichte bossen, grote meren met glashelder water en mooie riviertjes. Het is het resultaat van de werking van ijs en water tijdens en na de ijstijden: het ijs zorgde voor uitgebreide zandafzettingen en diepe meren en het water sleep mooie dalen uit. Veel bijzondere planten en dieren zijn er te vinden. Niet voor niets staat het grootste deel van het park onder bescherming van Natura 2000. Naast de gewonere vogelsoorten als futen, aalscholvers, zwanen en gewone ooievaars zijn hier ook zeearenden en zwarte ooievaars te zien. Ik heb ze helaas niet gezien.

Het is zeker een gebied om nog eens goed te verkennen vanuit goed per trein bereikbare plaatsen als Czaplinek.

bronnen
https://www.zpkwz.pl/index.php/parki-krajobrazowe/drawski-park-krajobrazowy

http://www.pojezierzedrawskie.info/drawski-park-krajobrazowy/ https://witkinawalizkach.pl/drawski-park-krajobrazowy/

Wat kan je op een rustdag dan anders doen dan fietsen? Ik had gelezen dat het Jezioro Prosinko ornithologisch heel bijzonder was, maar hier zag ik weinig. Meer zag ik bij het Jezioro Komorze. Natuurlijk zag ik weer veel libellen en ook nog voor mij een nieuwe soort (de vuurjuffer), maar dat was niet zo bijzonder als de ongelooflijk gele wielewaal die daar in het topje van een boom zat te zingen. Een onvergetelijk moment.

Daarna fietste ik het Jezioro Żerdno om en keerde terug naar mijn hotel. Die avond at ik in het even verderop gelegen restaurant Podzamcze visjes uit een van de meren in de buurt: Sielawa, in het Nederlands kleine Marene.

De laatste loodjes in Polen

8 – 10  juni

Op 8 juni begon ik serieus aan het laatste gedeelte van de tocht. Het eerste gedeelte ging door prachtige bossen met af en toe uitzicht op mooie meren en soms helder stromend water waar de prachtige bosbeeklibellen in de schaduw vlogen.

De wegen werden slecht tot ronduit onberijdbaar. Vlak voor Drawsko Pomorskie gaf een officieel routebord van de route 20 weer hoop op verbetering, maar niet veel later was fietsen volledig uitgesloten op de wegen met hopen los zand bij Brzeźniak. Na nog twee uur doorploeteren over keienwegen en door zandhopen kwam ik aan bij de prachtige Agroturystyka van Węgorzyno. De sympathieke eigenaar begroette mij en ik kreeg zelfs nog een gebraden kippenpoot van de barbecue. Overal spelende kinderen en honden. Een gezellige plek.

De volgende dag had ik geen zin om weer de hele dag in de Poolse zandbak te spelen dus ik besloot de geasfalteerde weg, de 151,  te nemen, vooral om dat ik een lange etappe gepland had. De route was best mooi. Onderweg zag ik nog kraanvogels en mooie weidebeekjuffers naast de bekende kleine vogeltjes zoals geelgorzen, vinken en (waarschijnlijk) grijze gorzen.  De route ging door Choszczno. Als er een verkiezing zou zijn voor het lelijkste dorp van Europa, dan maakt deze plaats best een kansje. Bij het station wees de thermometer 28 graden aan.

Niet lang na Choszczno ging het fietspad weer gerieflijk over een oude spoorbaan. Het pad passeerde vroegere stations, ging over spoorviaducten en door korte tunnels. Tenslotte bereikte het fietspad Barlinek – Berlinchen in het Duits. Na meer dan 82 km rijden kwam ik nog redelijk vroeg bij mijn hotel aan. Ik  had nu een goede nachtrust verdiend, maar die kreeg ik helaas niet. Er was een trouwfeest met luide muziek, schreeuwende mensen en meer. Om vier uur was het feest voorbij en even later viel ik in slaap. Ik ben erg boos geworden (in het Pools!) op het hotelmanagement de volgende ochtend. Gelukkig had ik de volgende dag geen lange etappe op het programma.

Ik kon de volgende dag grotendeels over de fietsenracebaan over het oude spoortracé rijden. Ik genoot van het gemakkelijke fietsen, de vogels (zoals kraanvogels) en de vogeltjes (zoals geelgorzen) die ik tegenkwam en af en toe fotografeerde ik nog maar eens een libelle. Bij het fietspad stond een waarschuwingsbord dat op het gevaar van Barszcz Sosnowskiego wees, een soort reuzenbereklauw, maar misschien nog gevaarlijker. Als je foto’s op internet van afgrijselijke verbrandingen door die plant hebt gezien, begrijp je waar ze het over hebben. Na een stuk racebaan ben ik even eraf gegaan om naar een klein meertje te gaan kijken.

Vergane glorie

Het was een ervaring die me aan Frankrijk deed denken als je even de Autoroute verlaat om een uurtje het echte Frankrijk in te duiken. Het was een mooi meertje en in de directe omgeving stonden half ingestorte gebouwen. Op één gebouw kon je het woord ‘HOTEL’ nog lezen. Zou het nog van voor de Tweede Wereldoorlog geweest zijn, toen ze hier allemaal Duits praatten? Misschien is dat uit te vinden, maar ik hoef het niet te weten.

Ik kom ruim op tijd aan bij de luxe Agroturystyka van Listomie bij Myślibórz, dat die naam eigenlijk niet verdient. Prachtige kamer in een prachtig huisje aan een prachtig meer, waar de grote karekieten hun keel schor schreeuwen. Maar toch niet echt gezellig. Veel iets te rijke mensen met een eigen waterscooter op de aanhangwagen achter de auto.

 

Over oude spoorlijnen

Een klein deel van deze fietstocht fietste ik over fietspaden aangelegd op de de tracés van gesloten oude spoorlijnen.

Een zo'n tot fietspad omgebouwde spoorlijn, gebouwd aan het eind van de negentiende eeuw, loopt van Choszczno (Arnswalde) naar Barlinek (Berlinchen). Bij één van de voormalige stationnetjes (Lubiana) staan nog oude locomotieven en een mooie seinpaal.

Een andere lijn was het vanaf 1880 ontwikkelde lijntje van Pyrzyce (Pyritz) naar Godków via Trzcińsko Zdrój en verder naar de brug over de Oder bij Siekierki. Trzcińsko Zdrój heette in het Duits Bad Schönfließ, vanaf 1898 een kuuroord dat tot ontwikkeling kwam nadat in 1895 belangrijke modderafzettingen werden gevonden. Veel verkeer over het lijntje naar het kuuroord kwam uit Duitsland toen de Duitse spoorwegen een directe verbinding met Berlijn hadden gerealiseerd. In 1945 werd het treinverkeer op de lijn stil gezet toen het Rode Leger oprukte naar de Oder. Het station van Trzcińsko Zdrój kreeg een militaire functie onder het nieuwe Sovjet-bestuur. Na de tweede wereldoorlog namen de Poolse spoorwegen de lijn over. In 1992 werd de lijn voor goed gesloten.

Naar Duitsland en Nederland

11 – 12  juni

Ik realiseerde me te laat dat ik in Listomie geen ontbijt zou krijgen. Daarom eerst naar een klein winkeltje in de buurt gefietst, dat helaas op zondag niet open was. In een iets grotere plaats verderop was de winkel gelukkig wel open. Ik kocht broodjes, beleg en vruchtensap voor een ontbijt op een bankje bij de kerk. Niet lang daarna kwam ik weer op de mooie fietsroute over de oude spoorbaan langs onder meer het oude station van Trzcińsko Zdrój, ooit in het Duits Bad Schönfließ geheten [zie hierboven].

Het laatste stuk voor de Oder ging door het prachtige Cedyński nationale landschapspark., waar ik onder meer prachtige rode wouwen zag vliegen. Over de mooi gerestaureerde spoorbrug – nu een fietsbrug – een mooie uiterwaard en daarna de Oder zelf overgestoken en dan in een rechte lijn in Zuidwestelijke richting naar het plaatsje Wriezen, het einddoel van de fietstocht.

De Oder, de grens tussen Polen en Duitsland

Ik had een kamer bij Pension zur Feldklause, een vrij groot eenvoudig hotel gerund door een wat oudere dame. Het ademde nog iets van de sfeer van Oost Duitsland. Naast het pension goed Italiaans gegeten, de beste maaltijd in meer dan tien dagen. Eten in Duitsland is wel veel duurder maar ook veel beter dan in Polen. Een korte blik op de website van de Duitse spoorwegen leerde dat er geen treinen zouden rijden op de geplande route Eberswalde-Berlijn. Ik moest dus helemaal over Frankfurt aan de Oder omrijden. Voor de zekerheid besloot ik met de trein van acht uur te gaan zodat ik niet zoals afgesproken om 8 uur kon ontbijten. Toch kreeg ik van de vriendelijke pensionmevrouw een soort ontbijt van muesli, vruchtjes, melk en twee koppen koffie. De reis naar Berlijn liep probleemloos. Ik was er alleen drie uur te vroeg. Omdat de trein naar Amsterdam met  een uur vertraging vertrok, heb ik totaal vier uur gewacht op Berlin Gesundbrunnen. Om kwart voor elf was ik in Leiden en een kwartier later thuis, waar ik door Petra werd begroet. Fijn weer thuis te zijn na 740 km fietsen.

___

 

Zeven jaar vogelwerkgroep

Romantiek in de jaren zestig

Op 8 mei 2016 ging ik voor het eerst op excursie met de vogelwerkgroep Leiden van de KNNV, die het bootje ‘De heere Schouten’ had afgehuurd voor een mooie tocht naar de Zwanburger Polder en nog een eilandje in de Kaag daarnaast, waarschijnlijk de Lakerpolder.

Voor mij was het niet de eerste keer dat ik naar vogels ging kijken. Als actief lid van de afdeling Wageningen van de NJN (en later bestuurslid) keken we bijna elk weekend tussen 1965 en 1967 naar vogels op de Veluwe en bij de Flevopolders die nog volop in ontwikkeling waren. Niet alleen leerde ik in die tijd veel vogels, vooral watervogels als eenden en steltlopers, maar ook ontwikkelde ik, zoals zoveel NJN-ers in die tijd, diep romantische gevoelens bij het verblijf in de wilde natuur.

Ik nam afscheid van de NJN en ging studeren in Utrecht en later in Groningen. De vogelhobby bleef wel op een laag pitje branden: af en toe ging ik met kennissen uit Utrecht een weekendje naar Texel of de Biesbos. Later ging ik af en toe naar Voorne en ook in het buitenland ware vaak mooie vogels te zien, zoals de gieren in Spanje. Een echte vogelaar werd ik niet en ben ik ook nooit geworden.

Vijftig jaar later

Vijftig jaar na mijn NJN-avonturen dacht ik dat het leuk zou zijn de draad weer eens op te pakken. Ik wist dat er een soort oude-lullen-NJN bestond, de KNNV – Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging. Ik werd daar in 2016 maar eens lid van. Meteen werd mij gevraagd voor welke werkgroepen ik mij wilde opgeven. Als welkomstgeschenk kreeg ik een boekje over mossen, maar de mossenwerkgroep werd het toch niet. Ik bleef maar bij vogels. Ik meldde mij aan voor de Vogelwerkgroep en sprak af om een keer mee te gaan voordat ik definitief lid zou worden.

Toevallig was er een excursie vlak bij huis gepland, naar verschillende gebiedjes tussen Warmond en de Kaag. Ik hoefde niet met andere mensen mee te rijden maar kon meteen in de vroegte van 8 mei naar het haventje van Warmond rijden, waar het bootje al klaar lag en waar ik met andere leden van de Werkgroep kennis kon maken. Het was prachtig lenteweer en overal vlogen de grutto’s.

Ik herinner me het gevoel nog als een totaal onbekende in een nieuwe groep rond te lopen. Ik dacht: hier ben ik (nog) niemand, ik heb hier nog geen reputatie. Terwijl ik toen in mijn werk altijd als belangrijke persoon rondliep, vaak verantwoordelijk voor de organisatie van projecten en bijeenkomsten, liep ik hier prettig onbelangrijk te zijn. Tijdens een korte pauze kwam er een vrouw op mij af, die met veel belangstelling naar mijn achtergronden vroeg en naar mijn eerdere ervaringen met  veldbiologie. Ik wist toen nog niet dan zij de ‘baas’ van de Werkgroep was en dat zij, xxx, samen met xxx alles rond de excursies organiseerde, maar daar zou ik wel snel achter komen.

In de maanden en jaren die volgden, had ik er geen spijt van dat ik lid van KNNV en Vogelwerkgroep was geworden. In mijn NJN-tijd gingen we elk weekend op excursie en soms wel op zaterdag én zondag. Hier ging het er toch wat bedaarder aan toe: in principe elke maand een excursie. Zeker in de eerste jaren gaf ik me voor bijna elke excursie op. Wat ik vooral leuk vond, was dat ik door deze club heel veel leuke gebieden leerde kennen, waar ik anders nooit heen was gegaan.

Natuurlijk kon ik niet zo onbelangrijk en onopvallend blijven als tijdens de eerste excursie. Langzaam kreeg ik een plaats in het geheel en de contacten met een aantal werkgroepleden werden intensiever. Vanaf een zeker moment stelde ik mij beschikbaar voor het opmaken van de excursieverslagen: tekst en plaatjes werden aangeleverd en ik maakte er op de computer een toonbaar geheel van. Mijn kennis van vogels en vogelgeluiden nam met sprongen toe, vooral door de grote deskundigheid van andere deelnemers aan excursies. Zonder die mensen had ik nooit een groenpootruiter of een oeverloper herkend.

Stukjes schrijven

Maar ik heb ook iets heel anders geleerd. De traditie in deze werkgroep is dat iedereen van tijd tot tijd een bijdrage levert aan het verslag, in de vorm van een verslagtekst of een lijst van waarnemingen. In december 2016 was het mijn beurt om zo’n verslag te schrijven. Eerlijk gezegd vind ik zulk verenigingsproza soms maar moeilijk te verteren zoals ze vol staan met slaapverwekkende feitjes en stereotype formuleringen. Ik wilde wel eens wat anders. In de inleiding van het verslag naar het Nuldernauw beschreef ik de excursie eerst vanuit het gezichtspunt van de kleine zwanen die een aantal vogelaars zien staan. Ik schreef hierna nog regelmatig een verslag, men vond ze leuk en ik vond het leuk om ze te schrijven. Dat was weer eens wat anders dan dat gortdroge proza dat ik in mijn adviespraktijk schreef. Ik vond het zelfs zo leuk dat ik, toen er een excursie door slecht weer niet doorging, besloot er toen maar een fake-verslag over te schrijven. https://blog2.rdeman.nl/natuur-zoals-natuur-bedoeld-is/.

In 2020 liep niet alles zoals wij ons ooit voorgesteld hadden. De Corona-crisis gooide het hele verenigingsleven in de war en ook de activiteiten van de Werkgroep lagen zo goed als stil.  Wel maakte iedereen zijn kleine individuele uitstapjes of men ging er met twee of drie personen op uit. Dat was bij mij niet anders, waarbij ook nog een eigen gezondheidsprobleem (een gelukkig klein herseninfarct) een rol speelde. Toch had ik zin om weer eens een verslag te schrijven.

Dienstregeling uit de jaren 1920

Ik weet niet hoe ik hier op kwam, maar ik verzon een denkbeeldige excursie naar de Zuiderzee op 23 april 1922, waarin huidige leden van de Werkgroep in de jaren 1920 werden geplaatst. Het was leuk om te doen: dienstregelingen uitzoeken, de taal en de spelling van die tijd imiteren en mooie zwart-witfoto’s erbij plakken. Voor mij was het ook een oefening om mijn typvaardigheid terug te krijgen, die ik bij mijn infarct was kwijtgeraakt. Veel mensen vonden het een leuk stuk. https://blog2.rdeman.nl/naar-de-zuiderzee/

 

Soortenjagers en natuurgenieters

Gelukkig kwamen na een lange Corona-pauze vanaf 2022 de excursies  weer goed op gang. Naarmate ik vaker  aan excursie mee deed en ik de mensen beter leerde kennen, werd me steeds duidelijker hoe verschillend de motieven van de verschillende mensen zijn om van zo’n groep van vogelaars lid te worden. Bij een groep mensen gaat het in de eerste plaats om ‘waarnemingen’. In de meest extreme vorm gaat het om mensen die verschillende lijsten bijhouden, een lijst voor het hele leven (‘life list’), een jaarlijst (die elk jaar weer op 0 begint) en natuurlijk een lijst van wensvogels (‘wish list’). Bij een heel andere groep mensen gaat het meer om de schoonheid van de natuur en minder om de bijzonderheid van de waarneming. Natuurlijk onderscheiden zich de mensen ook sterk in hun vaardigheid (snel en op grote afstand) vogels te herkennen aan beeld en geluid. Er zijn van die top-vogelaars die zonder verrekijker op honderden meters afstand een bijzonder zangvogeltje kunnen herkennen, maar dat kan lang niet iedereen en zeker ik niet. De ‘lijst-mensen’ zijn soms bereid om 100 km in de auto te gaan zitten om een bijzonder beestje te kunnen noteren (en daarbij voor een behoorlijke CO2-uitstoot zorgen). Een derde groep gaat vooral mee voor de gezelligheid om tijdens excursie lekker te kletsen, ook als dat het plezier van de natuurgenieters en de lijst-vogelaars niet ten goede komt. Het is grappig dat die verschillende mensen met hun verschillende doelstellingen gewoon samen op excursie gaan.

De romantiek kwam niet echt terug

Zelf voel ik me niet zo verwant met de soortenjagers, hoewel ik me goed kan voorstellen dat zo’n lange lijst opbouwen leuk kan zijn. Toen ik in 2016 lid werd, was ik vooral op zoek naar de natuurervaring van mijn jeugd en mijn middelbare schooltijd, eigenlijk een verlangen naar de jeugdige romantiek van toen. Natuurlijk heb ik die niet helemaal teruggevonden. Dat is iets uit het verleden van toen ik jong was. Toch geniet ik ook nu met volle teugen van de schoonheid van mooie gebieden, de vogels, andere dieren en planten die je daar aantreft. Ik geef de voorkeur aan excursies waarbij je door een gebied wandelt en geniet van alles wat je tegenkomt.

auto-vogelen

Sommige excursies zijn meer gericht op het waarnemen van zoveel mogelijk soorten op een dag. Je  rijdt dan met drie of vier auto’s langs allerlei gebiedjes. Om de haveklap stop je dan bij een gebiedje, laadt de telescopen uit, zoekt het veld of het water af, noteert de waarnemingen en rijdt naar het volgende gebiedje. Dat soort excursie zijn aan mij niet echt besteed. Aan het eind van de dag, denk ik dan alleen: ik zou gauw eens de natuur in willen trekken.

Vogelfotografen

De meeste vogelfoto’s zijn oersaai, maar deze vind ik wel leuk

Nu is vogeltjes kijken bij lange na niet mijn enige hobby. Wat is ook graag doe, is fotograferen. Na lang aarzelen kocht ik in 2020 een 150-600 mm Tamron teleobjectief. Ik aarzelde omdat telefoto’s vaak zo saai zijn. Door de geringe diepte krijg je platte foto’s zonder enige perspectief. Goede fotografie speelt in de regel met perspectief, dus een goede telefoto lijkt bijna een onmogelijkheid, tenzij het onderwerp heel boeiend is. Toch ben ik steeds meer vogelfoto’s gaan maken. Soms werden ze best mooi, maar meestal bleven het fantasieloze brave plaatjes. Tussen veldbiologie en fotografie bestaat in de regel een spanningsveld. Vogelfotografen verstoren niet zelden, op zoek naar een plaatje van een bijzonder beest, de rust. Soms gebruiken ze zelfs geluidsopnames van vogelgeluiden om daarmee niet alleen de vogels te lokken maar ook de natuur ernstig te verstoren. Er zijn nogal wat vogelfotografen die vooral voor de ‘lijst’ fotograferen. Hebben zij een vogel gefotografeerd, dan zeggen zij iets als: “ik heb hem erop staan, die bosrietzanger”. Een waarneming is dan een foto. Een foto is een plaatje waar de vogel in kwestie “op staat”. Mij spreekt dit soort fotograferen niet aan. Als ik een foto maak, gaat het mij om een mooie of interessante foto, niet om het feit dat hij “erop staat”.

In de Vogelwerkgroep zijn er meer mensen dan een paar jaar geleden die met grote teletoeters rondlopen tijdens excursies.  Gelukkig zijn er goede en heel goede fotografen bij. Zelf laat ik mijn zware apparatuur liever thuis tijdens excursies. Ik ga liever af en toe alleen op pad om rustig mooie foto’s te maken. Soms zijn dat vogelfoto’s,  maar het onderwerp is even vaak een libelle, een vlinder of een paddenstoel als ik niet hele landschappen fotografeer.

Niet alleen vogels …

Mijn lijst: gebieden

Wat is nu de tussenbalans zeven jaar na mijn herintreding als vogelaar? Ten eerste heb ik ontdekt dat ik helemaal geen vogelaar ben. Ik vind vogels mooi en interessant, maar ik houd net zo goed van insecten (inmiddels ben ik weg van libellen) of mooie bomen. Als ik al een lijst zou aanleggen, zou het een lijst van mooie gebieden zijn, eventueel van soorten biotopen, maar zeker niet van planten- of dierensoorten. Door mijn deelname aan de excursies de laatste zeven jaar is mijn ‘lijst’ aanmerkelijk langer geworden. Ik heb prachtige nieuwe gebieden ontdekt, waarvan hier een paar hoogtepunten. Soms zijn het letterlijk ‘nieuwe’ gebieden, want er wordt veel natuur aangelegd, vaak als compensatie voor vernietiging ergens anders. Prachtig vond ik het Nuldernauw en Arkemheen, waar we niet alleen de prachtigste kleine zwanen een eenden maar op de valreep ook nog eens een zeearend in de prachtige oude polder van Arkemheen. Heel erg genoten heb ik steeds van de excursies naar het Zuiden van Zuid Holland en naar Zeeland.

 

Daar heb ik kennis gemaakt met prachtige gebieden als de Beninger Slikken, Hellegatsplaten, Korendijkse Slikken en Tiengemeten.  Natuurlijk zijn we ook wel naar Texel geweest, maar eerlijk gezegd ga ik daar liever een week rustig wandelen en af en toe naar vogels kijken dan op één dag met heel veel autoritjes zo veel mogelijk vogelsoorten proberen te zien.

Ik leerde niet alleen veel nieuwe gebieden kennen, maar ook veel nieuwe natuurvrienden met wie ik ook buiten de officiële excursies regelmatig op stap ga, ook om samen natuurfoto’s te maken: vogelfoto’s en landschapsfoto‘s met xxx en libellenfoto’s met xxx, bijvoorbeeld.

Ook heb ik wel een paar nieuwe vogelsoorten leren kennen. Op één van de eerste excursies werd er ‘een Cetti zanger’ geroepen. Ik had daar nog nooit van gehoord. Maar inmiddels is die veel algemener dan vroeger en als je het korte luide liedje één keer bewust gehoord hebt, vergeet je het nooit. Andere nieuwe soorten zijn verschillende steltlopers (zoals groenpootruiter of oeverloper), diverse zangvogels (zoals zwartkop, tuinfluiter, grasmus) en verschillende kleine rietvogeltjes zoals het baardmannetje of de blauwborst. De vogels uit mijn NJN-tijd ben ik natuurlijk weer steeds tegengekomen zoals alle eendensoorten, wulpen, grutto’s en reigers. Soorten die vroeger schaars waren, zoals krakeend of zilverreiger, zijn in de tussentijd wel veel algemener geworden. Een soortenlijst zal ik nooit aanleggen, maar als ik die zou hebben, was die nu wel iets langer nu dan toen. Maar wat was nu de mooiste excursie in die zeven jaar? Waarschijnlijk was dat vorig jaar naar Solleveld en het hyacintenbos. Het was letterlijk een prachtige excursie: prachtige kleuren van de bloeiende hyacinten en prachtige muziek van talrijke nachtegalen. En dat in een aangenaam gezelschap van oprechte natuurgenieters. Wat wil je nog meer? https://blog2.rdeman.nl/nachtegaalconcert-op-een-hyacintentapijt/

P.S. Om reden van privacy het ik geen namen in dit verhaal opgenomen, maar hier en daar vervangen door xxx.

Mijn lijst (afgelopen 7 jaar)

Vlak bij huis

  1. Starrevaart, Meeslouwerplas
  2. Katwijk, de puinhoop etc.
  3. Lentevreugd
  4. Ganzenhoek
  5. Meijendel
  6. Panbos, Berkheide
  7. Strengen, Tengnagel
  8. Koudenhoorn
  9. Huys te Warmont
  10. Polders Poelgeest

 

Zuid Holland en Zeeland

  1. Doove Gat
  2. Voorne
  3. Maasvlakte
  4. Strijen
  5. Midden Delfland
  6. Hoekse Waard
  7. Brouwersdam
  8. Plan Tureluur
  9. Staelduinse bos
  10. Kwade Hoek
  11. Beninger Slikken
  12. Eendragtspolder
  13. Korendijkse Slikken
  14. Hellegatsplaten
  15. Midden Delfland
  16. Solleveld
  17. Biesbos
  18. Crezée- en Sophiapolder

Overig Nederland

  1. Waterland
  2. Amsterdamse Waterleidingduinen
  3. IJmuiden
  4. Waver
  5. Willeskop
  6. Leersumse Veld
  7. Oostvaardersveld
  8. Texel
  9. Fochterloërveen
  10. Weerribben

_____

De automatische vogelaar

Het grote 1-april-interview

Eindelijk is die er dan, de volautomatische vogelaar, die ook nog perfecte plaatjes schiet. Hier een interview met, Henk Jansen, directeur van het bedrijf dat nu al bijna de vraag naar het nieuwste natuurspeeltje al niet meer aan kan.

RdM: Vertel eens Henk, hoe heet dat nieuwe product, wat kan het en waarom is er zoveel vraag naar. Maar ook: hoe heb je het uitgevonden?

HJ: dat zijn wel heel veel vragen tegelijk. Mag ik met de laatste beginnen? Hoe vind je zoiets uit? Eigenlijk alleen door goed te kijken wat er in de wereld aan de hand is, waar de ontwikkelingen naar toe gaan, hoe de mens zich ontwikkelt, welke puzzelstukjes je voorbij ziet komen.

AI

Eén puzzelstukje zouden we AI (artificial intelligence) kunnen noemen. Het is niet eens zo lang geleden dat mensen wel eens wat uit hun hoofd leerden. Vroeg je, “wat voor vogel is dat?”, dan antwoordden mensen, als ze het wisten, “ja dat is een vink met die mooie vleugelstreep en dat typische liedje, de vinkenslag”. Als het een moeilijkere vogel was, dan torsten ze een lijvig boekwerk met zich mee en dan vonden ze op bladzijde 223 bijvoorbeeld de kleine plevier, waarbij de oogringetjes een duidelijk verschil lieten zien ten opzichte van de bontbekplevier. Wie werkt tegenwoordig nog zo? Je houdt je telefoon gewoon in de richting van een dier. De camera voedt het beeld in AI-netwerken die zowat het hele internet hebben bestudeerd en meteen kunnen zeggen welk dier er in de camera staat. Een externe microfoon hoort in het bos de hoogste tonen van goudhaantjes die de bejaarde eigenaar van de smartphone al decennia niet gehoord heeft. Op het schermpje verschijnt binnen tiende van een seconde ‘vuurgoudhaantje’.

GIS

Het tweede puzzelstukje kan je aanduiden met de afkorting GIS, geografische informatiesystemen. Er was een tijd dat je had horen zeggen dat er in het bos bij Renkum zwarte spechten zouden zitten. Maar dat is lang geleden. We horen niets meer zeggen. Het staat gewoon op exacte coördinaten van Google Maps of dergelijke software. We vinden onze zeldzaamheden gewoon op waarneming.nl. Wij typen onze wensvogel in en we weten waar we heen moeten, op de meter nauwkeurig. Een fluitje van een cent om een uiterst zeldzame Pallas Boszanger dichtbij huis te vinden, zie hieronder.

DRONE

GERBA: Giga Efficient Remote Birding Application

Hoe ik het derde puzzelstukje moet noemen, weet ik niet precies. Ik gebruik maar het woord DRONE, ons vermogen om met kleine apparaatjes heel flexibel naar alle mogelijke plekken te vliegen, apparaatjes die in opdracht van ons allerlei dingen doen, waarvan wij de resultaten ergens anders kunnen bekijken. Ze zijn ook veel te klein om in of op te gaan zitten. Het zijn vooral onze vliegende ogen en oren op afstand. In de moderne oorlogsvoering hebben de drones het al gewonnen van de tanks. Ook op andere gebieden rukt de drone op en vervangt auto en fiets.

RdM: ja dat klinkt allemaal erg leuk, maar waar heb je het eigenlijk over. Wat voor product ontstaat uit het samenvoegen van die drie puzzelstukjes?

AGD-technologieën

HJ: Heel eenvoudig AI + GIS + DRONE levert AGD-technologieën waarmee wij allerlei verbazingwekkende resultaten kunnen behalen, zonder zelf meer te hoeven kunnen dan de AGD-software te bedienen. Persoonlijke kennis is een begrip uit een ver verleden.  Je kan dit op heel veel manieren implementeren. Ik heb het voorlopig zo gedaan. Ik heb een AGD-implementatie voor sublieme vogelwaarnemingen en sublieme vogelfoto’s gemaakt. We noemen het de GERBA, Giga Efficient Remote Birding Application. Iedereen kan op de bank thuis heel gerieflijk vogels waarnemen en daarbij ook nog natuurfoto’s maken met een bijzonder hoge kans op publicatie in een van de topbladen voor natuurfotografie. De gebruiker hoeft niets van vogels te weten en hoeft ook niet te kunnen fotograferen.

RdM: hoe gaat dat in zijn werk, wat moet de ‘user’ dan precies doen?

Op excursie

HJ: hij of zij hoeft niet zo veel te doen. Eerst moet de gebruiker natuurlijk de software zo kalibreren dat de AI-algoritmes genoeg weten over de voorkeuren en afkeuren van de gebruiker. De technische term voor een vlucht met de drone naar een of ander natuurgebied is een ‘excursie‘. De gebruiker geeft een paar ideeën aan voor een excursie (lengte van de excursie, soorten of hoeveelheden vogels, etc. etc.) of geeft juist de software hierbij veel vrijheid. Hij zet de drone bijvoorbeeld op het balkon en klikt in de software op START. Stel dat de excursie een uur of twee duurt, dan kan de gebruiker rustig twee uur koffie gaan drinken of videospellen spelen. De drone gaat zijn gang wel. De drone vliegt naar een gebied waar de opbrengst hoog lijkt te zijn, bijvoorbeeld omdat er veel spechten tegen de bomen klimmen. De drone raadpleegt voortdurende sites als waarneming.nl en als hij zelf iets onverwachts tegen komt, zendt hij ook nieuwe gegevens naar de waarnemingssites. Hij gebruikt de beste GIS-gegevens die er bestaan en mochten er beperkingen zijn aan het vliegen met drones, dan kan hij besluiten een stukje  te rijden (ook dat kan ons type drone!), als de ondergrond dit toelaat.

Dan komt hij aan bij het eldorado van de bonte, zwarte of groene spechten en als een volleerd fotograaf begint hij plaatjes te schieten: van afzonderlijke spechten, van spechtenparen en spechtenjongen, maar ook van de omgeving, mooie foto’s van de bomen en van het mooie licht dat hier en daar tussen de takken door schijnt.

De GIS-database bevat ook een catalogus van miljoenen mooie bomen en de AI software weet precies hoe een boom bij heersende weersomstandigheden zo gefotografeerd kan worden dat de natuurbladen niet kunnen wachten hem  te publiceren.

Alle foto’s worden direct naar onze centrale computer gestuurd, die alle beoordelingscriteria van de belangrijkste natuurbladen kent: Journal of Wildlife Photography, Lens Magazine, Outdoor Photographer blog en honderden meer. Bovendien is de central computer volledig geïnformeerd over komende fotowedstrijden, de daarbij geldende criteria en de samenstelling van de jury. Niet alleen selecteert de computer dan de veelbelovende foto’s uit de stroom binnenkomend materiaal. Ook zendt hij meteen terugkoppelingsinformatie naar de camera met de opdracht de foto’s toch hier en daar een beetje anders te maken. Als de gebruiker dit op prijs stelt, werkt de computer meteen aan een mooi excursieverslag in de gewenste stijl (kort zakelijk, wetenschappelijk, oubollige verenigingsstijl, romantisch-sentimenteel, etc. etc.) met een selectie van daarbij passende foto’s. De beste foto’s worden ogenblikkelijk ingezonden naar de natuurbladen en de organisatoren van wedstrijden. De gebruiker hoeft niets te doen.

RdM: En zijn de gebruikers nu enthousiast over het resultaat?

HJ: Enthousiasme is een zwak woord. Ze worden bijna overrompeld door hun eigen succes. Een vogelaar uit Barneveld die nog geen keep van een vink weet te onderscheiden, heeft plotseling een waarnemingslijst met beflijsters, raven, kleine bonte spechten en kruisbekken. Een amateurfotograaf uit  Tilburg heeft een serie van 20 foto’s in een leidend internationaal natuurtijdschrift weten te plaatsen! En dit is nog maar het begin. De integratie van AI, GIS en DRONE gaat verder terwijl alle drie de elementen binnenkort tien tot honderd keer zo goed zijn als nu.

Echte mensen

RdM: Wilt u nu zeggen dat uw AGD-implementatie de meer traditionele manieren van vogelen overbodig maakt?

HJ: Natuurlijk! Van die geitenwollensokken-figuren door sterke verrekijkers turend tijdens lange boswandelingen met in hun hand lijvige vogelboeken – het zal niet lang duren of niemand begrijpt meer wat in zulke scènes aan de hand was. Het product dat wij op de markt brengen is voor echte mensen! Echte mensen houden niet van werken. Echte mensen houden niet van leren. Ze houden wel van succes, maar het gros van de mensen heeft daar geen persoonlijke inspanning voor over. Wij begrijpen dat. Onze software begrijpt dat.

Zo vogelden we vroeger: onaangenaam vermoeiend door het vele lopen met de zware apparatuur, vaak koud en winderig en verrassend inefficient. Ook vermoeiend door al het bewuste nadenken. Tegenwoordig laten we denken liever over aan machines die dat sneller en beter doen.

___

Carola’s visioen

Circulaire landbouw

De toekomstvisie van het Nederlandse landbouwbeleid steunt sterk op het begrip ‘kringlooplandbouw’ of ‘circulaire landbouw’. De grondgedachte achter deze vorm van landbouw is dat kringlopen zo veel mogelijk gesloten worden, dat er zo min mogelijk inputs zoals kunstmest worden gebruik en dat er zo goed als geen afval ontstaat.

Circulaire economie als utopie

Circulaire landbouw is een bijzondere uitwerking van ‘circulaire economie’, een visie op een economie waarin geen afval meer overblijft omdat alle afval tenslotte weer grondstof wordt en waar geen andere energie aan het systeem wordt toegevoegd dan zonne-energie. Circulaire economie moet vooral gezien worden als een ideaal, een richting waarin de economie zich zou kunnen ontwikkelen.  Het is duidelijk dat dit ideaal nooit helemaal bereikbaar is, al was het alleen maar om de onmogelijkheid uit alle afvalstoffen weer nuttige grondstoffen te bereiden: onmogelijk omdat dit vrijwel oneindig veel (niet eenvoudig beschikbare) energie zou vergen, de vereiste technologieën ontbreken of er geen markt zal zijn voor de herwonnen grondstoffen. Circulaire economie is geen praktisch realiseerbaar systeem, eerder een utopie die richting kan geven aan een ontwikkeling naar beter gebruik van grondstoffen en energie. Zie hiervoor Lehmann et al., 2023 en de Man, 2023.

Circulaire landbouw

De grote omschakeling

Circulaire landbouw is een dergelijk ideaal. Zoals alle productiesystemen zijn landbouwsystemen per definitie open systemen waarin natuurlijke (zonlicht, water, kooldioxide, zuurstof etc.) en door de mens gemaakte (N, P, K, etc.) inputs in gaan en waar de outputs bestaan uit producten, afvalstoffen en emissies. Alles volledig in kringlopen te brengen, is onmogelijk. Neem bijvoorbeeld bemesting: het is onmogelijk om alle meststoffen met een 100% efficiëntie door de plant te laten opnemen.  Bij stikstof is 60% al heel veel. Dat geldt ook voor organische mest.

Wel beoogt circulaire landbouw een veel beter gebruik te maken van grondstoffen, energie en de bodem. In de visie van het Ministerie wordt de kringlooplandbouw als een ommekeer in de filosofie achter het landbouwsysteem gepresenteerd: “Het moet dus anders: van voortdurende verlaging van de kostprijs van producten naar voortdurende verlaging van het verbruik van grondstoffen. Die omschakeling is mogelijk.”

Verlaging van grondstofgebruik

Circulaire landbouw (kringlooplandbouw) draait in deze visie volledig om de verlaging van het grondstofgebruik. Niet anders dan in het algemene idee van ‘circulaire economie’ gaat het hier dus om het nul terug brengen van afvalstromen door alle materiaalstromen een nuttige functie te geven, zodat ook externe inputs grotendeels onnodig blijken. Voorbeelden zijn:

  • beter gebruik van rest- en nevenproducten uit de akkerbouw als veevoer;
  • beter gebruik van meststoffen uit de veeteelt (eventueel uit huishoudens) in de akkerbouw;
  • beter gebruik van voedselresten (van consumenten, supermarkten, voedingsindustrie) in de veeteelt.

Afstemming tussen ketens: nooit vanzelf

De verwachting is dat door dit betere gebruik van zulke rest- en nevenproducten het gebruik van kunstmest drastisch beperkt kan worden en dat door de toegenomen organische bemesting de bodemkwaliteit met sprongen wordt verbeterd. In de publicaties van politiek en beleid wordt dit eenvoudig zonder streng bewijs aangenomen. De eerste vraag die zich aandient luidt: in hoeverre is het mogelijk in werkelijkheid deze kringlopen zo drastisch te sluiten dat dit soort effecten te bereiken zijn?

Van ‘circulaire economie’ weten we dat dit soort fantasieën zeker met een korreltje zout te nemen zijn. Zij vereisen namelijk (nog afgezien van het energie-argument) in de regel een heel hoge afstemming tussen ketens in verschillende sectoren, een afstemming die vrijwel nooit vanzelf bereikt wordt als er voor de verschillende partijen niet veel winst te behalen is. Als ik de bemesting in de akkerbouw sterker afhankelijk maak van materiaalstromen (mest) uit de veeteelt dan moet ik op die stromen kunnen rekenen. Als ik delen van de veeteelt afhankelijk maak van reststromen uit de landbouw of voedselresten van consumenten of supermarkten, dan moet ik op die stromen kunnen rekenen. Als de verschillende materiaalstromen zich in hetzelfde bedrijf bevinden – zoals in het klassieke gemengde bedrijf – is de afstemming tussen de verschillende stromen relatief eenvoudig, maar als bedrijven afhankelijk worden van reststromen uit andere bedrijven en zelfs andere sectoren, dan wordt het moeilijker. Hoe sterker een systeem van stofstromen naar efficiëntie geoptimaliseerd wordt, hoe minder flexibel het wordt. De verschillende partijen in een ingewikkeld landbouwsysteem handelen op basis van eigen economische prioriteiten en niet op basis van de optimalisatie van het systeem als geheel. Elke speler in zo’n systeem heeft (binnen de beperkingen van wet en regelgeving) de vrijheid om over te schakelen op andere producten of productiemethoden zonder dat hij rekening hoeft te houden met een andere speler die zijn rest- of afvalstoffen wil afnemen. Hij beslist op basis van de markt voor zijn producten en nevenproducten en de kostprijs van zijn inputs. Volledige sluiting van ketens vergt een sturing die in het landbouwsysteem niet bestaat. Daarom is circulaire landbouw, net als ‘circulaire economie’ in het algemeen, een utopisch concept. We mogen ervan uitgaan dat de huidige pogingen op circulaire landbouw over te schakelen op zijn best maar gedeeltelijk zullen lukken.

Mocht het toch lukken alle ketens optimaal op elkaar af te stemmen, dan ontstaat daarmee onvermijdelijk een heel kwetsbaar en fragiel systeem. Volledig geoptimaliseerde complexe ketens kunnen nooit robuust zijn. Er hoeft maar één onderdeel weg te vallen en het geoptimaliseerde systeem valt als een kaartenhuis in elkaar. Het is daarom maar beter dat het niet zal lukken.

Overdreven verwachtingen

Toch zijn de door politiek en overheid geformuleerde verwachtingen aan de zegeningen van circulaire landbouw niet bescheiden. We komen onder meer de volgende verwachtingen tegen:

  • De milieukwaliteit van de landbouw verbetert met sprongen, vooral door de kwalitatieve verhoging van de bodemkwaliteit (meer organische bemesting, minder kunstmest). De emissies van de landbouw (bijvoorbeeld de ammoniakemissies van de veestapel) nemen sterk af. De nu negatieve trend in de ontwikkeling van de biodiversiteit wordt omgekeerd.
  • Het is mogelijk de trend in de landbouw om te buigen naar een drastische vermindering van grondstoffen.
  • Daarbij zal in de toekomst de boer een beter inkomen hebben op basis van betere producten met minder milieubelasting. Er zal vanuit de banken etc. een betere financiering van het boerenbedrijf gerealiseerd worden.
  • Circulaire landbouw kan de productiviteit van de landbouw sterk verhogen en daarmee een bijdrage leveren aan de voedselzekerheid in de wereld. Een filmpje op de website van WUR (2018) beweert dat de productiviteit met 70% omhoog kan!

Geen van deze verwachtingen wordt hard gemaakt. Natuurlijk zijn er argumenten die delen van deze uitspraken ondersteunen: als het bemestingsregime verandert naar minder kunstmest en beter gebruik van dierlijke mest en andere organische bestanddelen, dan kan een positief effect op de natuur wel verwacht worden, maar dit is geenszins zeker omdat natuurkwaliteit nog van veel meer zaken afhankelijk is. Of de in deze visie veranderde landbouwsystemen voldoende goed voedsel tegen de juiste prijs produceren voor de consument en tegelijkertijd de boeren een acceptabel inkomen leveren, wordt nergens bewezen. Ook de gigantische productiviteitsverhoging wordt gewoon beweerd zonder goede onderbouwing. Alles wordt eenvoudig zonder goede argumentatie aangenomen. Er zijn natuurlijk ook goede redeneringen mogelijk waarom de voorgestane landbouwrevolutie tot lagere opbrengsten zou kunnen leiden. Voorlopig lijkt er een markt te zijn voor overdreven optimistische verhalen zonder stevige onderbouwing.

Het visioen van Carola

Het Nederlandse beleid richting circulaire landbouw werd een aantal jaren terug geformuleerd door Minister Carola Schouten, niet op basis van een uitgewerkt plan, maar op basis van een grootse visie op hoofdlijnen.

In het Duits heet ‘een visie’ ‘eine Vision’. Daar gebruikt men het zelfde woord voor ‘een visioen’. Beroemd is de uitspraak van oud-bondskanselier Helmut Schmidt: “Wer Visionen hat, sollte zum Artzt gehen” (Wie visioenen heeft, zou naar de dokter moeten gaan). Hij schijnt dat gezegd te hebben toen zijn partij een breedsprakige toekomstvisie had ontwikkeld, een toekomstvisioen dus.

Het visioen van Carola Schouten combineert een zo grote hoeveelheid vaagheid met zulke overdreven pretenties, dat je ook aan een doorverwijzing naar een specialist zou denken.

Veelbelovend

Het stuk is nergens concreet, maar belooft heel veel. Het belooft vooral dat een overgang naar die zogenaamde kringlooplandbouw niet één maar honderd problemen zal oplossen. De oplossing is min of meer duidelijk (‘kringlopen sluiten’) maar de problemen worden niet echt expliciet genoemd. Of deze oplossing de genoemde problemen zal oplossen, moeten we maar aannemen. Zo passeren bijvoorbeeld de volgende thema’s: voedselveiligheid, aanpassing aan klimaatverandering, voedselverspilling, inkomensproblemen van boeren, biodiversiteit, concurrentiekracht van de Nederlandse landbouw en nog veel meer. Kringlooplandbouw lost de problemen op. Hoe? Daar moet je naar raden.

In de visie zelf lezen we dat de visie uit hoofdlijnen bestaat en dus verder uitgewerkt dient te worden in samenspraak met de verschillende partijen. Naar aanleiding van gesprekken met verschillende partijen heeft de Minister alle vertrouwen en de maatschappelijke acceptatie van haar visioen:

“De visie op hoofdlijnen die in deze nota is opgeschreven, is het resultaat van gesprekken met vele betrokkenen. Kringlooplandbouw was ook een centraal thema aan de Klimaattafel over landbouw en landgebruik. Het kabinet heeft hieruit het vertrouwen gekregen dat voor kringlooplandbouw een solide basis bestaat in de sector en de samenleving.”

Maar wat betekent dat? Misschien betekent het dat er een zekere overeenstemming is over het doel kringlopen te sluiten, maar niemand weet nog wat dit gaat betekenen voor de zaken die voor de afzonderlijke spelers werkelijk van belang zijn zoals inkomen van boeren, voedselprijzen en markten voor voedsel en grondstoffen. Hebben we het daarover, dan zal de basis wel wat smaller zijn dan de Minister veronderstelt.

Literatuur

Harry Lehmann, Christoph Hinske, Victoire de Margerie, Aneta, Slaveikova Nikolova, The Impossibilities of the Circular Economy, Routledge, 2023
https://www.taylorfrancis.com/books/oa-edit/10.4324/9781003244196/impossibilities-circular-economy-harry-lehmann-christoph-hinske-victoire-de-margerie-aneta-slaveikova-nikolova

Reinier de Man, Circularity Dreams: denying physical realities, in Lehmann et al. 2023, p. 3-10.

Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden – Nederland als koploper in kringlooplandbouw, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, September 2018 https://web.archive.org/web/20200929231232/https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/beleidsnota-s/2018/09/08/visie-landbouw-natuur-en-voedsel-waardevol-en-verbonden/visie-landbouw-natuur-en-voedsel-waardevol-en-verbonden.pdf

Kringlooplandbouw: een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouw, Wageningen University & Research, 8 september 2018. https://www.wur.nl/nl/show-longread/kringlooplandbouw-een-nieuw-perspectief-voor-de-nederlandse-landbouw.htm  Hierin een filmpje met de titel Met kringlooplandbouw 70% meer voedsel produceren: https://youtu.be/bPqLiYKzYMg

____

Eerdere blogs over verwante onderwerpen:

Terug naar de cultuur over het belang van boerennatuur

Liegen voor de gezelligheid over circulaire economie

Natuurlijk vanzelfsprekend over natuurbescherming en het behoud van soorten

____

Wulpen tellen

Slaapplaatstelling

Op een avond op het eind van februari heb ik Petra verleid om een keer mee te gaan met wulpen tellen in de Munnikenpolder. We staan er ruim een half uur voor zonsondergang. Het is vervelend koud. Petra helpt me eerst even de grutto’s te tellen. Er staan er al honderd in het water. Bij het late middaglicht zonder telescoop kan ik de  IJslandse niet van de gewone soort onderscheiden. Ik probeer het ook maar niet. Er zitten hier en daar groepjes scholeksters en er vliegen af en toe wat kieviten. Eerst landen er een paar wulpen niet ver van de scholeksters en grutto’s. Een tijdje gebeurt er niet veel. Dan opeens wordt het menens. Iets voor zonsondergang vallen er groepen van honderd of meer wulpen uit de lucht.

Op een bepaald moment komt er al een tweede groep als ik de eerste nog niet genoteerd heb. Snel gaat de teller van 300 naar 600 naar 1000 en meer. Ik reken het niet eens meer uit. Ik kijk thuis wel naar mijn notities. Het blijft een bijzondere ervaring: gigantische hoeveelheden wulpen dwarrelen naar beneden. Een collega vogelaar helpt ons nog met de registratie van de aanvliegende wulpenwolken. In de plas neemt het vriendelijke wulpengeluid voortdurend toe in sterkte. Op de achtergrond maakt het verkeer voortdurend dezelfde geluiden: autobanden op beton, ronkende vrachtwagens, optrekkende motorfietsen en af en toe een sirene van hulpdiensten. De rode verlichting van het benzinestation wordt steeds beter zichtbaar tegen de steeds donkerdere lucht. Van de molens in de polder blijven tenslotte alleen silhouetten over, waar af en toe zwermen wulpen langs vliegen. Iets na zonsondergang – er zijn misschien 20 minuten voorbij sinds de eerste zwerm – wordt alles rustig met uitzondering van het verkeerslawaai van de A4.  Eindresultaat 100 grutto’s, 1650 wulpen (topresultaat), 160 scholeksters en 85 kieviten. Kemphanen waren er ook deze avond niet bij. Die komen misschien nog.

Twee groepen wulpen

Voordat ik vorig jaar met de slaapplaatstelling begon, kende ik grote troepen wulpen alleen van Texel. In de winter zag ik duizenden wulpen bij de Schorren en bij de verschillende plasjes achter de hoge waddendijk, bijvoorbeeld bij Dijkmanshuizen.

Tijdens de slaapplaatsentelling tellen we wulpen die een tussenlanding maken op hun reis van hun overwinteringsgebied (Zuidwest Europa, Engeland) naar hun broedgebied in Duitsland, Skandinavië en Rusland. Een enkele wulp gaat in Nederland broeden, maar dat zijn er helaas niet veel meer, totaal niet veel meer dan 4000 paren. Oorspronkelijk broedden de Nederlandse wulpen in heide- en duingebieden, maar daar zijn ze weggetrokken richting landbouwgronden, waar ze nu sterk bedreigd worden door de effecten van intensivering van de landbouw.

 

 

Een kleine terugblik: 1904

Samen met de andere weidevogels kievit, grutto, scholekster, tureluur, kluut en kemphaan vormt de wulp het zevental van de ‘gewone’ Nederlandse weidevogels.  In het ‘Vogeljaar’ (1904) schrijf de bekende Jac. P. Thijsse:

"De lucht is vol van leeuwerikenzang en 't riet weergalmt van rietzangers en karekieten. Maar boven alles uit klinkt het geroep en gejodel van de kleine steltloopers, van kievit en tureluur, grutto en scholekster.  Voeg hierbij nog de wulp, de kemphaan en de kluit, dan hebt ge een zevental vogels van den eersten rang, vogels, die ieder Nederlander behoort te kennen, want zij bevolken niet alleen onze weilanden in de polders, maar ook in de duinen en op de hooge hei moet gij ze ontmoeten: overal waar maar uitgestrekte, vochtige plekken in hun levensonderhoud kunnen voorzien."

Uit: Het Vogeljaar (1904)

Helaas klopt het door de oude Thijsse geschilderde beeld niet meer helemaal. Die uitgestrekte vochtige plekken zijn zeldzaam geworden en in veel  weilanden en polders klinkt het ‘gejodel’ niet meer. Dat is natuurlijk de trieste achtergrond van onze tel-expedities.  Eens was de wulp een uiterst algemene vogel en stond bij menigeen als lekker wild op het menu.

Een kleine terugblik: 1800

Het is in dit verband wel eens leuk om de eerste serieuze vogelgids van Nederland te raadplegen: de Nederlandsche Vogelen van honderd jaar vóór de uitgave van het Vogeljaar. De eerste pagina van de tekst van het verhaal over de wulp heb ik hieronder weergegeven. In dit rond de wisseling tussen de 18e en 19e eeuw uitgegeven werk wordt de wulp een ‘graeuwe wulp’ genoemd met de niet helemaal juiste naam Numerius major.  De juiste naam is Numerius arquata. Merkwaardig genoeg gebruikt een belangrijke bron van dit vogelboek, het in het Latijn geschreven De Avibus van Gesneri uit 1551 (!) wel de juiste naam. In de tweede alinea van het onderstaande verhaal maakt Nozeman het wel heel bont, als hij in een voetnoot bij de Kievitverwige Wulp naar de  zwarte Ibis verwijst in hetzelfde De Avibus. Een Ibis is nooit een wulp geweest, ook niet in 1800. Met de ‘kleinste der drie soorten’ bedoelt hij zeker de regenwulp, toen blijkbaar ook slijkwulp genoemd.

Noot: de tekening in het peperdure boek van Nozeman & Sepp is ronduit slecht. Een App als Obsidentify twijfelt tussen ‘grutto’en  ‘beflijster’. Beter gaat het bij die oude prent van Gesneri: daar geeft de App ‘wulp’ met een kans van 96%.

Op de volgende bladzijde, hieronder niet weergegeven, staat onder ‘AENTEKENINGEN’ nog het volgende vermeld:  “Van der Wulpen vleesch wordt by sommigen zeer veel werks gemaekt, en men moet het, zeker, onder het smakelykst wild gevogelte tellen, wanneer de vogels niet boven het jaer oud zyn”. Goed om te weten: geen oude wulpen serveren!

Eerste pagina van: GRAEUWE WULP in Nozeman en Sepp, Nederlandsche Vogelen (1770-1829)

Aen onze Riviermonden, op de slyken van 't Bergsche Veld; langs onze stranden, en op onze Eilanden, doch nergens, mynes weetens, meer dan op het Koegras (omstreeks de Helder,) op Wieringen, en aen de Wieringer waerdt, ontmoet men deeze Vogelen. lk kenne van dezelve drie onderscheidene soorten, waer van 'er twee in grootte elkanderen omtrent evenaeren, hoewel zy zeer aenmerklyk de eene van de andere in koleursel van gevederte verschillende zyn; en waer van de derde merklyk kleiner dan deeze twee van gestalte is, koomende anders deeze kleinste in koleuren nae genoeg over een met den gewoonen of Graeuwen Wulp, van welken de nevenstaende Plaet de afbeelding geeft.

De Kleinste der drie soorten van WULPEN is de SCOLOPAX, Phaeopus, van LINNÆUS ... , en de FALCATOR, Numenius minor van KLEIN. Sommigen geeven aen deeze soort den naem van Slykwulp, ofschoon zy niet meerder dan de twee grootere soorten aen de Slyken, Plaeten en Ondiepten gehecht is. De zeldzaemst voorkoomende van de drie is de Bruin-Groene of Kievitverwige Wulp; van den welken wy hierom, als van een' min bekenden Vogel, eene afzonderlyke Plaet en Beschryving zullen geeven; besluitende ik, dat hy, schoon een zeldzaemer, echter zoowel als de anderen een Vaderlandsch voorwerp is, omdat hy ter zelfder tyden, in het voorjaer, in den zomer, en in den herfst, met en onder de graeuwe Wulpen vliegende, en aen de slyken en stranden huishoudende, gevonden wordt.

Alle drie de soorten zyn naementlyk meest bepaeld aen deeze ondiepe plaetsen; als op en in dewelken zy gewoon zyn gereedelyk genoeg het leevens onderhoud te vinden. 
Zy aezen op de Pieren en andere zee-insekten, op kleine Wulken en Aliekruiken, en op allerleye dungeschelpte Mosseltjens en Schelpvisschen, van de welken de ZUIDER-ZEE, inzonderheid, eene zeer ruime voorraed oplevert.

Geraeken de Wulpen, by storm en hooge vloeden, meer binnenslands, dan lyden zy, aen de moerassen, dobben, en slootkanten geen gebrek; Want de Waterslekken, Bloedzuigers, Kikvorschen, en allerlye gewormte, welken zy aldaer aentreffen, strekken hun tot voedsel; waerop zy nogtans zoo niet verlekkerd worden , dat zy vergeeten, de buijen voor hun gunstiger bedaerende, wêer buiten af te trekken, om aen de slyken der riviermonden en by de zeekanten hun verblyf te gaen houden. Eens heb ik ze, by harden wind, in verbaezende menigte samengeschoold aengetroffen aen de schier nooit bezochte Dobben midden in dat breeduitgestrekte Duin achter Schorel; en zy koomen, in zulke zelfde ge!eegenheden, meermae!en in eenig aental op de landen van de Wieringerwaerdt en Zype. Ook vindt men hen, doch schaerscher , by ruuw weeder en in den herfst, tot in het hart' van Zuid-Holland. Hunne aftocht naer binnenslands heeft, misschien, de aenleiding gegeeven tot het houden van deeze Vogelen voor eene soort van Onwêer- of Storm-Wyzers; even gelyk ook de samenrchooling van de Zee-Meeuwen binnen in onze polderen voor een' voorbode wordt aengezien van harden Wind en sleght weeder.

Wonderlyk welgeschikt is het gestel der WULPEN naer hunnen verordenden Leevensstaet. Zy zyn niet alleenlyk eene soort van STELTLOOPERS, bekwaem om zonder hinder genoegzaem te kunnen waeden, ten einde van onder het water op kleine diepten hun aes te loopen ophae!en; maer hunne Nebben zyn ook sterk en zeer lang, en als eene zeissen voorwaerts over geboogen, opdat zy des te gemaklyker den door het water toegeslagen grond zouden kunnen openbreeken, en alzoo alle soort van aes, die kort onder des gronds oppervlakte zit opgeschoolen, van daer mogen haelen. Zij zun in dit geval by hetgeen de vermaerde en eveneens gebekte IBIS vogelen zijn in Egypten. Zeer vaerdig weeten zy , by versch-opgeworpen hoopjens, de Pieren, en de kleine, luchtbellen uitgeevende, ronde gaetjens op de Slyken en Banken, de schelpvischjens te betrappen. Dit uitgeeven naementlyk van luchtbelletjens weeten zy een teken te zyn, dat 'er leevend aes voor hun onder de oppervlakte schuilt, waerom zy 'er (blyven ze ongestoord) niet van daen zullen vliegen, voor en al eer zy tot in de verblyfkamer zelf van 't diertje doorgedrongen zyn, waer toe de sterkte en lengte hun' kromgeboogen bek hun wonder wel te stade komt.

Op de stranden ook blykt hunne vaerdigheid, by 't omhaelen van aengespoelde Wierhoopen en andere flabben; onder dewelken zeer dikwils eene menigte van Zeepissebedden gewoon is zig op te houden: Deezen zyn mede een geliefd aes voor onze Wulpen: Maer zoodrae worden die veelpotige insekten niet gestoord en ontbloot, of zy weeten, halfspringende en in bochten en draeijen voortspoedende, zig in zeer korten tyd t'zoek te maeken: Dan, de Wulpen weeten met genoegzaeme snelheid toetepikken, en 'er een goed gedeelte van te verslinden.

Een paar bronnen

Nederlandsche vogelen van Nozeman en Sepp, op https://www.kb.nl/ontdekken-bewonderen/topstukken/nederlandsche-vogelen#toc-bekijk-nederlandsche-vogelen-online

Conrad Gessner, Historiæ  animalium, rond 1551, hieruit Liber III – De Avibus: https://www.biodiversitylibrary.org/bibliography/125499

Jac. P. Thijsse. Het vogeljaar(1904)
Nederlandsche vogels in hun leven geschetst, de weidevogels op https://www.dbnl.org/tekst/thij015voge01_01/thij015voge01_01_0016.php

SOVON, Wulp – verspreiding en trends, https://stats.sovon.nl/stats/soort/5410

De wulp beter beschermen met geactualiseerde kennis, Vogelbescherming 20 juni 2021, https://www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/de-wulp-beter-beschermen-met-geactualiseerde-kennis

Factsheet Wulp, https://www.vogelbescherming.nl/docs/0423ffa4-3c01-4067-a261-408d46663187.pdf?_ga=2.8085746.1781668092.1623654047-491902239.1596535754

Curlew conservation, RSPB, https://www.rspb.org.uk/birds-and-wildlife/wildlife-guides/bird-a-z/curlew/conservation/

Eerdere blogs:

Campinghaan en wulpenslurf april 2022

Voor donker naar bed februari 2022