Natuurexcursie van de KNNV Vogelwerkgroep Leiden naar park Meer en Bosch en de Westduinen op 30 september 2023
Oorspronkelijk gepubliceerd als officieel verslag van de Vogelwerkgroep. In deze versie zijn de namen vervangen door XXX.
In het jaar 1606 kocht de visser Adriaen Maertenszoon van der Voort het visrijke duinmeertje Segmeer. Niet veel later werd er een boerderij gebouwd. In latere jaren trokken steeds meer welgestelden naar dit gebied om er te gaan jagen en te gaan wonen om de benauwde stad te ontvluchten. De boerderij werd verbouwd tot landhuis met koetshuis en schuur en er werden mooie tuinen aangelegd. Meer en Bosch was in de 17e en 18e eeuw een van de landgoederen rond den Haag. Pas aan het begin van de vorige eeuw werd het gebied openbaar toegankelijk en dat is het nog steeds.
Om iets voor zessen liepen wij het mooie park in. In het laatste daglicht liepen we door de prachtige lanen met hoge bomen waarvan de takken mooi tegen de nog lichte lucht afstaken.
In Park Meer en Bosch
Zwavelzwam
Onze hoop was gevestigd op uilen, spechten, andere vogels en vleermuizen. We genoten van de mooie sfeer op deze zomeravond in de herfst. We hoorden meer vogels dan we zagen en naarmate de tijd vorderde, werd het steeds moeilijker nog iets te zien. We zagen onder meer blauwe reigers, kauwtjes, houtduiven, meerkoeten en knobbelzwanen. We hoorden een boomkruiper en een boomklever.
We zouden nog terugkomen in Meer en Bosch maar we wilden ook de Westduinen met een bezoek vereren. Wij liepen erheen langs de Haagse Beek. Die naam klinkt idyllischer dan de werkelijkheid: die ‘beek’ loopt wel dwars door den Haag met zijn keurige flats en appartementengebouwen. Toch kan je bij die beek allerlei leuks zien.
Even een visje doorslikken
Wij waren getuige van een blauwe reiger die een vrij grote vis ving en daarna in zijn keel liet glijden. Voor wie het nog niet gezien had, herhaalde hij zijn kunstje binnen vijf minuten. Hij ving er nog een, legde hem in de juiste richting in zijn snavel en liet daarna het arme beest levend in een plas maagzuur landen. Beestachtig.
Even later kwamen wij bij aan bij de Westduinen, een prachtig duingebied tussen Kijkduin en Scheveningen, dat maar weinig niet-Hagenaars kennen, ook ik niet. Het gebied had behoorlijk te lijden onder de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, met name door de bouw van bunkers en ondergrondse gangen. De laatste jaren is het gebied aangepakt met grootschalige herstelwerkzaamheden. De bunkers zijn inmiddels een onderdeel van de natuur geworden, een prachtige schuilplaats voor vleermuizen. Het ziet er nu weer schitterend uit, mooi begroeid met duindoorn, teunisbloem en het (invasieve) bezemkruiskruid. Wij konden geen topwaarnemingen van vogels noteren, maar wel van prachtige luchten bij zonsondergang.
De zon gaat onder in de Westduinen
Toen wij weer terugliepen naar Meer en Bosch, was de zon al ondergegaan. Vogels zien was uitgesloten. We konden alleen maar luisteren. Na vrij lang wachten hoorden we dan eindelijk de bosuil, niet het bekende “hoe-hoe” geluid van het mannetje, maar het iets hogere “ke-wik” van het vrouwtje. Het Segmeer van onze visser uit de zeventiende eeuw is er nog steeds. Of er nog vissen zwemmen, weet ik niet, maar er vliegen wel, vlak boven het water, watervleermuizen. XXX speelde hier een onmisbare rol: niet alleen had hij apparatuur meegenomen die de vleermuisgeluidjes hoorbaar maakt (bat detector), maar ook verbaasde hij ons met zijn uitgebreide kennis over dit onderwerp. Hij legde uit hoe de verschillende vleermuizensoorten op verschillende niveaus vliegen (watervleermuizen het laagst, daarboven de dwergvleermuis, etc.) en vertelde wonderlijke feiten over voortplanting, winterslaap en nog veel meer. Met zijn zaklantaarn scheen hij een lichtbundel over het water waar je dan de op de bat detector hoorbare vleermuizen doorheen zag vliegen. Heel veel waren het er niet, maar ze kwamen toch vaak langs tijdens hun vluchten over het water waar ze allerlei kleine insecten vangen. Het zijn kleine dieren die niet veel meer dan 15 gram wegen, maar hun vleugelspanwijdte is toch aanzienlijk: tot bijna 28 cm. Naast de watervleermuis hoorde XXXs apparaatje ook nog een dwergvleermuis (tot 8 gram, vleugelspanwijdte tot 24 cm).
Gezellig zaten we op bankjes bij het Segmeer naar de geluidjes uit de detector te luisteren en naar de verhalen van de deelnemers aan de excursie. Indrukwekkend vond ik het verhaal van XXX, die een keer op die plek had gezongen waarbij de zwanen gingen meezingen. Ik had het wel eens willen horen. Inmiddels was de avond echt gevallen. Met enige moeite liepen we terug naar de parkeerplaats. Een sloot bedekt met kroos lijkt in het donker verdacht veel op een wandelpad, maar niemand is erop gaan lopen. Het was een mooie avond.
Michel Houellebecq, Anéantir, Flammarion, 2022. 735 pagina’s.
Anéantir
Gisteren las ik de laatste 20 pagina’s van het 735 pagina’s tellende boek Anéantir van Houellebecq. Een heel ander boek dan we van hem gewend zijn. Het eerste deel bevat wel de gebruikelijke beschrijvingen van een kapotte samenleving en keiharde kritiek op politieke en economische systemen. Het boek lijkt te gaan over vreemde complotten en aanslagen op containerschepen, spermabanken en belangrijke spelers in de technologische wereld. Het gaat ook over de Franse politiek, met name over de presidentsverkiezingen. Hier maken we kennis met de belangrijkste persoon van het boek, Paul, die samen met zijn vrouw Prudence een luxe appartement bezit maar verder niets met haar deelt: samen eten of slapen doen ze al lang niet meer. Paul werkt voor Bruno, de minister van Economische Zaken, die een belangrijke rol in de verkiezingen van 2027 speelt. Het boek laat, op een typische Houellebecq-manier, de leegte van de politiek, de banaliteit van de politieke adviseurs en de doortraptheid van het machtsspel zien. Veel van deze passages zijn echt humoristisch.
Ziekte, zelfmoord, liefde
Als de vader van Paul een ernstig herseninfarct krijgt en totaal verlamd in een verzorgingstehuis wordt opgenomen verschuift het perspectief van het boek. De lezer maakt kennis met de eigenaardigheden van Pauls familie: zijn traditioneel katholieke zus Cécile, haar man en haar dochter, zijn heel ongelukkig getrouwde jongere broer Aurélien, en met de vriendin van zijn vader. Als de omstandigheden in het verzorgingstehuis zo verslechteren dat de familie bang is dat de vader daar snel zal overlijden, organiseren zij een ontvoering uit het ziekenhuis. Deze gebeurtenissen leiden tot een hernieuwing en versteviging van de familiecontacten en tot grote veranderingen. Het interessants van alles is dat Paul en Prudence een echte liefdesrelatie ontwikkelen. Zij doen voor het eerst sinds jaren weer dingen samen, eerst heel voorzichtig maar al snel delen zij weer hun woon- en slaapkamer. Natuurlijk wordt de uitbundige sex weer in (onnodig) detail beschreven. Aurélien wil scheiden nadat hij een relatie is begonnen met Maryse, de verpleegster uit Bénin die voor zijn vader zorgt. Maryse helpt bij de ontvoering van zijn vader. Dit komt helaas uit. Auréliens vrouw publiceert in een krant het hele verhaal dat ook politieke consequenties dreigt te hebben. Aurélien kan een vlotte scheiding nu wel vergeten en voor zijn vriendin dreigt ontslag. Even later wordt hij hangend aan een balk van het oude familiehuis waar zijn vader verblijft, gevonden. Maryse gaat terug naar Bénin. De familiebanden tussen de vader, Paul, Cécile en Prudence worden steeds sterker. Politiek en terrorisme verdwijnen vrijwel volledig naar de achtergrond.
Afscheid
Bij Paul wordt bij een bezoek aan de tandarts een kwaadaardig gezwel ontdekt. Het vervolg van het verhaal is een beschrijving van onderzoeken en behandelingen met heel veel details over MRI-scans, chemotherapie en immuuntherapie en chirurgie. Hij weigert een rigoureuze operatie waarbij hij ook zijn tong zou verliezen. Alles gaat nu naar het onvermijdelijke einde van zijn leven. Er is geen redding meer mogelijk. Zijn relatie met Prudence wordt elke dag intenser en ook ontstaat er veel warmte tussen zijn zus en hem. Nog één keer rijdt zij hem (hij kan niet meer rijden) naar het huis van zijn verlamde vader. Samen met zijn vader zit hij uren naar de ondergaande zon te kijken, maar zegt niets. Zijn vader kan niet praten.
Vernietigen
Terug in Parijs kan hij alleen nog op zijn dood wachten. De titel Anéantir (vernietigen) is misschien wat misleidend. De strekking van het verhaal lijkt toch te zijn, dat hij juist zijn vernietiging heeft kunnen vermijden. Door uit de oppervlakkige buitenwereld van politiek, economie, technologie en terrorisme terug te keren naar de binnenwereld van liefde en geborgenheid in de familie, heeft zijn leven er iets toe gedaan, is hij juist niet ‘vernietigd’. Een lezer op de Franse website babelio.com vat het als volgt goed samen: hoe kan je weerstand bieden aan de definitieve vernietiging?
“Le monde est au bord du gouffre, mais face au vide civilisationnel se reflète aussi un néant existentiel. Le vide fascine. Sur quelle île de compassion se réfugier pour éviter de tomber dedans ? La famille, la foi, l’engagement, la spiritualité, et l’amour toujours. L’amour et la passion. Comment résister à l’anéantissement définitif ? Cela aurait pu s’appeler “Affronter”, ça s’appelle “Anéantir” et c’est un livre plus positif qu’il n’y paraît.” https://www.babelio.com/livres/Houellebecq-Aneantir/1376626#!
Ik vond de beschrijving van de relaties tussen de hoofdpersonen hier en daar erg mooi. Het liefdesverhaal van Aurélien en Maryse is ontroerend net als de beschrijvingen van de ontwikkeling in de verhouding van Paul en Prudence en de intense band tussen hem en zijn verlamde vader. Dat Houellebecq ooit zoiets zou schrijven, had ik nooit vermoed. Maar ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die naar de vroege Houellebecq terugverlangen als ze dit boek lezen en dat ze het schrijven van psychologische romans liever aan anderen overlaten (zoals Bas Heijne, zie hieronder).
Romantisch conservatisme
Je zou kunnen zeggen dat de hoofdpersoon Paul de maatschappijvisie van Houellebecq verwoordt:
Uit eerdere boeken kende ik natuurlijk Houellebecq’s afkeer van de geglobaliseerde neoliberale economie en zijn opvattingen over het verdwijnen van menselijke waarden in een wereld waar alles om eigenbelang draait, goed samengevat door Paul in deze passage van het boek:
“La doxa libérale persistait à ignorer le problème, tout emplie de sa croyance naïve que l’appât du gain pouvait se substituer à toute autre motivation humaine, et pouvait fournir à lui seul l’énergie mentale nécessaire au maintien d’une organisation sociale complexe. De toute évidence c’était faux, et il paraissait évident à Paul que l’ensemble du système allait s’effondrer dans un gigantesque collapsus … … .” (p. 539)
Ik kan het best eens zijn met een veel van zijn constateringen maar ik zie niet duidelijk welk alternatief hij er tegenover stelt en voor zover ik het wel zie, word ik ook daar niet blij van. In Sérotonine (zie mijn eerdere blog) schildert hij de verloedering van het platte land in Normandië en lijkt romantisch terug te verlangen naar de gezonde menselijke verhoudingen in de traditionele samenleving, die door het neoliberalisme kapot gemaakt is. Over die verhoudingen heb ik mijn twijfels. In dit laatste boek proberen de verschillende personen op hun eigen manier iets van spiritualiteit terug te vinden. De atheïst Paul steekt af en toe een kaarsje aan in de kerk, zijn vrouw vlucht in de bedenkelijke wereld van het Wicca-geloof, terwijl het leven zijn zus Cécile door ultra-conservatief katholicisme wordt beheerst. Houellebecq gebruikt zijn boek als spreekbuis voor zijn eigen bedenkingen tegen euthanasie. Het romantische conservatisme in zijn boeken staat mij tegen. Vluchten in traditionele samenlevingsvormen of in vage spiritualiteit is geen oplossing voor de reële problemen die hij aan de orde stelt.
Boekbesprekingen
Henk Pröpper, Houellebecq slaagt erin de werkelijkheid geheel te omarmen 20 januari 2022, https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/houellebecq-slaagt-erin-de-werkelijkheid-geheel-te-omarmen~ba818768/
Ik ben het eens met wat Pröpper in deze bespreking schrijft: “De passages waarin Houellebecq Pauls ouderlijk huis en de familierelaties schetst, zijn van grote schoonheid en relevantie. Hij toont mensen elk met hun eigen eigenaardigheden en soms onbegrijpelijke beslissingen. Ook waar spreken onmogelijk blijkt, is een hoge vorm van vertrouwelijkheid mogelijk. In de beschrijvingen van het contact met Pauls vader gaat Houellebecq ver voorbij de vervreemding van de moderne wereld, en tast hij naar het eigene en intieme, daar waar mensen elkaar woordeloos aanraken. Van de lawaaiige buitenwereld naar een kwetsbare binnenwereld: dat is een opzienbarende stap in zijn oeuvre.”
In de boekbespreking in de NRC wordt benadrukt dat het boek toch het centrale thema van Houellebecq behandelt: het onvermogen van de liberale wereld de mens zingeving te verschaffen:
“Het maakt anéantir tot een Houellebecq-slow, met een ambitieuze inzet en een tragisch-romantische visie op de toekomst van onze samenleving, een roman als een zwanenzang, met een ondertoon van compassie. Ook in Houellebecqs eerdere werk loerde de dood, het grote niets, voortdurend om de hoek. Van het begin af aan stonden het typisch Franse ‘miserabilisme’ en ‘declinisme’ hoog in zijn vaandel. Nu staat Magere Hein werkelijk voor de deur, de auteur wordt ook een dagje ouder en zijn lezers met hem. De liberale veronderstelling was ‘dat hebzucht iedere andere menselijke beweegreden kon vervangen’ en zo het ‘complexe sociale systeem’ in stand zou houden. ‘Maar dat was een vergissing.’ Het was gedoemd ineen te storten, met veel geweld en op korte termijn.” nrc.nl/nieuws/2022/01/06/in-de-nieuwe-houellebecq-schuilt-het-ongeluk-in-het-gezin-a4075903
Niet iedereen is overtuigd van de literaire kwaliteiten van Houellebecq’s beschrijvingen van de psychologische verhoudingen tussen de personen in het boek. In een commentaar in de NRC schrijft Bas Heijne:
“Het getuigt van literaire moed dat Houellebecq aan zijn schurende ambivalenties, die zijn eerdere werk zo opwindend maakten, wil ontsnappen. Maar de antwoorden die hij in Vernietigen geeft zijn, op een enkele indrukwekkende passage na, vaak banaal en zelfs sentimenteel. Werkelijke intimiteit blijft op afstand. Vandaar wellicht die depressie, waaruit zijn vrouw hem liefdevol wilde verlossen met wat opbeurende porno.” https://www.nrc.nl/nieuws/2023/03/09/met-vernietigen-probeert-michel-houellebecq-een-psychologische-roman-te-schrijven-a4159034
Ik woon in de Merenwijk Leiden, vlakbij Warmond. Regelmatig maak ik een ommetje naar één van de dichtbij gelegen gebiedjes, die ik pas goed in de Corona-tijd heb leren kennen. Ik ben niet de enige die dit doet en kom vaak dezelfde collega-zwervers tegen. Interessant zijn mijn ontmoetingen met Benjamin Teensma, oud-hoogleraar Portugees, geboren in 1932. Wij hebben dan leuke gesprekken, bijvoorbeeld over zijn vader die de oude Jac. P. Thijsse persoonlijk kende. Daarbij citeert hij teksten zoals ik hierboven op de foto van Huys te Warmont heb geplakt. De strekking van die tekst is verwant met het bekende (ook door hem geciteerde ) “Laat niet als dank voor ‘t aangenaam verpoozen, den eigenaar van ‘t bosch de schillen en de doozen!”. De bron van de tekst op de bovenstaande foto heb ik tot nu toe niet kunnen achterhalen. Ik heb hem opgetekend uit de mond van de heer Teensma, het hier wandelende geheugen uit een ver verleden.
Klassenstrijd in het bos
Wel heb ik uitgevonden dat de tekst van vóór mei 1920 moet zijn. In een nogal geïrriteerd commentaar in De Tribune (een blad van socialistische signatuur) van 27 mei 1920 windt de schrijver zich op over dit “laffe burgermansrijmpje”. Hij beschuldigt de grondbezitter van diefstal:
“‘n Poëtische ontboezeming van den grondbezitter om het van Natuur genietend menschdom er aan te helpen herinneren, dat de aarde haar schoon kleed niet draagt voor heel het menschdom, maar voor slechts enkele bevoorrechten, die niettegenstaande zij zich schuldig maakten aan diefstal, het recht behielden om niet alleen vrij-uit te gaan, maar bovendien het door hen geroofde deel van de Natuur-schepping af te sluiten voor de bestolenen.’k Heb zo’n bordje uit den grond gerukt. «Verboden toegang» liet ik ongemoeid. ‘k Wilde m’n kleeren niet scheuren. Het laffe burgermansrijmpje kon ik echter niet laten staan. Kinderachtig? Neen, lezer, woede, opgekropte woede door het telkens er aan herinnerd worden, dat een bezittersklasse het recht is gegeven, mij de schoonste natuurscheppingen te ontnemen.” (De Tribune, 27 mei 1920)
Laat niet als dank …
Tekst en plaat uit 1916
In 1916 schreef de ANWB een prijsvraag uit voor een tekst onder een affiche tegen de verontreiniging van bossen door achtergelaten afval. De winnende tekst is de bekende tekst “Laat niet als dank …”. In de Graafschap-bode (en andere kranten) van 3 maart 1916 is te lezen:
“Op de prijsvraag voor een onderschrift onder de plaat, welke de A.N.W.B. zal uitgeven ter bestrijding van het ontsieren onzer bosschen door vruchtenschillen, eierschalen, boterhampapieren, enz., zijn vrij vele inzendingen gevolgd. De prijs werd toegekend voor: Laat niet, als dank voor ‘t aangenaam verpoozen, Den eigenaar van ‘t bosch de schillen en de doozen.”
Nog in 1916 publiceerde de ANWB een plaat met deze tekst eronder.
Sluikreclame
Niet iedereen was zo blij met die ANWB-plaat. In een artikel uit het Algemeen Handelsblad van 4 augustus 1918 lezen we”:
De plaat uit 1916
“Dichterlijke vermaningen. – De A.N.W.B. wendt zich ook tot het publiek met het verzoek: «Laat niet, als dank voor ‘t aangenaam verpoozen, den eigenaar van het bosch de schillen en de doozen», en het plaatst dit als bijschrift bij een reclameplaat, een saai en suf ding, dat meer heeft van een reclame voor een zeker merk fietsen (al te duidelijk vermeld op de rijwielen, waarop het stijve paar, dat in zoet gevrij onder een paar groote eiken rust, naar het bosch is komen rijden) en van zekere soorten versnaperingen, waarvan de firmanamen eveneens duidelijk op de doozen en flesschen te lezen zijn. … … De vlakke fletskleurige plaat zal weinigen opvallen en dus – helaas – maar weinig dienst doen.”
Moderne plaat met oude tekst
Misschien was de ANWB het wel eens met deze kritiek en liet daarom in 1928 een nieuw affiche ontwerpen, nu door Willy Sluiter.
De opvolger van de plaat uit 1916, was moderner, meer aan de geest van de late jaren 20 aangepast. Het paar op de voorgrond is (voor die tijd) modern gekleed en de de kleuren zijn fel en vrolijk. De tekst uit 1916 was ongewijzigd en zou decennia lang bekend blijven. Wie die tekst geschreven had, bleef voorlopig geheim.
Bestuurslid wint de prijsvraag
Pas in 1930 komen we erachter wie deze tekst verzonnen heeft. In de Telegraaf van 24 december 1930 staat een kort artikeltje met de titel “LAAT NIET ALS DANK VOOR ‘T AANGENAAM VERPOOZEN ….” en ondertitel “Wie de auteur is”. In de vergadering van het algemeen bestuur van de ANWB spreekt de voorzitter waarderende woorden tot de aftredende bestuursleden Slicher en Kraaijenhoff. Hieraan besteedt ook de Kampioen van die maand aandacht. De Telegraaf zegt hierover:
“De Kampioen herinnert bovendien aan Slichter’s medewerking aan dat blad en verklapt een klein geheim, door hem aan te wijzen als den auteur van het gevleugelde woord:«Laat niet, als dank….. ….. … doozen», … ... .”
Ik vraag me wel af, of het er bij de prijsvraag van 1916 eerlijk aan toe gegaan is. Volgens mijn informatie was Jacob Hendrik Slicher (1863-1938) van 1896 tot 1930 bestuurslid van de ANWB en vanaf 1901 eerste secretaris. Als dat klopt, zat Slicher al twintig jaar in het bestuur van de ANWB toen zijn inzending werd uitgekozen voor de affiche van 1916. Eerlijk of niet, zijn tekst werd een succes en nog steeds kennen veel mensen deze meer dan honderd jaar oude woorden uit hun hoofd.
Noten
‘t Geboomt
In een berichtje uit de Haarlemsche Courant van 6 juli 1928 staat de tekst:
“‘t Geboomt, ‘t gebloemt, dat gij hier ziet,
Behoort aan anderen, aan u niet.
Laat vrij uw oog langs alles gaan,
Maar wil er nooit de hand aan slaan.”
Van Benjamin Teensma had ik begrepen: “… uw oog over alles gaan” en “Doch wilt er niet de hand aan slaan”. Kleine verschillen.
Laat niet als dank …
Klassenstrijd
De achtergrond van dit soort rijmpjes was niet in de eerste plaats natuurbehoud maar de behartiging van de belangen van grondeigenaren. In die zin had de verbale woede-uitbarsting van de socialist in de Tribune wel een reële achtergrond. Op de website van de ANWB lezen we:
“Tijdens de aanleg van rijwielpaden en bij het uitzetten van langeafstandswandelpaden kreeg de ANWB namelijk klachten van eigenaren van landgoederen en bossen. Ze waren boos dat toeristen papier, blikjes, dozen en flessen achterlieten. Grondeigenaren waren bang dat wanneer ze meer toeristen zouden toelaten, hun terreinen ernstig vervuild zouden raken.” https://www.anwb.nl/over-anwb/geschiedenis/laat-niet-als-dank—actie-zwerfvuil
De ANWB-plaat van 1939
Een nieuwere plaat
De ANWB bleef vernieuwen. In 1939 zijn de fellere kleuren behouden, maar ligt het afval weer op de voorgrond zoals in 1916. Het modieuze paar is vervangen door een gezin op de achtergrond.
Rijmpjes in Duitsland
Rijmpjes om de recreant aan te sporen zijn afval op te ruimen, waren niet alleen in Nederland, maar ook in Duitsland populair aan het begin van de vorige eeuw, bijvoorbeeld:
“Was im Stube gilt als simpel Brauch, behalt das fest im Walde auch. Lass niemals auf den Boden fallen Papier, Orangen, Eierschalen. Halt rein und sauber das Waldlokal, So seid ihr willkommen allzumal.”
(uit Algemeen Handelsblad, 4 augustus 1916)
Oude kranten
Bij mijn zoektocht naar de oorsprong van de door Teensma geciteerde teksten heb ik dankbaar gebruik gemaakt van oude kranten die allemaal gedigitaliseerd (en doorzoekbaar) op https://www.delpher.nl/ staan. Ook heb ik gebruik gemaakt van ‘Het Geheugen’, een uitgebreid archief van oude plaatjes op dat zelfde delpher: https://geheugen.delpher.nl/nl
In januari van dit jaar schreef ik een blog over het tweede deel van de Morgenster-trilogie van Knausgård, Ulvene fra Evighetens Skog. Ik was niet helemaal overtuigd van dit boek en schreef: “Hij schijnt nog een afsluiting in voorbereiding te hebben. Het wordt dus een trilogie. Afwachten dan maar hoeveel pagina’s het zullen zijn.” Deze zomer kreeg ik van mijn zoon Hans het inmiddels verschenen derde deel, 483 pagina’s. Gisteren las ik het uit. Ik vond het een mooi boek. Het speelt in dezelfde dagen als de eerste twee delen en alle personen in deel 3 waren al in boek 1 en boek 2 ten tonele gevoerd. Nu worden dezelfde gebeurtenissen vaak door de ogen van andere personen waargenomen en zijn niet echt meer dezelfde gebeurtenissen.
Tove komt uit de coulissen
Nu laat Knausgård Tove, de vrouw van Arne, een van de belangrijkste hoofdpersonen van het eerste deel, zelf aan het woord. Zij beschrijft een aantal dagen vóór het begin van Morgenstjernen en maakt de lezer deelgenoot van haar psychoses die haar isoleren van haar kinderen en haar man. Ook beschrijft zij in detail haar worsteling met haar schilderkunst. Beklemmende passages beschrijven de visioenen die zij op het dieptepunt van haar aanvallen heeft.
Line en Valdemar
Personen met schijnbaar onbelangrijke bijrollen in het eerste deel worden plotseling hoofdpersoon. Gebeurtenissen uit het eerste deel komen soms in een heel ander daglicht te staan. In het eerste boek maken we Solveig mee, hoofdverpleegster in het ziekenhuis waar de hersendode Ramsvik plotseling tot leven komt. Solveig wordt daar opgebeld door haar dochter Line, die onverwacht een paar dagen wil komen logeren om daar voor een examen te studeren. Het telefoongesprek in Morgenstjernen vinden we letterlijk terug in Det Tredje Riket, met een belangrijk verschil dat nu Line aan het woord is. De lezer kent nu de werkelijke voorgeschiedenis van dit gesprek en is op de hoogte is van de onuitgesproken irritaties die de moeder bij Line teweeg brengt. We weten nu dat de negentienjarige Line een charismatische zanger in een wonderlijke hard-metalband ontmoet heeft en dat er tijdens een concert in Zweden een relatie met deze vreemde Valdemar ontstaan is. Als zij even later bij haar moeder aankomt, weet zij inmiddels dat zij zwanger is en dat ze het wil kind behouden. Zodra je dat weet, lees je het hoofdstuk in het eerste boek heel anders. De liefdesgeschiedenis tussen de naïeve (en intelligente) Line en de vreemde (en misschien gevaarlijke?) Valdemar is misschien één van de mooiste stukken van het boek.
Door de ogen van Gaute
In het eerste boek zien we hoe dominee Kathrine 0p weg naar huis besluit in een hotel te gaan overnachten en hoe haar man Gaute haar ervan verdenkt met een andere man geslapen te hebben, zeker als hij een zwangerschapstest in haar tasje vindt. Zij ontkent alles en eist absoluut vertrouwen. Dit zelfde verhaal komt nog eens in het derde deel, maar dan door de ogen van Gaute. Het is toch niet hetzelfde verhaal.
Geir en de duivel
De ‘detective’-geschiedenis uit het eerste deel, de driedubbele moord op de leden van een ultrarechtse hard-metalband en de rol van het overlevende lid Jesper komt natuurlijk ook in het derde deel niet tot een duidelijke conclusie. Journalist Jostein ligt nog steeds in coma, maar nu probeert detective Geir de zaak op te lossen. Tussen de bedrijven door lezen we over het onoprechte dubbelleven van Geir. Zijn vriendin weet niet eens dat hij getrouwd is. Geir houdt interviews met degenen die Jesper voor het laatst gezien hebben en bestudeert films die de band van zichzelf heeft opgenomen. Op die films meent hij de schim van de duivel zelf te ontwaren. Als hij later Kathrine vraagt naar het standpunt van de Noorse kerk over het bestaan van de duivel, heeft zij weinig zin hem te helpen.
Hoofdpersoon Syvert
De onbetwiste hoofdpersoon uit het tweede boek, begrafenisondernemer Syvert, speelt ook hier weer een centrale rol. Ook hier komen we pagina’s lange beschrijvingen van allerlei triviale gebeurtenissen tegen. Nu vond ik deze lange beschrijvingen niet altijd goed te verteren en gaf toen toch de voorkeur aan de meer filosofische en abstracte beschrijvingen (met alle verwijzingen naar Bijbelteksten en filosofen) in de tweede helft van het tweede boek. Daarmee is de literatuurcriticus Marius Emanualsen het niet echt eens:
“For meg var Syvert Løyning noe av en genistrek. Han var, kort sagt, det som skulle til for at jeg igjen skulle klare å forelske meg i Karl Ove Knausgård. Hadde Knausgård skrevet fire hundre sider til om Syvert, der han prøvde ut nye fiskeoppskrifter, og tenkte på nakne jenter, ville jeg vært all in. Syvert Løyning illustrerte ikke en døyt. Han var bare Syvert – fra minutt til minutt. Det var mer enn nok, og akkurat det denne idéspekkede apokalypsen trengte for å finne en sårt tiltrengt likevekt.”*)
In het tweede boek heeft Syvert zijn halfzus in Moskou gevonden en ontmoet. Zij zal hem nu in Noorwegen opzoeken. Hij besluit dit niet direct aan zijn moeder te vertellen. Als hij terloops tegen haar opmerkt dat in het oude paspoort van zijn vader veel visa voor Rusland staan, ontkent zij alles: “hij is daar nooit geweest”. Als een paar dagen later een oudere man hem schrijft dat hij met hem over een belangrijke zaak wil praten, is hij nog even bang dat hij er ook nog een halfbroer bij krijgt, maar het is de bekende architect Helge, die aan het begin van het tweede boek bekent dat hij als zestienjarige heeft gezien hoe de auto van Syverts vader in het water reed en toen de politie niet had gewaarschuwd. Had hij dat wel gedaan, dan had die vader misschien nog geleefd. Helge wil een soort vergiffenis van Syvert, maar het gesprek wordt niets. Syvert is alleen maar geïrriteerd.
De derde dag
Natuurlijk eindigt het boek zonder enige conclusie. Op de derde dag verdwijnt de nieuwe ster. Hoe het verder gaat, weten we niet.
Is het een goed boek?
Ik vond het een goed boek om te lezen, maar zonder de eerste twee boekdelen zou het niet veel waard zijn geweest. Het verwijst voortdurend naar zaken die de lezer al uit de eerdere duizend pagina’s weet. Dit boek is niet overladen met intellectuele hersenspinsels. Er staan nauwelijks verwijzingen naar de Bijbel in (afgezien van een tekst uit Leviticus) en naar grote filosofen zoeken we te vergeefs. De morgenster zelf en de vreemde gebeurtenissen sinds het verschijnen daarvan krijgen veel minder aandacht, maar de mensen en hun onderlinge verhoudingen komen beter uit de verf. Weer staat het boek vol minutieuze weergaven van banale gesprekken en beschrijvingen van triviale handelingen. Als ergens in detail beschreven wordt hoe iemand een snoepje uit het lastige snoeppapiertje haalt, denk ik soms: nu weet ik wel genoeg. Maar dit is Knausgård. Als je hier niet van houdt, moet je boeken van een andere schrijver gaan lezen. Met de geciteerde Noorse literatuurcriticus Emanuelsen ben ik het wel eens dat dit boek evenwichtiger en overtuigender is dan boek 2 met zijn overmaat aan abstract-filosofische gedachten. Toch mis ik passages zoals Vasilisa’s essay over de geschiedenis van de onsterfelijkheid in Rusland in boek 2 wel een beetje.
Literatuur
Karl Ove Knausgård, Det Tredje Riket, Forlaget Oktober 2023
*) vertaling van het geciteerde Noorse commentaar:
“Voor mij was Syvert Løyning een bijna geniale inval. Hij was, kort gezegd, dat wat er nodig was voordat ik weer in staat zou zijn verliefd te worden op Karl Ove Knausgård. Zou Knausgård nog vierhonderd pagina’s meer over Syvert geschreven hebben, waarin hij nieuwe visrecepten uitprobeerde en zat te denken over naakte meiden, dan zou ik all in zijn. Syvert Løying illustreerde helemaal niets. Hij was alleen maar Syvert – van minuut tot minuut. Dat was meer dan genoeg, en precies datgene dat deze met ideeën overladen apocalyps nodig had om voor een hard nodig tegenwicht te zorgen.”
Grootouders zijn niet helemaal de baas over hun eigen agenda. Zo werden wij op 26 juli verwacht in een uithoek van Denemarken. Daar konden wij van onze kleinzoon Johannes en zijn ouders genieten, precies halverwege de Noorse woonplaats van dit jonge gezin en ons huis in Leiden. Hans had op Eskov strandpark een mooie ruime vakantiewoning gehuurd. We wisten dat dit aan het grote Limfjord in Noord Jutland lag, maar verder hadden wij geen idee van wat je daar zou kunnen doen.
Vette vis, bloemen en mooie kerken
Onze reis naar Denemarken ging in een bejaardentempo. Op de eerste dag bezochten we eerst mijn zus in Groningen alvorens door te rijden naar het rollatorvriendelijke kuuroord Bad Zwischenahn, bekend om zijn modderbaden en traditionele palingrestaurants. Na een wandelingetje langs het Zwischenahner meer testten wij ons spijsverteringssysteem met een mengsel van vette vis en vette ‘Bratkartoffeln’, weggespoeld met bier van de lokale brouwer. In het luxe hotel kwam ons systeem weer wat tot rust. Inmiddels hadden wij onze ‘Kurkarten’ via een gebruikersonvriendelijke website na drie kwartier weten te activeren. De volgende dag kwamen die te pas voor korting op de kaartjes voor het schitterende Park der Gärten dat wij bezochten alvorens naar Lübeck te rijden.
In het haventje van Bad Zwischenahn
Het hotel in Lübeck lag zowat aan de snelweg, maar merkwaardig genoeg hadden we daar geen last van. Het meeste lawaai dat we in de vroege avond hoorden, kwam van een felle onweersbui met veel bliksem, donder en regen. Toen die voorbij was, gingen we met de bus naar het centrum. Leuk: je kon gewoon met geld betalen in de bus. Na ons pizzeriabezoek liepen we nog wat rond in de oude stad, waar niet alleen mooie straten en historische gebouwen te zien waren, maar ook de bekende schaduwzijden van het stadsleven zoals drugsverslaafde zwervers. De volgende ochtend ontbeten we, betaalden de rekening bij de zeer vriendelijke ‘Geschäfsführerin’ en bekeken nog eens de hoogtepunten van de stad, zoals de Marienkirche en de omgeving van het stadhuis.
Marienkirche
Uitzicht vanaf de Petrikirche
Runenstenen, grasmaaiers en familieplezier
Van Lübeck was het niet zo ver naar Denemarken. Wij checkten in bij B&B Strandidyll dichtbij de stad Haderslev en maakten een wandeling van iets meer dan een half uur langs de Deense Oostkust totdat we bij een mooie snackbar aankwamen: Hejsager Strandgrill. Het was mooi weer, best lekker eten en drinken bij een prachtig uitzicht. De Deense ervaring begon niet slecht. De volgende ochtend gingen we nog even met de auto naar dezelfde plek en bezochten daarna Haderslev met zijn mooie domkerk. Nu begon de laatste etappe naar onze kleinzoon. Onderweg gingen we nog even langs Jelling, een nationaal monument met Runenstenen (met de eerste vermelding van het woord ‘Denemarken’ in de geschiedenis), een kerk, grafheuvels en een museum.
Bij Hejsager strand
Strandgrill
Details over ons familiebezoek schrijf ik niet op deze openbare website, behalve dat het geslaagd was. Het was mooi weer en we hebben een mooi tochtje naar het eiland Fur gemaakt. Ook hebben we gezwommen aan bij de huisjes gelegen strand. Eskov strandpark bleek heel groot te zijn, niet alleen omdat er veel huizen stonden, maar ook omdat de percelen per huis zo groot waren. Die percelen bestonden voor meer dan 95% uit gras. Blijkbaar komen de eigenaren er niet vaak genoeg om er leuke planten en bomen neer te zetten. Een zeer hoorbare en zichtbare activiteit op het strandpark was gras maaien. Er reden nogal wat grote machines (met trotse bestuurders er bovenop) rond en hier en daar maaiden eenzame GPS-gestuurde apparaten de saaie groene veldjes. Ik noemde het park ook wel ‘De Deense grasmaaivereniging’.
Drie kilometer reizen
Allerlei ambitieuze plannen om na dit familiebezoek een pont naar Zweden te nemen om nog eens Värmland te bezoeken, daar te kamperen en om dan via Gotenburg en Kiel naar huis te rijden wezen wij bij nader inzien af: te veel kilometers, te veel geld en te veel onzekerheid over het weer. We zouden dan maar in Denemarken blijven. Vakantiehuisjes waren er niet veel meer te huur en de huisjes die er waren, kostten zo’n 1500 euro per week. Tenslotte vonden wij een soort hostel in Floutrup waar ze kamers verhuurden met de mogelijkheid om van de keuken gebruik te maken. Pas toen wij daar de grootste kamer met uitzicht op zee gehuurd hadden, zag ik dat deze ‘Feriegården’ zich hemelsbreed maar twee kilometer van de grasmaaivereniging bevond. We hadden dus nog een week in deze saaie omgeving geboekt. Wij namen afscheid van onze zoon, schoondochter en kleinzoon en na drie kilometer rijden verscheen aan het eind van een onverhard boerenweggetje de mooie ‘Feriegården’: gerund door een aardige wat oudere Deense vrouw die jarenlang in Duitsland had gewoond, prachtig gelegen vlakbij een klein privéstrandje aan het grote Limfjord, uitstekende keuken en een mooie ruime kamer. Er leek maar één probleem te bestaan: alle wat grotere interessante plaatsen zoals Aalborg (bijna 2 uur), Aarhus (2 uur), Fredrikshavn (2½ uur) waren bijna onbereikbaar ver voor een dagtochtje. De niet zo interessante plaatsen Holstebro en Struer waren nog een uur rijden. Alleen Glyngøre en Nykøbing Mors, aan weerszijden van de Sallingsund gelegen, waren in minder dan drie kwartier bereikbaar.
Uitzicht van het privéstrandje van Feriegården
Een natte zondag in Holstebro
Op de avond van onze aankomst in Floutrup maakten wij nog een avondwandelingetje langs de Limfjord en werden door een felle regenbui verrast. Drijfnat kwamen wij bij onze kamer terug. Voor de volgende dag was er geen goed weer voorspeld. Wij besloten maar naar het museum in Holstebro te gaan. De stad Holstebro was, zeker met dit grijze regenachtige weer, oerlelijk, ondanks de pogingen om met allerlei beelden het stadsbeeld op te vrolijken. Ergens had ik het gevoel er wel eens voor een project geweest te zijn. Na terugkomst van vakantie vond ik uit dat dit klopte: in november 2000 en januari 2001 hadden wij projectbesprekingen en een workshop bij de meubelfirma Notio in de Nygade. Zie tekst hieronder. Het museum in Holstebro was best leuk. Afgezien van een paar tekeningen van Picasso en knipsels van Matisse geen wereldberoemde kunstenaars, wel goede schilderijen van onder meer Henry Heerup, Sonja Ferlov Mancoba en Olivia Holm-Møller. Op de terugweg van Holstebro reden we nog even langs het havenplaatsje Struer. Weinig te beleven op deze saaie zondag.
Holstebro
Henry Heerup: Kvindesolen skinner
Voor de derde keer in Holstebro
Rond het jaar 2000 voerde ik een opdracht uit van het Umweltbundesamt in Berlijn. Karl Otto Henseling was mijn contactpersoon. We hadden elkaar al jaren daarvoor leren kennen toen hij op het secretariaat van een Enquetekommission in Bonn werkte voor wie ik sinds 1992 een studie over ‘Stoffstrommanagement’ uitvoerde. In november 2000 vloog ik naar Billund waar ik een auto huurde om naar het 95 km verder gelegen Holstebro te rijden. Toen ik de auto startte, ging de radio aan. Er was een programma waarin Deense gedichten werden voorgedragen. De klank van de Deense taal stond mij zo tegen dat ik de radio uit wilde schakelen. Het lukte eerst niet, maar toen het na veel gepruts eindelijk gelukt was, kon ik mij eindelijk rustig op het autorijden concentreren. Denemarken kon mij niet echt bekoren: een saai landschap met hier en daar een windmolen, een lelijk dorp en een snackbar waar ze vette niet al te smakelijke happen verkochten. In Holstebro overnachtte ik samen met een collega consultant uit Zwitserland in het goede hotel Schaumburg aan de Nørregade. De volgende dag bespraken wij de organisatie van de voor januari geplande workshop, waarna ik weer naar huis reed en vloog. In januari kwam ik er weer terug, maar nu met de eigen auto. Hoe ik erheen reed, weet ik niet meer, wel dat ik op de terugweg langs mijn collega-consultant Reinhard Ueberhorst in Elmshorn reed en daarna nog een afspraak in Osnabrück had. Enthousiast schreef ik aan Petra: “Het was zo rustig op de Deense snelweg dat er soms geen enkele auto voor of achter me zat!”. Wij overnachtten met een aantal deelnemers aan de workshop weer in het hotel aan de Nørregade. Op 10 januari 2001 vond de workshop plaats, geleid door mijn Zwitserse collega’s Bierter en Wirth, die daarvoor een speciale methodiek ontwikkeld hadden. Het ging erom de meubelproductie milieuvriendelijker te maken zonder compromissen aan kwaliteit en aantrekkelijkheid. Petra werkte in die tijd nog van huis als vertaler en zorgde voor de kinderen.
Het wereldberoemde Glyngøre
Onze locatie op het Salling-schiereiland in de Limfjord was niet handig voor een bezoek aan interessante steden. Het beste wat je er kon doen was natuurgebiedjes aan het water en op het land bezoeken. Het mooiste gebied lag maar een paar kilometer van onze verblijfplaats, het eiland Fur. Op Salling zelf was de Grynderup Sø een interessant plas-drasgebied, niet zo lang geleden onder water gezet als een vorm van natuurontwikkeling. Niet meer op het eigen schiereiland maar op het eiland Mors ligt de prachtige Hanklit, een 60 meter hoge klif boven het water tussen Mors en Thy, de Thisted Bredning.
Het haventje van Glyngøre
Op een ochtend bezochten we het leuke kleine havenplaatsje Glyngøre, vlakbij de grote brug naar Mors, vroeger een eiland dat alleen per pont bereikbaar was. Het bijzondere aan Glyngøre was dat Jonas Vingegaard, de winnaar van de Tour de France 2023, er vandaan komt. Er waren nog veel tekenen van de recente feestelijke huldiging in zijn woonplaats te zien.
Plasdras-plezier aan de Grynderup Sø
Fietsfeest in Glyngøre
Na ons bezoek aan dit stadje reden we naar de parkeerplaats bij de Grynderup Sø. Het zou een gedenkwaardige wandeling worden. Eerst liepen we naar het handbediende pontje de ‘Trækfuglen’. Via een wiel aan de vaste wal krijg je, als je genoeg kracht hebt, het pontje naar je toe en op het pontje zelf moet je heel hard aan een touw trekken om aan de overkant te komen. Mooie plasjes en vochtige weilanden, waarvoor je niet echt naar Denemarken hoeft te gaan, maar zo rustig als in dit gebied is het in Nederland niet vaak. Het plan om het meertje rond te lopen, bleek te optimistisch. Na een stuk wandelen door een vochtig weiland met nieuwsgierige koeien keerden we terug naar het pontje. Petra keek nogal angstig toen er een hele kudde achter haar aan kwam.
Trækfuglen
Petra en de kudde
Boven en onder de kliffen van Fur en de Hanklit
Voor de tweede keer bezochten wij het eiland Fur, het leukste natuurgebied in onze omgeving: met de pont naar de overkant en dan een paar kilometer rijden naar het noordwesten. Iets sneller dan tijdens onze wandeling met onze kleinzoon en zijn ouders liepen we over en onder de Knudeklinterne, prachtig kliffen aan de Limfjord.
Oeverzwaluwen op Fur
Aan de kust op Fur
Heel leuk waren weer de vele oeverzwaluwen die hun nesten in de zachte wanden van de klif hadden gemaakt. We volgden een stuk van de kust en liepen via het mooie binnenland terug naar de parkeerplaats. De wandeling de Hanklit op en af, een paar dagen later, was leuk. Even moesten we duizelingwekkende afgronden in kijken om vervolgens een steile trap af te dalen. Beneden zouden mooie fossielen te vinden zijn. We bekeken natuurlijk de verkeerde (veel te zware) stenen en vonden niets.
Op de Hanklit
Onder de Hanklit
Echte zee is mooier
Zo’n Limfjord is best mooi, maar haalt het niet bij een echte zee, de Noordzee aan de westkust van Noord Jutland. We moesten er wel een uur heen en een uur terug rijden voor over hebben. Toch zijn wij er twee keer geweest. Je komt dan in het grootste nationale park van Denemarken, het Nationalpark Thy met een lengte van 55 km en een oppervlakte van 244 km².
Aan de Nors Sø
Het strand van Klitmølller
Aan het strand ten zuiden van Agger
Als je daar op het goede moment op de goede plaats komt, kan je er veel bijzondere vogels zien: kraanvogels en allerlei roofvogels zoals visarenden. Die zagen wij niet toen wij er de eerste keer een wandeling maakten ten westen van Klitmøller door de Vilsbøl plantage, wel mooie bossen en uitzicht op open velden en het grote meer, de Nors Sø. Het was heerlijk weer bij het fotogenieke strand van Klitmøller. We reden er een paar dagen later weer heen, nu niet alleen naar een andere plek, naar Agger aan de zuidkant van het park, maar ook bij heel ander weer. Er stond een stormachtige westenwind. Schuim van de hoge golven spatte over de golfbrekers en wolken zand waaiden over het strand. Na een korte wandeling reden we naar de zuidpunt van Thy, waar de pont naar Thyboren vertrekt. In een plasje daar vlakbij zat het vol met een kolonie grote sterns. Dat hun verenkleed er nogal slordig uitzag, zal met de rui te maken hebben gehad. Op de terug weg over de dijk naar Agger stopten we nog even om naar de zeehonden niet ver van de weg te kijken.
Langs de Aggervej
Het Land van Niets
Hoe kunnen we nu onze Jutland-ervaring het best samenvatten? Natuurlijk was het er saai, oersaai. Een weinig opwindend landschap met uitzondering van een enkele klif en een mooi zeestrand. Weinig inspirerende steden zoals Holstebro, Nykøbing Mors of Struer. Maar wat een rust, wat een heerlijk ontspannende omgeving waar vrijwel niets gebeurt. Wat een geweldig verkeer, waar we bijna nooit op een rotonde op een andere auto hoefden te wachten. Wat een heerlijk rust in een museum waar we niet onze kijktijd hoeven te reserveren voor we de wereldberoemde Rembrandts over de hoofden en langs de schouders van medekunstminnaars mochten bekijken, maar gewoon leuke onbekende Deense schilders kunnen bewonderen. Geen gekte van een Hoge Veluwe met duizenden leenfietsen op tientallen fietspaden, maar een krakkemikkig trekpontje over een plaatselijke moddersloot met in de directe omgeving niet meer dan vier mensen en twee honden. Hier waren we in het Land van Niets. Met volle teugen genoten we van de weldadige leegte.
Het Land van Niets
Na iets meer dan tien dagen verlieten wij dit Land van Niets om naar een echte toeristische trekpleister af te reizen. De laatste ochtend in Floutrup liepen we nog even naar ons mooie strandje met de twee plastic stoelen en het mooie bootje in het water. De heimwee begon meteen al op dat moment.
De oudste stad van Skandinavië
Een paar uur later waren we in het zuiden van Jutland in de prachtige stad Ribe bekend om zijn middeleeuwse stad en de grote kerk uit de twaalfde eeuw. Het is de oudste stad van Skandinavië, gesticht in 710 door Friezen en
De domkerk van Ribe
Noormannen. Wij liepen door de stad en brachten een bezoek aan de schitterende romaanse domkerk. Aan de voet van een van de zuilen van de kerk bevindt zich een prachtig granieten beeldhouwwerk van een leeuw die een mens verscheurt
Leeuw verslindt een mens
Deze duivelse leeuw wordt op zijn beurt door het gewicht van Gods kerk geplet.
We aten nog een schol (rødspætte – ‘roodspikkel’) in één van de restaurants. Zo veel moois als in Ribe hadden we nog niet gezien in Denemarken, maar ook nog niet zo veel toeristen. We begonnen de leegte van Noord Jutland al te missen.
Aan de haven van Husum
De volgende dag bezochten we het Vikingmuseum alvorens naar Duitsland af te reizen waar wij na een kort bezoek aan de Waddenzeehaven Husum dezelfde collega van mijn vroegere werk bezochten als waar ik in 2001 na mijn werk in Holstebro langs was gereden.
Het was een mooie vakantie, ondanks of misschien wel dankzij de saaiheid van Noord Denemarken.