Nostalgie bij 62 graden Fahrenheit

 

Speciale operatie, speciale gasprijzen

Ruslands speciale operatie zorgt voor veel ellende niet alleen voor de mensen in de Oekraïne maar zeker ook voor Russische soldaten die zonder opleiding en zonder wapens voor hun vaderland mogen gaan sterven. Dan valt de last die wij ervan hebben natuurlijk wel mee. De gigantisch gestegen gasprijzen dwingen ons eindelijk eens wat zuiniger met energie om te gaan. Het goede nieuws is dat het helemaal niet zo moeilijk is om gas te besparen en het is nog goed voor het klimaat ook. Een paar graden lagere kamertemperatuur doet wonderen. Zelf gebruikten wij in oktober de helft van vorig jaar oktober, niet alleen doordat het een zachte oktober was, maar ook omdat we de thermostaat op 18 gezet hebben. Wij zijn niet de enigen.

20 graden kamertemperatuur: burgerrecht?

Heel Nederland is tientallen procent minder gaan gebruiken. Wat dat betreft mogen we Poetin een heel klein beetje dankbaar zijn. Hoge gasprijzen zijn een voorwaarde voor klimaatvriendelijk gebruik. Ongemerkt zijn wij de laatste decennia zo gewend geraakt aan kamertemperaturen van minimaal 20 graden dat het lijkt of dit een soort burgerrecht is: in de winter is het binnenshuis 20 graden. Onzin natuurlijk. Het heeft even zo geleken, maar het is vroeger meestal anders geweest en het is niet gegarandeerd in de toekomst. In ieder geval is de tijd van goedkoop gas – de hoofdoorzaak van de massale energieverspilling – voorbij, iets eerder dan we hadden voorzien.

De kolentijd

Tot de ontdekking van grote gasvoorraden in Nederland stookte bijna iedereen op kolen. Een enkele welgestelde burger had een olietank in de tuin ingegraven en had een centrale verwarming op oliestook. Het gros van de bevolking had een kolenkachel in de woonkamer en misschien nog een tweede kachel in de keuken of nog een derde in de zitkamer. Bijna niemand verwarmde slaapkamers of gangen.

Een advertentie uit de Telegraaf van 1929 voor kachels naast een advertentie voor Jaeger ‘ondergoederen’
Groningen

In de vroege vijftiger jaren woonden wij in een bovenwoning in Groningen. We hadden daar een eenvoudige potkachel staan. In voorjaar van 1952 was het erg koud en mijn moeder vroeg zich af of ze het met de ingekochte voorraad kolen wel zouden redden. Ik citeer uit één van de zeldzame brieven van haar uit die tijd. Ze schreef aan haar zuster:

“Al heet het hier lente, toch giert er sinds enige dagen een ijskoude wind en heeft het vandaag de hele dag gesneeuwd en er ligt dan ook een dik pak sneeuw. Jij vindt dat misschien doodgewoon maar ons valt het bitter tegen, het voorjaar begon zo mooi, er was zelfs zo’n warme dag dat de kinderen al zonder jas buiten speelden, maar allen de volgende dag snipverkouden waren. Bovendien liggen er nog maar een paar kitjes kolen in het kolenhok terwijl onze begroting eigenlijk geen nieuwe kolenrekening toelaat.”

Ede

Toen wij in 1954 naar Ede verhuisden, kwam de Groningse kachel in de keuken te staan en voor de woonkamer werd een grote luxe Juncker & Ruh (zie plaatje) aangeschaft, prachtig roodbruin geëmailleerd met een hoog stookvermogen, nodig om bijna de hele benedenetage van warmte te voorzien. Of de kachel in de keuken altijd brandde, weet ik niet meer. Kolenkachels kan je natuurlijk niet snel even aan en uit zetten. Als het koud werd in oktober dan werd de kachel aangemaakt (met wat kranten of hout en petroleum) en in maart ging hij weer uit. ‘s Nachts gloeide de kachel een beetje door en in de ochtend werd de kachel weer opgerakeld en werd de asla geleegd.

Zo’n mooie Juncker & Ruh hadden wij. Nu tweedehands te koop.

Als jongen van rond 8 jaar mocht ik ‘s ochtends vroeg de kolenkit gaan vullen in het kolenhok. Of ik de kit in de kachel mocht legen, betwijfel ik. Het kolenhok werd aan het eind van de zomer of in de herfst weer bijgevuld. Ik herinner me dat we ‘nootjes 3’ of ‘nootjes 4’ antraciet bestelden. Dan kwamen er sterke mannen met zwarte handen en zwarte gezichten met zware zakken op hun rug de tuin in lopen. Kolen gingen per mud, 100 liter. Zo’n mud woog wel 50 kilo. Het regelen van de kachel ging met schuifjes die je open of dicht kon zetten en een onmisbaar hulpmiddel bij het onderhoud van het kolenvuur was een pook, die altijd bij de kachel hing. Kolenkachels hadden soms rare kuren, waarvan het spontaan ‘ploffen’ een bekende was. Kolendampvergiftiging was minder onschuldig. In onze zitkamer stond vanaf een bepaald moment een petroleumkachel.

Zestig graden

Merkwaardig genoeg rekenden wij thuis de temperatuur in graden Fahrenheit. Dat was al lang niet meer gebruikelijk. Toen de ‘meester’ op school vroeg hoe warm het bij ons thuis was, stak ik meteen mijn vinger omhoog en zei ‘zestig en soms wel een zeventig’. Er volgde een lachsalvo. Inderdaad was zestig onze norm voor de verwarming overdag. Dat is 15½ graad. Daarmee zijn weinig mensen tegenwoordig tevreden. Toch zijn wij niet van de kou omgekomen. Wel droegen wij vaak dikke truien. Als we ‘s avonds gezellig in de enige verwarmde kamer zaten naar de radio te luisteren, kon het wel eens bijna 70 graden (21 graden Celsius) worden, maar dat was een hoge uitzondering en dan zaten we te puffen van de hitte.

Aan het gas

In 1959 werd een gigantische gasvoorraad in Slochteren gevonden. Het duurde nog geen tien jaar voordat iedereen op aardgas was overgestapt. Het gasnet werd gemoderniseerd en uitgebouwd. Alle tot dan nog op stadsgas werkende toestellen werden gratis omgebouwd. In 1960 verhuisden wij van ons grote vrijstaande huis op de Arnhemse weg naar een rijtjeshuis op de Nieuwe Kazernelaan. Of wij in het grote huis al aardgas hadden, weet ik niet. Wel herinner ik mij dat er ‘meneren’ kwamen om ons ETNA gasfornuis om te bouwen, dat wil zeggen om andere branders te plaatsen. Op oudejaarsavond 1963 zat heel Nederland (wij ook) aan de radio gekluisterd om naar Wim Kan te luisteren. Zijn conference heette toen “12 miljoen oliebollen op aardgas“.

Onze kat gerieflijk bij de gashaard (1967)

Misschien heeft de kolenkachel er nog even gestaan, maar in ieder geval kregen wij op de Nieuwe Kazernelaan al snel een moderne gaskachel in de woonkamer. De petroleumkachel kreeg een plaatsje op Augusts kamer. Naast die kachel stond een vat met petroleum dat je af en toe moest bijvullen uit een groot vat dat buiten bij de keuken stond. Niet veel later kregen Huibert en ik een op aardgas werkende gevelkachel, een kachel zonder schoorsteen aangesloten op een gat in de gevel. Toch herinner ik mij dat we, als het koud was, met z’n drieën (Huibert, Hanneke en ik) in de woonkamer huiswerk zaten te maken, één aan de secretaire van mijn moeder en twee aan de eettafel. August zat boven bij zijn petroleumkachel. Centrale verwarming hebben wij nooit gehad.

En nu?

Dit is zo’n vijfenvijftig jaar geleden. Aan al die nostalgie naar gezellige kolenkachels en ijskoude kamers hebben we natuurlijk nu niet veel. Maar misschien is het toch goed om eraan herinnerd te worden dat wij niet van de kou zijn doodgegaan bij onze zestig graden (15½ graad Celsius). Een verlaging van de kamertemperatuur van een paar graden is een gigantische bijdrage aan energiebesparing. Een overheid die serieus inzet op duurzaamheid en niet afhankelijk wil zijn van Poetins en Oliesjeiks moet niet in de eerste plaats energierekeningen gaan subsidiëren maar toch eens gaan nadenken over de verlaging van BTW op dikke truien en het aanbieden van gratis breicursussen. Een woonkamer hoeft natuurlijk niet heel warm te zijn zolang de bewoners het maar warm hebben.

__________

Liegen voor de gezelligheid – bij mijn laatste publicatie

Liegen voor de gezelligheid

Hoe oud mijn zoon was, weet ik niet meer. Maar op een zeker moment in zijn opvoeding moesten wij hem uitleggen dat het uiten van de ongefilterde waarheid niet altijd wenselijk is. Soms zeg je bepaalde dingen gewoon niet en soms maak je ze een beetje mooier dan ze eigenlijk zijn. Soms geef je mensen een blijk van waardering voor dingen die je zelf nooit zo gedaan zou hebben. Hans moest hier even over nadenken, maar toen snapte hij het heel goed. Hij vatte onze adviezen samen als “Soms moet je liegen voor de gezelligheid”. Nu is liegen misschien niet wat je meteen zou aanbevelen, maar de waarheid voorzichtig doseren en vervelende zaken niet te veel benoemen, dat zijn principes die een stuk minder ellende veroorzaken dan alles recht voor zijn raap uitspreken. Dat snapte hij erg goed.

Gezelligheid in de politiek

De politiek kan niet zonder het principe van de gezellige leugen. Anders zou het een zootje worden. Veel feiten verdwijnen onder de tafel of zijn onzichtbaar tussen de regels van beleidsteksten. Grove leugens zijn natuurlijk niet aan te bevelen, maar redeneringen op basis van selectief of verouderd feitenmateriaal en sterk vereenvoudigde theorieën en argumentaties, daar kom je in de politiek natuurlijk niet omheen.

Hans Rosling liet in zijn lezingen en in zijn boek ‘Factfulness’ zien hoe volksstammen politici en beleidsmakers (vaak niet eens bewust) systematisch van volkomen verkeerde, vaak totaal verouderde feiten uitgaan. Vooroordelen worden niet zelden als feiten gepresenteerd. Dan wordt het soms toch nodig om tegen de gezelligheid in te gaan en vraagtekens bij feiten en redeneringen te gaan zetten.

Toolbox voor leugenconstructie

Politici en hun adviseurs willen graag aantrekkelijke perspectieven ontwikkelen. Een van de mooie mogelijkheden hiertoe biedt het verkeerd gebruik van simpele fysica, die toch niet zo simpel is als mensen denken. De thermodynamica, de leer van warmte, energie  en arbeid, is, mits fout toegepast, een perfecte ‘toolbox’ voor het construeren van aantrekkelijke leugens. De wet van behoud van energie zegt dat energie in een gesloten systeem niet verloren kan gaan. Niet veel anders is de wet van behoud van materie: in een gesloten systeem gaat geen materie verloren. Oppervlakkig gezien gaat er dus niets verloren, maar wie dat denkt, vergeet de tweede hoofdwet van de thermodynamica, die op allerlei manieren geformuleerd kan worden.

De eenvoudigste formulering van de tweede hoofdwet is dat energie spontaan altijd van warm naar koud en nooit omgekeerd stroomt. Als ik twee gelijke vaten met verschillende temperaturen met elkaar verbind, dan ontstaat er een gecombineerd vat met de gemiddelde temperatuur. Een andere consequentie van die zelfde wet: als ik een fles rode wijn en een fles witte wijn bij elkaar gooi, dan houd ik een roze wijn over. Spontaan zal het vat van de gemiddelde temperatuur nooit in de uitgangstoestand terugkomen, spontaan zal de wijn zich niet meer scheiden en rood en wit. De thermodynamica heeft het over de entropie die in een gesloten systeem wel kan toenemen, maar nooit kan afnemen. Wil je de entropie weer laten afnemen, dan moet er aan het systeem energie worden toegevoegd. Hoe meer verschillende stoffen gemengd zijn, hoe meer energie heb ik nodig om de stoffen weer zuiver  te krijgen.

Recycling uit afval is een energie-intensieve  business, waarbij de thermodynamisch berekende energie altijd een theoretische ondergrens is. In de praktijk kan recycling nog veel meer energie kosten en het is maar de vraag of er voldoende duurzaam opgewekte energie beschikbaar is.

Circulaire kletskoek

Wie echter een aantrekkelijk verhaal voor politici wil presenteren, vergeet even dit moeilijke verhaal en doet, volkomen ten onrechte, alsof afvalstromen gemakkelijke grondstoffen zijn. Een ingewikkeld mengsel van organische stoffen en allerlei soorten metalen: gewoon even recyclen dan hebben we al die stoffen weer. Je hoeft niet meer dan middelbare-schoolkennis van scheikunde en natuurkunde te hebben om in te zien dat dit onzin is. Maar het is zo’n aantrekkelijk verhaal! Grondleggers van de ‘circulaire economie’ kletsen de politiek omver met kreten als ‘waste is food’ en de politiek slikt het. De leugen is te gezellig om door te prikken, maar ooit zullen we er achter komen dat het een leugen is.

Toen ik in de jaren 1980 samen met een gepensioneerd medewerker van het Centraal Bureau voor de Statistiek een eenvoudig verhaaltje hierover wilde schrijven in een economisch tijdschrift werd dit geweigerd. Het ging te zeer in tegen de ideeën van toentertijd belangrijke economieprofessoren. Toen we het dan maar in het Chemisch Weekblad plaatsten, zeiden de mensen: “maar dit is toch niets nieuws, dit weet iedere tweedejaars student scheikunde al!”

Nog eens doorprikken na 50 jaar

Toen mij iets meer dan een jaar geleden gevraagd werd iets over de ‘onmogelijkheid van de circulaire economie’ in een boek te schrijven, was ik niet meteen enthousiast. Waarom weer gewichtig doen met kennis onder het niveau van een bachelor-chemiestudie? Ik had nog een wat langer verhaal liggen, dat ik niet gepubliceerd had omdat het thema me begon te vervelen.  Ik stuurde dit maar naar de verantwoordelijke redacteur, die enthousiast reageerde: “Dit is precies wat we nodig hebben!” Ik heb me laten ompraten en na een paar dagen werk stuurde ik een verkorte versie van mijn zes jaar oude verhaal in. Het duurde nog anderhalf jaar voordat het als eerste hoofdstuk in dit nieuwe boek gepubliceerd werd . Ik geloof dat het een goed verhaal is, maar het zou overbodig moeten zijn.  Het artikel begint met citaten uit de jaren 1970. De belangrijkste referentie is het boek van Georgescu-Roegen uit 1971, The Entropy Law and the Economic Process. Met dat boek was alles eigenlijk al gezegd. Hieraan is niets toe te voegen. Het is triest dat ik meer dan vijftig jaar later weer een ongezellig hoofdstuk heb moeten schrijven om gezellige fantasieën als circulaire economie naar het rijk der fabelen te verwijzen.

Meer over dit onderwerp

Circulair geleuter (2016)

Natuurwetten democratisch afschaffen (2016)

Energie en Entropie (2022)

____

Literatuur

J.H.C. Lisman, R. de Man, Oneigenlijk gebruik van het woord entropie , Chemisch Magazine, September 1981.

R. de Man, The Forbidden Question, ongepubliceerd essay, te downloaden van mijn website, September 2015.

R. de Man, Circularity Dreams – Denying Physical Realities, in: The Impossibilities of the Circular Economy,  Routledge, November 2022, te downloaden van deze site

Hans Rosling, Factfulness: ten reasons we’re wrong about the world – and why things are better than you think, Stockholm 2018.

Forty Years Publishing in Energy Policy: 1977-2017

Burning Ten Guilder Notes for Energy Conservation

Energy Policy 1977: Depletion Policy Options for Western Europe

I was still a student when I published my first professional publication in the authoritative journal Energy Policy, together with professor Jan Kommandeur (see picture below) and associate professor Bert de Vries. It was an article on the policy options for depleting Europe’s oil and gas reserves, mainly the then recently developed North Sea fields. We ran a computer simulation model on the central computer of Groningen University, a system with less computing capacity than an average smartphone today. At the time, using the computer added credibility to your work. Only a select elite had access to the new technology.

IMG_0009-me

The calculations were pretty straightforward though. We used oil reserve data, some assumptions on growing reserves (new reserves and increase in existing reserves) and depletion rates to forecast future output. Jan, Bert and I prepared the semi-final draft of the article during a weekend in a holiday home somewhere in the forests of Drenthe around October 1976. The room was heated by an old-fashioned wood-stove. In the evening, after a day of hard work, we discussed the policy implications of our calculations and, after considerable quantities of cold beer, we moved towards more general and more philosophical issues. When addressing the issue of energy conservation, we discussed the problem of monetary savings as a result of reducing energy use. What are we going to do with the money we save? If we use it for an additional holiday flight to Barcelona, net energy savings will be negative. We took another beer and concluded that the only safe way to conserve energy was to destroy money. Then all three of us threw a ten guilder note into the stove. Happy about our heroic contribution to sound energy policy, we went to bed. The next day we finalized the article. It was published in December 1977.

A Good Text Ruined by Social Science Jargon

Energy Policy 2017: Certifying the sustainability of biofuels

My next major article for Energy Policy was 40 years later. My main work from the 1990s until present is on sustainability and supply chains, including certification systems for sustainable raw materials. Setting up the Roundtable on Sustainable Palm Oil for WWF and private sector players was one of my major achievements in that time.

In 2015, I was asked by the Institute for Advanced Sustainability Studies in Potsdam to participate in their workshop ‘Bioenergy: Status Quo, Trends and Sustainability Governance’ on October 15-16 of that year, travel costs and hotel paid. I thought it was a good opportunity to bring in my knowledge and experience in the field of sustainability and supply chains.

Young academics like to make things more complicated than they are

If I had checked the programme and the participants a bit more carefully, I would probably not have participated. Most participants were younger academics fighting their way to recognition in a world dominated by journals, reviews, quotation indices and what have you. Intelligent people with a structural lack of knowledge about the real world. I always see my role (and generally the role of practical research and consultancy) in making complex issues simple. These young academics apparently specialize in complicating simple issues by using difficult jargon.

x

During the workshop the idea was born to bundle our contributions into a Theme Issue of the Energy Policy Journal. I agreed to write one article and to include some of the work by other participants. I wrote an article in which I managed to use a number of practical lessons from my own work. I still think it is one of my best and most practical publications on the sense and nonsense of private sector driven certification systems.

Not my most convincing text, I am afraid

Apparently, the organizers had difficulties to get my article accepted. It took more than a year and eventually my article was drastically revised by a social scientist. As I was on holiday in Scotland, I did not have a chance to take control. As a result, my clear and simple line of argumentation was hardly visible anymore. References had been included to authors who do not have a clue about the real issues, but manage to get their complicated social science jargon published. The paragraphs on ‘methodology’ that had been added, did not have any relationship with the way I develop my arguments and collect my data in real life. After all this editing, the article was accepted by the Journal, but it is certainly one of the least convincing texts I have ever contributed to.

R. de Man, J. Kommandeur, B. de Vries, Depletion Policy Options for Western Europe, Energy Policy, December 1977.

R. de Man, L. German, Certifying the sustainability of biofuels: Promise and Reality, Energy Policy, 2017, vol. 109, issue C, 871-883.

 

 

Kernafval: getikte problemen – getikte oplossingen

Kernenergie: afval is het echte probleem

62145_4

Kernenergie is niet het succes geworden dat de optimistische technocraten ons in de jaren 50  beloofden. Van die droom staat alleen nog het Atomium in Brussel overeind.

Veiligheidsproblemen – met Tsjernobyl en Fukushima als bekendste dieptepunten – en decennia van heftig maatschappelijk verzet hebben de opmars van de kernenergie gestopt. Hier en daar is kernenergie al op de terugtocht.

ee

Het meest opmerkelijk is de Duitse Energiewende na Fukushima: alle kerncentrales in Duitsland worden stilgelegd.

Maar veiligheidsproblemen zijn niet het grootste probleem van kernenergie. Ook al zouden deze opgelost zijn, het echte probleem van kernenergie is radioactief afval, dat tot een miljoen jaar gevaarlijk blijft en al die tijd van de biosfeer gescheiden dient te blijven. Technologieën om de hoeveelheid afval drastisch terug te brengen – snelle kweekreactoren hadden hier een rol kunnen spelen – waren geen succes. Technologieën waarmee gevaarlijk radioactief afval kan worden omgezet in minder gevaarlijk afval (‘transmutatie’) zijn grotendeels nog science-fiction. Het is eigenlijk nauwelijks voor te stellen dat de uitbreiding van kernenergie in de afgelopen decennia heeft mogen plaatsvinden zonder dat dit probleem was opgelost.

In de late jaren 80 van de vorige eeuw heb ik mij al eens mogen bezighouden met dit krankzinnige probleem. De VVM (toen nog Vereniging voor Milieuwetenschappen) had het verzoek gekregen om een aanbeveling te doen voor de uitwerking van Actie 62 van het Nationaal Milieubeleidsplan. Ik heb toen in opdracht van de VVM een discussieproject geleid, waar we ons over de technisch-wetenschappelijke en ethische kant van het probleem hebben gebogen (de Man, 1991). Natuurlijk kwamen we tot de conclusie dat het een heel complex probleem was met de onmogelijke opgave om op basis van grote onzekerheden in huidige kennis beslissingen met gevolgen voor honderdduizenden jaren te onderbouwen.

Nederland doet niets – Duitsland komt in actie

In Nederland (toen de commissie OPLA) had een voorkeur voor geologische eindberging in bijvoorbeeld zout- of kleilagen. Een definitieve keuze zou op basis van nauwgezet geologisch onderzoek mogelijk zijn. Een voorkeur werd toen niet uitgesproken. Nu bijna 30 jaar hierna is de besluitvorming in Nederland eigenlijk minder ver dan toen. Over de definitieve berging is nog niets besloten. Wel is besloten het afval zeker 100 jaar bovengronds op te slaan bij COVRA en in de tussentijd de mogelijkheden verder te onderzoeken. Het gaat hierbij over heel weinig hoog-radioactief afval (tot 2130 ongeveer 401 m3 en een grotere hoeveelheid met lagere radioactiviteit (70.000 m3). Besluitvorming is niet voorzien tot rond 2033, het moment dat de kerncentrale in Borssele definitief uit bedrijf genomen wordt.

gor

Hoe anders is de situatie in Duitsland. Nu heeft men daar ook wel wat meer afval, ongeveer 75 keer zoveel als in Nederland. In Duitsland wil men snel werk maken van het zoeken naar locaties voor definitieve ondergrondse opslag. Eerdere pogingen in deze richting (‘Gorleben’) hebben tot gigantische conflicten geleid. De ‘Kommission Lagerung hoch radioaktiver Abfälle’ heeft recent een rapport gepubliceerd met voorstellen voor een proces voor de bepaling van geschikte locaties waarbij aan de ene kant technisch-wetenschappelijke informatie een belangrijke plaats krijgt en aan de andere kant een uitgebreid proces van participatie en inspraak zal worden gerealiseerd. Worden de voorstellen van de commissie aangenomen, dan zal dit resulteren in een wettelijke regeling, die ook in de opbouw van een nieuwe bestuurlijke structuur rond het management van het thema ‘opslag radioactief afval’ voorziet.

Een natte droom van nieuwe technocraten

Ik heb het (zonder bijlagen) 683 pagina’s tellende rapport proberen te lezen. Het is elke keer weer verbazingwekkend met wat voor gecompliceerde, abstracte, even geleerd klinkende als nietszeggende formuleringen de Duitsers zich blijkbaar laten afschepen. De grondtoon van het rapport is ronduit naïef. Het leest als een technocratisch sprookje: “We hebben het indertijd, toen de protesten over Gorleben uit de hand liepen, verkeerd aangepakt. Daardoor hebben we die mooie, veilige berging van radioactieve afvalstoffen in de zoutlagen niet kunnen realiseren. We hebben toen de maatschappelijke krachten verkeerd ingeschat en de verkeerde beslissingen genomen. Nu gaan we het beter doen. We gaan de bevolking er nauwer bij betrekken. We gaan nu het hele proces transparanter maken. Zo kan een herhaling van Gorleben worden voorkomen. Als de bevolking begrijpt dat we op basis van de beste informatie open en eerlijk de beste keuzes voorbereiden en die tijdig met alle betrokken bespreken, dan zal de besluitvorming op een brede consensus kunnen rekenen.”

xxx

Flauwekul natuurlijk. Door tientallen moderatoren in te zetten, een ‘Begleitgremium’ te installeren en ‘Regionalkonferenzen’ te organiseren, zal de bevolking zich niet laten belazeren. “De oplossing ligt al decennia klaar, nu moet de bevolking er nog achter komen te staan”, lijkt het naïeve geloof van een nieuwe generatie technocraten. Dat gaat niet lukken. Na de organisatie van het hele inspraakcircus, zal Duitsland weer terug bij af zijn. Zodra concrete locatiekeuzes aan de orde komen, zal het oude probleem weer boven komen. Dan zal blijken dat de bevolking een oplossing door de strot krijgt geduwd die nooit goed is doordacht.

Een curieuze denkfout

Waarom is ondergrondse berging verkozen tot de oplossing? Waarom zijn er geen alternatieven in discussie? Deze TINA-positie (“There is no Alternative!”) lijkt het gevolg van een curieuze denkfout. Terecht wordt vastgesteld dat het hoogradioactieve afval wel een miljoen jaar schadelijk blijft. Dan wordt daaruit geconcludeerd dat we snel een oplossing nodig hebben die het afval een miljoen jaar gescheiden houdt van de biosfeer. Waarom eigenlijk? Waarom hebben we opeens haast? We weten dat we die rotzooi een miljoen jaar uit het milieu moeten houden, maar  wie zegt dat we het probleem voor de komende miljoen jaar moeten oplossen? We dwingen onszelf om een project met een looptijd van een miljoen jaar te definiëren, iets wat nooit eerder gebeurd is in de geschiedenis. Het zou natuurlijk mooi zijn als we de oplossing voor een miljoen jaar met zekerheid zouden kunnen bieden. Die oplossing is er niet: er zijn nog heel grote onzekerheden en geen enkele zichzelf respecterende technicus kan een miljoen jaar veiligheid garanderen, ook niet voor opslag in diepe zoutformaties. Er zit niets anders op: we zullen oplossingen voor een goed gedefinieerde tijdsperiode moeten accepteren. Een mogelijkheid is de door Nederland besloten strategie voor een bovengrondse tussenopslag gedurende 100 jaar. Zo’n tijdelijke oplossing kan ook in zout- of rotsformaties, maar het blijft een tijdelijke oplossing.

Weg is niet weg!

De politiek wil het probleem van tafel, dat wil zeggen de radioactieve afvalstoffen de grond in, weg van de biosfeer, weg van beïnvloedingsmogelijkheden, weg van de politieke agenda. Daarbij postuleert zij dat er een definitieve oplossing bestaat. Zo’n oplossing is er nog niet. Door dit weg-is-weg-uitgangspunt wordt veel tijd, geld en deskundigheid aan het verkeerde probleem verspild. Prioriteit nu is het organiseren van acceptabele tussenoplossingen, voor 100 of 250 jaar bijvoorbeeld. Het Duitse inspraakcircus gaat over het verkeerde thema op het verkeerde moment. De onbegrijpelijke haast met het forceren van een definitieve oplossing wordt gelegitimeerd met een onzinnig ethisch argument: “we mogen toekomstige generaties niet opzadelen met onze problemen”. Mogen we toekomstige generaties dan wel opzadelen met een onbeheersbare situatie die ontstaat als onze mooie berekeningen van vandaag over 100, 1000 of 100.000 jaar niet blijken te kloppen?

 

Referenties

Kommission Lagerung hoch radioaktiver Abfallstoffe, Abschlussbericht, K-Drs. 268. https://www.bundestag.de/blob/434430/bb37b21b8e1e7e049ace5db6b2f949b2/drs_268-data.pdf

Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Het nationale programma voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstoffen, juni 2016. http://www.autoriteitnvs.nl/binaries/anvs/documenten/publicatie/2016/6/24/nationale-progamma-radioactief-afval/het-nationale-programma-radioactief-afval.pdf

R. de Man, Ondergrondse berging van onverwerkbaar afval – Studie ter voorbereiding van een standpuntbepaling door de Vereniging voor Milieuwetenschappen ten aanzien van NMP-Actie 62, Publikatiereeks stralenbescherming nr. 1991/53, Ministerie van VROM, Leidschendam, december 1991.