Forty Years Publishing in Energy Policy: 1977-2017

Burning Ten Guilder Notes for Energy Conservation

Energy Policy 1977: Depletion Policy Options for Western Europe

I was still a student when I published my first professional publication in the authoritative journal Energy Policy, together with professor Jan Kommandeur (see picture below) and associate professor Bert de Vries. It was an article on the policy options for depleting Europe’s oil and gas reserves, mainly the then recently developed North Sea fields. We ran a computer simulation model on the central computer of Groningen University, a system with less computing capacity than an average smartphone today. At the time, using the computer added credibility to your work. Only a select elite had access to the new technology.

IMG_0009-me

The calculations were pretty straightforward though. We used oil reserve data, some assumptions on growing reserves (new reserves and increase in existing reserves) and depletion rates to forecast future output. Jan, Bert and I prepared the semi-final draft of the article during a weekend in a holiday home somewhere in the forests of Drenthe around October 1976. The room was heated by an old-fashioned wood-stove. In the evening, after a day of hard work, we discussed the policy implications of our calculations and, after considerable quantities of cold beer, we moved towards more general and more philosophical issues. When addressing the issue of energy conservation, we discussed the problem of monetary savings as a result of reducing energy use. What are we going to do with the money we save? If we use it for an additional holiday flight to Barcelona, net energy savings will be negative. We took another beer and concluded that the only safe way to conserve energy was to destroy money. Then all three of us threw a ten guilder note into the stove. Happy about our heroic contribution to sound energy policy, we went to bed. The next day we finalized the article. It was published in December 1977.

A Good Text Ruined by Social Science Jargon

Energy Policy 2017: Certifying the sustainability of biofuels

My next major article for Energy Policy was 40 years later. My main work from the 1990s until present is on sustainability and supply chains, including certification systems for sustainable raw materials. Setting up the Roundtable on Sustainable Palm Oil for WWF and private sector players was one of my major achievements in that time.

In 2015, I was asked by the Institute for Advanced Sustainability Studies in Potsdam to participate in their workshop ‘Bioenergy: Status Quo, Trends and Sustainability Governance’ on October 15-16 of that year, travel costs and hotel paid. I thought it was a good opportunity to bring in my knowledge and experience in the field of sustainability and supply chains.

Young academics like to make things more complicated than they are

If I had checked the programme and the participants a bit more carefully, I would probably not have participated. Most participants were younger academics fighting their way to recognition in a world dominated by journals, reviews, quotation indices and what have you. Intelligent people with a structural lack of knowledge about the real world. I always see my role (and generally the role of practical research and consultancy) in making complex issues simple. These young academics apparently specialize in complicating simple issues by using difficult jargon.

x

During the workshop the idea was born to bundle our contributions into a Theme Issue of the Energy Policy Journal. I agreed to write one article and to include some of the work by other participants. I wrote an article in which I managed to use a number of practical lessons from my own work. I still think it is one of my best and most practical publications on the sense and nonsense of private sector driven certification systems.

Not my most convincing text, I am afraid

Apparently, the organizers had difficulties to get my article accepted. It took more than a year and eventually my article was drastically revised by a social scientist. As I was on holiday in Scotland, I did not have a chance to take control. As a result, my clear and simple line of argumentation was hardly visible anymore. References had been included to authors who do not have a clue about the real issues, but manage to get their complicated social science jargon published. The paragraphs on ‘methodology’ that had been added, did not have any relationship with the way I develop my arguments and collect my data in real life. After all this editing, the article was accepted by the Journal, but it is certainly one of the least convincing texts I have ever contributed to.

R. de Man, J. Kommandeur, B. de Vries, Depletion Policy Options for Western Europe, Energy Policy, December 1977.

R. de Man, L. German, Certifying the sustainability of biofuels: Promise and Reality, Energy Policy, 2017, vol. 109, issue C, 871-883.

 

 

Kernafval: getikte problemen – getikte oplossingen

Kernenergie: afval is het echte probleem

62145_4

Kernenergie is niet het succes geworden dat de optimistische technocraten ons in de jaren 50  beloofden. Van die droom staat alleen nog het Atomium in Brussel overeind.

Veiligheidsproblemen – met Tsjernobyl en Fukushima als bekendste dieptepunten – en decennia van heftig maatschappelijk verzet hebben de opmars van de kernenergie gestopt. Hier en daar is kernenergie al op de terugtocht.

ee

Het meest opmerkelijk is de Duitse Energiewende na Fukushima: alle kerncentrales in Duitsland worden stilgelegd.

Maar veiligheidsproblemen zijn niet het grootste probleem van kernenergie. Ook al zouden deze opgelost zijn, het echte probleem van kernenergie is radioactief afval, dat tot een miljoen jaar gevaarlijk blijft en al die tijd van de biosfeer gescheiden dient te blijven. Technologieën om de hoeveelheid afval drastisch terug te brengen – snelle kweekreactoren hadden hier een rol kunnen spelen – waren geen succes. Technologieën waarmee gevaarlijk radioactief afval kan worden omgezet in minder gevaarlijk afval (‘transmutatie’) zijn grotendeels nog science-fiction. Het is eigenlijk nauwelijks voor te stellen dat de uitbreiding van kernenergie in de afgelopen decennia heeft mogen plaatsvinden zonder dat dit probleem was opgelost.

In de late jaren 80 van de vorige eeuw heb ik mij al eens mogen bezighouden met dit krankzinnige probleem. De VVM (toen nog Vereniging voor Milieuwetenschappen) had het verzoek gekregen om een aanbeveling te doen voor de uitwerking van Actie 62 van het Nationaal Milieubeleidsplan. Ik heb toen in opdracht van de VVM een discussieproject geleid, waar we ons over de technisch-wetenschappelijke en ethische kant van het probleem hebben gebogen (de Man, 1991). Natuurlijk kwamen we tot de conclusie dat het een heel complex probleem was met de onmogelijke opgave om op basis van grote onzekerheden in huidige kennis beslissingen met gevolgen voor honderdduizenden jaren te onderbouwen.

Nederland doet niets – Duitsland komt in actie

In Nederland (toen de commissie OPLA) had een voorkeur voor geologische eindberging in bijvoorbeeld zout- of kleilagen. Een definitieve keuze zou op basis van nauwgezet geologisch onderzoek mogelijk zijn. Een voorkeur werd toen niet uitgesproken. Nu bijna 30 jaar hierna is de besluitvorming in Nederland eigenlijk minder ver dan toen. Over de definitieve berging is nog niets besloten. Wel is besloten het afval zeker 100 jaar bovengronds op te slaan bij COVRA en in de tussentijd de mogelijkheden verder te onderzoeken. Het gaat hierbij over heel weinig hoog-radioactief afval (tot 2130 ongeveer 401 m3 en een grotere hoeveelheid met lagere radioactiviteit (70.000 m3). Besluitvorming is niet voorzien tot rond 2033, het moment dat de kerncentrale in Borssele definitief uit bedrijf genomen wordt.

gor

Hoe anders is de situatie in Duitsland. Nu heeft men daar ook wel wat meer afval, ongeveer 75 keer zoveel als in Nederland. In Duitsland wil men snel werk maken van het zoeken naar locaties voor definitieve ondergrondse opslag. Eerdere pogingen in deze richting (‘Gorleben’) hebben tot gigantische conflicten geleid. De ‘Kommission Lagerung hoch radioaktiver Abfälle’ heeft recent een rapport gepubliceerd met voorstellen voor een proces voor de bepaling van geschikte locaties waarbij aan de ene kant technisch-wetenschappelijke informatie een belangrijke plaats krijgt en aan de andere kant een uitgebreid proces van participatie en inspraak zal worden gerealiseerd. Worden de voorstellen van de commissie aangenomen, dan zal dit resulteren in een wettelijke regeling, die ook in de opbouw van een nieuwe bestuurlijke structuur rond het management van het thema ‘opslag radioactief afval’ voorziet.

Een natte droom van nieuwe technocraten

Ik heb het (zonder bijlagen) 683 pagina’s tellende rapport proberen te lezen. Het is elke keer weer verbazingwekkend met wat voor gecompliceerde, abstracte, even geleerd klinkende als nietszeggende formuleringen de Duitsers zich blijkbaar laten afschepen. De grondtoon van het rapport is ronduit naïef. Het leest als een technocratisch sprookje: “We hebben het indertijd, toen de protesten over Gorleben uit de hand liepen, verkeerd aangepakt. Daardoor hebben we die mooie, veilige berging van radioactieve afvalstoffen in de zoutlagen niet kunnen realiseren. We hebben toen de maatschappelijke krachten verkeerd ingeschat en de verkeerde beslissingen genomen. Nu gaan we het beter doen. We gaan de bevolking er nauwer bij betrekken. We gaan nu het hele proces transparanter maken. Zo kan een herhaling van Gorleben worden voorkomen. Als de bevolking begrijpt dat we op basis van de beste informatie open en eerlijk de beste keuzes voorbereiden en die tijdig met alle betrokken bespreken, dan zal de besluitvorming op een brede consensus kunnen rekenen.”

xxx

Flauwekul natuurlijk. Door tientallen moderatoren in te zetten, een ‘Begleitgremium’ te installeren en ‘Regionalkonferenzen’ te organiseren, zal de bevolking zich niet laten belazeren. “De oplossing ligt al decennia klaar, nu moet de bevolking er nog achter komen te staan”, lijkt het naïeve geloof van een nieuwe generatie technocraten. Dat gaat niet lukken. Na de organisatie van het hele inspraakcircus, zal Duitsland weer terug bij af zijn. Zodra concrete locatiekeuzes aan de orde komen, zal het oude probleem weer boven komen. Dan zal blijken dat de bevolking een oplossing door de strot krijgt geduwd die nooit goed is doordacht.

Een curieuze denkfout

Waarom is ondergrondse berging verkozen tot de oplossing? Waarom zijn er geen alternatieven in discussie? Deze TINA-positie (“There is no Alternative!”) lijkt het gevolg van een curieuze denkfout. Terecht wordt vastgesteld dat het hoogradioactieve afval wel een miljoen jaar schadelijk blijft. Dan wordt daaruit geconcludeerd dat we snel een oplossing nodig hebben die het afval een miljoen jaar gescheiden houdt van de biosfeer. Waarom eigenlijk? Waarom hebben we opeens haast? We weten dat we die rotzooi een miljoen jaar uit het milieu moeten houden, maar  wie zegt dat we het probleem voor de komende miljoen jaar moeten oplossen? We dwingen onszelf om een project met een looptijd van een miljoen jaar te definiëren, iets wat nooit eerder gebeurd is in de geschiedenis. Het zou natuurlijk mooi zijn als we de oplossing voor een miljoen jaar met zekerheid zouden kunnen bieden. Die oplossing is er niet: er zijn nog heel grote onzekerheden en geen enkele zichzelf respecterende technicus kan een miljoen jaar veiligheid garanderen, ook niet voor opslag in diepe zoutformaties. Er zit niets anders op: we zullen oplossingen voor een goed gedefinieerde tijdsperiode moeten accepteren. Een mogelijkheid is de door Nederland besloten strategie voor een bovengrondse tussenopslag gedurende 100 jaar. Zo’n tijdelijke oplossing kan ook in zout- of rotsformaties, maar het blijft een tijdelijke oplossing.

Weg is niet weg!

De politiek wil het probleem van tafel, dat wil zeggen de radioactieve afvalstoffen de grond in, weg van de biosfeer, weg van beïnvloedingsmogelijkheden, weg van de politieke agenda. Daarbij postuleert zij dat er een definitieve oplossing bestaat. Zo’n oplossing is er nog niet. Door dit weg-is-weg-uitgangspunt wordt veel tijd, geld en deskundigheid aan het verkeerde probleem verspild. Prioriteit nu is het organiseren van acceptabele tussenoplossingen, voor 100 of 250 jaar bijvoorbeeld. Het Duitse inspraakcircus gaat over het verkeerde thema op het verkeerde moment. De onbegrijpelijke haast met het forceren van een definitieve oplossing wordt gelegitimeerd met een onzinnig ethisch argument: “we mogen toekomstige generaties niet opzadelen met onze problemen”. Mogen we toekomstige generaties dan wel opzadelen met een onbeheersbare situatie die ontstaat als onze mooie berekeningen van vandaag over 100, 1000 of 100.000 jaar niet blijken te kloppen?

 

Referenties

Kommission Lagerung hoch radioaktiver Abfallstoffe, Abschlussbericht, K-Drs. 268. https://www.bundestag.de/blob/434430/bb37b21b8e1e7e049ace5db6b2f949b2/drs_268-data.pdf

Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Het nationale programma voor het beheer van radioactief afval en verbruikte splijtstoffen, juni 2016. http://www.autoriteitnvs.nl/binaries/anvs/documenten/publicatie/2016/6/24/nationale-progamma-radioactief-afval/het-nationale-programma-radioactief-afval.pdf

R. de Man, Ondergrondse berging van onverwerkbaar afval – Studie ter voorbereiding van een standpuntbepaling door de Vereniging voor Milieuwetenschappen ten aanzien van NMP-Actie 62, Publikatiereeks stralenbescherming nr. 1991/53, Ministerie van VROM, Leidschendam, december 1991.