Macro-fotografie

Voorbeeldfoto’s met Nikon D7100

Hier een paar gedachten over macro-fotografie. Geen volledige handleiding. Zie daarvoor de boeken en websites. Dit zijn zaken die ik zelf tegenkwam.

  1. Macro-fotografie is het fotograferen van kleine voorwerpen. Een echte macrolens projecteert een beeld op de sensor dat niet veel kleiner is dan het voorwerp zelf. Is het beeld even groot, dan spreken we van  de een 1:1 verhouding. Sommige mensen noemen macro-fotografie die nog verder gaat dan deze 1:1-verhouding micro-fotografie.
  2. Bij een 1:1 verhouding kan je bij een kleine sensor veel kleinere objecten fotograferen dan bij een grotere sensor. Hoe kleiner de sensor, des te meer ga je naar micro-fotografie bij een 1:1 verhouding.
  3. Als je van een heel eenvoudige lens uitgaat (in werkelijkheid zijn de lenzen wel wat ingewikkelder), dan wordt de 1:1-verhouding bereikt als je een voorwerp op tweemaal de brandpuntsafstand van de lens fotografeert. De sensor staat op precies dezelfde afstand achter de lens. Dat is eenvoudig te zien aan de hand van de middelbare school bekende formule 1/f = 1/b + 1/v. Zijn b en v gelijk, dan geldt 1/f = 2/b = 2/v. Dan geldt ook b = v = 2f. (Voor een 2:1 verhouding: v=3f/2; b:3f – dan staat de sensor ver achter de lens).
  4. Elke lens is in principe een macro-lens. Neem je een 50 mm – lens, dan kan je op 10 cm van de lens een object fotograferen en krijg je de 1:1-verhouding. Er is één maar: de lens moet wel voldoende afstand van de sensor hebben. Als het objectief niet ver genoeg uitgedraaid kan worden, dan zijn tussenringen vereist.
  5. Beter zijn speciale macro-objectieven, die zonder tussenringen een beter resultaat behalen.
  6. In principe is elke brandpuntsafstand mogelijk, maar in de praktijk zijn goede macro-lenzen telelenzen (tussen de 100 en 250 mm). Vooral voor het fotograferen van onrustige beestjes is 10 cm werkafstand echt te weinig. Beter is een werkafstand van zo’n 30 tot 50 cm. Bij een korte werkafstand kan bovendien de belichting een probleem zijn.
  7. Ik heb zelf macro-objectieven van 85 en 105 mm. Die zijn eigenlijk te kort.  Ik had eens Sigma-lens van 180 mm te leen. Die was ideaal om vlinders en bijen op gepaste afstand te fotograferen. Hij staat op mijn verlanglijstje.
  8. Als tijdelijke oplossing heb ik mijn ouderwetse 105 mm, f/2.8 Nikon-objectief van een nog ouderwetsere 2x converter voorzien, zodat ik netto een 210 mm f/5.6-objectief bezit, niet zo handig als die mooie Sigma, want de converter koppelt alleen de diafragma-waarde  (die je handmatig moet instellen op de lens) door naar de camera, maar de cameramotor kan de lens niet scherpstellen. Je kan fotograferen met de M-stand of de A-stand zonder auto-focus, maar het werkt en levert uitstekende beelden.
    Mijn 105 mm AF micro met een TC201 2x converter op een Nikon D610

    Op de camera heb ik de combinatie van lens en converter als een niet-digitaal objectief geregistreerd en daarbij de maximale  opening 5.6 doorgegeven. Hij werkt goed met een full-frame camera. Ik kan nu, als ik wil tot een vergroting van een factor 2 gaan, maar dan heb ik dezelfde afstand tot het object als bij de 105 mm lens bij 1:1. Minimale horizontale grootte van het object is dan 18 mm bij FX en 12 mm bij DX.

    Voorbeeld met mijn 2×105 combinatie: zeepokken op een zeeslak… (Nikon D610)

  9. Het probleem van macrofotografie is scherptediepte. Je mag blij zijn als het oog van de bij scherp is, maar de vleugels zijn het dan meestal niet. Soms is dat geen probleem, maar in andere gevallen zorg ik voor een aanvaardbare scherpte door:
    1. het werken met hele hoge diafragmawaarden  (14, 16 …).
    2. in combinatie daarmee flitslicht te gebruiken;
    3. het object zoveel mogelijk in een vlak evenwijdig aan de camera te plaatsen.
  10. Soms gebruik ik flitslicht om bewegingsonscherpte (van vliegende insecten bijvoorbeeld) tegen te gaan. In dat geval sluit ik het gewone daglicht uit door de M-stand van de camera, bijvoorbeeld op 1/250 (minimale sluitertijd voor flitsen) in combinatie met f/14 en een vrij lage ISO-waarde (bijv. ISO 200 en geen auto-ISO). Gebruik je de S-stand van de camera (bijv. 1/250), dan zorgt een te open diafragma voor te veel natuurlijk licht tijdens het opengaan van de sluiter. Bij een dichter diagfragma telt alleen het flitslicht dat in een fractie van die 1/250 binnenkomt.
  11. In de meeste situaties vind ik een statief handig om alle onscherpte door de beweging van de camera uit te sluiten. Aan vibratiereductie heb je niet zo veel bij een macrolens. Ook werk ik veel met handmatige scherpstelling.