Eenzamer kan niet

Natuuraanleg

Er is in Nederland de laatste jaren zoveel mooie natuur aangelegd dat je er bijna niet aan toe komt alle nieuwe gebieden goed te bestuderen. Hier is weer een weiland onder water gezet, daar worden klimaatvriendelijke waterbuffers aangelegd en niet ver daarvandaan prijken nieuwe oeverzwaluwwanden, zwaluwenhotels en ijsvogeloevers. En dan komen de vogels in groten getale. Zo ook bij het duizend hectare grote plan Tureluur ontwikkeld in de jaren 1990 als compensatie voor de verloren gegane buitendijkse natuur bij de Oosterschelde (meer over de ontwikkelingen in het delta-gebied in deze blog).

Waarnemingskolonne

In een kolonneformatie die wel wat aan een rouwstoet doet denken, maar wel wat vrolijker, reden de leden van de vogelwerkgroep Leiden van de KNNV langs dit vogelparadijs: een paar honderd meter rijden, telescopen uit de auto, statieven uitschuiven, telescopen plaatsen, het gebied afzoeken naar bijzonderheden en dan enthousiast de bevindingen rondbazuinen: driehonderd wulpen! Zesentwintig lepelaars! Tweeduizend goudplevieren, tweeëndertig bontbekplevieren! Een zilverplevier! Wilde zwanen waar kleine zwanen tussen lijken te zitten! Vier strandleeuweriken! Toch wel tientallen grutto’s niet ver van de meer dan zestig kluten! Ik zie pijlstaarten tussen die grote mantelmeeuw en de smienten! En zo gaat het een tijdje door tot de volgende paar honderd meter rijden inclusief het ritueel van telescopen afbreken en later weer opbouwen.

Daar!!!!!!!!

Tijdens dit soort excursies met de voortdurende autoritjes en kortademige waarnemingshoogtepunten heb ik nooit het gevoel echt in de natuur de zijn. Heel ouderwets denk ik bij natuur aan buiten zijn, wandelen, van geuren en kleuren genieten, moe worden van fysieke inspanning en zintuigelijke indrukken. Maar voor wie veel soorten op een dag wil zien, is dit wel de aangewezen methode. We reden nog langs een punt waar de uiterst zeldzame grijze wouw te zien zou zijn. Er stonden nog meer vogelaars, vol verlangen naar de waarneming van hun leven, maar hij kwam niet.

Grijze zeldzaamheid

Ettelijk kleine zilverreigers, smienten, pijlstaarten, kieviten, kolganzen en zwarte ruiters later (en na een kop dikke snert van € 8,50 waar de lepel in bleef staan) reden we er nog maar eens langs de plek van de grijze zeldzaamheid.

En ja hoor, daar kwam hij aanvliegen, een prachtig getekende vrij kleine vogel die in niets op een wouw lijkt.  Hij vloog door een valleitje tussen de weg en de duinen heen en weer en ging nog even in een boom zitten, terwijl de lag winterzon zijn mooi getekende kop en vleugels helder verlichtte.

Grijze Wouw: door J.M.Garg – Eigen werk, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=6622707

Het was een schitterend gezicht, maar ik kon er niet blij van worden. Eerder bekroop mij een intens droevig gevoel. Deze vogel, die vooral in Azië thuis schijnt te horen en heel kleine gebiedjes in Spanje en Portugal bewoont, vliegt hier in zijn eentje heen en weer. De eerste soortgenoot zou best eens tweeduizend kilometer hiervandaan kunnen zitten. Eenzamer kan niet.  Als hij slim is, vindt hij de weg wel terug, maar hij is waarschijnlijk dom. Anders zat hij hier niet. Er is geen toekomst voor onze grijze zeldzaamheid. We horen hem helemaal niet hier te zien.

Goede reis!

Het mooie van natuur vind ik de samenhang tussen alle levensvormen, zoals de aanwezigheid van zwarte sterns op basis van de aanwezigheid van kranswieren, de vlinderpracht op bloemen, die alleen kunnen groeien waar de bodem bepaalde zout- of calciumgehaltes heeft, de samenhang tussen de ondergrondse netwerken van schimmels en het wel- en wee van het bos daarboven. Maar zo’n grijze wouw, is dat natuur? Natuurlijk niet, gewoon een zeldzaam misverstand. Zo’n dier heeft nog geen relaties met de dominante levensvormen bij ons. Pas als die zich (door klimaatverandering misschien) als exoot gaat uitbreiden, dan mogen we hem tot onze natuur rekenen. Ik hoop dat onze eenzame vogel toch genoeg verstand of instinct heeft de weg naar huis te vinden. Goede reis!

Bomen in november

Libellen, paddenstoelen, bomen

In september rende ik als een gek achter de libellen aan. In oktober lag ik languit op de grond om paddenstoelen te fotograferen, objecten die je meer tijd geven om de ideale positie te kiezen en om bij gebruik van een statief heel lange sluitertijden te kiezen. De ontwikkeling heeft zich nog even doorgezet. Het onderwerp is alleen veel groter geworden: bomen. Je hoeft daardoor minder dan bij paddenstoelen over de grond hoeft te kruipen. Ook bomen bewegen niet. Dat wil zeggen: ze blijven op dezelfde plaats staan, maar hun takken en bladeren kunnen wel onrustig in de wind heen en weer bewegen, zodat je toch wel moet oppassen met te lange sluitertijden als het waait.

Landschapsfotografie

In 2020 volgde ik een cursus digitale fotografie bij Harry Otto in Leiden. Eén van de eerste opdrachten luidde: maak een presentatie die laat zien wat voor soort fotografie je aanspreekt en illustreer het met het werk van goed fotografen. Ik ging op zoek naar landschapsfotografen. Het was vooral een grote teleurstelling. Wat een bombastische en sentimentele troep kwam ik tegen: eindeloze landschappen met sprookjesachtige sterrenluchten, brandende vuren, fotografisch bevroren watervallen en ergens in die landschappen magisch oplichtende mannen en vrouwen met hun blik op oneindig. Nee, dat wilde ik niet. Toch vond ik een paar fotografen door wie ik me wel graag zou laten inspireren: fotografen die natuurlijke schoonheid laten zien zonder hopeloos te overdrijven: mooie vormen, kleurcombinaties en lijnen. Op de eerste slide van mijn presentatie liet ik drie foto’s zien door drie heel verschillende fotografen: Charlie Waite, Guy Tal en Ellen Borggreve.

De eerste dia van mijn presentatie uit 2020

Ellen Borggreve: workshop ‘beyond the basics’

Ik volgde al een paar jaren de ‘news letter’ van Ellen Borggreve, die vooral sublieme foto’s van bomen en bossen maakt. In het kader van mijn blog over ‘mooi weer’ (de overmaat zon die niet alleen voor de natuur maar ook voor fotografen rampzalig is) had ik even contact met haar omdat ik  daarin haar ‘news letter’ wilde citeren. Van het een kwam het ander en ik gaf mij op voor de workshop voor gevorderden (‘beyond the basics’) op 10 november.

Oude taxusbomen bij Huys te Warmont

Vóór de workshop oefende ik al wat bij het Huys te Warmont, waar de grote taxusbomen mijn lievelingsobject werden.  Ik had wel mijn twijfels, niet alleen over de forse kosten van deze workshop maar ook vroeg ik mij af of gevorderd niet té gevorderd zou zijn. En ik vroeg mij af wat voor soort mensen dit soort workshops trekken, vooral hoogbejaarden met te veel geld of vooral romantische ‘tree huggers’? Het was een sprong in het duister.

Middelmatigheid op de Veluwe

In de middag van 9 november reed ik richting Amsterdam, Amersfoort en verder naar Garderen op de Veluwe. Behalve een koffertje met kleren had ik mijn full frame Nikon met een standaardzoom en een teleobjectief bij me en natuurlijk een goed statief en wat hulpmiddelen zoals circulaire polarisatiefilters en reservebatterijen.

Het Fletcherhotel vlakbij Garderen muntte uit door middelmatigheid. Niets was echt slecht, niets was ook bijzonder goed: behalve pils geen behoorlijk bier van de tap, een karakterloos driegangenmenu  en een ontbijt met de gebruikelijke veel te lang gebakken spekrepen bij het sponzige roerei. Er was toch een voordeel: door de gemiddelde leeftijd van de gasten kon ik mij weer even jong voelen.

Fotograferen in het Speulderbos

Iets na half acht was ik bij de afgesproken parkeerplaats, de start van de wandelroute ‘de Duintjes’. Al mijn twijfels over de deelnemers leken ongegrond. Er waren behalve mijzelf drie heel gemotiveerde deelnemers (twee mannen en één vrouw), die niet alleen over uitstekende dure camera’s beschikten maar ook over veel kennis en ervaring. Misschien was het niveau een beetje aan de hoge kant voor mij, maar in ieder geval ging er geen tijd verloren aan discussies over ISO-waarden, scherptediepte, lensopeningen en sluitertijden. Het ging in deze workshop bijna uitsluitend over compositie. Alle technische onderwerpen waren daarvan een afgeleide.

In het Speulderbos (1/25, f/14, 24 mm, ISO 400, full frame)

Het Speulderbos en de daar liggende ‘duinen’ zijn een eldorado voor boom- en bosfotografen. Het landschap is op veel plekken heuvelachtig. Er staan de prachtigste oude beuken met hun interessante kromgegroeide stammen en takken. Dan wordt het weer afgewisseld met een donker bos van kaarsrechte sequoia’s.

Compositieles

Het ging in de les vooral om het opbouwen van een mooie compositie zonder te veel verwarrende complexiteit. Vragen die aan de orde kwamen, waren bijvoorbeeld: Gaat het in jouw foto vooral om één boom of om een groep bomen in hun onderlinge samenhang? Welke boom beschouw jij als ‘hoofdpersoon’, welke bomen als ondersteunende ‘personages’? Welk standpunt moet je kiezen om te laten zien, wat je wilt laten zien: hoog of laag, dichtbij of veraf, etc. ? Ik merkte dat ik zulke vragen nog bijna nooit expliciet had gesteld, laat staan beantwoord.

les in het bos

Op het moment dat je er een duidelijk antwoord op kunt geven, komt de vraag naar de technische realisering: wat voor soort objectief (standaard, groothoek of tele?), welke oriëntatie (portret, landschap of eventueel zelfs vierkant) en een hele reeks parameters zoals kleurtemperatuur, sluitertijd, handmatige of automatische scherpstelling, diafragma en scherptediepte. Ik leerde vooral het belang van de objectiefkeuze: groothoek om elementen los te maken, tele om elementen te verbinden. Ik had het nog nooit zo gezien: telelenzen zijn niet alleen onmisbaar om wat ver is dichtbij te brengen (bijvoorbeeld in de vogelfotografie), maar ook om verder weg van een onderwerp te kunnen gaan staan om het perspectief aan de vereisten van je compositie aan te passen, ook als je er in principe wel heel dichtbij kan komen.

 

Dansende beuken en kaarsrechte sequoia’s

De suggesties van Ellen Borggreve waren uiterst concreet. Bij haar is fotograferen van bomen en bossen een vak dat ze technisch tot in de puntjes als geen ander beheerst, geen zweverig gedoe. Ik had ook niet anders verwacht.  Voorbij het beukenbos in de duinen kwamen we in het donkere sequoiabos. Door het woud van lange rechte stammen heen zag je weer de kromme lijnen van een ‘dansend’ beukenbos in het licht. Ik maakte een paar foto’s en vroeg om commentaar. Dat kreeg ik: ze adviseerde mij de hoogte van mijn camerapositie te veranderen. Ik liep weer terug naar dezelfde plek en maakte de foto’s opnieuw van een andere hoogte. Het zag er meteen veel beter uit.

Dansende beuken door de sequoia’s (1/5, f/18, ISO 400, 85 mm, full frame)

Zo maakte ieder van de deelnemers zijn eigen foto’s van bomen op heuvels, groepjes bomen langs een bospad, imposante wortelstelsels, kaarsrechte stammen en kronkelende takken.

Veel geleerd

Toen wij in de vroege middag weer op de parkeerplaats stonden, wist ik dat ik veel geleerd had. Veel tijd om met de andere deelnemers te praten, was er niet. Daarvoor waren we te hard aan het werk, want goede foto’s maken is hard werken. Ik ben wel benieuwd wat de resultaten van de andere deelnemers zijn, maar ik geloof niet dat er zo’n uitwisseling  gepland is. Jammer.

Niet veel later reed ik naar huis. De workshop had niet lang geduurd, maar ik had genoeg geleerd en genoeg inspiratie opgedaan voor maanden lang bomen, bossen en andere landschappen te fotograferen. Dat moet ik vaker doen, direct van een topfotograaf les nemen op een niveau net iets boven mijn macht. Het is dezelfde ervaring als in een te goed orkest spelen. Onmerkbaar stijg je dan boven je eigen normale niveau uit. Daar heb je wat aan.

____

 

Op deze pagina heb ik nog wat tips voor het maken van bomenfoto’s gezet.

 

_____

 

 

 

 

 

Hei en Dennen

Herfstvakantie in het Konijn

Net als twee jaar geleden gingen we in de herfstvakantie een paar dagen naar Epe. Ook konden we volop genieten van de mooie paddenstoelen in de bossen en op de  heide. Ook overnachtten we weer in een piepklein huisje op het bungalowpark en camping van RCN, van het type ‘konijn’. Beschikten wij twee jaar geleden nog over een vierpersoonskonijn, nu moesten we het met de allerkleinste versie voor twee personen doen: het kleinste huisje op het terrein. Het weer was warm, verontrustend warm voor de tijd van het jaar. Terwijl de wereld twee jaar geleden bijna helemaal stil lag door Corona-maatregelen, waren nu de terrassen en cafés gewoon weer open, maar eigenlijk hebben we er niet eens zo veel gebruik van gemaakt. Toch fijn te weten dat het er weer is.

Wandelen tussen de paddenstoelen

Het is nauwelijks te vermijden, maar de wandelingen (en de foto’s) deze keer leken als twee druppels water op die van de vorige keer: door de Dellen naar de Render Klippen en over de Tongerense hei. Bij de Schaapskooi op de Render Klippen stond een ijskar. De ijscoman verkocht niet alleen prima ijs, maar kon het niet laten ook allerlei stereotype ongevraagde adviezen in de psychologische sfeer te geven. Zo wisten wij weer waar het om gaat in het leven.

Hoewel het herfstvakantie was, liepen er nergens veel mensen. En ook het aantal geëlektrificeerde fietsers op de racebaan door het bos viel mee. Veel vogels zagen we niet. Dat had zeker met het weer te maken. Bij kouder weer was er zeker meer vogeltrek geweest. Met veel plezier maakte ik weer de ene paddenstoelenfoto na de andere.

Ik weet er nog niet zo veel van, maar naarmate ik meer van die organismes te weten kom, des te meer opent zich een totaal wonderlijke ondergrondse en bovengrondse wereld van schimmels die met bomen samenwerken (zoals de vliegenzwam met berken en andere b0men), andere (zoals de sombere honingzwam) die eerst als relatief onschuldige parasiet op die bomen leven, maar dan genadeloos tot de aanval over kunnen gaan om de boom om zeep te helpen en vervolgens totaal af te breken. En dan zijn er nog paddenstoelen die zich uitsluitend bezig houden met het opruimen van dood organisch materiaal (zoals het koraalzwammetje op de foto).

Drie wandelingen: A. Dellen en Render Klippen; B: Tongerense Heide; C: Dellen en Haelberg
Aan de rand van de Tongerense hei

Meer dennen dan hei

Onze wandelingen in Epe gingen vooral door het bos met af en toe een stukje heide daartussen, zie bovenstaande figuur. Nu liggen de hei van de Render Klippen en de Tongerense hei als geïsoleerde elementen in het grote Epense bos. Hieronder een paar foto’s.

Dat is wel eens anders geweest. Hieronder is de historische ontwikkeling in 9 kaarten weergegeven. Aan het eind van de 19e eeuw zien we uitgestrekte heidevelden en hier en daar een stuk bos. In het begin van de twintigste eeuw neemt het bosoppervlak in een strook ten Noorden van Epe iets toe, maar de heidevelden daarachter blijven immens.  Dat is ten zien op de kaarten van 1920 en 1935, maar dan wordt het grootste deel van de heide beplant met uitgestrekte bossen van vooral op nette rijtjes geplante sparren, dennen en lariksen. Wat in 1940 nog van de heide over was gebleven, is er vandaag ook grotendeels nog: de hei bij de Render Klippen ten Noorden van Epe (wandeling A) en de Tongerense hei ten Zuid Westen (wandeling B).

Bron: topotijdreis https://www.topotijdreis.nl/

Het verdwijnen van de hei

Heide is een oud cultuurlandschap (zie ook deze blog). Eeuwen lang maakten de Nederlandse heidevelden deel uit van een landbouwsysteem waarbij afgeplagde heide vermengd met stalmest de basis vormden van het bemestingssysteem. Een deel van de mest was afkomstig van schapen die op de heide werden gehouden. Dit systeem van landbouw kwam spoedig tot een einde toen aan het begin van de twintigste eeuw grootschalige kunstmestproductie mogelijk werd nadat in 1910 Fritz Haber een methode gevonden had om stikstof uit de lucht in ammoniak om te zetten. Heide was vanaf die tijd geen noodzakelijk onderdeel meer van het landbouwsysteem op de zandgronden. Het is niet toevallig dat wij de heide snel zien verdwijnen op de kaartjes tussen 1920 en 1940.

Hei en Dennen

Het boekje Hei en Dennen door de aartsvaders van de Nederlandse natuurbescherming E. Heimans en Jac. P. Thijsse werd voor het eerst in 1897 uitgegeven. Het begint met een mooi verhaal dat op de hei tussen Heino en Raalte in Overijssel speelt. Daar woont in een afgelegen huisje 'Kruiden-Marie', een oude vrouw die uitzonderlijk veel van kruiden weet. Heimans (geboren in 1861) vertelt over zijn ontmoetingen die hij als jonge man met deze vrouw gehad had. Het verhaal speelt dus ergens rond 1880.



Toen het boek in 1948 opnieuw werd uitgegeven, waren de eenzame heidevelden waarop het leven van Kruiden-Marie zich afspeelde, al grotendeels verdwenen. Heimans schrijft in het voorwoord - Thijsse was inmiddels overleden - over de grote veranderingen in de vijftig jaren na de eerste druk.

"Geen ander van de Nederlandse landschappen heeft in  .... (de afgelopen) 50 jaren zo schrikbarend geleden door ontginning als de heide. ... ... Moge de vernieuwde uitgave van dit boekje bijdragen tot het inzicht, dat de laatste nog goede resten van onze Nederlandse heiden als een uiterst kostbaar en precair nationaal bezit dienen te worden beschouwd en daarom tegen iedere verdere aantasting moeten worden gevrijwaard door ons aller toewijding en opofferingsgezindheid."

Plaatje hierboven uit de uitgave van 1948: E. Heijmans en Jac. P. Thijsse, Hei en Dennen, Uitgeverij Ploegsma, Amsterdam 1948. Oorspronkelijke uitgave in 1897, beschikbaar op internet: https://www.dbnl.org/tekst/heim004heie01_01/heim004heie01_01_0003.php

Het Oener Koefeest

Maar er is meer dan bos en heide in de buurt van Epe. Deze keer bezochten wij het Koefeest van Oene, een plaatsje net ten Oosten van Epe. Het ademt een beetje de sfeer van drie oktober in Leiden met alle frietttenten, en marktkramen voor vis en allerlei rotzooi. Maar het publiek is anders. Het is vooral de plaatselijke boerenbevolking, die grotendeels mooie Gelderse en Overijsselse dialecten spreekt. Op de markt was een grote oldtimer-show, niet voor auto’s maar voor historische tractoren. Veel kramen op de markt verkochten T-shirts met tractormotieven en miniatuurmodellen van tractoren. Het leven van de boer is een tractorleven.

Rond de stokoude tractoren, waarvan de motor nog liep, stonden zoveel boeren dat het me nauwelijks lukte er foto’s van te maken. Traditioneel omvatte dit feest ook een koeienmarkt, maar sinds de mond- en klauwzeeruitbraak van 2001 werd de handel in koeien verboden. Er schijnt nu wel een paardenmarkt te zijn. Oene heeft een Oranjevereniging met de afkorting O.E.N.E.: Oranje En Nederland Eén. Zo’n dorp is het dus.

Als je van Oene nog verder naar het Oosten rijdt, dan kom je bij de IJssel. Na ons vertrek uit Epe reden we naar het Olsterveer, het pontje  naar Olst. We genoten daar van onder meer kolganzen, smienten en slobeenden. Einde herfstvakantie, maar echt herfst was het nog steeds niet.

 

____

Meer foto’s op mijn fotosite

 

 

Terug naar de cultuur

Het was 1958. We woonden in Ede boven op de Paasberg. Met het hele gezin fietsten we over zandpaden bij Planken Wambuis en Mossel en weer terug over de Ginkelse Heide. De zon scheen heerlijk op de heide die al behoorlijk paars aan het worden was. Daar aten we onze meegebrachte boterhammen bij het gezoem van bijen en hommels, terwijl de leeuweriken geen enkel moment hun gezang onderbraken.

Op de Ginkelse Heide (november 2019)

Ede was het heidedorp met als toeristisch hoogtepunt de verkiezing van de heidekoningin die in een paars versierde wagen door de straten werd gereden. De paarse koets van Ede. Toch ging het de jaren daarop niet zo goed met de hei. In plaats van de mooie paarse struikjes groeide er steeds meer onsympathieke grassoorten. De korhoenders, waar wij als NJN-ers nog om vier uur in de ochtend naar gingen kijken, waren na een tijdje verdwenen.

grutto

Niet alleen de mooie heidenatuur verdween in een rap tempo, ook de mooie weidevogels op het land van traditionele boerenbedrijven werden schaars. De intensieve landbouw eiste zijn tol, vooral door het toegenomen gebruik van kunstmest, de drastische verlaging van de grondwaterstanden en – vooral door ruilverkaveling – het verdwijnen van aantrekkelijke landschapselementen zoals eeuwenoude heggen en wallen.

Het conflict tussen boer en natuur spitst zich nu toe op de noodzaak de stikstofbelasting van alle sectoren in Nederland terug te brengen. Als het niet lukt de boerenbedrijven minder stikstofintensief te maken, dan moeten de boeren maar verdwijnen. De boeren hebben niet meer de politieke en maatschappelijke steun van weleer. Het land mag dan vol staan met omgekeerde Nederlandse vlaggen, maar de boeren staan zwaar op verlies. In de wedstrijd natuur tegen boer staat het minstens 1-0, misschien al 3-0. Wie zal het zeggen?

Dat is prachtig! In Nederland kunnen we de natuur weer herstellen, nu we die rotboeren bijna uit ons paradijs verdreven hebben. Maar hoe gaat het dan verder? Laten we er nu eens vanuit gaan dat natuur daar maximaal ontstaat waar de mens zijn invloed tot nul terugbrengt. We laten het land aan zichzelf over: geen landbouw, geen industrie, geen afvalstromen of emissies van elders. Weg met de kunstmatige aanpassing van waterstanden, weg met kunstmest. We laten het land zonder menselijke invloed dichtgroeien en kijken wel wat voor planten en dieren we dan krijgen. Wat we dan krijgen, zal waarschijnlijk op het landschap de vroege middeleeuwen, voor het ontstaan van de landbouw, gaan lijken, misschien wel op het landschap van nog veel eerder, na de laatste ijstijd. Waarschijnlijk ontstaan er tussen de stedelijke gebieden grote beukenbossen en uitgestrekte moerassen, wie weet ook nog bevolkt door wolven, beren en wisenten.

Krijgen we dan onze mooie natuur terug? Hoe gaat het dan met onze paarse heide en met de mooie weidevogels? Het is misschien jammer, maar uitgestrekte heidevelden komen echt nooit meer terug. Hoewel de heide als soort al vóór de vroege middeleeuwen in onze omgeving voorkwam, zijn de uitgestrekte heidevelden (en zandverstuivingen) van veel latere datum. Heidevelden zijn ontstaan als nevenproduct van een vorm van landbouw, die zich op en rond ‘essen’ in een tijd van systematisch mesttekort ontwikkelde. De es werd bemest met een mengsel van stalmest en afgeplagde heide. Daar vond landbouw en veeteelt plaats. Heidevelden rondom de es waren het domein van schapen. De grote onvruchtbare heidevelden waren het gevolg van systematische verarming door eeuwenlange afplagging. De beste manier onze mooie heidevelden in stand te houden, is weer regelmatig op de oude manier af te plaggen. Doe je dit niet, dan verdwijnt de door de mens veroorzaakte onvruchtbaarheid. De huidige stikstofbelasting is niet de belangrijkste oorzaak van het verdwijnen van de heide. Heidevelden kunnen zelfs nog heel wat stikstof hebben, als je ze op de juiste manier onderhoudt. De heide is geen oorspronkelijke natuur, maar een cultuurlandschap van vóór de uitvinding van de kunstmest. Toen die uitgevonden was, had bijna niemand meer behoefte aan heidevelden, behalve dan het leger, waaraan wij het behoud van grote stukken heide te danken hebben.

Nederlandse ‘natuur’ in het Groene Hart

Ook onze mooie grutto’s, kieviten, wulpen, tureluurs en nog veel meer weidevogels zijn geen oorspronkelijke natuur. De Nederlandse weiden waar deze vogels zich eeuwenlang hebben thuis gevoeld zijn door de landbouw geschapen biotopen die oorspronkelijke, maar verdwenen, biotopen hebben kunnen vervangen. Je zou kunnen zeggen dat de natuur in de landbouw gevlucht is. Door de intensivering van de landbouw zijn deze landbouw-biotopen op een schrikbarende manier gekrompen en daarmee de overlevingskansen van grote vogelpopulaties. Terug naar de oorspronkelijke wildernis van vóór de landbouw zou een ramp betekenen, want daarmee ontstaat niet automatisch ruimte voor de weidevogels.

Terug naar de natuur! Dat klinkt goed, maar terug naar welke natuur? Terug naar een oorspronkelijke door landbouw en industrie niet gestoorde wildernis levert ons niet meer op dan een tamelijk saai boslandschap met hier en daar een moeras. We krijgen er de natuur waar we naar verlangen – steekwoorden: heidevelden en grutto’s – nooit mee terug. Het is goed ons te realiseren dat onze ‘natuur’ (in Nederland en West Europa), voor minstens 90% aan landbouw gebonden is. Willen we deze natuur behouden, of terug krijgen, dan is er een rol voor de landbouw weggelegd. In de strijd tussen natuur en landbouw staat het toch niet 1-0. De boeren staan op verlies, maar de natuur ook. Het staat op zijn best 0-0.

Tapuit in de boerennatuur

Het kan 1-1 worden als de boeren weer een positieve rol kunnen spelen in de creatie en het beheer van de natuur zoals ze al eeuwen hebben gedaan, maar dan moet er wel iets grondigs veranderen aan de landbouwsubsidies. Het inkomen van boeren in Nederland (en Europa) bestaat gemiddeld voor de helft uit subsidie. Die subsidie gaat nu nog in het stimuleren van intensieve landbouw ten koste van de natuur. De boer krijgt er de schuld van. De belangrijkste bijdrage van boerenbedrijven in veel gebieden zal ook in de toekomst het scheppen en beheren van onze zogenaamde ‘natuur’ moeten zijn en daarvoor moet hij betaald worden. Dat heeft meer zin dan de boeren uit Nederland en Europa weg te jagen en daar, op basis van een misplaatst romantisch verlangen naar een al meer dan duizend jaar geleden verloren gegane wereld – een verarmde wildernis, geen rijke natuur! – voor in de plaats te creëren. Terug naar de cultuur!

____

 

PS

  1. Ik worstel al een tijdje met de vraag, wat nu eigenlijk natuur is (in Nederland), zie bijvoorbeeld dit verhaal.
  2. In de intensieve landbouw is de boer vaak de vijand van de biodiversiteit. In oudere, minder intensieve vormen van landbouw draagt de boer juist bij aan het scheppen van biodiversiteit. Neem bijvoorbeeld de traditionele landbouw in Normandië, de combinatie van cider- en melkproductie en het resulterende ‘bocage’-landschap. Ik schreef erover in deze blog.
  3. De stikstofdenkfout: het is ontegenzeggelijk waar dat de te hoge stikstofbelasting van de bodem in Nederland tot het verdwijnen van veel mooie natuur heeft geleid. Het woord ‘stikstof’ vind je tegenwoordig steeds vaker  als de helft van het woordpaar ‘stikstof – natuur’. Natuur  is mooi en stikstof is slecht voor de natuur. Stikstof is antinatuur. Een toename van stikstof (eigenlijk gaat het niet om stikstof maar om stikstofverbindingen) leidt tot een afname van natuur. De grote denkfout die onmerkbaar in de politiek geslopen is, luidt: afname van stikstof leidt automatisch tot een toename van natuur. Dat is om meerdere redenen een riskante en meestal foute aanname. De ecologische kwaliteit van de bodem hangt van honderden factoren af, niet alleen stikstof. Bovendien kan de afname van stikstof gepaard gaan met maatregelen ten nadele van de natuur zoals het volledig verdwijnen van de landbouwbiotopen waarin de natuur zich thuis voelt.

Paddenstoelen in oktober

Ik laad mijn fietstassen vol met dure en zware foto-apparatuur. Twee digitale spiegelreflexen, een standaardzoom, een teleobjectief, een macrolens en een zwaar statief. Mijn telefoon doet dienst als infrarood-afstandsbediening. Ik fiets langs de gebouwen van Dekker in de richting van Warmond. Ik fiets de dorpsstraat van Warmond door tot het bruggetje bij de kleine zijingang van Huys te Warmont.

Daar komt net Benjamin Teensma aanfietsen, een krasse 90-jarige oud-hoogleraar Portugees en auteur van interessante boeken onder meer over de geschiedenis van Nederland en Portugal in Brazilië. Ik kom Benjamin vaak tegen op Koudenhoorn als hij daar zijn wandelingetje maakt. Nu is hij op zoek naar de groene knolamaniet, die zich hier ergens zou bevinden. Het is één van de giftigste paddenstoelen ter wereld, ‘death angel’ in het Engels. Ik spreek mijn waardering voor het wandelend publiek hier uit: niemand lijkt hier de paddenstoelen te vernielen. Dan citeert Benjamin een gedichtje dat zijn vader nog persoonlijk van de oude Thijsse heeft geleerd. Het gaat erover dat iedereen van de natuur mag genieten, maar dat niemand die bezit. Ik citeer dan ook maar  “Laat niet als dank voor ‘t aangenaam verpoozen, den eigenaar van ‘t bosch de schillen en de doozen.”.  Dan loop ik linksaf door het bos terwijl hij zijn reis naar de doodsengel voortzet. Zijn tekst ben ik alweer vergeten. Ik moet er nog eens naar vragen.

Ik ga paddenstoelen fotograferen. Het voordeel van paddenstoelen is dat zij niet wegvliegen. Je kan een foto stap voor stap voorbereiden. Er is geen haast. De enige onrust zit in mezelf, waardoor ik toch vaak slordige foto’s maak, waar niet alles op staat wat er op moet staan en, erger nog, er heel veel op staat wat ik er niet op wil hebben. Ik wil vandaag eens rustig de tijd nemen.

Niet ver van de vijver bij het ‘Huys’ ligt een mooie boomstam helemaal vol gegroeid met verse, glimmende porseleinzwammen. Ik zet mijn statief op, niet te hoog zodat ze er mooi op komen te staan. Op de achtergrond staan de nog erg groene bomen van het park. Ik maak met een standaardzoom  een aantal plaatjes met meerdere groepjes porseleinzwammen erop, maar dan probeer ik er met een telelens wat details uit te halen. Ik ben niet ontevreden, maar ook niet echt tevreden. Ik worstel met te veel contrast in nietszeggende achtergronden. De zorgen van een fotograaf.

Het loopt alweer tegen half vier wanneer ik een heel klein paddenstoeltje onder de donkere bomen zie staan. Er staan er nog twee vlak naast. Het is echt erg donker. Hier moet iets van te maken zijn, denk ik, maar het kan alleen maar met de camera bijna op de grond en een belichtingstijd van meerdere secondes. Ik haal de stang met de statiefkop uit mijn statief en stop hem er ondersteboven van onderen weer in. Ik heb dat nog nooit gedaan, dus het is wel een gepruts.

camera onder het statief met gedraaide statiefring aan de lens

De camera hangt nu ondersteboven aan het statief en dat is onhandig voor de bediening, maar dat probleem is snel opgelost. Ik gebruik mijn 180 mm Sigma macrolens, waaraan een draaibare statiefaansluiting zit. Ik kan de camera dus weer terugdraaien. Mijn camera hangt nu zo laag op de grond dat ik alleen door plat op de grond te liggen door de zoeker kan kijken. Gebruik van ‘live view’ op het schermpje van de camera is uitgesloten. Daarvoor is het veel te donker. Ik werk met een handmatige scherpstelling en dan gebruik ik mijn telefoon als afstandsbediening, maar die was ik kwijt. Ik vond de telefoon terug onder een dikke laag bladeren en na twintig minuten voorbereiden kan ik de foto nemen. Belichtingstijd 5 seconden.

het resultaat

Ik lig vlakbij een wat breder wandelpad. Regelmatig werpen wandelaars een wat ongeruste blik op me. Gaat het wel goed met die bejaarde? Af en toe vraagt er iemand: “Ziet u daar iets bijzonders?”. Ik antwoord in dat soort gevallen altijd: “Geen bijzondere soort, maar misschien een bijzondere foto.”. Ik denk niet dat ze het altijd begrijpen. Dan stapt er een wat oudere dame tussen de bomen door naar mij toe. Zelfde vraag, zelfde antwoord. Ik zeg ook nog: “ik heb deze vreemde opstelling nodig omdat hier zo weinig licht is en ik toch een goede foto wil maken.” Dan zegt ze: “Ik wil u graag even bijlichten met mijn telefoon.” Dat lijkt me geen goed idee en ik zeg iets ondiplomatieks als “alstublieft niet”, waarop zij volkomen terecht reageert met: “Sorry hoor, het was alleen maar een aanbod om u te helpen.”

Met een broek vol bruine vlekken van de half vergane humuslaag onder de bomen richt ik mij met enige moeite weer op en loop verder in de richting van de parkeerplaats.

Daar liggen een paar dode bomen die al jaren een eldorado voor paddenstoeljagers zijn. Vorig jaar zat het vol met bundelzwammen, nu zijn het vooral naast de porseleinzwammen de grote bloedsteelmycena’s, prachtige lichtpaarse parasolletjes, en zwavelkoppen. Met onmogelijke opstellingen van mijn statief tussen de dode boomstammen maak ik een heel aantal foto’s. Ik ben best tevreden.

Dan loop ik maar door. Ik word weer aangesproken door een vriendelijke vrouw: “mist u geen lensdop?” Er staat Nikon op. Ja, die mis ik, zie ik. “Hij ligt nog bij het bankje bij een veld niet ver van ‘Huys te Warmont’, we hebben hem daar maar laten liggen.” Ik ben blij dat er zulke behulpzame mensen rondlopen. Die ik heb ik wel vaak nodig helaas. Ik loop terug naar mijn eerste boomstam met porseleinzwammen én een mooie lensdop. Ik fiets naar huis, best tevreden over natuur en medemens.

Een eerder verslag over het zelfde onderwerp: Paddenstoelen in het Bentwoud.

Meer over het fotograferen van paddenstoelen: Paddenstoelen fotograferen

____