Naar Hoge Veluwe, Biesbos en Schier (1965-1966)

Bij de NJN

In het schooljaar 1964-1965 was ik 16 jaar. Ik had in de vierde klas van het gymnasium moeten zitten, maar ik was om verschillende vreemde redenen in de derde klas blijven zitten en deed het jaar dus over. Dat had ook voordelen. Ik had zeeën van tijd en ik zat in de klas met twee NJNers, Eric Gerding en Aart Noordam. Zij maakten mij enthousiast voor het lidmaatschap van de NJN afdeling Wageningen en vroegen mij een keer mee te gaan op excursie naar de Hoge Veluwe. Ik vond het fantastisch: leuke mensen, prachtige natuur, vrijheid en avontuur.

Op excursie

Mijn impressie van de Blauwe Kamer

In het schooljaar 1965-1966 werd ik lid van afdeling Wageningen en daarmee ook van district 9 (DIX) van de NJN. Vanaf dat moment ging ik elk weekend mee op excursie, soms wel zowel op zaterdag als op zondag en daarna maakten Aart en ik nog onze privé-tochten door de natuur. Ik had van mijn spaargeld een kijker gekocht. Later kocht ik ook een paar prachtige lieslaarzen, waarmee je honderden meters het Veluwemeer in kon lopen zonder nat te worden (zie ook label HEKA hieronder). Wij fietsten zelfs met die dingen aan. Ik ben dat schooljaar wel meer dan 23x op excursie geweest.

 

Vogels langs de Knardijk

De nadruk daarbij was op vogels, vooral watervogels in de Blauwe Kamer, in de Rijnuiterwaarden en langs de Knardijk. Een hoogtepunt was het HEKA (herfstkamp), van 31 oktober tot 3 november 1965. Ik herinner me de lange fietstochten langs de Knardijk naar het toen nog rudimentaire Lelystad – een paar huizen voor de werknemers van de Zuiderzeewerken en een simpele kantine: kantine Lelystad van E.J. Splinter. Op weg naar Lelystad aten we onze dik gesneden boterhammen op. Frits Boerwinkel had een literblik appelmoes bij zich. Ik was onder de indruk van de manier waarop hij dat ding met een zakmes opensneed. Vervolgens belegden wij onze boterhammen daarmee, terwijl wij ondertussen over het water naar langs vliegende vogels speurden.

Ik herinner mij de gigantische hoeveelheden watervogels. In mijn notities uit die tijd lees ik: 400 wintertalingen, 88 krakeenden, 600 pijlstaarten (met een vraagteken daarbij) en 800 slobeenden. Ook wordt er melding gemaakt van 200 graspiepers, 5 kepen en 10 kneutjes elders die dag. Ook fietsten en wandelden wij langs het Veluwemeer ten Noordoosten van Harderwijk in de buurt van Hulshorst (strand Hoophuizen). Op 1 november zouden wij bij Hoophuizen 2000 pijlstaarten en 1500 slobeenden gezien hebben. Zou dat werkelijk zo geweest zijn? Of waren we gewoon 15- tot 17-jarige opscheppers? Iets verderop deden we de waarneming van ons leven: 500 krooneenden bij een mooie ondergaande zon. We zijn de volgende ochtend nog eens gaan kijken en toen dreven er nog zeker 450 volgens mijn aantekeningen. Ook stond daar een eenzame flamingo in het water! Toen nog bijzonderder dan nu, denk ik.

Mijn aantekeningen van december 1965 (Knardijk etc.)

Verdwaald in de Biesbos (1966)

Een ander hoogtepunt was het PAKA (paaskamp) van 1966 (vanaf 10 april). Op 12 april roeiden we van het haventje van Drimmelen via de sloot van St. Jan naar de Turfzakken en de Visplaat. Het was nog een behoorlijk ruig gebied en de tochten door de kreken waren, vooral ook door het wisselende tij, heel avontuurlijk. Ik lees in mijn aantekeningen van die dag:

 

Labels van HEKA 1965 (blokfluit) en PAKA 1966 (lieslaarzen)

“Na een eind Amer weer naar de overkant een gat in. Hier bij donker worden verdwaald in de wildernis. Vele kreken onbevaarbaar. Bij opkomend tij tegen de stroom terug naar de goede weg. Succesvolle tocht naar het gat van St. Jan. Over de Spijkerboor op de Oostkil, ’t laatste eind stroom mee. … … 22.15 thuis in het kamp.” Waar dat kamp precies was, weet ik allang niet meer. Mijn aantekeningen leveren overigens uitsluitend informatie over de vogels en helemaal niet over de mensen die bij mij in de roeiboot zaten. Foto’s maakte ik in die tijd nog niet.

Eenzaam insectenonderzoek

Nog voordat ik bij de NJN kwam, had ik een belangstelling voor insecten, vooral loopkevers ontwikkeld. Dat was meer mijn privé-project. Ik had in het bos vlakbij huis, de Sysselt, conservenblikken (voorzien van gaatjes voor waterafvoer) ingegraven en die controleerde ik regelmatig op gevangen kevers. Soms zaten er vrij veel kevers in (heel veel van de zeer algemene soort Pterostichus niger, maar ook andere die maar moeilijk te determineren waren) en soms heel weinig. Ik ben toen uit de krant allemaal gegevens gaan verzamelen over temperatuur, luchtdruk, regenval, etc. Ik vermoedde bepaalde verbanden tussen deze gegevens en mijn keveractiviteit. Toen ik dat aan een van mijn mede-NJNers vertelde, zei hij: “je moet dat in ons afdelingsorgaan De Kemphaan publiceren”. Mijn antwoord was duidelijk: “Zolang ik wetenschappelijk nog niets bewezen heb, publiceer ik ook niets.”

De nadruk lag bij mij steeds meer op vogels. Vogels, vooral grote vogels in de herfst en winter, hebben het voordeel dat ze goed zichtbaar en goed herkenbaar zijn, in tegenstelling tot die rotinsecten, waar je met een vergrootglas naar de aanwezigheid van een of twee stipjes naast de inplanting van de voelspriet of iets dergelijks moet speuren.

ZOKA Schier I 1966

 

Het ZOKA-programma 1966 (klik op figuur)

Toch heb ik nog één poging gewaagd de wonderen van de insectenwereld te ontsluiten. Ik had mij opgegeven voor het ZOKA Schier I (“gespecialiseerd op insecten”) van 15 tot 25 juli 1966. Ik er op een gammele brommer naar toe. Onderweg had ik een paar keer technische problemen. Ik overnachtte bij een kennis van mijn moeder in Groningen en de volgende dag voer ik uit Zoutkamp naar Schiermonnikoog. Tot 1969 vertrok daar de boot. Pas toen de Lauwerszee was afgesloten, werd Lauwersoog de vertrekhaven.

 

Broscus cephalotes
Broscus Cephalotus (https://no.wikipedia.org/wiki/Sandgravere#/media/File:Broscus_cephalotes_oberseite.jpeg

Van het kamp zelf herinner ik me niet zo heel veel. Kevers determineren was best moeilijk. Mijn aantekeningen vermelden dat ‘Broscus cephalotes’ (‘dikkopzandgraver’)  er algemeen was, inderdaad een vrij normaal beestje in kustgebieden. Ik herinner me dat ik met enige jaloezie keek naar fotografen in het bezit van dure spiegelreflexen, tussenringen en wellicht ook macro-objectieven die die kleine rotbeestjes in de duinen fotografeerden.

Ik herinner me ook dat ik me wat vreemd voelde in deze NJN-cultuur met zijn eigen woorden en uitdrukkingen zoals ‘ritselen’ (even gaan pissen), ‘tijgeren’ (naar de ‘tijger’, de buiten-WC, gaan), ‘preu’ (stamppot), ‘wagensmeer’ (appelstroop), ‘technicolor’ (vruchtenhagel) en ‘hupsen’ (volksdansen). Nu was ik, geloof ik, geen groot liefhebber van ‘hupsen’.

Image result for wees wijs met de waddenzee

Op 18 juli gingen we naar de tentoonstelling “Wees Wijs met de Waddenzee”. Er waren in die tijd nogal rampzalige plannen voor een vaste oeververbinding met Ameland en er bestond de (gegronde) vrees dat dit de eerste stap kon zijn naar de inpoldering van de Waddenzee. Waarschijnlijk op de terugweg van het ZOKA deelden wij folders uit op de boot en gingen wij met toeristen in gesprek. Ik herinner me dat ik geschokt was door reacties als “Als de hoge heren in Den Haag het van plan zijn, dan heeft het helemaal geen zin om te protesteren. Die luisteren toch niet en drijven hun zin door”. Wij waren het hier helemaal niet mee eens en zetten ons actief in voor het behoud van de Waddenzee.

De Vereniging tot Behoud van de Waddenzee was in die tijd net opgericht (in 1965 op initiatief van een 16-jarige natuurliefhebber) en in 1971 maakte de regering bekend de Waddenzee te willen behouden. Ik zelf werd in 1966 lid van ‘Natuurmonumenten’ en in 2016 kreeg ik een lepeltje toegestuurd omdat ik 50 jaar lid was.

In het bestuur

In het schooljaar 1966-1967 werd ik nog actiever als lid van het NJN-bestuur afdeling Wageningen, waar ik verantwoordelijk werd voor het afdelingsorgaan ‘De Kemphaan’, maar daarover heb ik al in een ander blog geschreven.

P.S. over NJN-taal

Op https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/5491/hupsen-met-de-njn.html  vind ik:

"(Voorbeeld van een zin uit het verslag van een Four (bevoorrader): ‘Een aantal klunzen uit Labla kreeg last van slingertijger na het eten van bedorven bekklem, daardoor ontstond er een tekort aan tijgerfilm. De technicolor was al op.' Vertaling: Een aantal beginners van de afdeling Laren-Blaricum kreeg last van diarree na het eten van bedorven pindakaas, daardoor ontstond er een tekort aan wc-papier. De gekleurde hagelslag was al op.)"

Gedachten in de Biesbosch

Leuk is anders

Leuk is anders. Om kwart voor zes gaat de wekker en even later sta ik vloekend onder douche. Rugzak met brood, koffie en water. Telescoop, statief, camera, reservelenzen, batterij: het feest kan beginnen. Ik ben lid van de KNNV-vogelwerkgroep Leiden, wat betekent dat ik meer dan tien keer per jaar ’s morgens vroeg bij het zwembad De Vliet sta om te vertrekken naar een of andere bestemming met vogels. Soms is het echte natuur. Soms zijn het stukjes land tussen fabrieken en autosnelwegen waar de vogels zich blijkbaar thuis voelen. Niet alle vogels zijn natuurliefhebbers. Tegen de oorspronkelijke plannen in gaan we met mijn auto naar de Biesbosch.

Met z’n drieën rijden we een stuk over de A4 en dan via andere snelwegen tot bij Dordrecht naar het eerste verzamelpunt. Natuurlijk waren wij met z’n allen 10 jaar geleden allemaal tegen de aanleg van de verlengde A4, maar we hebben er niets op tegen dat deze weg ons snel naar het beginpunt brengt.

De echte vogelaar

Onderweg stel ik mijn reisgenoot een paar vragen over zijn leven als vogelaar. Ook nu ben ik weer verbaasd over de tijd en energie die mensen hier blijkbaar in stoppen. Hij zegt zoiets ongelooflijks als: “Als je verantwoordelijk bent voor het tellen van vogels in een bepaald geografisch gebied, dan moet je daar regelmatig rond zonsopgang aanwezig zijn. Ik sta dus regelmatig vóór vijf uur ’s ochtends op.” We hebben het ook nog over het leren van alle vogelgeluiden waarbij ik af en toe grappig uit de hoek probeer te komen met opmerkingen als: “Ik ken vijf vogelgeluiden. De koolmees, de pimpelmees, de merel, het roodborstje en de groene specht.” Maar zo grappig is het helemaal niet. Het is waar. Dat ik met al die experts nog mee mag, is een wonder, misschien alleen omdat ik handig ben met het opmaken van teksten en het inplakken van plaatjes voor het verslag.

Vogelaars in actie

Niet ver van Dordrecht staan we dan bij de Biesbosch en de vogelgeluiden komen op ons af. Er zijn van die mensen bij die met een kopje koffie in de ene en een boterham in de andere hand meteen beginnen op te sommen: “tuinfluiter, zwartkop, …, ja ook nog een Cetti’s zanger, en de merel niet te vergeten. Leuk, die gekraagde roodstaart, daar.” Inmiddels heb ik ongeveer begrepen hoe die Cetti’s zanger klinkt. Hard en kort in ieder geval.

De spotvogel

Dan is er plotseling enige opwinding in de groep. Er is een spotvogel gesignaleerd. Mijn medevogelaars weten wel dat ik nooit iets zomaar zie en dan staan er minstens acht vingers speciaal voor mij naar de boom te wijzen, waarin ik nog steeds niets zie. Tenslotte zie ik een geel vogeltje de boom uit vliegen. Dat zal hem dus wel geweest zijn.

Voorjaar in de Biesbosch

Zou ik de energie kunnen opbrengen om ook al die vogelgeluiden te leren en om meerdere malen per week voor dag en dauw de natuur in te trekken. Rare vraag, want het antwoord is natuurlijk nee. Ik heb zoveel  andere dingen te doen en ik wacht wel weer tot er duidelijke grote vogels langskomen. Ik ben een groot liefhebber van forse zeevogels. Geen last van bomen. Geen al te klein grut. Mijn voorkeur gaat uit naar zeearenden en grote jagers. Kluten en wulpen mogen ook nog, maar bij Temmincks strandloper en groenpootruiter wordt het voor mij al te moeilijk.

Een ongevaarlijke sekte

Twee jaar geleden ben ik lid geworden van de vogelwerkgroep KNNV Leiden. Ik ben toen tot een sekte toegetreden. Ik geloof een ongevaarlijke sekte, maar wel een gesloten groep mensen met opvattingen en emoties die buiten de sekte nauwelijks voor mogelijk worden gehouden. De fixatie op de ‘lijst van waarnemingen’, in het bijzonder de ‘persoonlijke jaarlijst’ begrijp ik nog steeds niet helemaal. Is het vogelen een soort sublimatie van oude jachtinstincten (en zijn er daarom relatief zo weinig vrouwen actief als vogelaar)? Is de ‘lijst’ de buit die je als holbewoner voor donker moet zien binnen te halen?

Sekteleden met hun instrumenten

Ik heb een onbedwingbare neiging om tegen de dogma’s van het vogelaarsgeloof in opstand te komen, zoals ik overal tegen elk geloof in opstand kom. Tijdens de Biesbosch-excursie zeg ik bijvoorbeeld op schertsende toon: “Ik houd eigenlijk veel meer van wat Helias ‘biomassaliteit’ noemt dan van ‘biodiversiteit’. Geef mij maar een vlucht van duizend grutto’s of een minstens even grote zwerm smienten in de winter. Dan kan die rare roerdomp mij gestolen worden. Eindeloos turen in het riet tot dat je even een bruine vogel op 500 meter afstand roerloos ziet staan tussen de rietstengels, nee die roerdomp hoeft voor mij niet. Geef mij die grutto’s of smienten maar.” Ik zie de gezichten van mijn medevogelaars enigszins betrekken en vraag: “Heb ik nu een grens gepasseerd, die ik beter niet had kunnen passeren?”. “Ja, dat heb je zeker”, luidt streng het prompte antwoord.

Misschien verzin ik gewoon een goede reden om niet zoveel te hoeven zien als de anderen, een mooie manier om mijn eigen luiheid te vergoelijken en zelfs mijn gebrekkige oogcoördinatie als een bijzondere gave te kunnen verkopen.

Terug naar 1970

Terwijl ik kijk naar de vogels en de vogelaars dwalen mijn gedachten af naar mijn eerste kennismaking met de Biesbosch. Of ik er nu twee of drie keer ben geweest, weet ik niet, maar ik herinner me de romantiek van het woeste getijdenlandschap. Ik studeerde in Utrecht.

Biesbosch 1970

Samen met een paar biologiestudenten reisden wij in april 1970 naar de Brabantse Biesbosch. In Drimmelen huurden wij eenvoudige roeiboten. De Amer was de eerste barrière die we over moesten steken. Er was nogal wat zware scheepvaart en het was zaak om op tijd aan de overkant aan te komen. Natuurlijk hadden wij geen zwemvesten bij ons. Wij leverden ons ongeremd over aan het avontuur en onze ouders mochten blij zijn als ze ons ongedeerd terug zagen. Van de Amer ging het dan verder de Spijkerboor en verder allerlei minder brede wateren op. Op een bepaald moment werd het eb en dan moesten we op vloed wachten om verder te kunnen. Zie de vergeelde foto’s uit die tijd.

De boot zit muurvast – wachten op vloed (Ik probeer nog beweging in de boot te krijgen … )

Eén keer sliepen we in een oude rietwerkerskeet. Wij waren gewaarschuwd dat daar soms ratten zaten en dat ratten gewoon aan je oor gingen knabbelen als je sliep. Die avond sliepen we allemaal met een dikke stok naast onze slaapzak om ratten te kunnen doodslaan. Midden in de nacht probeerde ik zo’n rat met mijn stok te verjagen, waarna mijn reisgenoot Hein ongenuanceerd liet weten dat ik hem geraakt had.

Op sleeptouw (april 1970)

Wij hadden verrekijkers bij ons en keken zeker naar vogels, maar veel daarvan weet ik mij niet te herinneren. Wat ik mij herinner is de tocht door het woeste getijdenlandschap. Een van de leden van ons reisgezelschap, biologiestudent Meine, had een mooie theorie over de reinigende werking van wilgenwortels. Je kon het water dat daar vanaf stroomde zo drinken. Een dag later liep ik kotsend door de gang van de studentenflat, terwijl even later ook mijn bacterieel bedorven darmsysteem totaal leegliep. Mooie theorie.

Pretpark Biesbosch

De Biesbosch ziet er nu wel wat anders uit dan 49 jaar geleden. Het is in de eerste plaats een intensief gebruikt recreatiegebied. Natuur is misschien een te mooie benaming voor dit pretpark van nette waterwegen, jachthavens, fietspaden breed genoeg dat de elektrisch aangedreven ‘power-grannies’ er niet uit de bocht vliegen, uitkijkpunten, vogelhutten, frietkramen en restaurants.

Pretpark Biesbosch: op de pont

Toch is er ook vandaag veel te zien. In het riet zien en horen we blauwborstjes, rietgorzen, rietzangers, een snor en natuurlijk Cetti’s zanger met zijn luide roep. Verderop zijn er verschillende steltlopers te zien, maar wel op heel grote afstand en ongunstig licht. Ik wacht op de conclusies van mijn medevogelaars, want van dit soort vogels heb ik absoluut geen verstand. Er wordt ‘groenpootruiter’, ‘zwarte ruiter’ en ‘kemphaan’ geroepen. Ik neem het voor kennisgeving aan. De kemphanen kan ik wel goed herkennen. Ik meen ook een groenpootruiter te kunnen onderscheiden, maar veel bak ik nog niet van het vogelen.

Vogelen voor de sfeer. Mag dat?

Terwijl ik tussen een woud van telescopen sta, waarbij ook mijn eigen telescoop, cirkelen mijn gedachten rond vragen als: “waarom doen we dit eigenlijk, wat is het belang van die lijsten met vogelsoorten?”. Voor mij is het antwoord in eerste instantie eenvoudig. Ik kom voor de ‘sfeer’ in de natuur, de mooie rietzomen, de vogelgeluiden, het gevoel van de wind door wat er van mijn haren over is gebleven en de grappige sfeer in een groepje vogelaars.

Sfeer in de natuur

Voor een echte gelovige geldt ‘sfeer’ nooit als argument. Lang geleden was ik op bezoek bij een Engelse vriendin die ik in mijn studententijd in Groningen had leren kennen. Zij en haar echtgenoot hoorden bij een vrij eng soort religieuze groepering, iets in de richting van de Pinkstergemeente. Uit vriendelijkheid ging ik op zondag mee naar de kerk. Ik liet mij positief uit over de vrome ‘sfeer’ die ik in de kerk ervoer: het orgelspel, de mensen met hun mooie kleren, de zondagse rust. Dat was natuurlijk helemaal fout. Echtgenoot Geoff wees mij er op dat het daar nooit om kan en mag gaan. Je gaat naar de kerk om je geloof te belijden, niet om je met goedkope oppervlakkige sfeer vol te zuigen. Nou, dat wist ik dan ook weer. Hoe had ik zoiets doms kunnen zeggen.

Ik denk dat mijn motivatie als vogelaar ook helemaal fout is. Het gaat wellicht om veel meer dan die oppervlakkige ‘sfeer’. Maar om wat dan eigenlijk? Wat is de kern van het vogelaarsgeloof?

De mooie visarend

Even later staan we op vrij grote afstand naar een uniek visarendnest te kijken. Er zit één visarend op het nest. Door de telescoop zie je niet veel meer dan een rug en af en toe een stukje staart of vleugel. Tenslotte laat de vogel zijn of haar kop zien. Een indrukwekkend beest. Na lang wachten komt de tweede vogel, waarschijnlijk het mannetje, terug met een mooie vis en dan wordt in het visarendengezin een maaltijd genuttigd. Het is een prachtig gezicht.

Ik kan het niet laten om nog verder te denken over die knagende waaromvraag. Is er meer dan de mooie sfeer? Gaat het ons, behalve om onze spannende privé-waarnemingen van zeldzame beesten om nog iets belangrijkers?

Absurde woorden

Het zou om natuurbescherming kunnen gaan, maar als je er over nadenkt, is natuurbescherming een absurd woord. Per definitie kan de natuur (en hoeft de natuur) niet beschermd te worden. Ook al sterft 98% van alle dieren en planten uit, dan is er nog steeds natuur. We hebben dan een andere natuur. Bepaalde soorten zullen heel succesvol kunnen worden, waaronder ratten en kakkerlakken. Is het erg als de olifanten, leeuwen, tijgers en giraffen uitsterven? Ja, het zou wel jammer zijn als we die dieren niet meer zouden kunnen zien, maar is het een ramp? Ik denk het niet. Als de Siberische tijger uitsterft, dan hebben we altijd nog de huiskat en als op een bepaald moment de mensen uitsterven, dan gaat er wel wat tijd overheen maar, zodra er weer ruimte is voor zo’n gigantische kat, dan evolueert ons huisdier wel in die richting. Daar hoeven we ons helemaal geen zorgen over te maken. Daarmee naderen we wel de kern van het probleem: de hoeveelheid ruimte die de mens opeist en de ruimte die de mens voor andere organismen over laat. Naarmate de mens meer domineert, is er minder ruimte. De enige zinvolle vorm van natuurbescherming is het creëren van ruimte waarin de natuur zich, relatief ongestoord door menselijke invloeden, kan ontwikkelen.

Visarend als samenloop van omstandigheden

Kijkend naar die mooie visarenden denk ik na over dat getikte woord ‘natuur’. Wat bedoelen we daar toch mee? Ik denk dat ons taalgebruik nog op vele gebieden zwaar vervuild is door onzinnige romantische beelden. Het begrip ‘natuur’ is een belangrijk element in de geaccepteerde romantische verbale diarree: natuur als een plek van harmonie en rust, natuurvolkeren als de ‘gelukkige wilden’ en meer van dat soort dwaasheid. Daarbij torsen we ook nog eens de ballast van het christelijke scheppingsverhaal met ons mee. De natuur als schepping. Een mooi maar misleidend beeld. De natuur is een samenloop van omstandigheden. De natuur is ontstaan, niet geschapen. De natuur is daarom niet goed en niet slecht. Natuur zal er altijd zijn. Zij kan nooit verdwijnen. Oude natuur verdwijnt. Nieuwe natuur ontstaat. Ad infinitum. De visarend is een geslaagde samenloop van omstandigheden. Wat daar, als deze soort is uitgestorven, over 20.000 jaar voor in de plaats komt, we weten het niet.

Teller op 74

Als we niet veel later aan een pilsje of een frisdrankje zitten, staat de soortenteller van Aalscholver tot Zwartkop op 74. Een mooi resultaat voor een dagje langs rietvelden en waterwegen lopen. Ik heb er weer een nieuwe soort bij: de spotvogel. De visarend had ik vooral buiten Nederland vaker gezien. Samen met honderdduizenden andere leden van het geslacht homo sapiens rijden we richting Gorinchem, Dordrecht, Rotterdam en Leiden. Bij het zwembad nemen we afscheid. Kilometerstand 190: 2,6 km rijden per waargenomen vogelsoort. Een koopje.

_____

De woestijn rukt op bij de Merenwijk

Overbegrazing

Klik op de figuur voor de brief (PDF)

 

In april 2012 begon na een lange winter het tere gras langzaam weer te groeien op die mooie dijk aan de overkant van de sloot bij ons huis aan de Rivierforel. Maar dat plezier duurde niet lang. De gemeente Leiden zette een zware kudde schapen en geiten in om met dat gras korte metten te maken. Al gauw was het een stuivende zandbak met stoffige dieren daar tegenover ons.

Ik schreef een boze brief aan de Wethouder, met onder meer de volgende tekst:

Geiten op de dijk: de woestijn rukt op

“Was het voorheen een plezier om naar de bloemenpracht op de dijk te kijken. Nu is hij overwegend grijs met hier en daar een distel die de vraatzucht van de geiten overleeft. Op de hierbij gevoegde foto’s is het grijs een bodem waar het gras vrijwel geheel verdwenen is.”

 

Woestijnvorming

De gemeente Leiden nam de zaak serieus en ik werd enige tijd later door een ambtenaar opgebeld. Zij zei deze zaak niet licht op te vatten en wees nog eens op de educatieve functie van de kinderboerderij, van wie deze dieren zijn. “Wij willen door de kinderboerderij bijdragen aan milieubewustzijn en liefde voor de natuur en dan kan het natuurlijk niet dat wij door slecht beheer de vegetatie op die dijk schade toebrengen.”

Ik kon me daar natuurlijk honderd procent bij aansluiten, maar toch kon ik het niet laten hier ook de humor van in te zien. “Ja, mevrouw, dat is heel goed dat u deze concrete voorbeelden ook in het onderwijs gebruikt. Misschien hoeft u wel helemaal niets te veranderen. U kunt die dijk tegenover ons huis gewoon voor de les ‘woestijnvorming’ gebruiken. De Sahel in het klein. Door geiten rukt de Sahara op.”

Zij vond het helemaal niet grappig. Gelukkig is het beheer is sindsdien wel iets beter geworden.

 

De valse waarneming

 

Op donderdag fiets ik met mijn telescoop over mijn schouder langs het golfterrein naar De Strengen, een prachtig stukje natuur bij Warmond. Om meerdere redenen moet ik even weg. Thuis zit Petra op de bank met een  gebroken enkel in het gips. Ik heb huishoudelijke taken overgenomen waarvan ik het bestaan niet vermoedde. Volgens mijn fysiotherapeut is het gevolg daarvan dat ik veel te veel moet bukken waardoor mijn rug- en beenklachten in plaats van te genezen juist erger worden. “Je mag hooguit één keer per dag bukken”, heeft ze me gezegd. “Zie maar waar je die ene ‘buk’ aan spendeert.” Ik moet even het huis uit, even de zware huishoudelijke taken ontvluchten. Laat op de middag besluit ik dan maar een stukje met die zware telescoop te gaan fietsen en lopen. Dat is wel goed voor mijn rug en ik krijg wat buitenlucht in mijn longen.

Ik fiets langs de golfbaan en ga het bruggetje naar de Strengen over. Op de golfbaan en in de sloten zie ik knobbelzwanen, meerkoeten, wilde eenden en krakeenden. Hier en daar laat een roodborst zich enthousiast zien en horen. Ik rijd door naar het hek van de Tengnagel waar ik mijn fiets parkeer. Met de telescoop over mijn schouder loop ik door de ganzen- en schapenstront. Op het rode scheepvaartbaken vlakbij het water zit een grote slechtvalk. Ik kan hem rustig bekijken voordat hij de Zijl overvliegt.

RM2_8567_DxO.jpg
brandganzen

Op de Tengnagel en in het Joppe zie ik de gebruikelijke vogels zoals kokmeeuwen, brandganzen, grauwe ganzen, futen, heel veel meerkoeten en hier en daar een aalscholver.

Ik zet mijn telescoop op en als ik het water afzoek, voel ik iets tegen mijn been aan schuren. Een schaap heeft belangstelling voor mijn broekspijpen. Dan zie ik aan de andere kant, in de Zijl, een duiker. Ik denk meteen aan de ijsduiker die hier de vorige winter heeft gezeten. Ik bekijk hem in de telescoop. Ik twijfel tussen een roodkeelduiker en een ijsduiker. Omdat zijn snavel toch vrij fors lijkt, kies ik voor ‘ijsduiker’, die ik even later via mijn mobieltje aan de website waarneming.nl doorgeef, weliswaar als ‘onzekere’ waarneming. Even is hij vrij dichtbij en duikt weer onder water. Ik wacht tot hij weer boven is, maar hij komt niet meer boven. Zou die verdronken zijn, denk ik nog even.

RM2_8548_DxO.jpg
Aalscholver

Op vrijdag neem ik mijn camera maar mee naar de Tengnagel, want ik moet proberen die duiker te identificeren en een bewijsfoto op de waarneming.nl-website te zetten. Het is voor de eerste week van november uitzonderlijk zacht weer. Nauwelijks wind, een graad of twaalf. Geen zon, geen regen. Ook (afgezien van de gebruikelijke meerkoeten en ganzen) nauwelijks vogels. Even heb ik een mooi puttertje in het vizier, maar verder valt het tegen. Ik besluit de Tengnagel verder af te lopen. Vanaf de punt van de landtong komt een collega-vogelaar mij tegemoet: verrekijker en camera met zware telelens bij zich. De collega stapt gedecideerd op mij af en stelt mij een vraag die als een constatering klinkt: “En bent u dan misschien Reinier de Man?”. Ik schrik hiervan en weet meteen waarom het gaat. Voordat hij iets zegt, schaam ik me al dood: ik heb zonder dat ik over de noodzakelijke informatie beschikte een waarneming van een zeldzame vogel op de website van waarneming.nl geplaatst. De collega kijkt mij streng aan en ik voel me alsof ik op het matje van de bovenmeester wordt geroepen. “Dus u dacht dat u een ijsduiker had gezien?”. Ik hoor minachting en afkeuring in zijn stem.

Een bewoner van de Tengnagel

“Ik heb die vogel gisteren ook heel duidelijk gezien. Het is onmiskenbaar een roodkeelduiker in winterkleed”. Om zijn argument kracht bij te zetten, laat hij een paar opnames op zijn Canon-camera zien: “Ziet u wel, heel duidelijk een roodkeelduiker.” Ik stamel nog: “ik heb hem gisteren wel op waarneming.nl geplaatst, maar uitdrukkelijk als ‘onzeker’, want ik twijfelde zelf ook nog.” Hij kijkt mij autoritair-vriendelijk aan en zegt: “Dat is heel goed dat u dat zo gedaan heeft.” Hij zegt nog dat hij de zaak al had doorgesproken met een bevriende vrouw die hier altijd komt vogelen.

Even later komt de vrouw in kwestie aanlopen en hij stapt meteen op haar af. Ik hoor hem in de verte zeggen: “Daar staat die Reinier de Man. Ik ben hem net tegen het lijf gelopen.” Leuk is het allemaal niet. Ik sta hier al bekend als de producent van schijnwaarnemingen. Ik loop ook naar die vrouw toe en er ontstaat ondanks alles nog een leuk gesprek. De vogelman loopt richting De Strengen en ik trek nog even op met de vogelvrouw. We kijken naar de honderden kramsvogels die in de bomen bij de Zijl zitten. En dan duikt de roodkeelduiker weer op. Hij zit vrijwel midden op het Joppe. Met de telescoop is hij goed te zien.

Het bewijs: roodkeelduiker!

Het lukt mij zelfs om een foto te maken die als bewijs kan dienen voor waarneming.nl. Hij heeft duidelijk een slanke iets naar boven gewipte snavel. Geen ijsduiker dus. Wel een roodkeelduiker. We zien ook nog een dodaarsje en dan houd ik het voor gezien. Als de vogelmevrouw over baardmannetjes begint, zeg ik voorzichtig dat ik nu iets anders ga doen en wens haar nog veel succes en plezier.

Dodaars op het Joppe

Zodra ik thuis ben, corrigeer ik snel mijn waarneming van donderdag op waarneming.nl en voeg er een verse waarneming – nu met foto –   aan toe. Even later blijkt de laatste waarneming goedgekeurd op basis van mijn foto.

 

Het is inmiddels tijd om een bockbiertje te gaan drinken en eten te gaan koken en alles zonder bukken.