Vogels onderweg

De vogels komen naar mij toe

Ik ben een luie vogelaar. Ik heb meestal geen zin om achter de vogels aan te gaan. Ze komen maar naar mij toe. Deze houding bespaart

Bij Białowieża

niet alleen veel kilometers. Het vogelen wordt er ook veel leuker door. Je rijdt niet achter een of andere internetmelding aan. De waarnemingen zijn onverwacht en soms volledig verrassend. In Polen reed ik zowel in 2018 als in 2019 door en langs de mooiste natuurgebieden. In 2018 was het vooral het nationale park van de Biebrza. Nu reed ik niet alleen door de bossen van Białowieża (vlakbij het beroemde oerbos), maar ook door prachtige gebieden in andere gedeelten van de Pools-Witrussische en Pools-Oekraïense grens.

Leeuweriken, vinken en grauwe klauwieren

Het meest nog genoot ik van de zang van veldleeuweriken van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat bijna overal langs de route. Soms kostte het even moeite om ze hoog in de lucht boven de bouwlandjes met klaprozen en korenbloemen te ontwaren. Maar dat waren natuurlijk lang niet de enige zangers.

Grauwe klauwier

Vrijwel overal maakten de vinken behoorlijk wat lawaai. Ze zouden die vinken best wel wat zachter kunnen zetten, dacht ik soms. Ook heel veel witte en gele kwikstaarten, zwarte roodstaarten , geelgorzen, roodborsttapuiten, groenlingen en af en toe een kneu of een paapje. In de bossen veel bonte spechten en hier en daar een groene specht. De zwarte specht zag ik vorig jaar wel maar dit jaar niet. In de rietvelden natuurlijk rietgorzen, rietzangers en zowel kleine als grote karekieten. Bovendien regelmatig bruine kiekendieven en buizerds en een keer een zwarte stern. Twee keer zag ik een mooie hop en één keer vloog er een ongelooflijk gele wielewaal door mijn beeld.  Natuurlijk zag ik ook veel zwaluwen (boeren-, huis- en gier-). De grauwe klauwier was op veel plekken heel algemeen. En laat ik het klapperen van de overal aanwezige ooievaars niet vergeten.

Grijskopspecht en Oehoe

Als ik me voor een speciale excursie in Białowieża  had opgegeven, stonden wellicht de witrugspecht en de middelste bonte specht op mijn lijstje, maar ik was al lang tevreden met een toevallige ontmoeting met een grijskopspecht. Eerst dacht ik een groene specht te zien, maar er klopte van alles niet aan dat beest. Het was een prachtige grijskopspecht ergens in de bossen aan de Oekraïense grens.

Mijn meest bijzondere waarneming was vanaf dat zelfde fietspad vlakbij de grens. Ik kwam rustig aanfietsen. Een bospad was afgesloten met een slagboom. Op één van de palen waarop de slagboom rustte zat een gigantische uil, zeker 80 cm hoog, onmiskenbaar een oehoe. Ik probeerde zo min mogelijk geluid te maken, haalde voorzichtig mijn camera uit het tasje, keek nog eens en weg was hij. Ik had niets gehoord, maar het is bekend dat uilen volledig geruisloos kunnen vliegen. Hij was zo stil weggevlogen dat ik mij afvroeg of hij er echt wel geweest was…

Ooievaars in Polen

Natuurlijk zijn de grijskopspecht en vooral de oehoe heel bijzondere waarnemingen, maar als ik aan de vogels van Polen denk, dan hoor ik vooral het lied van de leeuweriken en zie ik de ooievaars in de boerendorpen.

 

 

 

    1. Fietsen in Polen
    2. Orthodoxe kerken in het Oosten
    3. Verdacht aan de buitengrens van de EU
    4. De Poolse taal in de praktijk
    5. Vogels onderweg
    6. Weerzien na 42 jaar
    7. De periferie van Europa

Voor mijn verhalen uit 2018 zie deze pagina.

 

Voorjaar in een vogelparadijs

Eerder gepubliceerd als officieel verslag van de Vogelwerkgroep KNNV Leiden

Excursie van de Vogelwerkgroep KNNV Leiden naar het Oostvaardersveld op 6 april 2019

Meer dan genoeg te zien

Met grote snelheid rijden we over de A6 richting Lelystad. In de auto is een heftige discussie over Brexit losgebroken. De burgeroorlog in het Verenigd Koninkrijk die ik voorspel, gaat één mede-vogelaar veel te ver. Maar ook onze auto is al veel te ver. Ik had niet moeten kletsen maar moeten opletten. Anke kan nog zulke mooie briefjes maken, maar als Arthurs persoonlijke navigator ben ik niets waard.

Vanmorgen vertrokken 15 vogelaars in 4 auto’s vanaf het zwembad richting de Flevopolders. We razen nu via de verkeerde baan van de snelweg over de bodem van de voormalige Zuiderzee en missen afslag 7. Na een kleine omweg via afslag 8 komen we bij de eerste kijkplek aan, de grote praambult. Tegen half tien staan wij daar met zestien vogelaars (één deelnemer sluit zich ter plekke aan). De omstandigheden zijn niet ideaal. Er wordt gepraat over winterkleding die nog thuis hangt en er wordt geklaagd over de mistigheid waar zelfs de duurste Swarovski-kijker niet doorheen komt. Voor wie goed kijkt, is er toch veel te zien.

Het weelderige Praambos

Liefhebbers van ‘biomassaliteit’ komen zeker aan hun trekken met minstens 20 zilverreigers op het veld, heel veel kokmeeuwen en ontelbare brandganzen verderop. Geen tijd om koffie in te schenken: op een dwarsbalk van de hoogspanningsmast zien we twee slechtvalken bij een nest en, ja hoor, daar komt een derde slechtvalk aan. Er worden hypotheses opgesteld over de familieverhoudingen en over mogelijke vechtscheidingen in de valkenwereld. Of komt er gewoon een familielid even buurten? Wij weten het niet. We stappen in de auto’s en rijden nog een stukje verder naar het begin van de wandeling. Wij realiseren ons dat we als resultaat van deze tocht we niet met een paar koolmezen of krakeenden thuis kunnen komen.

Op ons rust de verplichting minstens (1) blauwborstjes, (2) baardmannetjes, (3) een zeearend en mogelijk nog wat andere zeldzame roofvogels op onze lijst te hebben vanavond bij de borrel. We besluiten de telescopen maar in de auto’s te laten en beginnen aan een prachtige wandeling in Zuidoostelijke en later Oostelijk richting. Niet aan de temperatuur nog maar wel aan de uitbundige vogelzang kun je horen dat het lente is. We horen zwartkoppen, we zien kneutjes, rietgorzen en nog veel meer. Dan komen we door het Praambos . Dit is niet zomaar een bos.

Dit is een volledig spontaan na de inpoldering van Flevoland ontstaan wilgenbos. Geen bomen op nette rijtjes, maar overal prachtige kromgegroeide takken, dood hout, een rijke onderbegroeiing en – last but not least – een uitbundig lenteconcert. Je zou misschien beter kunnen opschrijven wat je hier niet hoort, maar ik noem er toch maar een paar: alarmroep van boomklevers, het geroffel van een bonte specht, en dan het karakteristieke geluid van matkoppen, het beste kenmerk om ze van hun glanzende familie te kunnen onderscheiden.

Oostvaardersplassen

De Oostvaardersplassen zijn eigenlijk door toeval ontstaan. Aan het eind van de negentiende eeuw waren er al vergevorderde plannen om de Zuiderzee in te polderen en in 1891 kwam ingenieur Lely  met zijn 'Plan Lely' , de basis voor de Zuiderzeewet van 1918. Twee factoren waren van invloed op de aanname van deze wet: de watersnoodramp van 1916 en de voedselschaarste tijdens de Eerste Wereldoorlog. Begonnen werd met de drooglegging van de Wieringermeer en in 1932 was de afsluitdijk gereed. De in het Plan Lely voorziene polders (Noordoostpolder, Oostelijk en Zuidelijk Flevoland) werden met kleine aanpassingen aangelegd, maar toen de dijk Enkhuizen-Lelystad er al lag werd in 2003 definitief van de inpoldering van de Markerwaard afgezien.[1] In de oorspronkelijke plannen was het Oostvaardersdiep gepland, een scheepvaartroute door een diepe geul tussen de Markerwaard en Flevoland. In de definitieve opzet werd de dijk van de Flevopolder een stukje naar het Noordwesten verplaatst: het Oostvaardersdiep lag nu achter de dijk en veranderde in de Oostvaardersplassen.  De bestemming  van het gebied was oorspronkelijk industrie, maar die kwam er niet. Inmiddels ontwikkelde zich spontaan een schitterend maar nog volledig onbeschermd natuurgebied dat tenslotte het visitekaartje zou worden voor een nieuwe benadering van het Nederlandse natuurbeheer, de 'natuurontwikkelingsvisie' als alternatief voor de traditionele opvatting over natuurbescherming. In 1986 werd bijna 6000 ha onder de Natuurbeschermingswet gebracht. Voor het beheer werden op grote schaal grote grazers zoals heckrunderen, wilde paarden en edelherten ingezet.[2] In 1992 werden er 40 edelherten losgelaten. In 2017 waren dat er al meer dan 3900. Over de problemen van het faunabeheer, de noodzaak van afschieten en de heftige emoties bij botsende opvattingen over natuurbeheer en dierenbescherming zullen we het hier maar niet hebben. De discussie is nog niet voorbij.

Aan de rand van het bos openen enkele deelnemers hun thermosflessen met koffie, terwijl anderen al doorlopen naar een grote kijkhut verderop bij het water. Vanuit de hut is niet heel veel te zien, maar met veel geduld ontdekken we toch een paar dodaarsjes in de mistige verte. Leuk zijn dan vooral de grote groepen boerenzwaluwen die gezellig in een grote dode boom gaan zitten met z’n allen.  En dan zien we de matkop ook nog eens goed. Het veld is hier opener met minder begroeiing. Waarschijnlijk zijn hier de Konik-paarden aan het werk geweest.

 

 


Puttertjes (AB)

Boerenzwaluwen (AB)

Geen gebrek aan vinkachtigen vandaag: heel mooie puttertjes op veel plekken en hier en daar ook een groenling. Dan wordt er “robotap” geroepen en dat blijkt een roodborsttapuit te zijn. Eerst een schitterend gekleurd mannetje en dan komt ook een vrouwtje erbij.

Oostvaardersveld

Het Oostvaardersveld ligt ten Oosten van de Oostvaardersplassen, in het gebied tussen de A6 en de spoorweg van Almere naar Lelystad. Het is een recent ontwikkeld natuurgebied. Staatsbosbeheer heeft dit gebied laten ontwikkelen met het doel "in te richten als de 'etalage' van de Oostvaardersplassen. De bezoeker kan hier kennis maken met het 'wetland' ecosysteem en de bijbehorende natuurlijke processen."[3]  "Het Oostvaardersveld bestaat voor de helft uit bos. Het meeste bos bestaat uit het ruim 50 ha grote Wilgenbos. Dit bos is bijzonder, omdat het zich sinds de drooglegging van Zuidelijk Flevoland in 1967 spontaan heeft kunnen ontwikkelen en er niet of nauwelijks is ingegrepen in de ontwikkeling van het bos. Er is veel dood hout aanwezig en de vegetatie is zeer weelderig, vooral bestaande uit brandnetel, kleefkruid en riet."[4] In tegenstelling tot het grotendeels gesloten gebied van de Oostvaardersplassen is het Oostvaardersveld het gehele jaar toegankelijk. Er zijn vier wandelroutes.
Blauwborst (AB)

We zijn natuurlijk blij met staartmezen en kneutjes, maar we willen blauwborstjes zien! Om 12:00 uur nog steeds geen blauwborst. Maar dan, om kwart over twaalf, is het eindelijk raak, wel heel ver, maar onmiskenbaar een blauwborst.

Het is al tegen tweeën (en een stuk mooier weer!) als we bij het bezoekerscentrum voor een consumptieve stop aankomen. Maar het vogelen is nog niet voorbij.

Vlakbij de parkeerplaats – waar wij zeker niet de enige auto’s zijn – zien we nog een blauwborst en verderop vliegt een mooie bruine kiekendief.

Zeearend (EvB)

Wij bestellen onze cappuccino’s, appeltaarten, kroketten en meer vogelaarsvoedsel. De telescopen worden op het terras opgesteld en dan is het tijd om vanuit onze terrasfauteuils eens goed naar een zeearend aan de overkant van de plas te gaan kijken. Hij zit ver weg boven in een boom, maar hij is, ondanks de wat heiige lucht, goed zichtbaar, vooral als hij ons zijn kop en profil  laat zien. Wat een joekel van een snavel!

Vlak voordat we vertrekken verschijnt er nog een mooie buizerd. Een dame van een andere groep vindt zichzelf nogal deskundig en beweert dat het een wespendief is en draagt daartoe weinig overtuigende argumenten aan. Nuchter als wij zijn, geloven we daar niets van.

Na deze late lunchpauze bezoeken we nog een aantal uitkijkpunten. Eerst gaan we naar de vogelkijkhut De Grauwe Gans bij de Knardijk. Het aantal slobeenden bij elkaar is indrukwekkend! Ook zien we hier nog pijlstaarten en kluten. Lopend van de hut naar de auto horen we een rietzanger van wie het liedje niet echt op gang komt. Hij moet nog oefenen. De volgende stop maken we op de Oostvaardersdijk met uitzicht op aan de ene kant de Grote Plas (Oostvaardersplassen) en aan de andere kant het Markermeer.

Hier weer heel mooie kluten en rietgorzen. Er ontspint zich een discussie die wel vaker plaatsvindt op excursies van de Vogelwerkgroep. Stan heeft een grote mantelmeeuw gezien: met roze poten. Anderen zien diezelfde meeuw door hun scope met duidelijk gele poten. Stan schijnt de wereld door een roze bril te zien. Wij gaan daar niet in mee. Het blijft een kleine mantelmeeuw. Tijd om er eens mee op te houden.

Kluten (EvB)

We hoeven ons voor de lijst – ondanks het dramatisch ontbreken van de baardman – niet te schamen.

Wij mogen naar huis. In de auto zwengel ik weer allerlei discussies aan. Arthur heeft niets aan mij, maar gelukkig brengt zijn Tom-Tom ons zonder problemen naar het zwembad. Het was een mooie dag.

 

De wandeling

 

De gehele route

 

 

[1]  https://www.bureau-maris.nl/projecten/oostvaardersveld-lelystad/ .

[2] https://www.sovon.nl/sites/default/files/doc/Rap_2013-11_KotterbosZK.pdf

[3] https://nl.wikipedia.org/wiki/Zuiderzeewerken

[4] https://nl.wikipedia.org/wiki/Oostvaardersplassen#Oorsprong en https://nl.wikipedia.org/wiki/Frans_Vera

 

Natuur zoals Natuur Bedoeld is

Eerder verschenen als onofficieel verslag van een niet plaatsgevonden excursie van de Vogelwerkgroep KNNV Leiden. 

Toen ik op woensdag hoorde dat de excursie van zaterdag wegens slecht weer was afgelast, dacht ik, wat jammer toch, maar dat houdt mij niet tegen om toch een verslag te schrijven. Niet iedereen die dit verslag kreeg, had meteen door dat het om een grap ging ....

Excursie van Vogelwerkgroep KNNV Leiden die nooit plaatsvond

Om acht uur stonden ze er dus toch, de negen enthousiaste leden van de Vogelwerkgroep Leiden. Het was bijna niet doorgegaan. De hoofdschuldigen waren de apps op de i-phones en android-apparaten. Vroeger had je nog echte natuur en dat hield ook in dat je je gewoon door het weer liet verrassen. Tegenwoordig weet iedereen al drie dagen van te voren wat voor weer het wordt en kijken mensen zelfs nog tijdens de wandeling op hun telefoon om te kijken of het regent. “Zijn wij eigenlijk nog natuurvrienden?”, vroegen enkele leden zich af toen er al weer zo’n afzeg-email naar onze schermpjes werd gezonden. “Wat een flauwekul”, zeiden we, maar in dit geval hadden misschien beter wél naar de buienradars en weer-apps kunnen luisteren.

Met drie auto’s reden we optimistisch naar het Gooi. We zouden met één auto minder terugkomen, maar daar hebben we het straks nog over. Lang bleven we niet bij het zwembad staan, want de regen striemde over onze gezichten. We stapten in en de deuren waaiden vanzelf dicht. Op weg naar de ’s-Gravelandse buitenplaatsen met een fris windje in de rug en beide handen aan het stuur. Ze hadden windkracht 6 voorspeld, maar dit was zeker 7. Voor wie van echte natuur hield, was dit een topervaring. Maar hielden we wel van echte natuur?

Natuur is sterker dan de mens

Tegen negenen kwamen we op het parkeerterrein bij ’s-Graveland aan, dat wil zeggen twee auto’s rond negen uur en de auto van Arthur 20 minuten later. Hij had een ‘kortere’ weg gevonden. Helaas was de spoorwegovergang op die weg geblokkeerd door kapotgewaaide bovenleidingen en moest hij zien om te keren, samen met die andere 50 auto’s die daar vast waren komen te zitten. Stan zette nog een telescoop op het terrein, maar haalde hem gauw weg. Zo vervaarlijk begon dat ding door de wind heen en weer te zwaaien.

roodborstje in de wind

Met gewone kijkers het bos in. We waren hierheen gelokt met praatjes over zwarte spechten en meer zeldzaamheden. Daar konden wij naar fluiten. Er kwam af en toe een verdwaalde groep kauwtjes over zeilen. Waar ze naar toe wilden, wisten ze zelf ook niet. Een enkele merel zat verkleumd op de grond te wachten op het einde van de storm. Meesjes hoorden we meer dan we zagen, maar daar zaten zeker geen kuifmezen, zwartkopmezen en glanskoppen bij. Theo hadden we met leugens over het verbeterende weer overgehaald om mee te gaan. Hij had er vreselijk de pest in.

Eigenlijk is hij daarvoor te netjes, maar Theo klom vloekend over de omgewaaide bomen op het ooit zo mooi aangelegde wandelpad, terwijl de regen langs zijn gezicht droop. Het was bijna grappig. Anke probeerde de weg te vinden. Wars van verslaving aan GPS-technologie liep zij met een grote ANWB-wandelkaart door het bos, maar niet lang. Een grote windvlaag kreeg vat op het grote papieroppervlak en de kaart vloog de hoge sparrenbomen in. In een wanhopige poging, hield ze hem nog even tegen en stond even later met alleen het onderdeel ‘legenda’ in de hand.

We waren voor de vogels gekomen en we zagen er af en toe wel wat langs komen waaien: nogal wat houtduiven, zwarte kraaien, vinken en we hoorden zelfs nog een grote bonte specht, maar geen zwarte. In de luwte van wat bomen en struiken konden we twee winterkoninkjes ontdekken. Dat was het dan ongeveer.

Pechvogel

Na een chaotisch min of meer democratisch besluitvormingsproces gingen we dan maar terug naar het beginpunt. Op het parkeerterrein waren wij nog de enige drie auto’s, of eigenlijk beter gezegd de enige twee auto’s: de auto’s van Arthur en Reinier. De auto van Marcel, een aspirant-lid dat voor het eerst meeging en zo vriendelijk was zijn auto gratis ter beschikking te stellen, verdiende die naam niet meer. Als een platgedrukt sardineblikje in een afvalbak stond hij daar onder het gewicht van een zware boom.

Marcel kon er niet om lachen en hij keek nog droeviger na een kort maar heftig telefoongesprek met zijn vrouw. Lekker knus in twee auto’s reden we naar het Café-restaurant Brambergen, bekend om zijn heerlijke koffie en appeltaart met slagroom. Het leek dicht te zijn. We belden aan, maar er kwam toch een aardige jonge vrouw naar buiten toen we aanbelden. “O jeetje, we hadden echt geen gasten verwacht vandaag, maar als u wilt, kunt u binnenkomen. Ik zal de verwarming aanzetten. Houdt u de deur wel even goed vast, want bij dit weer waait hij er nogal snel uit. Dat moeten we niet hebben. Wat doet u hier trouwens? Wie gaat er met dit weer naar buiten?”. Wij gaven maar geen antwoord. Bij een temperatuur van hooguit 15 graden nuttigden wij uitstekende appeltaart met uitstekende slagroom en uitstekende koffie. Even leek vogelen weer leuk te worden.

IJsvogel in de storm

De lunch gaf ons, en vooral Ad, weer nieuwe energie. Ad stelde voor om, ondanks het weer nog even naar een mooi plekje te rijden waar we de ijsvogel zouden kunnen zien. Vogelen zonder ijsvogels kan eigenlijk niet. De wind nam iets af, maar boezemde nog steeds ontzag in. We liepen langs een mooie beek, uitkomend op een soort vennetje, Ad voorop. En ja hoor, daar zat hij, die schitterende ijsvogel, hoewel hij er wel eens mooier uit had gezien, zie foto.

Na deze unieke natuurervaring reden we naar het zwembad. Marcel werd door een van ons nog even naar zijn huis in Leiderdorp gereden, waar hij meteen de verzekering kon bellen.

Waarnemingen

  1. vink
  2. merel
  3. bonte specht
  4. roodborst
  5. winterkoninkje
  6. koolmees
  7. ijsvogel
  8. houtduif
  9. zwarte kraai
  10. kauw
  11. pechvogel

 

Naar Hoge Veluwe, Biesbos en Schier (1965-1966)

Bij de NJN

In het schooljaar 1964-1965 was ik 16 jaar. Ik had in de vierde klas van het gymnasium moeten zitten, maar ik was om verschillende vreemde redenen in de derde klas blijven zitten en deed het jaar dus over. Dat had ook voordelen. Ik had zeeën van tijd en ik zat in de klas met twee NJNers, Eric Gerding en Aart Noordam. Zij maakten mij enthousiast voor het lidmaatschap van de NJN afdeling Wageningen en vroegen mij een keer mee te gaan op excursie naar de Hoge Veluwe. Ik vond het fantastisch: leuke mensen, prachtige natuur, vrijheid en avontuur.

Op excursie

Mijn impressie van de Blauwe Kamer

In het schooljaar 1965-1966 werd ik lid van afdeling Wageningen en daarmee ook van district 9 (DIX) van de NJN. Vanaf dat moment ging ik elk weekend mee op excursie, soms wel zowel op zaterdag als op zondag en daarna maakten Aart en ik nog onze privé-tochten door de natuur. Ik had van mijn spaargeld een kijker gekocht. Later kocht ik ook een paar prachtige lieslaarzen, waarmee je honderden meters het Veluwemeer in kon lopen zonder nat te worden (zie ook label HEKA hieronder). Wij fietsten zelfs met die dingen aan. Ik ben dat schooljaar wel meer dan 23x op excursie geweest.

 

Vogels langs de Knardijk

De nadruk daarbij was op vogels, vooral watervogels in de Blauwe Kamer, in de Rijnuiterwaarden en langs de Knardijk. Een hoogtepunt was het HEKA (herfstkamp), van 31 oktober tot 3 november 1965. Ik herinner me de lange fietstochten langs de Knardijk naar het toen nog rudimentaire Lelystad – een paar huizen voor de werknemers van de Zuiderzeewerken en een simpele kantine: kantine Lelystad van E.J. Splinter. Op weg naar Lelystad aten we onze dik gesneden boterhammen op. Frits Boerwinkel had een literblik appelmoes bij zich. Ik was onder de indruk van de manier waarop hij dat ding met een zakmes opensneed. Vervolgens belegden wij onze boterhammen daarmee, terwijl wij ondertussen over het water naar langs vliegende vogels speurden.

Ik herinner mij de gigantische hoeveelheden watervogels. In mijn notities uit die tijd lees ik: 400 wintertalingen, 88 krakeenden, 600 pijlstaarten (met een vraagteken daarbij) en 800 slobeenden. Ook wordt er melding gemaakt van 200 graspiepers, 5 kepen en 10 kneutjes elders die dag. Ook fietsten en wandelden wij langs het Veluwemeer ten Noordoosten van Harderwijk in de buurt van Hulshorst (strand Hoophuizen). Op 1 november zouden wij bij Hoophuizen 2000 pijlstaarten en 1500 slobeenden gezien hebben. Zou dat werkelijk zo geweest zijn? Of waren we gewoon 15- tot 17-jarige opscheppers? Iets verderop deden we de waarneming van ons leven: 500 krooneenden bij een mooie ondergaande zon. We zijn de volgende ochtend nog eens gaan kijken en toen dreven er nog zeker 450 volgens mijn aantekeningen. Ook stond daar een eenzame flamingo in het water! Toen nog bijzonderder dan nu, denk ik.

Mijn aantekeningen van december 1965 (Knardijk etc.)

Verdwaald in de Biesbos (1966)

Een ander hoogtepunt was het PAKA (paaskamp) van 1966 (vanaf 10 april). Op 12 april roeiden we van het haventje van Drimmelen via de sloot van St. Jan naar de Turfzakken en de Visplaat. Het was nog een behoorlijk ruig gebied en de tochten door de kreken waren, vooral ook door het wisselende tij, heel avontuurlijk. Ik lees in mijn aantekeningen van die dag:

 

Labels van HEKA 1965 (blokfluit) en PAKA 1966 (lieslaarzen)

“Na een eind Amer weer naar de overkant een gat in. Hier bij donker worden verdwaald in de wildernis. Vele kreken onbevaarbaar. Bij opkomend tij tegen de stroom terug naar de goede weg. Succesvolle tocht naar het gat van St. Jan. Over de Spijkerboor op de Oostkil, ’t laatste eind stroom mee. … … 22.15 thuis in het kamp.” Waar dat kamp precies was, weet ik allang niet meer. Mijn aantekeningen leveren overigens uitsluitend informatie over de vogels en helemaal niet over de mensen die bij mij in de roeiboot zaten. Foto’s maakte ik in die tijd nog niet.

Eenzaam insectenonderzoek

Nog voordat ik bij de NJN kwam, had ik een belangstelling voor insecten, vooral loopkevers ontwikkeld. Dat was meer mijn privé-project. Ik had in het bos vlakbij huis, de Sysselt, conservenblikken (voorzien van gaatjes voor waterafvoer) ingegraven en die controleerde ik regelmatig op gevangen kevers. Soms zaten er vrij veel kevers in (heel veel van de zeer algemene soort Pterostichus niger, maar ook andere die maar moeilijk te determineren waren) en soms heel weinig. Ik ben toen uit de krant allemaal gegevens gaan verzamelen over temperatuur, luchtdruk, regenval, etc. Ik vermoedde bepaalde verbanden tussen deze gegevens en mijn keveractiviteit. Toen ik dat aan een van mijn mede-NJNers vertelde, zei hij: “je moet dat in ons afdelingsorgaan De Kemphaan publiceren”. Mijn antwoord was duidelijk: “Zolang ik wetenschappelijk nog niets bewezen heb, publiceer ik ook niets.”

De nadruk lag bij mij steeds meer op vogels. Vogels, vooral grote vogels in de herfst en winter, hebben het voordeel dat ze goed zichtbaar en goed herkenbaar zijn, in tegenstelling tot die rotinsecten, waar je met een vergrootglas naar de aanwezigheid van een of twee stipjes naast de inplanting van de voelspriet of iets dergelijks moet speuren.

ZOKA Schier I 1966

 

Het ZOKA-programma 1966 (klik op figuur)

Toch heb ik nog één poging gewaagd de wonderen van de insectenwereld te ontsluiten. Ik had mij opgegeven voor het ZOKA Schier I (“gespecialiseerd op insecten”) van 15 tot 25 juli 1966. Ik er op een gammele brommer naar toe. Onderweg had ik een paar keer technische problemen. Ik overnachtte bij een kennis van mijn moeder in Groningen en de volgende dag voer ik uit Zoutkamp naar Schiermonnikoog. Tot 1969 vertrok daar de boot. Pas toen de Lauwerszee was afgesloten, werd Lauwersoog de vertrekhaven.

 

Broscus cephalotes
Broscus Cephalotus (https://no.wikipedia.org/wiki/Sandgravere#/media/File:Broscus_cephalotes_oberseite.jpeg

Van het kamp zelf herinner ik me niet zo heel veel. Kevers determineren was best moeilijk. Mijn aantekeningen vermelden dat ‘Broscus cephalotes’ (‘dikkopzandgraver’)  er algemeen was, inderdaad een vrij normaal beestje in kustgebieden. Ik herinner me dat ik met enige jaloezie keek naar fotografen in het bezit van dure spiegelreflexen, tussenringen en wellicht ook macro-objectieven die die kleine rotbeestjes in de duinen fotografeerden.

Ik herinner me ook dat ik me wat vreemd voelde in deze NJN-cultuur met zijn eigen woorden en uitdrukkingen zoals ‘ritselen’ (even gaan pissen), ‘tijgeren’ (naar de ‘tijger’, de buiten-WC, gaan), ‘preu’ (stamppot), ‘wagensmeer’ (appelstroop), ‘technicolor’ (vruchtenhagel) en ‘hupsen’ (volksdansen). Nu was ik, geloof ik, geen groot liefhebber van ‘hupsen’.

Image result for wees wijs met de waddenzee

Op 18 juli gingen we naar de tentoonstelling “Wees Wijs met de Waddenzee”. Er waren in die tijd nogal rampzalige plannen voor een vaste oeververbinding met Ameland en er bestond de (gegronde) vrees dat dit de eerste stap kon zijn naar de inpoldering van de Waddenzee. Waarschijnlijk op de terugweg van het ZOKA deelden wij folders uit op de boot en gingen wij met toeristen in gesprek. Ik herinner me dat ik geschokt was door reacties als “Als de hoge heren in Den Haag het van plan zijn, dan heeft het helemaal geen zin om te protesteren. Die luisteren toch niet en drijven hun zin door”. Wij waren het hier helemaal niet mee eens en zetten ons actief in voor het behoud van de Waddenzee.

De Vereniging tot Behoud van de Waddenzee was in die tijd net opgericht (in 1965 op initiatief van een 16-jarige natuurliefhebber) en in 1971 maakte de regering bekend de Waddenzee te willen behouden. Ik zelf werd in 1966 lid van ‘Natuurmonumenten’ en in 2016 kreeg ik een lepeltje toegestuurd omdat ik 50 jaar lid was.

In het bestuur

In het schooljaar 1966-1967 werd ik nog actiever als lid van het NJN-bestuur afdeling Wageningen, waar ik verantwoordelijk werd voor het afdelingsorgaan ‘De Kemphaan’, maar daarover heb ik al in een ander blog geschreven.

P.S. over NJN-taal

Op https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/5491/hupsen-met-de-njn.html  vind ik:

"(Voorbeeld van een zin uit het verslag van een Four (bevoorrader): ‘Een aantal klunzen uit Labla kreeg last van slingertijger na het eten van bedorven bekklem, daardoor ontstond er een tekort aan tijgerfilm. De technicolor was al op.' Vertaling: Een aantal beginners van de afdeling Laren-Blaricum kreeg last van diarree na het eten van bedorven pindakaas, daardoor ontstond er een tekort aan wc-papier. De gekleurde hagelslag was al op.)"