Elke herfst kijk ik weer uit naar de kleurenpracht van paddenstoelen. De volgende foto’s zijn van eind september en de eerste helft van oktober, vooral bij Huys te Warmont genomen. Deze keer zonder lange verhalen erbij. Gewoon plaatjes.
Category: Veldbiologie
hier af en toe een blog over mijn ervaringen met vogels kijken en door de natuur lopen
Het stinkende bos
Paddenstoelen zijn soms heel mooi gekleurd en gevormd. Toch hebben ze iets onaangenaams. Het zijn de zichtbare verschijningsvormen van onzichtbaar in de onderwereld levende wezens, de schimmels. Maar leven ze eigenlijk wel, deze organismen die vaak niets anders doen dan wat van levende wezens over is op te ruimen zodat hun bestanddelen weer in de grote stofkringlopen worden opgenomen? Sommige schimmels zijn onmisbaar in de stofwisseling van levende wezens. Veel bomen kunnen zonder de samenwerking met schimmels niet overleven. Maar er zijn ook schimmels die geen samenwerking zoeken maar de bomen genadeloos aanvallen totdat die het loodje leggen. Vervolgens ruimen ze deze dode bomen vakkundig op.
Heksen, duivels en rottend vlees
Het is niet toevallig dat paddenstoelen vaak in verband worden gebracht met wezens uit de sprookjeswereld of met duistere kanten van geloof en bijgeloof. De grote kringen van paddenstoelen zoals bijvoorbeeld nevelzwammen worden heksenkringen genoemd. Veel paddenstoelen zien er in een vroeg stadium als een bol uit. De hele paddenstoel zit hier goed verpakt in totdat zie met grote kracht bovenuit deze bol schiet en dan in korte tijd zijn uiteindelijke lengte bereikt. Deze bollen lijken wel wat op eieren. Ze worden meestal hekseneieren of duivelseieren genoemd. De in ons land algemene grote stinkzwam begint als zo’n mooi duivelsei. Zodra dit ei uitkomt, begint het vreselijk te stinken naar rot vlees.
Over die duivelseieren bestonden in de afgelopen eeuwen de vreemdste verhalen. Zij zouden bijvoorbeeld groeien uit de lijkjes van overleden weeskinderen en daarom naar rot vlees ruiken. In een verhaal uit Friesland gaat het om een vrouw die steelt (‘haar handen zitten los’). Als straf krijgt zij een baby die een hand mist. Zij bindt de arm van de baby af met een doek. Als dan de baby sterft, begraaft zij het kind met de doek nog om de arm. Dan groeit de arm van het baby-lijkje steeds weer boven de grond uit. De arm is verrot en daarom komt er een vreselijke lucht vanaf. Volgens dit verhaal is zo de stinkzwam ontstaan.
Zo zijn er honderden verhalen waarin paddenstoelen in verband worden gebracht met allerlei elementen uit de wereld van kabouters, heksen, trollen en duiveltjes, maar zeker vanaf de zeventiende eeuw was er steeds meer oprechte wetenschappelijke belangstelling voor de natuur, inclusief paddenstoelen.
Dr. Junius geeft de stinkzwam een naam
De medicus, dichter en filosoof Dr. Hadrianus Junius (Adriaen de Jong) publiceerde in 1564 een uitvoerige beschrijving van de grote stinkzwam van duivelsei tot en met volgroeide ‘Phallus’. De benaming phallus lijkt van hem en niet van de latere Linnaeus te stammen. In de Latijnse tekst van 1564 wordt expliciet gerefereerd aan ‘de eikel van het mannelijk lid’ en het feit dat het bij openbarsten van het ei overblijvende omhulsel ‘de aanblik van een scrotum nabootst’. Junius had er wel problemen mee dat er geen paddenstoelachtige hoed op de steel zit en vraagt zich af of dit wel een paddenstoel is. Merkwaardig is dat hij niet eenvoudig zegt dat de paddenstoel op een mannelijk lid lijkt, maar de keuze voor het woord phallus baseert op de gebruiken tijdens de Dionysische processies in het oude Griekenland: “Deze naam is ingegeven door de gelijkenis met het voorwerp van leer of vijgenhout dat men in het heidendom placht mee te voeren tijdens de viering van heilige mysteriën – rituelen die bekendstonden als Phallagogia, waarbij het bijgeloof de Phallus en de Ithyphallus vereerde.” Dr. de Jong kon dus eenvoudig over gebruiken in het oude Griekenland schrijven en hoefde daarbij het mannelijk lid niet direct bij zijn naam te noemen.
Plaatjes uit het geschrift van Junius
Ergens schrijft Junius: “Overigens, of onze Phallus onder de klasse der zwammen moet worden opgenomen, zou ik niet als zeker en uitgemaakt durven bepalen, daar ik geen oordeel wil uitspreken
voor dat van anderen die daarvan meer verstand hebben”. Dat onze geleerde uit de zestiende eeuw niet wist of dit nu echt wel een paddenstoel was, kunnen wij hem niet kwalijk nemen. Om iets van paddenstoelen – schimmels dus eigenlijk – te begrijpen, moet je de sporen kunnen onderzoeken. Het zou nog honderd jaar duren voordat Anthonie van Leeuwenhoek een microscoop ontwikkelde met een vergroting van 200x. Maar zelfs die vergroting is niet genoeg om individuele sporen te kunnen zien. Daarvoor is toch zeker 400x nodig. Junius zag de draden waaraan de stinkzwam (of het duivelsei) vastzit nog als een soort wortels. Hij schrijft over het ‘ei’:
“… …. bevindt zich een kleine, witte, ronde massa die qua uiterlijk en witheid doet denken aan een handbal of een bolgewas; daaronder bevindt zich een gespleten streng of dubbele vezel die als wortel dient en waarmee de plant (naar ik vermoed) sap opzuigt.”
Schimmeldraden waren vóór de tweede helft van de 17e eeuw nog niet bekend (Anthonie van Leeuwenhoek rond 1675 en Robert Hooke 1665).
Dank voor Stank
Iets meer dan driehonderd jaar na het verhaal van Junius publiceert de aartsvader van de ‘natuursport’ Eli Heimans in De Levende Natuur van juli 1898 een wonderlijk verhaal over de Stinkzwam met de titel ‘Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant’. Uit het verhaal blijkt dat de stinkzwam nog tamelijk onbekend was in die tijd. In het artikel schrijft Heimans: “… de plant is vrij zeldzaam”, wat waarschijnlijk ook aan het eind van de negentiende eeuw niet klopte. Heimans beschrijft het tafereel van gasten van de uitspanning ‘De Spoolderberg’ (die nog steeds als Uitspanning ‘Het Engelse Werk’ bestaat) die niet blij waren met de stank van zijn vondst:
“Ik maakte zonder erg de plantenbus open, om mijn merkwaardige vondst eens te laten bewonderen, en vertoonde de zwam; maar daar had je ‘t gaande. ‘Er uit met dat ding! Gooi weg! Menschen, kinderen, wat een stank!’ Allen knepen de neus dicht. Ik moest de kamer uit met mijn vondst; al toonde ik aan, dat de plant nog frisch was; en al beweerde ik ook, dat de stank geen werkelijke stank was, doch slechts een wonderbaarlijke nabootsing van de aaslucht, waardoor de aaskevers, die de
sporen moeten verspreiden, worden aangelokt… het
hielp niet.”
Waardering van de gasten van de uitspanning kreeg hij niet. Hij besloot zijn mooie vondst maar per Van Gend en Loos aan zijn vriend Thijsse te zenden. Die was er niet echt blij mee zoals uit zijn dankbetuiging bleek:
“De volgende dag had ik bericht van Thijsse met dankbetuiging voor mijn welwillendheid, om hem iets te laten zien en ruiken, wat hij nooit gezien of geroken had, een dankbetuiging, vervat in de volgende bewoordingen: ‘Wat bezielt je toch, om mij zoo iets in huis te sturen; mijn vrouw en kinderen vlogen de kamer uit, toen ik ‘t kistje open maakte. De zwam was nog heelemaal gaaf, maar ik heb hem terstond een halve meter diep in de grond begraven met het kistje er bij. Ik ben nog misselijk. Als je weer zoo iets hebt, houdt je ‘t maar in Zwolle, of zet het zelf op spiritus.’ Ik heb zeker niet noodig te zeggen, dat Stinkzwam, de Hollandsche naam voor deze paddestoel, een zeer toepasselijke naam is.”
Stank als natuurwonder
Eli Heimans citeert bovenstaand verhaal nog eens een paar jaar later in zijn publicatie uit 1906: Wandelen en waarnemen, schetsen uit het leven van planten en dieren. Hoofdstuk 20 is helemaal aan de stinkzwam gewijd. Heimans raadt ons aan om niet meteen weg te lopen als we die misselijk makende stank ruiken, maar juist op onderzoek uit te gaan. Als we de afkeer van de stank overwinnen, wordt onze kennis van de natuur alleen maar rijker.
“Neen, loop eens niet door, waarde wandelaar. Blijf staan op de plaats, waar u de stank het sterkst, het onverdragelijkst lijkt; doe dat een enkelen keer ter wille van de uitbreiding van uw kennis der natuur, die juist daar een merkwaardigheid rijker kan worden.”
Iets verder in het hoofdstuk schrijft hij:
“En het malle van de geschiedenis is, dat ge onwillekeurig ruiken gaat, opzettelijk ruiken. Met genoegen nu nog wel niet, maar ook niet meer met die walging van zooeven. De afkeer vermindert opeens zoo sterk, denk ik, omdat wij door de wetenschap, dat dit vreemde voorwerp het ‘m doet, gerustgesteld zijn. Er ligt geen doode hond te rotten, geen lijk te midden van nog viezer onguurheden. We hebben hier, dat zegt ge u zelf, zonder woorden misschien, met een kunststank te doen, met een natuurwonder”.
Inheemse en invasieve stinkerds
Inmiddels is het herfst 2026 en de grote stinkzwam is weer hier en daar te ruiken en als je dan kijkt zie je de phallus impudicus trots omhoog gericht staan te stinken met de onvermijdelijke vliegen op zijn eikel. Als je geluk hebt, zie je dan nog mooie duivelseieren in de buurt, maar dat had ik nog niet bij deze paddenstoel.
Meer geluk had ik bij een sterk verwante paddenstoel die weliswaar geen overeenkomsten heeft met het mannelijk lid, maar wel lekker kan stinken, de fraaie inktviszwam, een stinkzwam die weer als duivelsei begint, maar als die openbarst komt er geen rechte steel uit maar een aantal armen zodat hij sprekend op een inktvis lijkt. Niet ver van mijn inheemse grote stinkzwam stond een paar dagen geleden het bos vol met duivelseieren en inktviszwammen, een fraai gezicht. Het is een invasieve soort uit Australië die zich langzaam maar zeker door Nederland verspreidt. In ieder geval voor het oog een aanwinst.

Noot
Een eerder verhaal over schimmels en paddenstoelen schreef ik een paar jaar geleden: https://blog2.rdeman.nl/dood-en-verderf-een-langdradig-verhaal/
Nog iets eerder schreef ik over een paddenstoelenwandeling bij Huys te Warmont: https://blog2.rdeman.nl/paddenstoelen-in-oktober/
____
Geraadpleegde literatuur
Hadrianus Junius, het originele Latijnse werk uit 1564 (PHALLI EX FVNGORVM GENERE IN HOLLANDIÆ fabuletis paſsim crefcentis descriptio, HADRIANO IVNIO Medico auctore, 1564) en grote gedeelten hiervan overgenomen in hoofdstuk 15 van zijn grotere publicatie Batavia uit 1588: Hadrianus Junius, Batavia. Franciscus Raphelengius, Leiden / Plantijn, Antwerpen 1588. Ik heb vooral (uitstekende!) vertalingen door Google Translate gebruikt. Daarnaast is er een groot deel van het werk uit 1564 vertaald door een zekere Dr. A.H. Garrer voor het blad Levende Natuur van november 1906. De werken van Junius zijn via Google books en andere bronnen op internet te vinden.
M. Greshoff, ‘Een natuurhistorisch Document der 16de eeuw’, De Levende Natuur, November 1906. Op dit artikel volgt de vertaling van een groot deel van het boek van Junius uit 1564 door Dr. A.H. Garrer. Het artikel zegt over de weglating van kleine gedeeelten: “Hem danken
dus de lezers van De Levende Natuur dat zij eene getrouwe overzetting (echter met weglating van eenige niet voor dit tijdschrift geschikte zinsneden) dezer allereerste beschrijving van Phallus voor zich zien, verlucht met de afbeeldingen van den stinkzwam, die Dr. H. Junius liet ontwerpen door den beroemden schilder Maerten van Heemskerck
(1498-1574)… “. Het lijkt alsof een directe verwijzing naar het mannelijk geslachtsorgaan het tijdschrift iets te ver vond gaan.
Eli Heimans, ‘Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant’, in De Levende Natuur, juli 1898
Eli Heimans, Wandelen en waarnemen, schetsen uit het leven van planten en dieren, 1906
Volksverhalenbank van de Lage Landen, ‘Hoe ‘t de Stjonkswam der kommen is’, een verhaal uit Friesland. Te vinden op https://www.verhalenbank.nl/items/show/14634
______________
Voorjaar 2026 bij Warmond
Hetzelfde steeds anders
In de herfst heb ik de ontwikkeling van het park van Huys te Warmont tussen zomer en winter door regelmatige foto-excursies nauwkeurig vastgelegd (zie ook hier). Het resultaat is een fotoalbum dat laat zien hoe de insecten verdwijnen, mooie herfstkleuren ontstaan, de paddenstoelen verschijnen en de bladeren afvallen. Ik ben nu bezig de omgekeerde ontwikkeling, van winter naar zomer dus, vast te leggen. Daarbij heb ik het werkterrein iets uitgebreid met regelmatige foto-expedities naar de Strengen en Koudenhoorn, de kleine eilandjes in het Joppe (zie hier).
Maart: kale bomen en de eerste blaadjes
Begin maart is er nog weinig te zien van het voorjaar, behalve de mooie bloemen van groot hoefblad die altijd vóór de bladeren verschijnen.
Langzaam verschijnen steeds meer katjes (waarvan de hommels profiteren] en lopen de eerste bladeren uit. Overwinterende vlinders zoals de kleine vos zie je dan al vliegen. De eerste voorjaarsbloemen zoals het speenkruid en hondsdraf zie je bloeien, evenals bosanemonen en narcissen.
April: het voorjaar barst los
In April komt het voorjaar pas goed op gang. Steeds meer vogels zingen in de bomen. Futen en meerkoeten bouwen hun nesten op het water. Steeds meer bijen, hommels, zweefvliegen en vlinders verschijnen. In de bomen bouwen reigers en lepelaars hun nesten. Fel gekleurde rode beuken contrasteren met het tere groen van andere bomen.
Libellen verschijnen in mei
Dit jaar verschenen de eerste libellen op 25 april (zie ook hier). Zoals gewoonlijk is het lantaarntje de eerste waterjuffer. In mei verschijnen in rap tempo de overige voorjaarslibellen zoals variabele waterjuffer, azuurwaterjuffer, vuurjuffer, platbuik, viervlek, glassnijder, vroege glazenmaker, de gewone oeverlibel en grote roodoogjuffer. Bijzonder is dat de voor deze streek zeldzame gevlekte witsnuitlibel elk jaar in het kleine plasje bij Huys te Warmont verschijnt.
De grote keizerlibel verschijnt in de regel pas begin juni, ook dit jaar was hij er in de eerste week van juni samen met de tot voorkort nog zeldzame Zuidelijke keizerlibel, die duidelijk van de klimaatverandering profiteert.
Kleuren van de Rododendron vanaf eind mei
Nu zijn rododendrons geen oorspronkelijke natuur, maar geïmporteerde parkstruiken, inclusief de invasieve rododendron-cicade. De bloemen geven tussen eind mei en half juni het park wel prachtige kleuren en er zijn best veel insecten die zich erop thuis voelen en vogels die die insecten graag eten.
De rode beuk van winter tot zomer
Het is misschien wel een van de mooiste bomen in het park van Huys te Warmont, die kolossale rode beuk. In de winter zie je alleen de dikke kale stam en zijtakken. Aan het eind van de maand maart verschijnen dan de eerste rode bladeren. Vervolgens zie je de kleur zich ontwikkelen van fel rood tot heel donker bruin.
Rietvogels in mei
Vooral in mei zie je (en hoor je!) veel rietvogels. Ik fotografeerde ze vooral op de Strengen en op Koudenhoorn, waar er veel broeden en hun jongen verzorgen met voer dat vooral uit rupsen en libellen bestaat. Natuurlijk overal heel veel rietzangers, maar op de Strengen ook een aantal bosrietzangers en kleine karekieten naast een enkele rietgors.
TechnischE gegevens
De meeste landschapsfoto's heb ik gemaakt met een Nikon D610 met een standaard-zoomlens 24-85 mm op een statief. De meeste met vast diafragma en ISO en afstandsbediening. De tele-foto's van vogels en libellen met een Nikon D7500 en een Tamron 150-600 mm lens, voor zover mogelijk met 1/1000 en een diafragma f/8 tenzij de ISO daardoor onacceptabel hoog werd. Maar de D7500 kan veel hebben. De nabewerking met het oude LightRoom 6.0 programma (D7500-foto's omgezet naar DNG-formaat). Foto's vaak enigszins gecropt en regelmatig veranderd in een 4:3 verhouding wanneer 3:2 te breed leek. Behalve wat kleine correcties in belichting, kleurtemperatuur of contrast geen grote wijzigingen aangebracht. N.B. Alle foto's zijn mijn eigendom en mogen alleen met mijn toestemming verder gebruikt worden.
Herfst bij Huys te Warmont (deel 2)
Eind oktober liet ik hier al wat zien van mijn project. Sinds september volg ik de ontwikkelingen in het park van Huys te Warmont. Twee of drie keer per week maak ik dezelfde wandeling en maak foto’s op ongeveer dezelfde plekken. Maar de foto’s veranderen: begin september vlogen er nog libellen, maar die verdwenen snel. We moeten nog lang wachten voordat de libellenlarven uit zullen sluipen.
Paddenstoelen
In eind september en oktober kon ik de mooiste paddenstoelen fotograferen, niet alleen de “rood met witte stippen” (vliegenzwam), maar ook nog meer amanieten, mooi gekleurde amethistzwammen, allerlei russula’s, zwavelkoppen, mycena’s, melkzwammen, porseleinzwammen en te veel om op te noemen.
Op de plaatjes: russula (spec.), gekraagde aardster, bitterzoete melkzwam, heksenschermpje, amethistzwam, vliegenzwammen

Vanaf begin november werd het wat minder met de paddenstoelen: de gigantische hoeveelheden honingzwammen die de boomstronken in het park overwoekerden verschrompelden tot vormeloze bruine en zwarte massa’s. Zij hadden hun werk gedaan. De honingzwammen leven weer verder als ononderscheidbare zwamdraden in vermolmde boomstammen. Er waren nog steeds wel paddenstoelen zoals de prachtige heksenschermpjes en op één plek waren de gekraagde aardsterren altijd wel te vinden. De botercollybia’s werden alleen maar talrijker net zoals de nevelzwammen. Het was soms even zoeken, maar de prachtig paarse amethistzwammen waren er nog op verschillende plekken.

Heel veel vliegenzwammen waren er in november niet meer, maar toch zag je hier en daar groepen van bijna tien vliegenzwammen bij elkaar staan en ook in december kwam er nog af en toe eentje uit de grond. De meeste porseleinzwammen waren wel verdwenen, maar toch heel zichtbaar in de vorm van de zwarte patronen die hun zwamdraden op de dode bomen hadden achtergelaten.
Herfstkleuren

In oktober vielen er al veel bladeren van de bomen en in november werden de bomen nog veel kaler. Toch is het interessant dat november in de regel voor de mooiste herfstkleuren zorgt. Er blijven dan relatief weinig maar sterk geel of oranje gekleurde bladeren aan de bomen hangen. Dat leverde ook nu mooie plaatjes op.
Mist
Helaas was ook november een maand waarin weinig mist was. Toen ik dat aan mijn broer vertelde, merkte hij op dat er nog wel heel veel mis was in de wereld. Daar was ik het mee eens. Maar op 21 november was er eindelijk een soort mist waar elke landschapsfotograaf van droomt: prachtige vervaging van achtergronden, maar ook plekken waar de zon voorzichtig doorheen schijnt en kleuren waar je vrolijk van wordt.

Op 5 december was dat anders: een onaangename grijze wereld waar je niet gemakkelijk van je pessimisme verlost wordt. De donkere dagen voor kerst.

P.S.
Inmiddels heb ik een fotoboek met een selectie van deze foto’s gemaakt. Het staat op de volgende met password beveiligde site: Albelli fotoalbums.
Herfst 2025
Het bruggetje en de beuk
Vanaf de late zomer in begin september ben ik twee of drie keer per week ongeveer dezelfde foto gaan maken bij Huys te Warmont met ongeveer dezelfde instelling (24-85 mm zoom op 70 mm, full frame Nikon D610 op statief, ISO niet hoger dan 400). Ik fotografeer over het water naar een bruggetje. Achter het bruggetje staat een van de mooiste bomen van het park, een rode beuk. Aan het eind van de zomer is die nog rood, dan wordt hij bruiner, om nog even fel geel op te lichten voordat alle bladeren in het water waaien en er een imposante donkere stam overblijft. Ik vond het leuk om die ontwikkeling een keer vast te leggen.


Het bruggetje bij nevel en mist
Bij nevel is de boom soms helemaal niet meer te zien en bij dichte mist verdwijnt bijna het bruggetje.


Bijna dertig fotowandelingen
Op 24 november maakte ik voor de 28e keer dezelfde foto-wandeltocht van rond drie uur. Er volgen zeker nog tien wandelingen tot het eind van de herfst. Van dit project zal ik een fotoboek van rond veertig pagina’s maken.





































































