Basisinstellingen: zes keuzes

Als je een foto maakt dan gaat het in principe om de volgende zes keuzes:

  • CAMERA: het gaat gewoon om de keuze van de afmetingen van de film/sensor. Van grote formaten (zoals technische camera’s van groot formaat), via de ouderwetse ‘full-frame’ camera (36 mm), APS-C cropcamera’s (24 mm), MFT-camera’s (18 mm) naar allerlei compactcamera’s met heel kleine sensoren en telefoons met een nog kleiner formaat. Ook is er keuze tussen beeldverhoudingen, vooral tussen deouderwetse kleinbeeldverhouding (3:2) en de bij MFT en compactcamera’s gangbare 4:3 verhouding (meer op deze pagina).
  • OBJECTIEF: het gaat in de eerste plaats om de brandpuntsafstand bij een ‘prime’-objectief of de instelling van de brandpuntsafstand bij een ‘zoom’-objectief. Het gaat om de verhouding tussen de brandpuntsafstand en de afmeting van de film/sensor: zie deze pagina. Die verhouding bepaalt het karakter: een verhouding van ongeveer 1,4 is een standaardobjectief met een beeldhoek van ongeveer 40 graden. Daaronder gaat het naar groothoek. Vanaf de verhouding 0,5 (bijvoorbeeld een 18 mm lens bij een 36 mm sensor) gaan we naar extreme groothoek (beeldhoek van meer dan 90 graden). Teleobjectieven hebben waarden van 5x de sensorafmeting (bijvoorbeeld 180 mm bij een 36 mm sensor) en hoger.
  • BELICHTINGSINSTELLINGEN (meer op deze pagina)
    1. GEVOELIGHEID: keuze van de ISO-waarden (in een ouderwetse camera gegeven door de gebruikte film, in een digitale camera instelbaar: van ongevoelig (bijvoorbeeld ISO 100) tot erg gevoelig (bijvoorbeeld ISO 6400)
    2. DIAFRAGMA: opening van de lens. Van een grote opening (laag diafragmagetal, bijv f/2) tot een heel kleine opening (hoog diafragmagetal, bijvoorbeeld f/22).
    3. SLUITERTIJD: van heel snelle sluitertijd (bijvoorbeeld 1/2000 seconde) naar heel lange sluitertijden van meerdere secondes.

      Op elke moderne camera kan je instellen welke waarden je zelf instelt en welke je door de camera laat berekenen. Er zijn drie mogelijkheden: (1) je stelt ISO en sluitertijd in: de camera berekent alleen het diafragma (stand S), (2) je stelt ISO en het diafragma in: de camera berekent alleen de sluitertijd (stand A), (3) je stelt diafragma en sluitertijd in en laat de camera de ISO berekenen (stand M met auto-ISO): meer op deze pagina.

  • AFSTAND: de afstand wordt handmatig of automatisch ingesteld zodat het te fotograferen onderwerp of de te fotograferen onderwerpen scherp zijn. De instelling van het diafragma in combinatie met de brandpuntsafstand bepaalt het gebied waartussen de opname voldoend scherp is: de scherptediepte: meer op deze pagina