Uit het leven van Frits

Waterleven bij de rivierforel (met circulair polarisatiefilter gefotografeerd)

Ik ben Frits. Tenminste dat denk ik nu, maar ik onthoud namen niet goed, ook niet mijn eigen. Ik sta hier aan de sloot tegenover de Rivierforel. Ik neem aan dat ik hier vaker sta, maar waarom zou ik me andere dagen herinneren? Het gaat mij om het hier en nu.

Wachten op een lekker visje

Meestal gebeurt er niks. Ik sta niet te ver van de kant en kijk met mijn uitstekende ogen naar het leven dat in en naast de sloot krioelt. Er zitten kikkers op de kant. Af en toe komt er een familie eend voorbij en ik meen me te herinneren dat ik wel eens help de ontbrekende gezinsplanning te corrigeren, maar dat moet lang geleden zijn, want ik weet er niets meer van. Ik staar in het water. Het barst er van de vis. Ik kijk er naar. Mijn ontzagwekkende snavel wijst naar ze. Dan zie ik er een die vet genoeg is, dichtbij me zwemt en plotseling gigantische hongergevoelens in mij doet ontwaken. Mijn grote vogellijf voelt als een te ver opgewonden stalen veer die op knappen staat. Ik weet niet wat ik doe. Misschien doe ik wel eens iets bewust, maar dit zeker niet.

Reiger vangt vis …

Terwijl mijn poten nog op de dijk staan, worden mijn kop en snavel richting vis gekatapulteerd. Mijn vleugels wapperen intussen vlak boven de waterlijn. Dan overmant een gelukzalig gevoel mij als ik die gladde vis hulpeloos in mijn snavel voel kronkelen. Nog even laat ik hem lijden.

Op zo’n moment voel ik diepe verachting voor dat soort saaie vegetariërs als knobbelzwanen, die niks beters te doen hebben dan de bodem van de sloot te stofzuigen, als ze geen weilandjes maaien met hun zielige snaveltjes. Hoe ik het doe, ik zou het niet weten, maar even later sta ik weer onderaan op die dijk en laat mijn vis nog even lekker spartelen.

 

Dan slik ik hem in een keer door, spreid mijn vleugels en laat nog even horen dat mijn familie beslist niet tot de zangvogels gerekend mag worden.

Op weg naar de volgende vis

____

 

 

Heerlijk lelijk Zuid-Holland

Stereotyp mooi

Stereotypen regeren de wereld. Als het weerbericht ‘mooi weer’ voorspelt, dan wil dat zeggen: de zon gaat  schijnen, de wind blijft onder kracht vier en de temperatuur wordt niet lager dan 18 graden. Niemand heeft mij gevraagd of ik dat weer mooi vind.

Uit de toeristenfolder

Nog erger zijn de folders van de toeristenindustrie. Zuid Holland is mooi. Dat wil zeggen dat je kunt genieten van prachtige windmolens op een dijkje, met daarnaast een vaart met waterlelies. De lammetjes op de dijk maken het plaatje af. En natuurlijk is het mooi weer, althans volgens RTL4 en buienradar.

Maar ik heb niet altijd behoefte aan mooi weer en de Zuid-Hollandse molen-idylles. Soms voel ik een onweerstaanbaar verlangen naar lelijkheid en slecht weer. En daarvan is er hier niet weinig! Wie zich wat meer specialiseert in lelijkheid, volgt nog meer dan de klassieke schoonheidsjager een toekomstbestendig scenario.

Het is 2020!

Afgelopen donderdag was het dan zo ver. Op naar lelijk Zuid Holland. Hoewel buienradar nog redelijk ‘mooi’ weer in het vooruitzicht had gesteld, zaten ze er gelukkig helemaal naast.

Na minder dan een kilometer rijden, moet ik mijn regenbroek aanhijsen en ik begin me al beter te voelen. Wel moet ik nog wat irritaties verwerken van stereotype landschapjes (molen, vaartje, huisje) bij Oud Ade en Rijpwetering. Maar het landschap tussen Rijpwetering en Nieuwe Wetering is effectief verpest door een prachtige nieuwe hoogspanningsleiding.

Het is 2020!

Ze hebben gewoon een enorme hoeveelheid stalen palen in het zeventiende-eeuwse landschap gepoot, uitroeptekens achter de zin: Let op, het is 2020 niet 1650! Onder de palen grazen schapen en in de verte zie je een molentje.

In de buurt van Nieuwe Wetering kon ik gelukkig linksaf de nog grotere lelijkheid in fietsen zonder nog door verdere sprookjes lastig gevallen te worden.

Geen toeristenfolder-gevoel

Langs de weg naar Buitenkaag langs de oerlelijke Ringvaart van de Haarlemmermeer is vrijwel niets te zien. Buitenkaag, met het pontje naar Kaageiland, had best een aardig plaatsje kunnen zijn, maar de grote hal van de ‘Van Lent Schipyard’ neemt elke gevoel van landelijkheid en elk uitzicht effectief weg. Het laatste toeristenfolder-gevoel verdwijnt als je even later via een slinger op het fietspad langs de A44 terecht komt. Je steekt de ringvaart over en dan ben je in de ‘Hellegatspolder’. De naam geeft de sfeer goed weer. Hier geen flauwekul van ijsboerderijen of historische molens. Hier raast de 21e eeuw langs het fietspad: vrachtauto’s vol met spullen voor supermarkten, thuiszorgwinkels en bouwmarkten. Ook het woon-werkverkeer is weer goed op gang gekomen. Niets wijst erop dat minder dan twee kilometer naar het Zuiden de Kaag ligt met eilanden vol rietvelden, nestelende grutto’s en kieviten.

Bij Sassenheim rijd je alleen nog door grijze woonwijken en onduidelijke industriegebieden. Als je even later de spoorlijn naar Haarlem bent overgestoken, komen daar ook steeds meer bloembollenbedrijven bij. De bloembollenvelden zijn inmiddels allemaal uitgebloeid of afgemaaid. Er resten kale bruine vlaktes, een rust voor het oog. De weg buigt vervolgens naar rechts richting Noordwijk. De weg loopt lands de Zuidwestkant van Voorhout en doorkruist daarna een totaal oninteressant landschap tot aan Noordwijk-Binnen. Er is hier werkelijk niets om naar huis te schrijven als je het tenminste niet over schoolgebouwen, advocatenbureaus en garagebedrijven wilt hebben. Op weg naar het strand neemt de hoteldichtheid allengs toe. Zo ook het aantal Duitse nummerborden.

Een gore hap

Na 30 km door de regen fietsen, heb ik toch een beetje honger. Ik heb geen zin om een duur restaurant in te gaan. Ik had beter iets anders kunnen kiezen, maar ik neem een broodje kroket in een iets van de boulevard af gelegen snackbar. De snackbar-eigenaar heeft zo te zien geen enkele maatregel tegen Corona genomen. Enigszins ongemakkelijk werk ik de calorieën naar binnen, maar eigenlijk past deze gelegenheid uitstekend in mijn zoektocht naar lelijkheid. Ook dit was redelijk goor. De tocht gaat met vrij hoge snelheid door de duinen naar Wassenaar. De wind komt uit het Noorden en de regen neemt iets af. In de duinen hoor en zie ik wel wat kleine vogeltjes. Graspiepers en misschien een enkele grasmus. Ik stap niet af. Bovendien zit mijn kijker, evenals mijn bril, vol water.

Couleur locale

In Katwijk volg ik de route van de folder. Meestal sla ik bij het Uitwateringskanaal al af, maar nu volg ik de kust nog een eindje. In het stuk door Katwijk en Rijnsburg raak ik wel drie keer de weg kwijt, wat het voordeel heeft dat ik de couleur locale eens goed in me op kan nemen. Die is grijs. Je zou hier maar wonen. Tussen Rijnsburg en Valkenburg blijkt er een pontje over de Oude Rijn te zijn. Gelukkig heb ik 50 cent bij me, die ik Corona-veilig in een mandje kan werpen.

Ergens in Zuid-Holland

Misschien volgt dan wel het lelijkste gedeelte van de route. Langs de ongezellige N206, de autoweg Leiden-Katwijk – de enige weg in Nederland waar betonnen bomen langs staan, voor zover ik weet – gaat het een stuk naar Leiden en dan, weer aan de overkant van de Oude Rijn en onder A44 door, richting Oegstgeest en tenslotte naar Warmond en de Merenwijk. De teller staat op 54 km. Zoveel lelijkheid op een dag, zelf meer dan ik had durven dromen.

___

Fietsen langs meren en polders

De Hel

Daar rijd ik dan over de rondweg van de Merenwijk. Het doel vandaag is fietsen. Als er af en toe een vogel in een boom of in de sloot zit is dat meegenomen. Maar ik ga er niet naar zoeken. Ze moeten zelf maar komen. Op weg naar Rijpwetering zie ik blauwe reigers, wilde eenden, veel kauwtjes en gelukkig zijn er ook veel boerenzwaluwen.

Familie soepeend

Café-terras ‘De Vergulde Vos’ is afgeplakt met rood-witte plastic linten. In dit gebouw is al veel gebeurd. In de zeventiende eeuw was het een ‘Regthuys’ en gevangenis, die door de mensen toen ‘De Hel’ werd genoemd. Langzaam werd ‘De Hel’ wat gezelliger en werd het een centrum van sociale activiteiten zoals repetities van de zang- en toneelvereniging ‘Door Oefening Beter’, voordat het zich tot een eetcafé voor fietstoeristen ontwikkelde.  Zo saai als nu was het nog nooit.

Contactloos overvaren

Ik fiets maar door naar Roelofarendsveen en Oude Wetering. Bij Oude Wetering vaart het pontje regelmatig heen en weer. Ik leg mijn bankpas op mijn bagagedrager. De veerman houdt zijn kaartlezer erboven en hij ontvangt op die manier € 1,30. Leve de contactloze samenleving. Ik geniet van het mooie uitzicht, de futen, meerkoeten, waterhoentjes en wilde eenden. Ik vind dat genoeg.

Pont bij Nieuwe Wetering
Pont bij Nieuwe Wetering

Ik kom dan aan de overkant van de Braassem. Dit waren tot in de vroege middeleeuwen veengebieden. Maar door vervening zijn steeds grotere plassen ontstaan. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat dit land vroeger boven de zeespiegel lag. Nu zie je diep onder de dijken gras- en bouwland liggen dat door verdergaande ontwatering en inklinking steeds verder inzakt. Eens gaat het niet meer lukken dit land te redden en dan ontstaan nog meer meren en mooie natuurgebieden. Een troostende gedachte. Nu ligt het veel te groene met stikstof verzadigde weideland morsdood onder de dijk. Hier en daar zie je een zwarte kraai, niet veel meer.

Geluk in Woubrugge

Ik rijd langzaam de Braassem om via Rijnsaterwoude. In het riet hoor ik veel rietzangers en karekieten, maar ik zie er niet veel. Ergens ruik ik heerlijke gebakken vis, maar het kwam uit een privé-keuken. Restaurants zijn gesloten. Maar dan eindelijk in Woubrugge (niet ver van de brug met de grappige naam ‘Woubrugsebrug’) serveert de plaatselijke bakker een heerlijke lunch.

Woubrugge
Woubrugge

De winkel is nog leeg, maar er mogen maximaal drie klanten in. Als ik mijn broodje kaas, kopje koffie en opgewarmd frikandelbroodje heb besteld, is de winkel is vol en staat de stoep vol met wachtende klanten op ruime onderlinge afstand. Ik bezet het bankje aan het water en ik hoef niet bang te zijn dat er iemand naast mij komt zitten.

Snel, gezellig en gevaarlijk

Ik vervolg mijn toch langs de Zuidkant van de Wijde Aa naar Hoogmade. Ik zie hier en daar een kievit, er vliegen meeuwen en ik hoor overal de rietzangers. Ik hoor de luide roep van vinken en overal vliegen boerenzwaluwen. Maar ook de medemens laat zich regelmatig zien.

Rietzanger

Het wordt druk. Op de veel te smalle fietspaden komen met de regelmaat van de klok bejaarde stellen naast elkaar elektrisch versterkt aanzeilen. Oudere Nederlanders houden van snelheid en gezelligheid. Goed fietsen kunnen ze niet. Daarom neemt zo’n turbo-formatie al snel de hele breedte van het fietspad in beslag. Bijna viel ik van mijn fiets en bijna lag ik in de sloot, toen ik zo’n geëlektrificeerd tweespan op Corona-afstand wilde ontwijken. Ik erger me aan bejaarden: mensen boven de 72. Ik word in september 72.

Als ik via Oud Ade weer naar huis toe fiets, denk ik er over om het pontje bij de Merenwijk te nemen. Maar als ik het aantal stadsfietsen (al of niet met kinderzitjes), racefietsen en elektrische fietsen zie, besluit ik het maar niet te doen. Ik rijd rustig door de Merenwijk naar huis. Score: 43 km en wel 15 soorten vogels.

Naar Naturalis

Petra en ik leven in isolatie. Omdat het internet prima werkt, betekent isolatie nog geen isolement. Wij skypen en zoomen er lustig op los. Daarnaast hebben we af en toe een kort gesprek over de heg met de buren. Maar dan is het eindelijk zo ver dat we even losbreken uit deze gevangenis. We gaan naar Naturalis! Ik volg, inmiddels nu ook via Zoom, een fotocursus. De opdracht voor deze week is ‘architectuur’: maak een fotoserie van één gebouw van verschillende standpunten met verschillende belichting. De gunstigste tijd ligt vlak voor zonsondergang, het zogenaamde ‘golden hour’.

Naturalis met groothoek

Na het avondeten drinken wij een kopje koffie. Dan lopen wij naar de auto, die al geruime tijd bij ons huis werkloos staat. Wat een heerlijk gevoel! We stappen in Petra geeft gas. Ik mag gezien mijn omstandigheden even niet rijden. Ik voel mij de koning te rijk als we de rondweg inslaan. Er is vrijwel niemand op de weg. Het is mooi weer. De zon staat laag maar schijnt nog behoorlijk fel. Er is geen wolkje aan de lucht. We rijden door de tunnel bij het station en dan rechtsaf naar Naturalis.

Bij Naturalis is parkeren geen probleem. Er is vrijwel niemand. Petra zet de auto aan de zijkant van het gebouw. Ik pak mijn cameratas. Het statief laat ik maar in de auto. We lopen naar de goed belichte voorkant van het gebouw. Ik schroef de groothoeklens op mijn camera en maak een paar foto’s. Dan wil ik de standaardlens er weer op zetten, maar dan is mijn tas weg.

Prachtige architectuur

Petra heeft begrepen dat zij een belangrijke rol kan spelen: zij draagt mijn tas. Ik maak foto’s uit verschillende standpunten met verschillende objectieven. Dan zie ik dat ik niet de enige fotograaf ben. Een andere fotograaf heeft wel een statief meegenomen en maakt er, zo te zien, serieus werk van. Een voorbijganger, die zijn hond even komt uitlaten, vraagt Petra op gepaste afstand wat er hier aan de hand is. Petra zegt dat de fotografen voor hun fotocursus plaatjes aan het schieten zijn. Voor mij geldt dat, maar voor de andere fotografen (er is er nog één bijgekomen) weet ik het niet. Ik ontdek prachtige details en zie nu pas hoe mooi het gebouw is. Heel mooi zijn de doorkijkjes door het nieuwste gedeelte van het gebouw.

Doorkijkje

Door de mooi gevormde ramen aan de voorkant kijk je naar de patronen die door de ramen aan de andere kant van het gebouw gevormd worden.

 

Op een bepaald moment lig ik op de grond van de fietsenstalling omdat ik denk dat het een leuk standpunt is. De foto mislukt en ik kom alleen met heel veel moeite weer overeind.

Langzaam zakt de zon en gaat onder. Ik maak nog een laatste foto van de brandende straatverlichting en daarachter het mooie gebouw.

Dan rijden we door de lege nu iets donkerder straten naar huis. Het was een mooi bezoek aan Naturalis. Een uitje om niet snel te vergeten.

 

Klik hier voor een fotoserie

 

____

Naar de Zuiderzee

Verslag der Vogelwerkgroep Leiden van de Koninklijke Natuurhistorische Vereeniging K.N.N.V. van de excursie op Zondag 23 April 1922.

Leiden

Vanmorgen liepen twee dames en drie heeren door de mooie Leidsche binnenstad naar het spoorwegstation van Leiden. De locomotief van den trein naar Utrecht stond al te stomen. De excursie was georganiseerd door Mej. Dra. A.M.M. Burgers, tot niet zo heel lang geleden leerares biologie aan een Hoogere Burgerschool te Leiden. Met onbluschbaren ijver organiseert zij de eene excursie na de andere. Zij stond als eerste, uitgedoscht met een fraaie plunjezak op het eerste perron. waarna even later zich de heer Drs. A. Staal, nog steeds werkzaam in het onderwijs, maar dan aan een Lagere School met den Bijbel, en de heer Drs. S. van der Laan, sinds kort werkzaam voor de plantsoenendienst der Stad Leiden, en de heer Drs. Th. Bijvoet, door de week verantwoordelijk voor de Nederlandsche Cultuurpolitiek in ’s-Gravenhage, bij het groepje enthousiaste vogelliefhebbers voegden. Toen ook Mej. M. Stahlie – in onze kringen zeer gewaardeerd om haar inzet voor het overbrengen van natuurkennis en natuurliefde aan de o zoo belangrijke jongere generatie  – het perron op kwam loopen, was het om 7:04 uur hooge tijd voor het vertrek richting Utrecht en verder. Ondergeteekende, Dr. R. de Man (gepensioneerd adviseur van groote Nederlandsche en buitenlandsche ondernemingen), stapte op het stationnetje Lammenschans den trein in.

De treinen van de Nederlandsche Spoorwegen zijn rap tegenwoordig. In iets meer dan een uur naar Utrecht geboemeld. Na overstappen in Utrecht en Amersfoort in den trein richting Zwolle. In Putten, aankomst 9:56 uur, stond onze vriend Professor Dr. Harkema, een goede vrind van Drs. Staal, klaar om ons met zijn eigen automobiel van het station af te halen. We zouden vogels gaan kijken bij de Zuiderzee. Over vijf jaar wordt begonnen met de aanleg van de ‘afsluitdijk’. Zuiderzee wordt IJsselmeer. Hoe zal het met de vogels gaan? Onze grote voorvechter van het behoud van de Nederlandse natuur, Jac. P. Thijsse, heeft daar onlangs in het blad ‘De Levende Natuur’ over geschreven, waaarbij hij  de noodzaak van natuurstudie benadrukt: “Hoe beter wij de vogelwereld van de Zuiderzee kennen, des te meer kans bestaat er, dat we de perikelen van de droogmaking tot een minimum beperken. Ik weet, dat de Directie der Zuiderzeewerken in dit opzicht tot de allerwelwillendste medewerking bereid is.” Maar gelukkig is het nog niet zo ver.

Het is maar een klein eindje rijden naar de kust. Dat is maar goed, want de Professor moest twee keer rijden. Zoo groot is die auto ook weer niet. Bij een klein haventje aan den Zuiderzeekust lag de kleine visschersboot van de heer Harm Dekkers, een Harderwijker visscher, een type van een vent, wel wat los in zijn mond, maar vol leuke opmerkingen, die vaak iemand karakteriseerden. Zo noemde hij Mej. Burgers, wier naam hij niet kende, Prinses Kiekema, en dat was zo teekenend, ook volgens de dame in kwestie, dat het zelfs door haar niet kwalijk genomen werd. Mej. Burgers had een heel mooi kiektoestel meegetorscht en maakte tijdens de geheele excursie de mooiste prenten.

Harderwijk

De dames en heeren, met uitzondering van den Professor, gingen aan boord van de kleine visschersboot en het avontuur kon beginnen. Wij zeilden een stukje evenwijdig aan de kust richting Harderwijk en vervolgens vlak langs de haven van Harderwijk zonder daar aan te leggen. Drs. Bijvoet was de gelukkige eigenaar van een Carl-Zeiss-binoculair, een staaltje van grootsche techniek, niet minder kostbaar dan vernuftig. Als wij beloofden, de nodige voorzichtigheid in acht nemen, mochten wij er even door loeren.

Aalscholver

Vol enthousiasme riep Mej. Stahlie: “drie aalscholvers, een groep smienten, en kijk daar eens even, daar staan kluiten met hun lange pooten in het zoute water”. “Mocht er een Schepper bestaan”, verzuchtte onze schoolmeester van de School met den Bijbel, “dan heeft hij het niet slecht gedaan! Wat een mooie ranke vorm, wat een mooi minimaal kleurenpalet”. Mej. Burgers voegde daaraan toe, dat deze vogel ideaal was om te kieken: een “zwart-wit-vogel” grapte deze, anders zoo serieuze, biologe.

De heer Dekker stuurde zijn scheepje bij Harderwijk verder het ruime sop op, verder van den kust. De deining nam iets toe, maar zonder onaangenaam te worden. De Zeiss ging van hand tot hand (en van oog tot oog), waarbij Drs. Bijvoet niet steeds gelukkig keek, alsof hij vreesde dat zijn zoo kostbare bezit op de bodem van het scheepje zou eindigen. Dat gebeurde niet. Onze plantsoenambtenaar, die over de beste oogen van ons allen beschikt, riep plotseling: “meneer Dekker, graag de boot hier stilhouden. Leg hem even tegen de wind”, commandeerde hij den armen bootsman wel heel erg direct en bijna onbehoorlijk. Maar niet zonder reden! Wat zag Drs. Van der Laan? “Beste menschen, kijk nu eens aan, daar drijft zowaar een groote groep Middelste Zaagbekken”.

Brilduiker

Zij waren nog ver weg, maar de Zeiss van Drs. Bijvoet haalde ze dichtbij. Wat waren ze mooi! Maar dit was nog zeker niet het einde van het verhaal. Vlak in de buurt van de Zaagbekken zwommen een paar Nonnetjes. “Gek”, zei Dr. de Man, “dat we een mannetje van het nonnetje geen patertje noemen”. Niemand lachte, maar zelf vond hij het een leuke grap.

De heer Staal had van zijn echtgenoote een heele verzameling koeken meegekregen. Die koek ging erin als koek. Een perfecte dag, een frische wind, het geluid van allerlei vogels, een mooi zonnetje en een allergezelligst gezelschap.

We voeren niet heelemaal naar Enkhuizen maar we draaiden naar links richting het Gooi. De deelnemers aan deze prachtige excursie werden hierna nog getracteerd op brilduikers, heel veel futen, een paar dodaarsjes en natuurlijk de gebruikelijke meeuwen. Mej. Burgers kiekte, dat het een lieve lust was, alsof ze haar bijnaam “Prinses Kiekema” moest bewijzen.

Niet ver van Spakenburg kwamen we weer dichtbij het vaste land. Daar werden we nog even verrast door een heele groote groep grutto’s, wel zeker 250 tot 300 stuks. Prachtig, zooals die roodachtige tinten schitterden in den laten middagzon.

Grutto’s

Vervolgens zagen wij de fraaie bosschen van de Noord Veluwe in de verte, maar daarheen gaan wij zeker een andere keer. Het zat er bijna op. Toen wij tegen zevenen bij het haventje bij Putten aankwamen, stond professor Harkema, geleund tegen zijn voertuig, al op ons te wachten. Hij reed ons in twee ritten naar het spoorwegstation van Putten, waar we om 7:53 in den avond vertrokken. Het was nu eenvoudiger om via Amsterdam naar Leiden te reizen, waar we om 12:03, net na middernacht aankwamen. Op het Centraalstation van Leiden namen de deelnemers afscheid. Dr. de Man had nog zeker drie kwartier te loopen, want een trein naar Lammenschans zou pas den volgenden ochtend vertrekken.

 

Waarnemingen
1.      Aalscholver

2.      Blauwe Reiger

3.      Brandgans

4.      Brilduiker

5.      Buizerd

6.      Dodaars

7.      Fuut

8.      Groote Mantelmeeuw

9.      Grutto

10.  Kievit

 

11.  Kluit

12.  Knobbelzwaan

13.  Kokmeeuw

14.  Kuifeend

15.  Meerkoet

16.  Middelste Zaagbek

17.  Nonnetje

18.  Scholekster

19.  Smient

20.  Tafeleend

21.  Tureluur

22.  Waterhoen

23.  Wilde Eend

24.  Wintertaling

25.  Wulp

26.  Zilvermeeuw

 

 

Eenige Achtergronden

Voor degenen, die zich interesseeren voor achtergronden van dit curieuze verslag, heeft Dr. de Man nog een speciale pagina gemaakt.