Nostalgie bij 62 graden Fahrenheit

 

Speciale operatie, speciale gasprijzen

Ruslands speciale operatie zorgt voor veel ellende niet alleen voor de mensen in de Oekraïne maar zeker ook voor Russische soldaten die zonder opleiding en zonder wapens voor hun vaderland mogen gaan sterven. Dan valt de last die wij ervan hebben natuurlijk wel mee. De gigantisch gestegen gasprijzen dwingen ons eindelijk eens wat zuiniger met energie om te gaan. Het goede nieuws is dat het helemaal niet zo moeilijk is om gas te besparen en het is nog goed voor het klimaat ook. Een paar graden lagere kamertemperatuur doet wonderen. Zelf gebruikten wij in oktober de helft van vorig jaar oktober, niet alleen doordat het een zachte oktober was, maar ook omdat we de thermostaat op 18 gezet hebben. Wij zijn niet de enigen.

20 graden kamertemperatuur: burgerrecht?

Heel Nederland is tientallen procent minder gaan gebruiken. Wat dat betreft mogen we Poetin een heel klein beetje dankbaar zijn. Hoge gasprijzen zijn een voorwaarde voor klimaatvriendelijk gebruik. Ongemerkt zijn wij de laatste decennia zo gewend geraakt aan kamertemperaturen van minimaal 20 graden dat het lijkt of dit een soort burgerrecht is: in de winter is het binnenshuis 20 graden. Onzin natuurlijk. Het heeft even zo geleken, maar het is vroeger meestal anders geweest en het is niet gegarandeerd in de toekomst. In ieder geval is de tijd van goedkoop gas – de hoofdoorzaak van de massale energieverspilling – voorbij, iets eerder dan we hadden voorzien.

De kolentijd

Tot de ontdekking van grote gasvoorraden in Nederland stookte bijna iedereen op kolen. Een enkele welgestelde burger had een olietank in de tuin ingegraven en had een centrale verwarming op oliestook. Het gros van de bevolking had een kolenkachel in de woonkamer en misschien nog een tweede kachel in de keuken of nog een derde in de zitkamer. Bijna niemand verwarmde slaapkamers of gangen.

Een advertentie uit de Telegraaf van 1929 voor kachels naast een advertentie voor Jaeger ‘ondergoederen’
Groningen

In de vroege vijftiger jaren woonden wij in een bovenwoning in Groningen. We hadden daar een eenvoudige potkachel staan. In voorjaar van 1952 was het erg koud en mijn moeder vroeg zich af of ze het met de ingekochte voorraad kolen wel zouden redden. Ik citeer uit één van de zeldzame brieven van haar uit die tijd. Ze schreef aan haar zuster:

“Al heet het hier lente, toch giert er sinds enige dagen een ijskoude wind en heeft het vandaag de hele dag gesneeuwd en er ligt dan ook een dik pak sneeuw. Jij vindt dat misschien doodgewoon maar ons valt het bitter tegen, het voorjaar begon zo mooi, er was zelfs zo’n warme dag dat de kinderen al zonder jas buiten speelden, maar allen de volgende dag snipverkouden waren. Bovendien liggen er nog maar een paar kitjes kolen in het kolenhok terwijl onze begroting eigenlijk geen nieuwe kolenrekening toelaat.”

Ede

Toen wij in 1954 naar Ede verhuisden, kwam de Groningse kachel in de keuken te staan en voor de woonkamer werd een grote luxe Juncker & Ruh (zie plaatje) aangeschaft, prachtig roodbruin geëmailleerd met een hoog stookvermogen, nodig om bijna de hele benedenetage van warmte te voorzien. Of de kachel in de keuken altijd brandde, weet ik niet meer. Kolenkachels kan je natuurlijk niet snel even aan en uit zetten. Als het koud werd in oktober dan werd de kachel aangemaakt (met wat kranten of hout en petroleum) en in maart ging hij weer uit. ‘s Nachts gloeide de kachel een beetje door en in de ochtend werd de kachel weer opgerakeld en werd de asla geleegd.

Zo’n mooie Juncker & Ruh hadden wij. Nu tweedehands te koop.

Als jongen van rond 8 jaar mocht ik ‘s ochtends vroeg de kolenkit gaan vullen in het kolenhok. Of ik de kit in de kachel mocht legen, betwijfel ik. Het kolenhok werd aan het eind van de zomer of in de herfst weer bijgevuld. Ik herinner me dat we ‘nootjes 3’ of ‘nootjes 4’ antraciet bestelden. Dan kwamen er sterke mannen met zwarte handen en zwarte gezichten met zware zakken op hun rug de tuin in lopen. Kolen gingen per mud, 100 liter. Zo’n mud woog wel 50 kilo. Het regelen van de kachel ging met schuifjes die je open of dicht kon zetten en een onmisbaar hulpmiddel bij het onderhoud van het kolenvuur was een pook, die altijd bij de kachel hing. Kolenkachels hadden soms rare kuren, waarvan het spontaan ‘ploffen’ een bekende was. Kolendampvergiftiging was minder onschuldig. In onze zitkamer stond vanaf een bepaald moment een petroleumkachel.

Zestig graden

Merkwaardig genoeg rekenden wij thuis de temperatuur in graden Fahrenheit. Dat was al lang niet meer gebruikelijk. Toen de ‘meester’ op school vroeg hoe warm het bij ons thuis was, stak ik meteen mijn vinger omhoog en zei ‘zestig en soms wel een zeventig’. Er volgde een lachsalvo. Inderdaad was zestig onze norm voor de verwarming overdag. Dat is 15½ graad. Daarmee zijn weinig mensen tegenwoordig tevreden. Toch zijn wij niet van de kou omgekomen. Wel droegen wij vaak dikke truien. Als we ‘s avonds gezellig in de enige verwarmde kamer zaten naar de radio te luisteren, kon het wel eens bijna 70 graden (21 graden Celsius) worden, maar dat was een hoge uitzondering en dan zaten we te puffen van de hitte.

Aan het gas

In 1959 werd een gigantische gasvoorraad in Slochteren gevonden. Het duurde nog geen tien jaar voordat iedereen op aardgas was overgestapt. Het gasnet werd gemoderniseerd en uitgebouwd. Alle tot dan nog op stadsgas werkende toestellen werden gratis omgebouwd. In 1960 verhuisden wij van ons grote vrijstaande huis op de Arnhemse weg naar een rijtjeshuis op de Nieuwe Kazernelaan. Of wij in het grote huis al aardgas hadden, weet ik niet. Wel herinner ik mij dat er ‘meneren’ kwamen om ons ETNA gasfornuis om te bouwen, dat wil zeggen om andere branders te plaatsen. Op oudejaarsavond 1963 zat heel Nederland (wij ook) aan de radio gekluisterd om naar Wim Kan te luisteren. Zijn conference heette toen “12 miljoen oliebollen op aardgas“.

Onze kat gerieflijk bij de gashaard (1967)

Misschien heeft de kolenkachel er nog even gestaan, maar in ieder geval kregen wij op de Nieuwe Kazernelaan al snel een moderne gaskachel in de woonkamer. De petroleumkachel kreeg een plaatsje op Augusts kamer. Naast die kachel stond een vat met petroleum dat je af en toe moest bijvullen uit een groot vat dat buiten bij de keuken stond. Niet veel later kregen Huibert en ik een op aardgas werkende gevelkachel, een kachel zonder schoorsteen aangesloten op een gat in de gevel. Toch herinner ik mij dat we, als het koud was, met z’n drieën (Huibert, Hanneke en ik) in de woonkamer huiswerk zaten te maken, één aan de secretaire van mijn moeder en twee aan de eettafel. August zat boven bij zijn petroleumkachel. Centrale verwarming hebben wij nooit gehad.

En nu?

Dit is zo’n vijfenvijftig jaar geleden. Aan al die nostalgie naar gezellige kolenkachels en ijskoude kamers hebben we natuurlijk nu niet veel. Maar misschien is het toch goed om eraan herinnerd te worden dat wij niet van de kou zijn doodgegaan bij onze zestig graden (15½ graad Celsius). Een verlaging van de kamertemperatuur van een paar graden is een gigantische bijdrage aan energiebesparing. Een overheid die serieus inzet op duurzaamheid en niet afhankelijk wil zijn van Poetins en Oliesjeiks moet niet in de eerste plaats energierekeningen gaan subsidiëren maar toch eens gaan nadenken over de verlaging van BTW op dikke truien en het aanbieden van gratis breicursussen. Een woonkamer hoeft natuurlijk niet heel warm te zijn zolang de bewoners het maar warm hebben.

__________

De morgenster – de Openbaring van Knausgård

Van Fossum naar Knausgård

Lezen in de regen
de 55 Noorse boeken die ik vóór Knausgård las

Tijdens regenachtige vakanties in het Noorden van Noorwegen verslond ik jaren geleden al de ene na de andere detective van onder meer Karin Fossum en Jo Nesbø. Ik vond het leuk om Noors te lezen, een taal met een simpele grammatica en woorden die je bijna altijd wel kent uit het Nederlands, Engels of Duits. Ik wist toen nog niet dan mijn zoon jaren later in Noorwegen zou gaan wonen. Nog leuker dan de detectives vond ik de boeken van Lars Saabye Christensen. Die stugge Skandinaviërs bleken wel degelijk een gevoel voor humor te hebben, ontdekte ik.

Min Kamp
zes dikke delen …

De grootste ontdekking daarna was het boek met de provocerende titel ‘Min Kamp’ van Karl-Ove Knausgård. Dat wil zeggen de serie van zes dikke boeken met die naam, waarvan het dunste deel 500 pagina’s telde en het dikste, het laatste, deel meer dan 1000. Het boek bevat een uiterst gedetailleerde weergave van zijn eigen leven. Het eerste deel bijvoorbeeld beschrijft alleen maar hoe hij de begrafenis van zijn vader voorbereidt, maar aan de begrafenis komt hij in dit deel niet toe. Toch worden de boeken nergens saai. Hij heeft zijn ervaringen met familie en vrienden zo gedetailleerd beschreven dat hij er wel een aantal rechtszaken aan over heeft gehouden. Zijn ervaringen als hulpleraar ergens in het Noorden van Noorwegen zijn uiterst vermakelijk. Als hij later in zijn leven naar Zweden verhuist, schetst hij een vernietigend beeld van het oppervlakkige en onoprechte gedrag van de mensen in allerlei omstandigheden . Als lezer erger je je aan (en lach je je dood om) de domheid van die sociaal en politiek hyper-correcte gesprekken. Maar het is onmogelijk om die rond vierduizend pagina’s samen te vatten.

Morgenstjernen

Een nieuwe Knausgård!

Voor mijn 72e verjaardag kreeg ik van mijn zoon, die inmiddels veel beter Noors spreekt dan ik ooit zal kunnen, het toen nieuwste boek van Knausgård, die nog na ‘Min Kamp’ had beloofd nooit meer een boek te schrijven. Hij deed het gelukkig wel en het boek ‘Morgenstjernen’ (De morgenster) is zeker niet minder boeiend dan ‘Min Kamp’. Het bestaat weer uit een groot aantal verhalen in de ik-persoon, maar nu vanuit het gezichtspunt van een groot aantal mensen in de stad Bergen. Tussen aantal mensen bestaan onderlinge relaties: getrouwde stellen, exen, vrienden of via een derde persoon. Alle verhalen zijn weer even boeiend, humoristisch of beklemmend als de verhalen in ‘Min Kamp’. Met microscopische precisie ontleedt Knausgård gedachten, emoties, handelingen, leugens, misverstanden en blunders. Als later een historicus zou willen weten hoe wij rond het jaar 2020 leefden, hoeft hij alleen maar deze verhalen te lezen. Dan zal hij niet alleen zien hoe wij voortdurend via tekstberichten op onze telefoon communiceren, maar ook hoe afwasmachines werken, hoe wij koffie zetten, hoe we per app een taxi bestellen, hoe gescheiden mensen met elkaar en hun kinderen omgaan, en hoe het er in de horeca aan toe gaat. Alleen al deze verzameling verhalen in de ik-persoon maakt het een ijzersterk boek, maar er is meer.

De dood die wegvlucht

Het verbindende element tussen alle verhalen is het verschijnen van een nieuwe ster, een heel heldere ster. Het boek beschrijft allerlei vreemde gebeurtenissen in de eerste twee dagen nadat deze ster verschenen is vanuit het gezichtspunt van verschillende mensen. Niet alleen is het ongewoon heet in de stad Bergen, ook maken de mensen de meest vreemde dingen mee: gestorven mensen lopen weer rond, een hersendode man ontwaakt, bij een uiterst ernstig busongeluk met veel zeer zwaar gewonden komt niemand om het leven. Deze gebeurtenissen lijken te refereren aan de Bijbeltekst die voorin het boek is afgedrukt: “En in die dagen zullen de mensen de dood zoeken maar die niet vinden. En zij zullen ernaar verlangen te sterven, maar de dood zal van hen wegvluchten.” (Openbaring 9: 6). De verschrikkingen in de Openbaring van Johannes zijn zo afgrijselijk dat zelfs de dood wegvlucht. Er is geen enkele uitweg meer uit het lijden meer.

Hallucinaties?

Wat precies de achtergrond is van die visioenen van Johannes, weten we niet, maar het ligt voor de hand om aan een reeks hallucinaties te denken. Ook de absurde belevenissen van de personen in dit boek hebben veel weg van hallucinaties. Er komen nogal wat ontmoetingen met vreemde dieren met mensenkoppen of mensen met dierenkoppen voor. Ook zijn er plagen van vogels, vissen, schaaldieren en insecten die in de Openbaring niet zouden misstaan, evenals de vuren die op veel plaatsen onverklaarbaar branden en de angstaanjagende geluiden van kraaien en andere vogels. Af en toe waan je je in een schilderij van Jeroen Bosch. Maar gebeurt het werkelijk of zijn het hallucinaties? De mensen in het boek twijfelen er zelf ook aan. Soms denken ze: “ik was gewoon overspannen”, “het is mijn lage bloeddruk” of “ik heb het gedroomd”.

Het onverklaarbare verklaren

Twee hoofdpersonen in dit boek, Arne en Egil vertegenwoordigen tegenpolen hier. Arne probeert het te begrijpen: de morgenster is een wetenschappelijk verklaarbare super nova; Egil duikt in Bijbelteksten, Oudgriekse literatuur, Egyptische opvattingen over de dood en zelfs prehistorische voorwerpen.  Arne probeert rationele verklaringen te vinden voor alles wat er gebeurt, maar lijkt toch te moeten accepteren dat er onverklaarbare dingen aan de hand zijn. Zijn psychotische vrouw Tove blijkt een schilderij van de nieuwe ster gemaakt te hebben een aantal dagen voordat die verscheen. Of heeft hij te veel in dat schilderij willen zien?

Een interessante persoon in het boek is Helge, die niets ziet in natuurwetenschappelijke verklaringen omdat hij niet in natuurwetten gelooft: “De zwaartekracht. … Die is nooit gegeven geweest. Het is een manier geweest waarop de materie zich begon te gedragen. Toen werd het een gewoonte en na miljarden jaren is die gewoonte zo moeilijk om te keren dat we denken dat het een eeuwige wet is.”

Teken van God of de Duivel

Maar wat is nu die morgenster? Egil, een vriend van Arne, laat allerlei mogelijke interpretaties vanuit onder meer de Bijbel zien. Die morgenster is dubbelzinnig. In het oude testament bij Jesaja (Hoe bent u uit de hemel gevallen, morgenster, zoon van de dageraad! / U ligt geveld op de aarde, overwinnaar over de heidenvolken! / En ú zei in uw hart: Ik zal opstijgen naar de hemel; tot boven Gods sterren zal ik mijn troon verheffen, ik zal zetelen op de berg van de ontmoeting aan de noordzijde. Ik zal opstijgen boven de wolkenhoogten / ik zal mij gelijkstellen met de Allerhoogste./ Echter, u bent in het rijk van de dood neergestort, in het diepst van de kuil! Jesaja 14: 12-15) is het een teken van de duivel, maar in het nieuwe testament komen we die ster weer tegen als een teken van God: “Ik, Jezus, … …. ben … de blinkende Morgenster” (Openbaring 22: 16).

In het hele boek komen wij er niet achter wat die morgenster precies is. Alle verklaringen blijven mogelijk. Wij weten niet wat echt gebeurd is, wat fantasieën zijn en wat hallucinaties. Hij hangt echter als een dreiging boven alle verhalen. Wij zijn dus geneigd hem eerder als een teken van de duivel dan van God te zien. Omdat het zo ongewoon warm is die dagen, kan je denken aan de ondergang van de wereld door een klimaatramp, maar dat dat staat nergens. Het boek zou even goed kunnen gaan over de ondergang van de mens, die steeds meer geneigd lijkt rationele verklaringen in te ruilen voor bijgeloof.

Een gruwelijke moordzaak

Er is behalve die vreemde ster toch nog een tweede verbindend element tussen verschillende personen en verschillende verhalen, een belangrijke moordzaak. Drie leden van een extreemrechtse hard-metal band, “Satanisten”, worden op gruwelijke wijze om het leven gebracht. Nummer 4, de drummer Jesper is zoek. Hier komen verschillende hoofdpersonen van het boek samen, die elk hun eigen relaties met deze jongeren hebben gehad in het verleden. Het lijkt wel of het boek zich in de richting van een detective ontwikkelt. Jesper komen we, duidelijk op de vlucht, tegen in drie verhalen. Egil, die in het verleden eens een film heeft gemaakt over deze ‘Satanisten’, probeert met Jesper contact op te nemen, wat niet lukt. De ervaren misdaadjournalist Jostein, die bij de plaatselijk krant na een schandaal veroordeeld is tot het vullen van een kunstrubriek, ziet zijn kans schoon om de ‘zaak van de eeuw’ te verslaan.

Geen oplossing, wel een visioen

Josteins plannen worden ruw doorkruist door de zelfmoord van zijn zoon en als hij op weg is naar zijn vrouw raakt hij ook nog in coma. In coma krijgt hij visioenen (waarin hij ook zijn zoon ontmoet), die zo uit de Openbaring van Johannes lijken te komen en wellicht ook op concrete passages daaruit gebaseerd zijn. Als hij twee weken later daaruit ontwaakt, wil hij meteen door met zijn ‘zaak van de eeuw’, maar, zeggen de mensen tegen hem: “Er is deze twee weken zoveel gebeurd dat er bijna niemand meer is die zich om deze zaak druk maakt.” Aan het eind van het boek weten we vrijwel niets over de moordzaak. En wat er die twee weken is gebeurd, weten we ook niet.

Toch een echte Knausgård

De filosofische basis van het boek wordt het meest uitgebreid beschreven in het essay van Egil, het slothoofdstuk van het boek. Toch houdt Knausgård nog een gezonde afstand tot die ideeën. Als Arne in één van de laatste hoofdstukken op zoek is naar Egil en zijn zoon, maar alleen een leeg huis aantreft, vindt hij daar het manuscript van Egils essay. Hij leest een paar regels en denkt dan: “Hier zat dan het rijkeluiszoontje in zijn eentje in zijn hut en dacht dat hij een filosoof was!”. Toen ik dit las, was ik opgelucht. Het boek had kunnen ontaarden in een moralistisch betoog over de ondergang van de wereld of in een platvloerse detective. Geen van beide is gebeurd. Het bleef een echte Knausgård.

En nu?

Op mijn bureau ligt, als laatste verjaarscadeau van mijn zoon, het volgende boek van Knausgård: Ulvene fra Evighetens Skog (de wolven uit het bos der eeuwigheid). Ik ben benieuwd.

Literatuurverwijzingen

het besproken boek:
Karl Ove Knausgård, Morgenstjernen, Forlaget Oktober, 2021

Bovendien:

Karl Ove Knausgård, Min Kamp, Bøker 1-6, Forlaget Oktober, 2010-2011

Lars Saabye Christensen, Beatles, Capellens Forlag 1984
Lars Saabye Christensen, Halvbroren , Capellens Forlag 2001
Lars Saabye Christensen, Bisettelsen, Capellens Forlag 2008
Lars Saabye Christensen, Sluk, Capellen Damm, 2012

De Nederlandse Bijbelteksten

De herziene statenvertaling op https://herzienestatenvertaling.nl/ en de Nieuwe Bijbelvertaling op https://debijbel.nl/

_____

 

 

Liegen voor de gezelligheid – bij mijn laatste publicatie

Liegen voor de gezelligheid

Hoe oud mijn zoon was, weet ik niet meer. Maar op een zeker moment in zijn opvoeding moesten wij hem uitleggen dat het uiten van de ongefilterde waarheid niet altijd wenselijk is. Soms zeg je bepaalde dingen gewoon niet en soms maak je ze een beetje mooier dan ze eigenlijk zijn. Soms geef je mensen een blijk van waardering voor dingen die je zelf nooit zo gedaan zou hebben. Hans moest hier even over nadenken, maar toen snapte hij het heel goed. Hij vatte onze adviezen samen als “Soms moet je liegen voor de gezelligheid”. Nu is liegen misschien niet wat je meteen zou aanbevelen, maar de waarheid voorzichtig doseren en vervelende zaken niet te veel benoemen, dat zijn principes die een stuk minder ellende veroorzaken dan alles recht voor zijn raap uitspreken. Dat snapte hij erg goed.

Gezelligheid in de politiek

De politiek kan niet zonder het principe van de gezellige leugen. Anders zou het een zootje worden. Veel feiten verdwijnen onder de tafel of zijn onzichtbaar tussen de regels van beleidsteksten. Grove leugens zijn natuurlijk niet aan te bevelen, maar redeneringen op basis van selectief of verouderd feitenmateriaal en sterk vereenvoudigde theorieën en argumentaties, daar kom je in de politiek natuurlijk niet omheen.

Hans Rosling liet in zijn lezingen en in zijn boek ‘Factfulness’ zien hoe volksstammen politici en beleidsmakers (vaak niet eens bewust) systematisch van volkomen verkeerde, vaak totaal verouderde feiten uitgaan. Vooroordelen worden niet zelden als feiten gepresenteerd. Dan wordt het soms toch nodig om tegen de gezelligheid in te gaan en vraagtekens bij feiten en redeneringen te gaan zetten.

Toolbox voor leugenconstructie

Politici en hun adviseurs willen graag aantrekkelijke perspectieven ontwikkelen. Een van de mooie mogelijkheden hiertoe biedt het verkeerd gebruik van simpele fysica, die toch niet zo simpel is als mensen denken. De thermodynamica, de leer van warmte, energie  en arbeid, is, mits fout toegepast, een perfecte ‘toolbox’ voor het construeren van aantrekkelijke leugens. De wet van behoud van energie zegt dat energie in een gesloten systeem niet verloren kan gaan. Niet veel anders is de wet van behoud van materie: in een gesloten systeem gaat geen materie verloren. Oppervlakkig gezien gaat er dus niets verloren, maar wie dat denkt, vergeet de tweede hoofdwet van de thermodynamica, die op allerlei manieren geformuleerd kan worden.

De eenvoudigste formulering van de tweede hoofdwet is dat energie spontaan altijd van warm naar koud en nooit omgekeerd stroomt. Als ik twee gelijke vaten met verschillende temperaturen met elkaar verbind, dan ontstaat er een gecombineerd vat met de gemiddelde temperatuur. Een andere consequentie van die zelfde wet: als ik een fles rode wijn en een fles witte wijn bij elkaar gooi, dan houd ik een roze wijn over. Spontaan zal het vat van de gemiddelde temperatuur nooit in de uitgangstoestand terugkomen, spontaan zal de wijn zich niet meer scheiden en rood en wit. De thermodynamica heeft het over de entropie die in een gesloten systeem wel kan toenemen, maar nooit kan afnemen. Wil je de entropie weer laten afnemen, dan moet er aan het systeem energie worden toegevoegd. Hoe meer verschillende stoffen gemengd zijn, hoe meer energie heb ik nodig om de stoffen weer zuiver  te krijgen.

Recycling uit afval is een energie-intensieve  business, waarbij de thermodynamisch berekende energie altijd een theoretische ondergrens is. In de praktijk kan recycling nog veel meer energie kosten en het is maar de vraag of er voldoende duurzaam opgewekte energie beschikbaar is.

Circulaire kletskoek

Wie echter een aantrekkelijk verhaal voor politici wil presenteren, vergeet even dit moeilijke verhaal en doet, volkomen ten onrechte, alsof afvalstromen gemakkelijke grondstoffen zijn. Een ingewikkeld mengsel van organische stoffen en allerlei soorten metalen: gewoon even recyclen dan hebben we al die stoffen weer. Je hoeft niet meer dan middelbare-schoolkennis van scheikunde en natuurkunde te hebben om in te zien dat dit onzin is. Maar het is zo’n aantrekkelijk verhaal! Grondleggers van de ‘circulaire economie’ kletsen de politiek omver met kreten als ‘waste is food’ en de politiek slikt het. De leugen is te gezellig om door te prikken, maar ooit zullen we er achter komen dat het een leugen is.

Toen ik in de jaren 1980 samen met een gepensioneerd medewerker van het Centraal Bureau voor de Statistiek een eenvoudig verhaaltje hierover wilde schrijven in een economisch tijdschrift werd dit geweigerd. Het ging te zeer in tegen de ideeën van toentertijd belangrijke economieprofessoren. Toen we het dan maar in het Chemisch Weekblad plaatsten, zeiden de mensen: “maar dit is toch niets nieuws, dit weet iedere tweedejaars student scheikunde al!”

Nog eens doorprikken na 50 jaar

Toen mij iets meer dan een jaar geleden gevraagd werd iets over de ‘onmogelijkheid van de circulaire economie’ in een boek te schrijven, was ik niet meteen enthousiast. Waarom weer gewichtig doen met kennis onder het niveau van een bachelor-chemiestudie? Ik had nog een wat langer verhaal liggen, dat ik niet gepubliceerd had omdat het thema me begon te vervelen.  Ik stuurde dit maar naar de verantwoordelijke redacteur, die enthousiast reageerde: “Dit is precies wat we nodig hebben!” Ik heb me laten ompraten en na een paar dagen werk stuurde ik een verkorte versie van mijn zes jaar oude verhaal in. Het duurde nog anderhalf jaar voordat het als eerste hoofdstuk in dit nieuwe boek gepubliceerd werd . Ik geloof dat het een goed verhaal is, maar het zou overbodig moeten zijn.  Het artikel begint met citaten uit de jaren 1970. De belangrijkste referentie is het boek van Georgescu-Roegen uit 1971, The Entropy Law and the Economic Process. Met dat boek was alles eigenlijk al gezegd. Hieraan is niets toe te voegen. Het is triest dat ik meer dan vijftig jaar later weer een ongezellig hoofdstuk heb moeten schrijven om gezellige fantasieën als circulaire economie naar het rijk der fabelen te verwijzen.

Meer over dit onderwerp

Circulair geleuter (2016)

Natuurwetten democratisch afschaffen (2016)

Energie en Entropie (2022)

____

Literatuur

J.H.C. Lisman, R. de Man, Oneigenlijk gebruik van het woord entropie , Chemisch Magazine, September 1981.

R. de Man, The Forbidden Question, ongepubliceerd essay, te downloaden van mijn website, September 2015.

R. de Man, Circularity Dreams – Denying Physical Realities, in: The Impossibilities of the Circular Economy,  Routledge, November 2022, te downloaden van deze site

Hans Rosling, Factfulness: ten reasons we’re wrong about the world – and why things are better than you think, Stockholm 2018.

Campinghaan en wulpenslurf

Watervogeltelling

April doet wat-ie wil. Dit jaar op 2 april temperaturen rond het vriespunt en ijskoude wind uit het Noorden. Daar staan we dan weer, bibberend van kou in de Hollandse natuur naast de snelweg vogels te tellen, Ron, Ellen en ik. De tijd dat honderden wulpen hier komen slapen is voorbij. Wel zijn er behoorlijk veel grutto’s, scholeksters en tureluurs. Er blijken behoorlijk veel kemphanen tussen de tureluurs te zitten. De vogels in de grote plas zijn vrij snel geteld en we gaan een stukje verder bij de molen tellen. Daar ziet Ron een groep kemphanen, maar als hij nog een keer kijkt, zijn ze bijna allemaal weg. Ze zitten waarschijnlijk onzichtbaar achter een rietkraag verscholen. We blijven even wachten om te zien of ze terugkomen.

grutto’s, tureluurs, kemphanen (Munnikenpolder 2-4-2022)
Campinghanen
kemphaan en tureluur

Dan komen er twee pubermeisjes aan fietsen. Onze statieven met telescoop en camera staan op het fietspad. Zij lijken oppervlakkig geïnteresseerd in onze activiteiten:  “Zijn jullie naar vogels aan het kijken? Wat zien jullie dan?”.  Ron gaat er serieus op in: “wij kijken hier naar allerlei watervogels zoals grutto’s, scholeksters en kemphanen.” Ik krijg niet de indruk dat ze echt luisteren naar wat Ron zegt. Toch komt één van de meisjes terug op wat Ron zegt: “Waar zitten die campinghanen dan precies?”. Wij corrigeren: “geen campinghanen, maar kemphanen!”. Ze horen het niet. Het andere meisje vraagt iets als “hoe zien die campinghanen er dan uit?”. Wij corrigeren nog eens, maar het helpt niet.

Wulpenslurf

De aandachtsspanne van dit soort kinderen is in de regel niet langer dan 15 seconden. Plotseling zijn ze meer geïnteresseerd in mijn camera met telelens. Ik wil best iets laten zien en kies een foto van een wulp, die ik net geschoten heb. Ik denk het didactisch verantwoord aan te pakken en vraag “Wat voor bijzonders zie je aan deze vogel?”. Eén van de meisjes kijkt toch wel goed. Dit blijkt uit haar originele antwoord: “Ja, ik zie het, die vogel heeft een hele lange slurf!”. “Goed gezien, maar ik zou het een snavel noemen”. Ik zeg nog iets over de naar beneden gebogen vorm van die wulpenslurf en Ron mompelt iets als “Een wulp wijst  naar zijn gulp”, maar de dames staan alweer op punt weg te rijden. Ze roepen “een fijne avond nog!” en even later horen we ze een paar honderd meter verderop luid lachen. Het zal wel niet over vogels gegaan zijn.

wulpen en grutto’s bij de Munnikenpolder (2-4-2022)

____

Over een eerdere slaapplaatsentelling in de Munnikenpolder, zie deze blog.

Nous avons la démocratie

Op weg naar Abomey

In augustus 2005 was ik voor het eerst in Afrika. Samen met mijn collega Peter Ton onderzocht ik de mogelijkheden voor duurzame Afrikaanse katoen. Na een reeks gesprekken met mensen uit de katoenwereld en vertegenwoordigers van de plaatselijke overheid was het tijd voor een uitstapje. Ik charterde een chauffeur, die mij naar Abomey zou rijden. Onze Mercedes ging onderweg kapot. Auto’s van dit merk zijn in Benin erg goedkoop, omdat er geen onderdelen voor te krijgen zijn. Iedereen rijdt in Franse merken.

Na diverse bezoekjes aan garages (die meer op autosloperijen leken, gezien de kwaliteit auto’s die je daar aantrof), ging ik eerst naar het plaatselijke historische monument, het paleis van een koning, die de muren had laten metselen met specie aangelengd met bloed van zijn onderdanen. Dan zouden ze extra stevig worden. Blijkbaar hadden ze voor gruwelijke wreedheden de blanken nog niet nodig.

Mijn eerste chauffeur bij het paleis in Abomey

Terwijl ik het paleis bezichtigde, lag mijn chauffeur op een matje met zijn gezicht naar Mekka te bidden. Toen ik terugkwam, zei hij: “Ik heb tot God gebeden, om mij te helpen de auto te repareren”. Ik vroeg toen bot: “Wat heeft God dan teruggezegd?”. “Dieu, il n’a dit rien”, kwam er wat triest uit.

Chaos in Afrika

Hij regelde voor mij een collega in een roestige Peugeot, die mij terug zou rijden naar Cotonou. Hoe en wanneer mijn oorspronkelijke chauffeur weer thuis gekomen is, weet ik niet. Met mijn nieuwe chauffeur had ik leuke gesprekken. Ik vroeg geïnteresseerd welke dieren er nog in dat land voorkwamen. “Leeuwen en olifanten zijn hier niet meer”, zei hij, geloof ik. “Maar bij u zijn toch ijsberen? Ik heb ze op de televisie gezien!”. Ik moest hem teleurstellen.

Tanken met de Peugeot (illegale benzine)

Naarmate we Cotonou naderden, werd het verkeer drukker en chaotischer. Op de grote weg van Ouidah werd het onvoorstelbaar druk. Het is de doorgaande weg van Accra in Ghana via Lomé in Togo naar Lagos in Nigeria. Het was zo druk dat veel auto’s zich een weg baanden naast de weg, gedeeltelijk tussen de vele marktkraampjes door. Honderden stinkende motorfietsen, rokende vrachtwagens en krakkemikkige personenwagens deden uren over de laatste 30 kilometer naar de hoofdstad van Bénin. Op een bepaald moment zei ik tegen mijn chauffeur: “In Nederland zou zo’n chaos ondenkbaar zijn. Daar zouden veel chauffeurs van al die links rijdende en zich tussen de marktkramen een weg zoekende auto’s al een bekeuring gekregen hebben. Hij keek mij lachend aan en zei “Dat was vroeger hier ook zo! Toen hadden we nog een krachtige regering. Mais maintenant nous avons la démocratie! La démocratie, c’est comme-ça!”.

Corona in Nederland

De laatste tijd gaat het gesprek in Nederland tot vervelens toe over Corona, alsof er geen leukere dingen zijn om over te praten. Regelmatig komen de mensen met even radicale als eenvoudige oplossingen. Het gesprek zou zo kunnen gaan.

“Als ze nu gewoon vaccinatie verplicht stellen voor iedereen boven de 12 jaar en wettelijk regelen dat de verzekering niet uitkeert aan wie zich hier niet aan houdt en … “. Zestien jaar geleden leerde ik de enig juiste reactie: “Ja, dat zou best wel kunnen, maar we hebben hier een democratie!” Ik zal er wel aan toevoegen: “En daar ben ik meestal best blij om!”.

 

_______