Het eind van de D7100

Ik had er wel op gerekend dat mijn eerste serieuze digitale camera het een keer zou begeven na meer dan 100.000 sluiterbewegingen. Maar het was niet de sluiter die het begaf maar de software en de menu’s hielden er gewoon om onverklaarbare redenen mee op. Hij fotografeerde nog wel, maar je kon de foto’s niet bekijken op het toestel. Hij leek nu wel op een ouderwets fototoestel waarbij je de foto’s pas zag als ze van de fotowinkel kwamen. Hij heeft het 12½ jaar volgehouden. Had wel iets meer gekund, maar reparatie was niet meer de moeite waard. Hieronder een paar plaatjes van de verschillende jaren: 2014 op de eerste regel en 2026 op de laatste. Het zijn fotografisch niet allemaal hoogtepunten, maar ze geven wel een goede indruk van het leven in de laatste jaren. Ouders, die nog leven, vakanties in Schotland, Frankrijk en andere landen, het leven van onze kinderen en hun partners, corona-pandemie, vogels, libellen en last but not least de kleinkinderen in Noorwegen en Valkenburg.

De laatste foto uit deze camera is een versleten dagpauwoog, bijna net zo versleten als de camera zelf.

 

Het begin van de D7500

De tijd heeft niet stilgestaan. De D7500, die ik net al vervangende DX-camera heb gekocht, kan weer veel meer, heeft een kantelbaar scherm en kan draadloos foto’s overbrengen met snapbridge. Allemaal heel mooi, maar toch is een fototoestel meestal het minst belangrijke element van fotografie. Met mijn Nikon uit de late zestiger jaren kon je minstens even mooie foto’s maken en soms kan je met een heel eenvoudig mobieltje de mooiste foto’s maken. Ogen en hersenen zijn belangrijker dan camera’s.

De D7500 is eigenlijk alweer ouderwets. Binnenkort wordt er geen enkele spiegelreflex meer geproduceerd en zijn alle camera’s spiegelloos. Bij Nikon gaat het binnenkort alleen nog maar over de camera’s in de Z-serie. Wil je daar de beste resultaten mee bereiken, dan kan je er ook maar het best speciale lenzen met een Z-vatting bij kopen. Ik ben blij dat ik nog een aantal jaren met mijn grote lenzenverzameling kan fotograferen: op mijn D610 met vrijwel alle  lenzen sinds 1977, met of zonder eigen lensmotor. Op de D7500 bijna alle lenzen met of zonder eigen motor, met uitzondering van AI-lenzen. Gelukkig zijn al mijn oudere lenzen zijn AF-D-lenzen die prima met de D7500 samenwerken. Maar ik zal ze weinig gebruiken, want ik heb handigere lenzen: met eigen focusmotor en stabilisatie.  

Eén innovatie bij de D7500 gooit wat roet in het eten: het file-formaat voor NEF-bestanden is gewijzigd, zodat mijn oude LightRoom ze niet meer kan lezen. Even omzetten in DNG-bestanden lost het probleem op zodat ik geen duur Photoshop- en LightRoom-abonnement hoef te nemen  met al die toeters en bellen die ik vrijwel nooit zal gebruiken. 

_____

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een tragedie in de Provence

In de jaren zestig

In de eerste gymnasiumklassen van het Edese Marnix College haalde ik goede cijfers voor mijn lievelingstaal Frans. Maar van Mythologie begreep ik niets, vooral omdat ik dacht dat die te begrijpen zou zijn. Absurde verhalen over noodlot, wraak, bedrog, oorlog en incest pasten niet in mijn denkraam. Het gevolg was een onvoldoende voor mythologie en honderden guldens schade voor mijn moeder  die nu mijn schoolboeken moest betalen. Door mijn onvoldoende voldeed ik niet meer aan de voorwaarden voor een boekenbeurs.

Bijna 65 jaar later heb ik weer eens mijn goede beheersing van het Frans gecombineerd met mijn rampzalige gebrek aan mythologische kennis.

Met Magnan naar de Provence

Via Scrabble naar Magnan

Al zo’n vijftien jaar speel ik scrabble in het Frans met Hélène in Marseille. Ik heb haar ontmoet op de app Wordfeud, maar nog nooit gezien. Een paar jaar geleden vroeg ik haar welk Frans boek zij mij zou aanbevelen. Van haar moest ik een boek van Pierre Magnan lezen, volgens haar de ‘Brassens van de literatuur’. Het door haar gesuggereerde  ‘Les secrets de Laviolette’, drie wonderlijke verhalen uit het leven van Comissaire Laviolette,  zette  ik op mijn Kindle e-reader.  Ik vond het eerste raadselachtige verhaal (‘Le fanal’) prachtig, maar het meest genoot ik nog van het derde verhaal (‘L’Arbre’) dat in de ruige eenzaamheid en de harde samenleving van de hoge Provence speelt. Het is een schitterend verhaal waarin een mysterieuze grote eik centraal staat en waarin een zonderlinge man met een jachthoorn  een belangrijke rol speelt.

Ik merkte meteen dat het Frans van Magnan eens stuk moeilijker was dan ik gewend was bij bijvoorbeeld de detectives van Fred Vargas, die ik allemaal gelezen had. Magnan heeft een waanzinnig uitgebreide woordenschat en gebruikt ook veel verouderde woorden en uitdrukkingen. Toen ik  mijn scrabble-vriendin schreef dat dit nu niet bepaald literatuur was die je een buitenlander zou aanraden, gaf ze me gelijk: “Niet geschikt voor buitenlanders maar wel voor zo’n superintelligente buitenlander als jij”. Daarna las ik het boek extra gemotiveerd meteen uit. Niet veel later waagde ik me aan een echte Laviolette-detective: ‘La parme convient à Laviolette’, een prachtig verhaal over moord en doodslag in en tussen de dorpen hoog in de Provence. Centraal in dit verhaal staat de dood van een varkensslachter. 

De eerste Laviolette-roman

NB: de volgende tekst bevat belangrijke aanwijzingen over de plot van het boek.  

Echt niets voor mij

Onlangs dacht ik maar weer eens een Frans boek te gaan lezen. Ik bestelde een pocket-uitgave van het eerste boek waarmee Pierre Magnan en Laviolette beroemd zouden worden: ‘Le Sang des Atrides’ (Prix Quai d’Orfèvres, 1978). De titel had mij natuurlijk moeten waarschuwen. Ingewikkelde paralellen tussen een Grieks drama en een complexe detective-roman zijn natuurlijk niets voor mij. Ik ben er toch maar aan begonnen.

Moorden in de Provence met een Bretonse katapult

De eerste hoofdstukken kon ik lezen, als ik maar bijna twintig woorden per pagina opzocht om de eerste reeks moorden in de stad Digne te kunnen begrijpen. Jonge mannen zijn het slachtoffer. Geleidelijk komt Laviolette erachter dat ze met door water rondgeslepen stenen (‘galets’) uit de langs Digne stromende rivier, de Bléone, zijn vermoord, met een soort katapult. Als Laviolette toevallig op de TV ziet hoe in Bretagne iemand een ouderwetse katapult (‘lance-pierre’ of ‘fronde’) gebruikt om bij een uit de hand gelopen demonstratie een etalageruit in diggelen te schieten, gaat hij in Digne op zoek naar inwoners met een Bretonse achtergrond. Dan ontdekt hij dat bij alle slachtoffers spullen werden gevonden die bij de winkel van Irène de Térénez in Digne waren gekocht. Térénez is een Bretonse naam, maar Irène heette voor haar huwelijk Irène de Champclos. Dan begrijpt Laviolette dat de moorden met de Bretonse katapult met de oude Provençaalse familie De Champclos verbonden zijn.

De familie De Champclos – de Atriden van het boek

In de roman van Magnan zien we hoe Laviolette en de ‘juge’ Chabrand steeds meer te weten komen over deze oude aristocratische familie die, als de Atriden in de Griekse tragedie, tot ondergang gedoemd is. In een oud huis ergens op een hooggelegen plek in de stad woont de stokoude weduwe Adélaïde de Champclos. Zij is het onbetwistbare hoofd van de familie. Haar kleindochter Irène woont in ‘Popocatepetl’, een wonderlijk ooit door een uit Mexico teruggekeerde emigrant gebouwd huis, dat vol met rare ruimtes, gangen, zolders en andere merkwaardigheden zit. Er zit zelfs een klein theatertje in.

Tenslotte komen Laviolette en Chabrand erachter dat de dader Goulven Toussaint is, de onechte door de familie verstoten zoon van Balthazar de Champclos (de vader van Irène), de halfbroer van Irène dus.  Tijdens zijn moorden verkleedt Goulven zich als een schooljongen uit de jaren twintig. Dan ziet hij eruit als de jongen die vijftig jaar geleden door de familie De Champclos publiekelijk is bespot en vernederd. Goulven is als het ware in die tijd blijven steken. Hij wil zich wreken voor het onrecht dat hem toen door de familie is aangedaan. Hij is er, vijftig jaar later, op uit de familie De Champclos maximaal te beschadigen, onder meer door de jonge mannen te vermoorden die met zijn halfzus naar bed gaan. Ook iedereen die te veel weet van zijn moordtochten moet sterven. Zo vermoordt hij zijn grootmoeder Adelaïde omdat zij met de verrekijker vanuit haar hoge huis in Digne te veel gezien heeft.

Laviolette en de waarheid van Popocatepetl

Om achter de identiteit, de motieven en de methoden van de moordenaar te komen moest Laviolette begrijpen welke rol dat rare Mexicaanse huis ‘Popocatepetl’ speelde. Ik had de nodige problemen dit goed te begrijpen omdat ik een aantal technische details in het Frans niet begreep, vooral wanneer Magnan de ingenieuze constructies voor geavanceerd voyeurisme in het huis beschrijft: bijzondere spiegels waardoor je wel aan de achterkant kant kijken (een zogenaamde ‘judas’) en die beelden van een persoon in een andere ruimte projecteren dan waar  de persoon zich dan in werkelijkheid bevindt. Van deze constructies maakt Goulven uitgebreid gebruik om de gehate familie maximaal te verwarren en te intimideren.

Het verhaal wordt nog ingewikkelder als Magnan  Clémence (de invalide dochter van Irène), Marie-Aimée (die samen met Clémence het geheim van de spiegel ontdekt) en een dienstmeisje (dat een belangrijke schakel is in de communicatie binnen het huis) ten tonele voert. Deze personen leveren Laviolette alle informatie waarmee hij tenslotte de mysteries achter de tragedie kan begrijpen. Ik ga dat hier allemaal niet proberen samen te vatten. 

Niet alleen de spiegelconstructie is in deze roman een manier om mensen te bespieden. Ook de verrekijker die de oude weduwe De Champclos op de straten en huizen van Digne richt, heeft deze functie. De verrekijker als symbool van een oude aristocratische familie die iedereen in de gaten (en onder de duim!) houdt.

Het einde van de tragedie

Tegen het einde van het boek lezen we ook over de seksuele toenadering tussen de rechter Chabrand en Irène, zodat deze het volgende slachtoffer dreigt te worden. We zijn getuige van een tocht langs de rivier waarbij Goulven probeert de rechter met zijn steenwerper te vermoorden.

Toch sterft in de slotscène niet Chabrand, maar Goulven. Hij breekt na een val bij een brug over de rivier zijn rug en sterft. Daarmee eindigt de tragedie. 

Daarmee eindigde ook mijn literaire krachttoer, het ontcijferen van dit boek in onleesbaar moeilijk Frans en met een heel complexe structuur van meerdere lagen. Het is zo’n boek dat bijna over alles gaat. Het is een detective, maar ook een verhandeling over de wrede verhoudingen tussen aristocratie en gepeupel in een Franse provinciestad tot en met een vrije uitwerking van de Griekse Orestes-tragedie met zijn zware thema’s als bloedwraak en de onontkoombaarheid van het noodlot.  Toen ik mijn Scrabble-vriendin vertelde dat het mij toch min of meer gelukt was dit moeilijke maar mooie boek te doorgronden, maar daaraan toevoegde dat het wel hard werken geweest was, schreef zij in de Wordfeud-app: “Certes mais, quelle poésie !”

Goed in Frans – slecht in mythologie

Er zijn heel veel parallellen met de Griekse tragedie van Orestes. Goulven is Orestes, Adelaïde de Champclos is Klytaimnestra en Irène zou Elektra zijn. Ik heb het maar niet allemaal proberen te begrijpen. Er is niet veel veranderd in de laatste 65 jaar. Ik ben vrij goed in Frans, maar mythologie is nog steeds niet mijn sterkste vak.

De boeken

Pierre Magnan, Le Sang des Atrides, Gallimard 1977 (recente herdruk). Interessant is dat de Duitse vertaling de naam heeft “Das Zimmer hinter dem Spiegel” en zo meer refereert aan de concrete gebeurtenissen in het wonderlijke huis dan aan de abstracte mythologische achtergronden.

Pierre Magnan, Les Secrets de Laviolette, Denoël 1992 (trois novelles: Le Fanal, Guernica, L’Arbre), gelezen op Kindle.

Pierre Magnan, Le Parme convient à Laviolette,  Denoël 2000, herdruk Gallimard 2001, gelezen op Kindle.

Pierre Magnan, La Commissaire dans la Truffière, 1979, heruitgave Gallimard 1998 [ga ik binnenkort lezen]

Woordenboek

Om dit boek te kunnen lezen heb ik een heel handig verklarend woordenboek, een app op mijn telefoon gebruikt, met de eenvoudige naam Dictionnaire Français (Gratis, op Google Play Store te vinden en off-line te gebruiken). De teksten in deze app zijn gebaseerd op de app “wiktionary” die nog veel meer talen bevat. Het geeft niet alleen de betekenis van ontelbare Franse woorden, maar bevat referenties aan het gebruik ervan in de Franse literatuur. Bij het opzoeken van de door Magnan gebruikte verouderde woorden, vind ik veel referenties naar literatuur in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. 

 

Tijdrovende AI

Na het lezen van het boek miste ik wel hier en daar een schakel in het verhaal en ik wist niet van alle gebeurtenissen hun precieze betekenis. Op zoek naar antwoorden heb ik heel wat vragen aan Google AI gesteld. Verrassend snel kreeg ik complete in foutloos Nederlands gestelde antwoorden. Maar meer dan eens gedroeg Google zich als een leerling die maar wat zegt tijdens een proefwerk omdat hij het boek niet gelezen heeft. Zo plaatste hij de verkeerde mensen in de verkeerde huizen (Irène woonde opeens in het zelfde huis als haar grootmoeder), een dochter werd en onrechte als zuster aangeduid en het werd helemaal gek toen Laviolette opeens in het huis 'Popocatepetl' scheen te wonen. Wel leuk is dat AI dan zonder problemen zijn fouten erkent en je bedankt voor de correcties. Om de precieze familierelaties en de plaatsen van handeling uit te zoeken heeft AI me nauwelijks geholpen maar door foute antwoorden vooral in de war gebracht . Wel heb ik essentiële informatie over de bijzondere spiegel in het huis van Irène pas via Google AI kunnen vinden.

___

Het stekje van Oma

Ergens tussen 1968 en 1970 bezocht mijn in Zwitserland wonende vader zijn moeder in Den Haag Daarna kwam hij ook even bij mij in Utrecht langs. Ik woonde op de tweede etage van studentenflat Ina Boudier Bakkerlaan 41, afgekort IBB 41, eerst op kamer 358 en daarna op kamer 360. 

Waarschijnlijk kreeg ik van hem wat geld om mijn kamer wat gezelliger te maken. Hij had ook nog een ander cadeautje bij zich,  een stekje van de lidcactus van zijn moeder. Ik zette het een pot met voldoende grond en het bleek geen moeilijke plant. Mooi kan je die plant niet noemen, behalve in de zeldzame gevallen dat hij eens zo vriendelijk is te gaan bloeien.

Op een van de zeldzame foto’s van mijn kamer kan je zien dat er rond 1970 al een plant met bijna 25 ‘leden’ uit ontwikkeld was. Niet lang daarna verhuisde ik naar Groningen. Een flatgenoot reed mij en al mijn spullen in een personenauto naar het Noorden. De lidcactus zal wel een van de weinige planten zijn geweest die ik had meegenomen.

Groningen, Nieuwstraat rond 1973

In Groningen woonde ik eerst op een ongezellige studentenflat en daarna op een kamer in een klein huisje op de Nieuwstraat. Op een foto uit die tijd zie je niet alleen een mandoline aan de muur en een gezellig ronde tafel met daarop de Volkskrant maar ook de lidcactus van het stekje van mijn grootmoeder met daarnaast een gieter. Op een andere foto uit die tijd zit mijn piepjonge kat gezellig op tafel en er ligt een krop sla in een krant verpakt op een stoel. Op de tafel de lidcactus van Oma, nog steeds in de pot van piepschuim uit 1972.

In Groningen woonde ik nog op drie andere adressen voordat ik in 1978 naar de Breestraat in Leiden verhuisde. Op een foto uit 1983 is te zien dat mijn plant uit 1970 nog steeds kerngezond was. In Leiden verhuisde ik nog twee keer, eerst naar de Morssingel en toen naar de Rivierforel in de Merenwijk. De lidcactus verhuisde mee. Af en toe maakten we een stekje en soms hadden we meerdere exemplaren van deze oeroude plant. Het leek goed te gaan totdat in begin 2024 door algehele verwaarlozing de plant bijna op sterven lag.

Dat mijn Oma, geboren in 1894, al in 1991 overleed, daar was natuurlijk niets aan te doen, maar dat hoefde met haar plant natuurlijk niet te gebeuren. Ik sleepte zware hulptroepen aan: bodemaaltjes die zich aan de eieren van potgrondvliegjes te goed doen, nieuwe potgrond en nieuwe potten. Op de vloer van mijn kamer stond nu en lidcactuskwekerij met in elke pot armzalige stekjes van één of twee van de wegkwijnende plant overgebleven leden.

Het was spannend, maar na een paar weken tijd hadden zich al meerdere stekjes in de goede richting ontwikkeld. De plant zou ik wel weer terugkrijgen, maar mijn Oma bleef dood.

Met dit laatste was ik best blij, want ik herinner mij mijn Oma als een vervelend en ongezellig mens. Ik had, zoals iedereen, twee oma’s en allebei leefden ze nog in mijn studententijd, in de stad den Haag niet ver van elkaar. Mijn vervelende lidcactus-oma op de Laan van Meerdervoort in een voorname dure flat waarvan het enige leuke de lift was, maar daar mochten we niet mee spelen. Van deze oma mocht je eigenlijk niets en je kreeg nergens waardering voor. De andere oma, de lieve Oma, woonde niet ver daar vandaan op de Akeleistraat in zo’n piepklein bovenhuisje tegenover een garagebedrijf. Boven aan de stenen trap kwamen geloof ik op de overloop drie voordeuren van zulke kleine woningen uit. Als je de deur binnenkwam van onze lieve Oma dan rook het lekker en stonden er leuke en lekkere dingen voor ons klaar. Van deze Oma heb ik nooit een stekje gekregen, maar ze had best wat langer mogen leven.

Uit de dood herrezen (september 2025)

Inmiddels is de plant van mijn vervelende Oma weer in volle glorie hersteld. Zelf heb ik dit jaar (2025) de plant al 55 jaar in mijn bezit. Ik kan me voorstellen dat het origineel aan de Laan van Meerdervoort er indertijd al 20 jaar had gestaan. In dat geval is de plant nu minstens 75 jaar oud, bijna zo oud als ik. Misschien moet ik mijn kleinkinderen maar eens een stekje geven.

____

IJskoud in Noorwegen

De nieuwe Knausgård

Ik gebruik mijn blogsite regelmatig om op te scheppen over de duizenden pagina’s Noorse boeken die ik in het Noors gelezen heb en om mijn bewondering voor de schrijver Karl Ove Knausgård te laten blijken. Helaas kan ik dat nu niet doen. Ten eerste is het laatste boek van Knausgård maar 304 pagina’s dik. Ten tweede ben ik verre van enthousiast over dit werkje dat in sommige opzichten wel lijkt op de Morgenstjern-romans, maar toch wel een heel mager aftreksel daarvan.

Natuurlijk zien we ook hier de vreemde combinatie van superrealistische beschrijvingen (met een bijna irritante hoeveelheid details) met verwijzingen naar allerlei surrealistische gebeurtenissen en mystieke ervaringen (vaak niet duidelijk of het slechts hallucinaties zijn) op de achtergrond.

Een ijskoud verhaal

Het is in meerdere opzichten een ijskoud verhaal. De hoofdpersoon Syvert, de vader van de jongere Syvert, die we al uit de vorige romans kennen, heeft pech met zijn auto terwijl het 25 graden vriest. Er volgt een verhaal van omzwervingen (gedeeltelijk over het ijs) via een garage, een hotel, cafés en een eenzame kerk. Hij komt ook zijn oude jeugdvriendin Bodil tegen, bij wie hij tenslotte op bezoek gaat.

Het is niet de eerste keer dat ik een boek lees waarvan ik de hoofdpersoon onsympathiek vind. Maar na twintig pagina’s begon ik al danig de pest aan deze koude egoïst te krijgen. De relatie met zijn vrouw is heel knap beschreven. Je krijgt het er nog kouder van dan van de beschrijvingen van zijn wandelingen door de stad en zijn tocht over het ijs naar de kerk. De enige warmte lijkt nog in zijn liefde voor zijn kinderen te zitten. Syvert heeft van de buitenkant gezien een succesvol leven, goede baan, redelijk huwelijk, gezonde kinderen, maar hij voelt zich absoluut niet thuis in zijn leven.

Asja, alcohol en het dodenrijk

Zijn grote obsessie is zijn geheime relatie met Asja, een Russische vrouw, een relatie die geen enkel toekomstperspectief biedt. Ze hebben besloten er daarom een punt achter te zetten. Zijn beschrijvingen van deze zwaar neurotisch aandoende relatie – het boek is in de ik-persoon geschreven – zijn overdreven geïdealiseerd. Het lijken wel fantasieën van een achttienjarige, dacht ik toen ik het las. Terwijl wij over de bijna goddelijke kwaliteiten van Asja lezen, maken we steeds meer kennis met Syvert, een totaal onmogelijke, egoïstische kettingrokende zuiplap, die als het maar even kan een slok sterke drank neemt, ook als hij achter het stuur gaat zitten.

Regelmatig duiken in het boek weer de oude Morgenstjern-thema’s op. Het gaat dan met name om het schemergebied tussen onze wereld en het dodenrijk en het onverklaarbare verschijnsel dat mensen zich soms iets kunnen herinneren van iets dat nog niet gebeurd is en andere eigenaardige vervormingen van het menselijke tijdsperspectief. Syvert komt in een rare rituele bijeenkomst in het kerkje terecht waar mensen de zielen van hun gestorven familieleden en vrienden oproepen. Zelf gelooft hij eigenlijk niet in al die onzin en schrijft ergens dat ze in dat ritueel mensen hoop hebben gegeven waar geen hoop was (“Gitt dem håp der det ikke var håp.”). Toch probeert hij niet veel later in het boek zijn eigen doden op te roepen, wat niet lukt.

Der fliegende Holländer en een gezellig avondje

Op een slimme manier verbindt Knausgård de geschiedenis van Syvert met de reis van Wagner naar aanleiding waarvan hij de opera “Der fliegende Holländer” schreef. Ook hier zware thema’s van leven, dood en ware liefde.
Allemaal knap bedacht, maar ik denk in de eerste plaats aan halllucinaties van een alcoholist die zich weer eens klem gezopen heeft. Ik kan het allemaal niet serieus nemen.

Meesterlijk beschrijft Knausgård het gezellige avondje van Syvert en Evelyn die hun vrienden Kåre en Marit voor het avondeten hebben uitgenodigd. De leegte en kilte van de gesprekken doen niet onder voor topmomenten in Min Kamp, waar hij het sociale leven in Zweden genadeloos fileert. Tijdens dit avondje maakt Syvert zulke beledigende opmerkingen tegen zijn vrienden dat hij zich de volgende dag moet verontschuldigen. Zelf weet hij zich er niets meer van te herinneren.

Een telefoongesprek

Tenslotte komt Syvert terug op zijn besluit de relatie met Asja te beëindigen. Daarbij lijkt ook een opmerking van Bodil een rol te spelen: “Du må folge hjertet” (“Je moet je hart volgen”), luidt haar wel erg clichématige advies, gebaseerd op stoplappen zoals “je leeft maar één keer”. Hij belt Asja in Rusland op om zijn besluit mee te delen en dan eindigt het boek. Uit de eerdere boeken van Knausgård weten we twee dingen: ten eerste dat Asja van hem zwanger wordt en ten tweede dat Syvert later de rivier in rijdt en daar overlijdt. Ik had verwacht dat dat in dit boek zou gebeuren.

Samenvattend: zeker een boek met bekende Knausgård-kwaliteiten, maar over het geheel genomen niet overtuigend.

______________

Karl Ove Knausgård, Arendal, Forlaget Oktober 2024

Zie ook mijn andere stukjes over Knausgård:

https://blog2.rdeman.nl/de-morgenster-de-openbaring-van-knausgard/
https://blog2.rdeman.nl/de-ondergang-van-kristian-hadeland/
https://blog2.rdeman.nl/det-tredje-riket/
https://blog2.rdeman.nl/ulvene-fra-evighetens-skog/

_________

Praten met machines

Praten tegen de auto

We hebben een nieuwe auto, veel kleiner dan de vorige auto maar boordevol elektronica voor het hybride systeem, de bediening van de cruise control, de auto tussen de lijnen houden en remmen als er een botsing dreigt. Toen de de man van de garage vroeg naar onze ervaringen met die auto antwoordde ik: “Ik heb niet het gevoel dat we een auto gekocht hebben, maar een rijdende computer, waar toevallig ook nog een motor in zit.” Toen ik laatst met GPS-navigatie naar Amsterdam reed, verscheen wel de mooie kaart van de wegen ten Noorden van Leiden op mijn royale kleurenscherm, maar Google Maps bleef stil. De bekende vrouwenstem was niet te horen. Nu had vond ik het te gevaarlijk om op de snelweg door de verschillende computermenu’s heen te wandelen: dus maar zonder geluid deze keer, dacht ik, totdat ik op mijn scherm een microfoon-icoon zag staan. Ik drukte daar maar eens op. Mijn auto vroeg: “Waar kan ik je mee helpen?” . Ik schreeuwde: “Kan je het geluid van de navigatie aan zetten?”. Ik kreeg meteen antwoord van de vriendelijke Google-mevrouw: “In orde!”, zei ze of iets dergelijks. Meteen begon mijn auto weer te praten: “Neem bij het verkeerslicht één van de twee rechterbanen.” Fijn, dat was ook weer opgelost.

Grove taal

Prettig als je tegen machines kan praten, die dan, als een goed afgerichte hond, ook nog precies doen wat je ze zegt. Maar soms beginnen ze tegen jou te praten zonder dat je daar op zit te wachten. Iets als Google Assistent zei laatst opeens iets als: “Wil je dat ik een leuk restaurant voor je zoek?”. Ik riep volledig geïrriteerd: “Vreselijk teringwijf, hou je brutale bek! Ik heb je niets gevraagd!” Zij antwoordde vermanend: “Al ben ik dan een virtuele assistent, je mag geen grove taal tegen mij gebruiken!”

Hassi

Gisteren ging mijn telefoon. Ik vroeg me af wie mij op mijn ouderwetse vaste lijn wilde bellen. Ik hoorde: “Hallo, je spreekt met Hassi, de virtuele assistent …”. Ik liet Hassi zijn zin niet af maken. Ik vroeg me af of criminelen, op zoek naar persoonlijke gegevens om daarmee je bankrekening leeg te kunnen halen, nu al gebruik maken van dit soort technologie. De naam Hassi boezemde mij geen vertrouwen in. Na wat internet-onderzoek kwam ik erachter dat Hassi ingezet wordt door een bedrijf dat glasvezelaansluitingen aanlegt. Nu zijn er wel criminelen die beweren zulke aansluitingen te maken om dan je huis leeg te kunnen halen. Na wat controle  bleek dat het bedrijf legaal in opdracht KPN werkt. Ik belde Hassi terug en ik liet hem deze keer uitpraten. Zijn laatste vraag: “Kan je de door ons gemaakte afspraak bevestigen?”. Ik had geen zin in een gezellig gesprek. Ik moet er niet aan denken dat ze dit soort virtuele assistenten via AI leren praatjes over het weer en daarbij af en toe een grapje te maken. Ik beperkte mij tot een simpel “Ja”. 

_______