Wat zie ik?

 

Vrolijk consumeren

Op 28 juni maakte ik deze foto van de Leidse binnenstad, gonzend van vrolijke consumptie op tientallen terrassen. De zon scheen uitbundig en de plezierbootjes voeren over de Oude en de Nieuwe Rijn. Het geroezemoes van de terrasbevolking werd regelmatig overstemd door de doffe bastonen uit de luidsprekers op de vaartuigen. De foto is een getrouwe – geluidloze – weergave van dit moment. Er is niks mis mee. Hij is zelfs best goed: mooie rechte en kromme lijnen, mooi licht, mooie kleuren. Maar ik zie meer dan de camera. 

Rustig is mooier

Als ik dit beeld zie, denk ik er meteen aan, hoe mooi Leiden kan zijn als het er niet druk is, als de straten op een herfstige zondagochtend vrijwel leeg zijn: als ik geniet van de serene rust op het moment dat de winkels nog dicht zijn en de studenten hun roes nog aan het uitslapen zijn.

Wie zit hier niet?

Bij dit beeld denk ik ook aan al die mensen die hier niet zitten, die nauwelijks geld hebben om hun huur te betalen of een behoorlijke maaltijd op tafel te zetten, die  het wel uit hun hoofd laten om cappuccino’s of pilsjes van vier euro te gaan drinken in de zomerzon. 

Schijn bedriegt

Ik probeer me ook voor te stellen hoe wij over een jaar of tien naar dit beeld zullen kijken. In een sombere bui denk ik aan het volgende onderschrift: “Op deze foto zie je hoe we nog in 2024 uitbundig aan het consumeren waren. We waren nog blij dat we heelhuids door de Corona-tunnel waren gekomen en gaven daarna nog eens extra gas. Natuurlijk dachten we wel over de risico’s van politieke ontwikkelingen in Amerika, Rusland en Europa, maar we dronken onze ongerustheid weg met nog een paar dure pilsjes. Toch merkten  we dat het menens was toen Trump voor de tweede keer in het Witte Huis ging wonen, toen in heel Europa de rechtsradicalen de nationale regeringen gingen vormen en tenslotte de meerderheid in het Europese parlement kregen, toen de ondersteuning voor de Oekraïne tot nul terugliep en toen het duidelijk werd dat Poetin niet bij de Oekraïne zou stoppen. Het zag er nog zo vrolijk uit. Schijn bedriegt.”

Gewoon last van somberheid?

 

 

 

 

 

De ondergang van Kristian Hadeland

Karl Ove Knausgård, Nattskolen, Forlaget Oktober, 2023

Het moest er toch weer eens van komen. Laatst kocht ik op het vliegveld van Bergen (Noorwegen) het laatste boek van Knausgård. Met 485 pagina’s een van de dunste boeken die ik van hem gelezen heb. Het boek bestaat uit vier delen, waarvan het eerste het langste is. In dit deel zien we hoe de jonge fotografie-student  Kristian Hadeland (die Londen op een fotografie-opleiding zit) niet alleen worstelt met het vinden van vorm en inhoud van zijn fotografische ambities, maar ook van de manier waarop hij met zijn familie en vrienden omgaat. In die zin sluit het aan bij deel 5 van Min Kamp waar de jonge Knausgård na allerlei mislukkingen langzaam succes begint te krijgen als schrijver (zie ook hier).

Aan het begin van het boek is Kristian tijdens de kerstdagen voor de laatste keer bij zijn ouders in Noorwegen. We maken mee hoe zijn zus een zelfmoordpoging doet en hij besluit zijn ouders (omdat zij hem – niet ten onrechte – narcistisch genoemd hebben) nooit meer te willen zien. Terwijl zijn ouders nog in het ziekenhuis bij zijn zus zijn, reist hij zonder iets te zeggen terug naar Londen,  nadat hij nog een fotoserie van het lege huis (inclusief het zelfmoord-bed) heeft gemaakt.

Kristian heeft maar één ambitie, een topfotograaf worden. Tenslotte lukt hem dat door een combinatie van hard werken en een aantal toevalligheden. Voor zijn ambitie moet alles wijken. Het zou geen boek van Knausgård zijn als er niet ook heel duidelijke filosofische lijnen in zouden zitten.

Een van de belangrijkste lijnen wordt gegeven door de Faust-legende zoals uitgewerkt in het toneelstuk van Marlowe, een tijdsgenoot van Shakespeare. In het boek wordt dit toneelstuk uitgevoerd door een theatergroep, waarvan Kristian de regisseur en een aantal van haar naaste contacten leert kennen.  Dr. Faustus is een briljante individualistische wetenschapper, maar is niet tevreden met alle kennis die hij uit alle disciplines zoals logica, medicijnen en rechten kan vergaren. Om toegang te krijgen tot magische kennis en vaardigheden tekent hij in zijn eigen bloed een contract met Mephistopheles waarmee hij vierentwintig  jaar over onbeperkte kennis en succes zal beschikken in ruil voor zijn ziel. Als de vierentwintig jaar voorbij zijn, zal zijn ziel eeuwig in de hel branden. In het toneelstuk strijden duistere krachten tegen het goede en de duistere krachten winnen tenslotte.

Ook in dit laatste boek van Knausgård gaat het in de eerste plaats om die duistere krachten. In die zin is het een voortzetting van de Morgenstjern-triologie. Ook daar zagen we hoe duistere krachten het winnen, bijvoorbeeld in de verschrikkelijke passages over de rituele moord bij Svartediket, zonder dat wij precies begrijpen wat er aan de hand is. In het derde deel van deze trilogie denkt de detective Geir de duivel zelf te ontdekken op een video van de vermoorde leden van de hard-metal band. In het begin van Nattskolen gaat het over een van de eerste foto’s ter wereld, gemaakt door Daguerre met een extreem lange sluitertijd. De gebouwen staan er scherp op, maar alle bewegende mensen zijn verdwenen. Toch staat er minstens één persoon op. Kristians Nederlandse kennis (Hans) vraagt of hij weet wie dat is en geeft zelf meteen het antwoord: “En svart skygge. Hvem kan det være? … Det er djevelen” (“een zwarte schaduw. Wie kan dat zijn? … Dat is de duivel”). Ook hier is een direct verband met het toneelstuk van Marlowe. Tijdens één van eerste voorstellingen in Londen hebben mensen gezien, hoe de duivel zelf op het podium verscheen. Knausgård hield zich in de Morgenstern-trilogie uitgebreid bezig met duivel, hel en verdoemenis. Hier is dat niet anders. Knausgårds hel bevindt zich niet buiten de wereld. Maar onze wereld ís de hel.

Het leven van Kristian Hadeland heeft vanzelfsprekend paralellen met de ontwikkeling van Faustus. Kristians alchemie is de fotografie. In het eerste deel lukt het hem zijn hoge ambitie te verwezenlijken: hij ontwikkelt zich tot top-fotograaf. Daarvoor moet al het andere wijken. De manier waarop hij met zijn familie, vrienden, vriendinnen en andere contacten omgaat is bot en gevoelloos. Erg eerlijk en open is hij niet en de meeste van zijn problemen heeft hij zelf veroorzaakt. Hij lost ze niet op maar hij gaat ze uit de weg met halve waarheden en leugens tegen anderen en vooral tegen zichzelf.

Het boek bevat prachtige beschrijvingen van de ontwikkeling van Kristian en zijn foto-kunst. Als hij het idee opvat van een serie over ‘de steigers van het leven’, waarin skeletten centraal staan, steelt hij uit de afvalbak van een asiel een dode kat, die hij zo lang probeert te koken totdat alleen het skelet over blijft. Ondanks dagenlang ondragelijke stank in zijn appartement lukt het hem niet. Dan besluit hij de nog niet helemaal uit elkaar gevallen kat te fotograferen. Die foto’s betekenen een doorbraak in zijn carrière. Het is ook een doorbraak in de manier waarop hij tegen artistiek succes aan kijkt. Als je te veel je wil aan het kunstwerk wil opleggen, wordt het niks. Soms moet je uitgaan van wat toevallig ontstaat.

Een centrale rol in het verhaal speelt een incident wanneer hij een aansteker leent aan een dakloze. Deze probeert de aansteker te stelen en in de ruzie die daarop volgt, valt de dakloze tegen een muur en is dood. Als hij in de krant herkenbare beelden ziet van zichzelf, genomen door een bewakingscamera dichtbij de dakloze, meldt hij zich niet bij de politie, maar wordt een paar dagen later op school door de politie voor een verhoor gehaald en verblijft in een cel, totdat hij te horen krijgt niet meer verdacht te zijn. Kristians panische gedachten in de cel worden fantastisch goed beschreven. Zoals wel vaker in Knausgårds boeken, gebeurt er veel meer in de hoofden van de mensen dan in de werkelijkheid. En wat er in de werkelijkheid gebeurt, is niet altijd duidelijk.

De jaren tussen Kristians verblijf aan de foto-school in Londen en zijn doorbraak als een wereldberoemde fotograaf worden in het boek niet beschreven. Als het verhaal weer verder gaat, is hij in New York op een overzichtstentoonstelling van zijn verzamelde werk van meer dan 20 jaar, inclusief een schokkende serie van dode mensen die hij in de houding van levende mensen gefotografeerd heeft en zijn jeugdwerk zoals de het zelfmoord-bed van zijn zus en de gekookte kat.  Hier begint de eerste fase van zijn ondergang. Een belangrijk onderdeel van zijn werk is een indringende fotoserie over het leven van daklozen. Op de tentoonstelling laat hij een container aanstekers bij deze fotoserie plaatsen. Alleen hij kent de geschiedenis daarachter. Als hij inn een zaal van het tentoonstellingsgebouw voor een groot publiek over zijn werk geïnterviewd wordt, vertelt hij iets te duidelijk wat hem als twintigjarige  tijdens de ruzie met de dakloze overkomen is. Nog dezelfde dag staat het internet vol met verhalen over ‘moordenaar Kristian’ en het aantal tekst-meldingen op zijn telefoon is niet meer te tellen. Onhandig houdt hij vol dat hij iets anders heeft gezegd dan mensen gehoord hebben. Niet veel pagina’s verder in het boek zijn alle al afgesproken tentoonstellingen afgezegd en heeft hij met vrijwel iedereen in de kunstwereld alle contact verbroken.

In het laatste deel van het boek stort ook zijn persoonlijke leven volledig in elkaar en treft hem nog een grotere ramp dan het eind van zijn fotografie-carrière. Tot hier vond ik het een fantastisch boek met een enorme spanning en met een veel grotere vaart dan ik van Knausgård gewend was in zijn eerdere boeken: een echte page-turner. In zijn eerdere boeken leek er een tweedeling te bestaan tussen de vele gebeurtenissen en de essays met filosofische reflecties. Hier is het meer een voortdurend spannende en boeiende eenheid. Maar het lijkt alsof hij er zich in de laatste honderd pagina’s iets te gemakkelijk van af heeft gemaakt. De lezer verwacht natuurlijk een parallel met de Faustus-legende. Na 24 jaar zal Faustus branden in de hel. De volledige ineenstorting van Kristians leven is ook precies na 24 jaar, maar het verhaal is veel te recht-toe-recht-aan de diepe afgrond in zonder de dubbelzinnigheden en dubbele bodems die ik van Knausgård had verwacht.

De literatuurcriticus Manuel Emanuelsen beschrijft dit heel goed:

"Påfallende, da, at det først er når Knausgård begynner å få hastverk selv og vil gi sin Faust-variant en skikkelig avslutning, at det delvis går skeis. I den siste delen av romanen, der vi følger Kristian mot hans endelige dom, går det merkbart fort – for fort til at det fester seg hos leseren. Vi merker at forfatteren har bestemt seg for hvordan det skal gå til slutt, og har glemt å bry seg om vi – til tross for at vi alle er enige om at fortelleren er en kødd – vil være med ham til bunns. Denne siste delen forblir dessverre mer idé enn roman, den virker villet og svikter nettopp der resten av romanen lykkes, i å trekke oss inn, med og ned."

Emanuelsen refereert hier aan de artistieke ontwikkeling van Kristian, die moet leren dat een foto die een sterk idee wil uitdrukken geen sterke foto is. De foto zelf moet sterk zijn. En als de kunstenaar te veel zijn wil aan een kunstwerk wil opleggen, wordt het kunstwerk er niet beter van.

___

Marius Emmanuelsen: Nattskolen, Karl Ove Knausgårds London-roman om diabolsk kunst, tar hans morgenstjerne-prosjekt til nye høyder. https://www.vinduet.no/kritikk/kok-den-katta-nattskolen-av-karl-ove-knausgaard-anmeldt-av-marius-emanuelsen/ 

Naschrift

Het is een heel rijk verhaal, zoals gebruikelijk bij Knausgård, met heel veel verwijzingen naar bijvoorbeeld filosofie, religie, occulte stromingen, literatuur, alchemie en de geschiedenis van de fotografie. Daardoor bevat het veel meer dan ik als relatief ongeletterde lezer kan bevatten. In de bovengenoemde bespreking van de Noorse criticus worden allerlei verbanden gelegd, niet alleen met verschillende Faust-opvattingen, zowel het oude Duitse boek uit 1587 als de Faust bij Marlowe en later een heel andere Faust bij Goethe. Daarbij passeren ook een aantal theologische kwesties de revue, inclusief protestantse parodieën over de katholieke cultuur van wonderen en heiligen. Ook verwijst Emmanuelsen naar bijvoorbeeld de gebroeders Karamasov van Dostojevski. Omdat ik veel van die achtergronden niet goed ken, zal ik veel gemist hebben, maar een boek moet ook te lezen zijn zonder honderd andere boeken te moeten lezen. Dat heb ik gedaan en het viel – afgezien van het slot – zeker niet tegen.

___

 

 

 

In Memoriam Koning Nabaca

Koning Nabaca en Meneer van Dale

Daar zaten we dan in het scheikundelokaal van het Marnix College te Ede. Anno 1965. Natuurlijk vonden wij het prachtig als meneer Rommerts een lucifer afstreek bij het door elektrolyse van water verkregen hoog explosieve mengsel van waterstof en zuurstof. Maar het was niet alleen maar dolle pret. Het ging ook om serieuze scheikunde met als een belangrijk onderdeel redox-reacties. Om te weten hoe graag metalen hun elektroden aan bij voorbeeld zuurstof afgaven (bijvoorbeeld 2Fe + 3O2= 2Fe2O3), moest je wel iets weten over “de spanningsreeks der metalen”: een reeks van zeer onedel tot zeer edel. Je zou verwachten dat we tijdens een proefwerk die reeks mochten opzoeken. Niets daarvan: die kenden we uit het hoofd: K, Na, Ba, Ca …. tot en met Au en Pt, de metalen die je met geen mogelijkheid kon oxideren. Ik ken ze nog door het ezelsbruggetje dat erbij hoorde: “Koning NaBaCa Mag Al Zijn Cromme Mannen Ferder NieTin Loodwater Coken. Hij gaat Angstvallig AutoPetten”.

Minstens de eerste drie regels van het periodiek systeem kenden wij ook zeker uit mijn hoofd. Natuurlijk hing daarvan ook een tabel in het scheikundelokaal maar we hadden die al zo vaak gezien dat we die ook zonder voorbeeld en zonder ezelsbruggetje konden opschrijven. Ik kan het nog steeds:  (1) H, He, (2) Li, Be, B, C, N, O, F, Ne, (3)Na, Mg, Al, Si, P, S, Cl, Ar.

Voor veel vakken moesten wij veel uit het hoofd leren, jaartallen voor geschiedenis, allerlei feiten voor aardrijkskunde en voor de vijf vreemde talen (Engels, Frans, Duits, Grieks, Latijn) honderden woorden naast al die moeilijk verbuigingen en vervoegingen en natuurlijk heel veel kennis van wiskunde en natuurkunde. Ook hier werd er niets opgezocht tijdens proefwerken. Ook hier speelden ezelsbruggetjes een rol, zoals Meneer van Dale wacht op antwoord (voor de bewerkingsvolgorde van wiskundige operaties) of ‘t Kofschip voor de spelling met d of t van verleden tijden en deelwoorden.

Woordenboek of vertaalapp

Ik ga niet zeggen dat vroeger alles beter was, maar het is nu wel anders geworden. Waar we vroeger over heel veel parate kennis beschikten, is nu het recept: “Dat zoeken we op.” Ik vermoed dat daardoor Koning Nabaca wel een langzame dood gestorven is. Daar is natuurlijk niets mis mee. Als je even iets snel kunt opzoeken voor een scheikundesom, neemt dat wel iets meer tijd dan wanneer je het al weet. Maar voor het leren van talen is het wel een probleem. Een jaar of tien geleden hadden wij Russische kennissen op bezoek die geen woord Engels of Duits spraken. Met een Russisch woordenboek in de hand liep ik door Amsterdam, maar het contact bleef erg beperkt.

Vier jaar geleden waren wij in Hongarije. Aan het leren van de onmogelijk moeilijke Hongaarse taal was ik niet toegekomen, maar sinds dat bezoek aan Amsterdam was er wel wat veranderd. Ik praatte gewoon Nederlands tegen mijn telefoon, die dat binnen seconden in Hongaars omzette. De kwaliteit daarvan leek goed, want  onze Hongaarse gastheer leek alles te begrijpen. Natuurlijk kon ik niets controleren. Ik moest maar op die software van Google vertrouwen.

De vier fases

Ook op andere gebieden zien wij die ontwikkeling  in vier fases (1) kennis in je eigen hoofd (eventueel ondersteund door ezelsbruggetjes), (2) het opzoeken van informatie in boeken en (3) later vooral op internet, maar zelf het probleem daarmee oplossen  en (4) de oplossing van het probleem volledig delegeren naar software (als of niet op basis van geavanceerde kunstmatige intelligentie).

fase 1

Als vijftienjarige natuurliefhebber leerde ik stap voor stap alle gewone en later een aantal bijzondere vogels herkennen op basis van vorm, kleuren, gedrag en nog veel meer. We leerden vooral van elkaar. Ook waren (en zijn er nog steeds) ezelsbruggetjes in omloop voor de herkenning van vogels. De manier waarop de snavels van wulpen en kluten gebogen is leren we van “Een wulp kijkt naar zijn gulp, de kluut naar zijn snuut.

Om zijn geluid wordt een grasmus wel krasmus genoemd. Een roek draagt een broek.  Het liedje van een fitis begint altijd vol energie om dan heel slap te eindigen. Dat wordt mooi beschreven met “Vandaag is het mooi weer, maar morgen wordt het weer niiiiiks”.

fase 2 en fase 3

Als we twijfelden aan de juiste naam van een vogel (was het nu een zanglijster of een grote lijster?), dan kwamen de lijvige vogelboeken uit onze tassen, fase 2 in de ontwikkeling. Vooral de gids van Peterson, in het Nederlands vertaald door de heer Kist, was onze autoriteit. Kijk even in de Kist, heette dat dan. In die gids staan de belangrijkste kenmerken op goede plaatjes aangegeven en die plaatjes worden door heldere teksten toegelicht. Maar toch is dan niet alles even duidelijk. Neem de volgende tekst: “een luid, herhaald twink, wiet en tsjwit en in de vlucht een onderdrukt juup. Zang een korte, heftige cascade van een tiental tonen, eindigende in een zwierig tjoe-ie-o …..”. Omdat ik de zang van de vink goed ken, herken ik dit wel, maar het is een heel onbeholpen omschrijving. Een grote vooruitgang zijn daarom vogelboeken als telefoon-app, waar al die informatie van de Kist ook op staat, plus geluiden die je gewoon even kan afspelen. We zijn dan bij stap 3: de apps helpen je om informatie te verzamelen. Maar het probleem (“welke vogel is dit?”) los je met die informatie zelf op.

Fase 4: we weten niets, we doen niets

De zelfkijkende vogelkijker

Maar stap 4 verovert de wereld, ook die van de vogelaar. Laatst kwam ik tijdens een wandeling een vrouw tegen. Zij schepte op over een indrukwekkende lijst waarneming van die ochtend. Zij baseerde die lijst vooral op de vogelnamen, die de app Merlin haar ingefluisterd had. Gewoon het mobieltje naar het bos wijzen en dan komen de namen op het scherm. Ik had toch even behoefte om het verhaal van die vrouw te corrigeren. Ik zei: “Sorry, u heeft die vogels echt niet allemaal gehoord. Uw telefoon heeft ze gehoord.”  Ze leek licht geïrriteerd over mijn opmerking.

Toch lijkt mij het onderscheid van wezenlijk belang. Op het moment dat we van fase 3 (even snel informatie op internet zoeken) naar fase 4 (een algoritme ons probleem laten oplossen) gaan, schakelen we onszelf eigenlijk uit. Wij zijn niet meer nodig. Wij worden een totale buitenstaander en onze ervaring wordt gereduceerd tot het enthousiasme over wat er op het schermpje verschijnt. Svarovski schijnt binnenkort een verrekijker aan te bieden met ingebouwde herkenningssoftware en internet. Je hoeft niet meer te kijken. De kijker doet het zelf wel. De kijker maakt zijn eigenaar overbodig.

Maar er gebeurt meer. Terwijl we in fase 3 nog levendige discussies hadden met collega’s, die het niet steeds eens waren over onze keuzes maar wel nuttige informatie inbrachten, communiceren we in fase 4 vooral met onze apps. Het is dezelfde wereld als in de trein van Leiden naar Amsterdam waar niemand met elkaar praat en iedereen met naar zijn mobieltje kijkt en luistert en iedereen tegen zijn mobieltje kletst, geen wereld waar ik blij van word.

Het zelfdenkende fototoestel
Deze wereldberoemde foto van Bill Brandt had de camera waarschijnlijk lelijk gevonden

Ook in de fotografie zie je hier een razendsnelle ontwikkeling. Er was een tijd waarin we zelf wisten hoe we onze camera moesten instellen, zelfs zonder lichtmeters. Automatische belichting en autofocus hebben het leven van de fotograaf een stuk gemakkelijker gemaakt. In principe is die nog steeds de baas. Maar eenmaal in fase 4 aangekomen gaat de camera zelf bedenken wat een mooie compositie is en past kleuren en tonen aan het onderwerp aan. Veel mobiele telefoons maken met opzet luchten blauwer en zonsondergangen roder, omdat dat mooier is. Ook hier: de camera probeert de fotograaf uit te schakelen. Bill Brandt had zijn prachtige zwartwit-foto’s met zo’n moderne camera moeilijk kunnen maken met al die veel te zwarte schaduwen. De camera had dat lelijk gevonden.

Ik ga hier geen opstel schrijven over de (reële) gevaren AI, maar ik beperk mij tot het thema plezier en voldoening. Op het moment dat wij te veel delegeren aan AI-algoritmes, verliezen we het contact met de wereld en daardoor met onszelf en de medemens: we weten niets, we zien niets, we horen niets, we beslissen niets, we ervaren bijna niets. Ik kies ervoor zelf vreemde talen te spreken (voor zover dat lukt)  en zelf vogels te leren herkennen. Achter die AI-gestuurde apps aan lopen, is gewoon niet leuk.

PS: eerder schreef ik het volgende stukje over dit onderwerp.

____

Noot: Veel van de in dit stuk genoemde apps zijn vaak best nuttig, vooral als instrument om van te leren. Als je Merlin gebruikt om jezelf in vogelgeluiden te trainen, is daar natuurlijk niets op tegen als je daardoor dichter bij je doel komt: zelf die geluiden herkennen. Zonder de ObsIdentify app, had ik nooit ongeveer 25 libellensoorten kunnen onderscheiden. Maar op het moment dat ik die app niet meer nodig heb en op het gezicht een variabele waterjuffer probleemloos van een watersnuffel kan onderscheiden, is er iets wezenlijks aan mijn wereld toegevoegd. En voor de vreemde talen is er vaak geen praktisch alternatief. Maar het echte plezier van vreemde talen leren, is ze zelf te gebruiken in praktische situaties. Dat plezier geeft de Google-app je nooit. De verregaande automatisering van camera’s is in orde zolang je begrijpt wat die camera doet en zolang je zelf af en toe voor andere instellingen kiest om de foto te maken die je jezelf hebt voorgesteld. Zolang apps de gebruiker helpen zichzelf te ontwikkelen, is het OK. Als de app de gebruiker overbodig maakt, wordt het een probleem, tenminste voor mij.

____

Straks bestaat u niet meer

Neen, dit is geen blog met een waarschuwing voor de menselijke sterfelijkheid. Het klopt dat we allemaal vroeger of later het veld moeten ruimen. Dat weten we eigenlijk al sinds onze vroege jeugd. Het is een gegeven met veel consequenties, zowel slechte als goede, maar daar ga ik geen blog over schrijven.

Als een al iets oudere Nederlander moet ik soms wennen aan bepaalde veranderingen in de taal en in de omgangsvormen tussen mensen. Nog niet zo lang geleden was ik licht geïrriteerd als een meisje van rond de twintig ons in een restaurant vroeg: “kan ik alvast iets voor jullie inschenken?”. In mijn verouderde wereldbeeld werd het woord ‘jullie’ gebruikt voor vrienden en bekenden en zeker niet voor mensen van wie je de naam niet kent. Ik geloof dat ik er inmiddels aan gewend ben.

Wel heb ik nog steeds een beetje moeite als ik op een chat-pagina van een of ander bedrijf door junior-medewerker Dennis word toegesproken met “Dag Reinier, wat kan ik voor je doen?”. Meestal bezoek ik zulke sites niet voor de gezelligheid en daarom stel ik een beetje meer afstand wel op prijs. ‘Je en jij’ lijken de regel te worden en of ‘u’ nog een lang leven beschoren is, vraag ik me af. Ik heb maar een beetje onderzoek gedaan in mijn e-mail van de laatste jaren. Uit dat onderzoek blijkt dat ‘u’ nog lang niet helemaal uitgestorven is. Stelselmatig word ik met ‘u’ aangesproken door de tandarts, de gemeente Leiden, de garage, KPN, de KLM en ook nog in schriftelijke communicatie van de fysiotherapie-praktijk, hoewel daar niemand mij met ‘u’ zou aanspreken.

Voorlopers in de transitie naar ‘je en jij’ zijn vanzelfsprekend Amerikaanse bedrijven. Amazon heeft mij nooit anders toegesproken. Het Nederlandse bol.com hanteerde tot 2014 de u-vorm en ging daarna op ‘je en jij’ over in combinatie met het gebruik van voornamen: “Beste Reinier, we hebben beloofd …. “. Huisjesverhuurder en campingorganisatie RCN gebruikte tot rond 2013 nog de stijve u-vorm maar vanaf 2016 is alles ‘je en jij’ geworden. En de museumkaart krijg ik toegestuurd met een vrolijke jij-brief.

Een beetje verbaasd was ik over de brief van Nationale Nederlanden, die niet alleen zo brutaal waren mijn levensverzekeringsuitkering van de ABN-Amro over te nemen, maar ook mij een brief te sturen met de aanhef: "Beste meneer De Man, Je krijgt deze brief omdat je een lijfrente- en/of pensioenuitkering .... .... krijgt."  

Het wachten is nu op een brief bij mijn volgende verkeersovertreding. Die zou zo kunnen luiden: Beste Reinier, we moeten je toch even een briefje sturen. Je reed met ruim 60 km per uur over de Kooilaan. Dat mag natuurlijk niet. Als je nu even het bedrag van EUR 525,65 overmaakt aan onderstaand banknummer, dan hebben we het er niet meer over. Zo niet, dan zien we elkaar bij de rechtbank. Groetjes van het bureau snelheidsovertredingen."

Is dit belangrijk? Natuurlijk niet. Persoonlijk vind ik het best handig om verschillende vormen te hebben die meer of minder nabijheid aangeven. Je kunt door het gebruik van het woord ‘u’ bewust afstand scheppen, maar dat kan zonder dat woord natuurlijk even goed. De Engelsen hebben uitsluitend ‘you’ en hebben geen ‘thou’ of nog iets formelers nodig om een autoritaire klassensamenleving in stand te houden. Erg  is het verdwijnen van het woord ‘u’ niet. Ik zal het niet echt missen. Wat ik wel zal missen is de oorspronkelijke betekenis van de woorden ‘jij’ en ‘jullie’.

Tja, straks bestaat u niet meer.

_______

 

Anéantir – een bijzondere Houellebecq

 

Michel Houellebecq, Anéantir, Flammarion, 2022. 735 pagina’s.

Anéantir

Gisteren las ik de laatste 20 pagina’s van het 735 pagina’s tellende boek Anéantir van Houellebecq. Een heel ander boek dan we van hem gewend zijn. Het eerste deel bevat wel de gebruikelijke beschrijvingen van een kapotte samenleving en keiharde kritiek op politieke en economische systemen.  Het boek lijkt te gaan over vreemde complotten en aanslagen op containerschepen, spermabanken en belangrijke spelers in de technologische wereld. Het gaat ook over de Franse politiek, met name over de presidentsverkiezingen. Hier maken we kennis met de belangrijkste persoon van het boek, Paul, die samen met zijn vrouw Prudence een luxe appartement bezit maar verder niets met haar deelt: samen eten of slapen doen ze al lang niet meer. Paul werkt voor Bruno, de minister van Economische Zaken, die een belangrijke rol in de verkiezingen van 2027 speelt. Het boek laat, op een typische Houellebecq-manier, de leegte van de politiek, de banaliteit van de politieke adviseurs en de doortraptheid van het machtsspel zien. Veel van deze passages zijn echt humoristisch.

Ziekte, zelfmoord, liefde

Als de vader van Paul een ernstig herseninfarct krijgt en totaal verlamd in een verzorgingstehuis wordt opgenomen verschuift het perspectief van het boek. De lezer maakt kennis met de eigenaardigheden van Pauls familie: zijn traditioneel katholieke zus Cécile, haar man en haar dochter, zijn heel ongelukkig getrouwde jongere broer Aurélien, en met de vriendin van zijn vader. Als de omstandigheden in het verzorgingstehuis zo verslechteren dat de familie  bang is dat de vader daar snel zal overlijden, organiseren zij een ontvoering uit het ziekenhuis. Deze gebeurtenissen leiden tot een hernieuwing en versteviging van de familiecontacten en tot grote veranderingen. Het interessants van alles is dat Paul en Prudence een echte liefdesrelatie ontwikkelen. Zij doen voor het eerst sinds jaren weer dingen samen, eerst heel voorzichtig maar al snel delen zij weer hun woon- en slaapkamer. Natuurlijk wordt de uitbundige sex weer in (onnodig) detail beschreven. Aurélien wil scheiden nadat hij een relatie is begonnen met Maryse, de verpleegster uit Bénin die voor zijn vader zorgt. Maryse helpt bij de ontvoering van zijn vader. Dit komt helaas uit. Auréliens vrouw publiceert in een krant het hele verhaal dat ook politieke consequenties dreigt te hebben. Aurélien kan een vlotte scheiding nu wel vergeten en voor zijn vriendin dreigt ontslag. Even later wordt hij hangend aan een balk van het oude familiehuis waar zijn vader verblijft, gevonden. Maryse gaat terug naar Bénin. De familiebanden tussen de vader, Paul, Cécile en Prudence worden steeds sterker. Politiek en terrorisme verdwijnen vrijwel volledig naar de achtergrond.

Afscheid

Bij Paul wordt bij een bezoek aan de tandarts een kwaadaardig gezwel ontdekt. Het vervolg van het verhaal is een beschrijving van onderzoeken en behandelingen met heel veel details over MRI-scans, chemotherapie en immuuntherapie en chirurgie. Hij weigert een rigoureuze operatie waarbij hij ook zijn tong zou verliezen. Alles gaat nu naar het onvermijdelijke einde van zijn leven. Er is geen redding meer mogelijk. Zijn relatie met Prudence wordt elke dag intenser en ook ontstaat er veel warmte tussen zijn zus en hem. Nog één keer rijdt zij hem (hij kan niet meer rijden) naar het huis van zijn verlamde vader. Samen met zijn vader zit hij uren naar de ondergaande zon te kijken, maar zegt niets. Zijn vader kan niet praten.

Vernietigen

Terug in Parijs kan hij alleen nog op zijn dood wachten. De titel Anéantir (vernietigen) is misschien wat misleidend. De strekking van het verhaal lijkt toch te zijn, dat hij juist zijn vernietiging heeft kunnen vermijden. Door uit de oppervlakkige buitenwereld van politiek, economie, technologie en terrorisme terug te keren naar de binnenwereld van liefde en geborgenheid in de familie, heeft zijn leven er iets toe gedaan, is hij juist niet ‘vernietigd’. Een lezer op de Franse website babelio.com  vat het als volgt goed samen: hoe kan je weerstand bieden aan de definitieve vernietiging?

“Le monde est au bord du gouffre, mais face au vide civilisationnel se reflète aussi un néant existentiel. Le vide fascine. Sur quelle île de compassion se réfugier pour éviter de tomber dedans ? La famille, la foi, l’engagement, la spiritualité, et l’amour toujours. L’amour et la passion. Comment résister à l’anéantissement définitif ? Cela aurait pu s’appeler “Affronter”, ça s’appelle “Anéantir” et c’est un livre plus positif qu’il n’y paraît.”
https://www.babelio.com/livres/Houellebecq-Aneantir/1376626#!

Ik vond de beschrijving van de relaties tussen de hoofdpersonen hier en daar erg mooi. Het liefdesverhaal van Aurélien en Maryse is ontroerend net als de beschrijvingen van de ontwikkeling in de verhouding van Paul en Prudence en de intense band tussen hem en zijn verlamde vader. Dat Houellebecq ooit zoiets zou schrijven, had ik nooit vermoed. Maar ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die naar de vroege Houellebecq terugverlangen als ze dit boek lezen en dat ze het schrijven van psychologische romans liever aan anderen overlaten (zoals Bas Heijne, zie hieronder).

Romantisch conservatisme

Je zou kunnen zeggen dat de hoofdpersoon Paul de maatschappijvisie van Houellebecq verwoordt:

“Aux yeux de Paul, le tout dernier alias fictif de Houellebecq, «si l’objectif des terroristes était d’anéantir le monde tel qu’il le conaissait, il ne pouvait pas leur donner tout à fait tort ».” https://www.ledevoir.com/lire/658551/fiction-francaise-aneantir-houellebecq-et-la-possibilite-de-l-amour

Uit eerdere boeken kende ik natuurlijk Houellebecq’s afkeer van de geglobaliseerde neoliberale economie en zijn opvattingen over het verdwijnen van menselijke waarden in een wereld waar alles om eigenbelang draait, goed samengevat door Paul in deze passage van het boek:

“La doxa libérale persistait à ignorer le problème, tout emplie de sa croyance naïve que l’appât du gain pouvait se substituer à toute autre motivation humaine, et pouvait fournir à lui seul l’énergie mentale nécessaire au maintien d’une organisation sociale complexe. De toute évidence c’était faux, et il paraissait évident à Paul que l’ensemble du système allait s’effondrer dans un gigantesque collapsus … … .” (p. 539)

Ik kan het best eens zijn met een veel van zijn constateringen maar ik zie niet duidelijk welk alternatief hij er tegenover stelt en voor zover ik het wel zie, word ik ook daar niet blij van. In Sérotonine (zie mijn eerdere blog) schildert hij de verloedering van het platte land in Normandië en lijkt romantisch terug te verlangen naar de gezonde menselijke verhoudingen in de traditionele samenleving, die door het neoliberalisme kapot gemaakt is. Over die verhoudingen heb ik mijn twijfels. In dit laatste boek proberen de verschillende personen op hun eigen manier iets van spiritualiteit terug te vinden. De atheïst Paul steekt af en toe een kaarsje aan in de kerk, zijn vrouw vlucht in de bedenkelijke wereld van het Wicca-geloof, terwijl het leven zijn zus Cécile door ultra-conservatief katholicisme wordt beheerst. Houellebecq gebruikt zijn boek als spreekbuis voor zijn eigen bedenkingen tegen euthanasie. Het romantische conservatisme in zijn boeken staat mij tegen. Vluchten in traditionele samenlevingsvormen of in vage spiritualiteit is geen oplossing voor de reële problemen die hij aan de orde stelt.

Boekbesprekingen

Henk Pröpper, Houellebecq slaagt erin de werkelijkheid geheel te omarmen  20 januari 2022, https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/houellebecq-slaagt-erin-de-werkelijkheid-geheel-te-omarmen~ba818768/ 
Ik ben het eens met wat Pröpper in deze bespreking schrijft: “De passages waarin Houellebecq Pauls ouderlijk huis en de familierelaties schetst, zijn van grote schoonheid en relevantie. Hij toont mensen elk met hun eigen eigenaardigheden en soms onbegrijpelijke beslissingen. Ook waar spreken onmogelijk blijkt, is een hoge vorm van vertrouwelijkheid mogelijk. In de beschrijvingen van het contact met Pauls vader gaat Houellebecq ver voorbij de vervreemding van de moderne wereld, en tast hij naar het eigene en intieme, daar waar mensen elkaar woordeloos aanraken. Van de lawaaiige buitenwereld naar een kwetsbare binnenwereld: dat is een opzienbarende stap in zijn oeuvre.”

Daan Pieters, Recensie: Michel Houellebecq – Anéantir, https://www.tzum.info/2022/01/recensie-michel-houellebecq-aneantir/

In de boekbespreking in de NRC wordt benadrukt dat het boek toch het centrale thema van Houellebecq behandelt: het onvermogen van de liberale wereld de mens zingeving te verschaffen:
“Het maakt anéantir tot een Houellebecq-slow, met een ambitieuze inzet en een tragisch-romantische visie op de toekomst van onze samenleving, een roman als een zwanenzang, met een ondertoon van compassie. Ook in Houellebecqs eerdere werk loerde de dood, het grote niets, voortdurend om de hoek. Van het begin af aan stonden het typisch Franse ‘miserabilisme’ en ‘declinisme’ hoog in zijn vaandel. Nu staat Magere Hein werkelijk voor de deur, de auteur wordt ook een dagje ouder en zijn lezers met hem. De liberale veronderstelling was ‘dat hebzucht iedere andere menselijke beweegreden kon vervangen’ en zo het ‘complexe sociale systeem’ in stand zou houden. ‘Maar dat was een vergissing.’ Het was gedoemd ineen te storten, met veel geweld en op korte termijn.”
nrc.nl/nieuws/2022/01/06/in-de-nieuwe-houellebecq-schuilt-het-ongeluk-in-het-gezin-a4075903

Niet iedereen is overtuigd van de literaire kwaliteiten van Houellebecq’s beschrijvingen van de psychologische verhoudingen tussen de personen in het boek. In een commentaar in de NRC schrijft Bas Heijne:
“Het getuigt van literaire moed dat Houellebecq aan zijn schurende ambivalenties, die zijn eerdere werk zo opwindend maakten, wil ontsnappen. Maar de antwoorden die hij in Vernietigen geeft zijn, op een enkele indrukwekkende passage na, vaak banaal en zelfs sentimenteel. Werkelijke intimiteit blijft op afstand. Vandaar wellicht die depressie, waaruit zijn vrouw hem liefdevol wilde verlossen met wat opbeurende porno.”
https://www.nrc.nl/nieuws/2023/03/09/met-vernietigen-probeert-michel-houellebecq-een-psychologische-roman-te-schrijven-a4159034