In Memoriam Koning Nabaca

Koning Nabaca en Meneer van Dale

Daar zaten we dan in het scheikundelokaal van het Marnix College te Ede. Anno 1965. Natuurlijk vonden wij het prachtig als meneer Rommerts een lucifer afstreek bij het door elektrolyse van water verkregen hoog explosieve mengsel van waterstof en zuurstof. Maar het was niet alleen maar dolle pret. Het ging ook om serieuze scheikunde met als een belangrijk onderdeel redox-reacties. Om te weten hoe graag metalen hun elektroden aan bij voorbeeld zuurstof afgaven (bijvoorbeeld 2Fe + 3O2= 2Fe2O3), moest je wel iets weten over “de spanningsreeks der metalen”: een reeks van zeer onedel tot zeer edel. Je zou verwachten dat we tijdens een proefwerk die reeks mochten opzoeken. Niets daarvan: die kenden we uit het hoofd: K, Na, Ba, Ca …. tot en met Au en Pt, de metalen die je met geen mogelijkheid kon oxideren. Ik ken ze nog door het ezelsbruggetje dat erbij hoorde: “Koning NaBaCa Mag Al Zijn Cromme Mannen Ferder NieTin Loodwater Coken. Hij gaat Angstvallig AutoPetten”.

Minstens de eerste drie regels van het periodiek systeem kenden wij ook zeker uit mijn hoofd. Natuurlijk hing daarvan ook een tabel in het scheikundelokaal maar we hadden die al zo vaak gezien dat we die ook zonder voorbeeld en zonder ezelsbruggetje konden opschrijven. Ik kan het nog steeds:  (1) H, He, (2) Li, Be, B, C, N, O, F, Ne, (3)Na, Mg, Al, Si, P, S, Cl, Ar.

Voor veel vakken moesten wij veel uit het hoofd leren, jaartallen voor geschiedenis, allerlei feiten voor aardrijkskunde en voor de vijf vreemde talen (Engels, Frans, Duits, Grieks, Latijn) honderden woorden naast al die moeilijk verbuigingen en vervoegingen en natuurlijk heel veel kennis van wiskunde en natuurkunde. Ook hier werd er niets opgezocht tijdens proefwerken. Ook hier speelden ezelsbruggetjes een rol, zoals Meneer van Dale wacht op antwoord (voor de bewerkingsvolgorde van wiskundige operaties) of ‘t Kofschip voor de spelling met d of t van verleden tijden en deelwoorden.

Woordenboek of vertaalapp

Ik ga niet zeggen dat vroeger alles beter was, maar het is nu wel anders geworden. Waar we vroeger over heel veel parate kennis beschikten, is nu het recept: “Dat zoeken we op.” Ik vermoed dat daardoor Koning Nabaca wel een langzame dood gestorven is. Daar is natuurlijk niets mis mee. Als je even iets snel kunt opzoeken voor een scheikundesom, neemt dat wel iets meer tijd dan wanneer je het al weet. Maar voor het leren van talen is het wel een probleem. Een jaar of tien geleden hadden wij Russische kennissen op bezoek die geen woord Engels of Duits spraken. Met een Russisch woordenboek in de hand liep ik door Amsterdam, maar het contact bleef erg beperkt.

Vier jaar geleden waren wij in Hongarije. Aan het leren van de onmogelijk moeilijke Hongaarse taal was ik niet toegekomen, maar sinds dat bezoek aan Amsterdam was er wel wat veranderd. Ik praatte gewoon Nederlands tegen mijn telefoon, die dat binnen seconden in Hongaars omzette. De kwaliteit daarvan leek goed, want  onze Hongaarse gastheer leek alles te begrijpen. Natuurlijk kon ik niets controleren. Ik moest maar op die software van Google vertrouwen.

De vier fases

Ook op andere gebieden zien wij die ontwikkeling  in vier fases (1) kennis in je eigen hoofd (eventueel ondersteund door ezelsbruggetjes), (2) het opzoeken van informatie in boeken en (3) later vooral op internet, maar zelf het probleem daarmee oplossen  en (4) de oplossing van het probleem volledig delegeren naar software (als of niet op basis van geavanceerde kunstmatige intelligentie).

fase 1

Als vijftienjarige natuurliefhebber leerde ik stap voor stap alle gewone en later een aantal bijzondere vogels herkennen op basis van vorm, kleuren, gedrag en nog veel meer. We leerden vooral van elkaar. Ook waren (en zijn er nog steeds) ezelsbruggetjes in omloop voor de herkenning van vogels. De manier waarop de snavels van wulpen en kluten gebogen is leren we van “Een wulp kijkt naar zijn gulp, de kluut naar zijn snuut.

Om zijn geluid wordt een grasmus wel krasmus genoemd. Een roek draagt een broek.  Het liedje van een fitis begint altijd vol energie om dan heel slap te eindigen. Dat wordt mooi beschreven met “Vandaag is het mooi weer, maar morgen wordt het weer niiiiiks”.

fase 2 en fase 3

Als we twijfelden aan de juiste naam van een vogel (was het nu een zanglijster of een grote lijster?), dan kwamen de lijvige vogelboeken uit onze tassen, fase 2 in de ontwikkeling. Vooral de gids van Peterson, in het Nederlands vertaald door de heer Kist, was onze autoriteit. Kijk even in de Kist, heette dat dan. In die gids staan de belangrijkste kenmerken op goede plaatjes aangegeven en die plaatjes worden door heldere teksten toegelicht. Maar toch is dan niet alles even duidelijk. Neem de volgende tekst: “een luid, herhaald twink, wiet en tsjwit en in de vlucht een onderdrukt juup. Zang een korte, heftige cascade van een tiental tonen, eindigende in een zwierig tjoe-ie-o …..”. Omdat ik de zang van de vink goed ken, herken ik dit wel, maar het is een heel onbeholpen omschrijving. Een grote vooruitgang zijn daarom vogelboeken als telefoon-app, waar al die informatie van de Kist ook op staat, plus geluiden die je gewoon even kan afspelen. We zijn dan bij stap 3: de apps helpen je om informatie te verzamelen. Maar het probleem (“welke vogel is dit?”) los je met die informatie zelf op.

Fase 4: we weten niets, we doen niets

De zelfkijkende vogelkijker

Maar stap 4 verovert de wereld, ook die van de vogelaar. Laatst kwam ik tijdens een wandeling een vrouw tegen. Zij schepte op over een indrukwekkende lijst waarneming van die ochtend. Zij baseerde die lijst vooral op de vogelnamen, die de app Merlin haar ingefluisterd had. Gewoon het mobieltje naar het bos wijzen en dan komen de namen op het scherm. Ik had toch even behoefte om het verhaal van die vrouw te corrigeren. Ik zei: “Sorry, u heeft die vogels echt niet allemaal gehoord. Uw telefoon heeft ze gehoord.”  Ze leek licht geïrriteerd over mijn opmerking.

Toch lijkt mij het onderscheid van wezenlijk belang. Op het moment dat we van fase 3 (even snel informatie op internet zoeken) naar fase 4 (een algoritme ons probleem laten oplossen) gaan, schakelen we onszelf eigenlijk uit. Wij zijn niet meer nodig. Wij worden een totale buitenstaander en onze ervaring wordt gereduceerd tot het enthousiasme over wat er op het schermpje verschijnt. Svarovski schijnt binnenkort een verrekijker aan te bieden met ingebouwde herkenningssoftware en internet. Je hoeft niet meer te kijken. De kijker doet het zelf wel. De kijker maakt zijn eigenaar overbodig.

Maar er gebeurt meer. Terwijl we in fase 3 nog levendige discussies hadden met collega’s, die het niet steeds eens waren over onze keuzes maar wel nuttige informatie inbrachten, communiceren we in fase 4 vooral met onze apps. Het is dezelfde wereld als in de trein van Leiden naar Amsterdam waar niemand met elkaar praat en iedereen met naar zijn mobieltje kijkt en luistert en iedereen tegen zijn mobieltje kletst, geen wereld waar ik blij van word.

Het zelfdenkende fototoestel
Deze wereldberoemde foto van Bill Brandt had de camera waarschijnlijk lelijk gevonden

Ook in de fotografie zie je hier een razendsnelle ontwikkeling. Er was een tijd waarin we zelf wisten hoe we onze camera moesten instellen, zelfs zonder lichtmeters. Automatische belichting en autofocus hebben het leven van de fotograaf een stuk gemakkelijker gemaakt. In principe is die nog steeds de baas. Maar eenmaal in fase 4 aangekomen gaat de camera zelf bedenken wat een mooie compositie is en past kleuren en tonen aan het onderwerp aan. Veel mobiele telefoons maken met opzet luchten blauwer en zonsondergangen roder, omdat dat mooier is. Ook hier: de camera probeert de fotograaf uit te schakelen. Bill Brandt had zijn prachtige zwartwit-foto’s met zo’n moderne camera moeilijk kunnen maken met al die veel te zwarte schaduwen. De camera had dat lelijk gevonden.

Ik ga hier geen opstel schrijven over de (reële) gevaren AI, maar ik beperk mij tot het thema plezier en voldoening. Op het moment dat wij te veel delegeren aan AI-algoritmes, verliezen we het contact met de wereld en daardoor met onszelf en de medemens: we weten niets, we zien niets, we horen niets, we beslissen niets, we ervaren bijna niets. Ik kies ervoor zelf vreemde talen te spreken (voor zover dat lukt)  en zelf vogels te leren herkennen. Achter die AI-gestuurde apps aan lopen, is gewoon niet leuk.

PS: eerder schreef ik het volgende stukje over dit onderwerp.

____

Noot: Veel van de in dit stuk genoemde apps zijn vaak best nuttig, vooral als instrument om van te leren. Als je Merlin gebruikt om jezelf in vogelgeluiden te trainen, is daar natuurlijk niets op tegen als je daardoor dichter bij je doel komt: zelf die geluiden herkennen. Zonder de ObsIdentify app, had ik nooit ongeveer 25 libellensoorten kunnen onderscheiden. Maar op het moment dat ik die app niet meer nodig heb en op het gezicht een variabele waterjuffer probleemloos van een watersnuffel kan onderscheiden, is er iets wezenlijks aan mijn wereld toegevoegd. En voor de vreemde talen is er vaak geen praktisch alternatief. Maar het echte plezier van vreemde talen leren, is ze zelf te gebruiken in praktische situaties. Dat plezier geeft de Google-app je nooit. De verregaande automatisering van camera’s is in orde zolang je begrijpt wat die camera doet en zolang je zelf af en toe voor andere instellingen kiest om de foto te maken die je jezelf hebt voorgesteld. Zolang apps de gebruiker helpen zichzelf te ontwikkelen, is het OK. Als de app de gebruiker overbodig maakt, wordt het een probleem, tenminste voor mij.

____

Straks bestaat u niet meer

Neen, dit is geen blog met een waarschuwing voor de menselijke sterfelijkheid. Het klopt dat we allemaal vroeger of later het veld moeten ruimen. Dat weten we eigenlijk al sinds onze vroege jeugd. Het is een gegeven met veel consequenties, zowel slechte als goede, maar daar ga ik geen blog over schrijven.

Als een al iets oudere Nederlander moet ik soms wennen aan bepaalde veranderingen in de taal en in de omgangsvormen tussen mensen. Nog niet zo lang geleden was ik licht geïrriteerd als een meisje van rond de twintig ons in een restaurant vroeg: “kan ik alvast iets voor jullie inschenken?”. In mijn verouderde wereldbeeld werd het woord ‘jullie’ gebruikt voor vrienden en bekenden en zeker niet voor mensen van wie je de naam niet kent. Ik geloof dat ik er inmiddels aan gewend ben.

Wel heb ik nog steeds een beetje moeite als ik op een chat-pagina van een of ander bedrijf door junior-medewerker Dennis word toegesproken met “Dag Reinier, wat kan ik voor je doen?”. Meestal bezoek ik zulke sites niet voor de gezelligheid en daarom stel ik een beetje meer afstand wel op prijs. ‘Je en jij’ lijken de regel te worden en of ‘u’ nog een lang leven beschoren is, vraag ik me af. Ik heb maar een beetje onderzoek gedaan in mijn e-mail van de laatste jaren. Uit dat onderzoek blijkt dat ‘u’ nog lang niet helemaal uitgestorven is. Stelselmatig word ik met ‘u’ aangesproken door de tandarts, de gemeente Leiden, de garage, KPN, de KLM en ook nog in schriftelijke communicatie van de fysiotherapie-praktijk, hoewel daar niemand mij met ‘u’ zou aanspreken.

Voorlopers in de transitie naar ‘je en jij’ zijn vanzelfsprekend Amerikaanse bedrijven. Amazon heeft mij nooit anders toegesproken. Het Nederlandse bol.com hanteerde tot 2014 de u-vorm en ging daarna op ‘je en jij’ over in combinatie met het gebruik van voornamen: “Beste Reinier, we hebben beloofd …. “. Huisjesverhuurder en campingorganisatie RCN gebruikte tot rond 2013 nog de stijve u-vorm maar vanaf 2016 is alles ‘je en jij’ geworden. En de museumkaart krijg ik toegestuurd met een vrolijke jij-brief.

Een beetje verbaasd was ik over de brief van Nationale Nederlanden, die niet alleen zo brutaal waren mijn levensverzekeringsuitkering van de ABN-Amro over te nemen, maar ook mij een brief te sturen met de aanhef: "Beste meneer De Man, Je krijgt deze brief omdat je een lijfrente- en/of pensioenuitkering .... .... krijgt."  

Het wachten is nu op een brief bij mijn volgende verkeersovertreding. Die zou zo kunnen luiden: Beste Reinier, we moeten je toch even een briefje sturen. Je reed met ruim 60 km per uur over de Kooilaan. Dat mag natuurlijk niet. Als je nu even het bedrag van EUR 525,65 overmaakt aan onderstaand banknummer, dan hebben we het er niet meer over. Zo niet, dan zien we elkaar bij de rechtbank. Groetjes van het bureau snelheidsovertredingen."

Is dit belangrijk? Natuurlijk niet. Persoonlijk vind ik het best handig om verschillende vormen te hebben die meer of minder nabijheid aangeven. Je kunt door het gebruik van het woord ‘u’ bewust afstand scheppen, maar dat kan zonder dat woord natuurlijk even goed. De Engelsen hebben uitsluitend ‘you’ en hebben geen ‘thou’ of nog iets formelers nodig om een autoritaire klassensamenleving in stand te houden. Erg  is het verdwijnen van het woord ‘u’ niet. Ik zal het niet echt missen. Wat ik wel zal missen is de oorspronkelijke betekenis van de woorden ‘jij’ en ‘jullie’.

Tja, straks bestaat u niet meer.

_______

 

Anéantir – een bijzondere Houellebecq

 

Michel Houellebecq, Anéantir, Flammarion, 2022. 735 pagina’s.

Anéantir

Gisteren las ik de laatste 20 pagina’s van het 735 pagina’s tellende boek Anéantir van Houellebecq. Een heel ander boek dan we van hem gewend zijn. Het eerste deel bevat wel de gebruikelijke beschrijvingen van een kapotte samenleving en keiharde kritiek op politieke en economische systemen.  Het boek lijkt te gaan over vreemde complotten en aanslagen op containerschepen, spermabanken en belangrijke spelers in de technologische wereld. Het gaat ook over de Franse politiek, met name over de presidentsverkiezingen. Hier maken we kennis met de belangrijkste persoon van het boek, Paul, die samen met zijn vrouw Prudence een luxe appartement bezit maar verder niets met haar deelt: samen eten of slapen doen ze al lang niet meer. Paul werkt voor Bruno, de minister van Economische Zaken, die een belangrijke rol in de verkiezingen van 2027 speelt. Het boek laat, op een typische Houellebecq-manier, de leegte van de politiek, de banaliteit van de politieke adviseurs en de doortraptheid van het machtsspel zien. Veel van deze passages zijn echt humoristisch.

Ziekte, zelfmoord, liefde

Als de vader van Paul een ernstig herseninfarct krijgt en totaal verlamd in een verzorgingstehuis wordt opgenomen verschuift het perspectief van het boek. De lezer maakt kennis met de eigenaardigheden van Pauls familie: zijn traditioneel katholieke zus Cécile, haar man en haar dochter, zijn heel ongelukkig getrouwde jongere broer Aurélien, en met de vriendin van zijn vader. Als de omstandigheden in het verzorgingstehuis zo verslechteren dat de familie  bang is dat de vader daar snel zal overlijden, organiseren zij een ontvoering uit het ziekenhuis. Deze gebeurtenissen leiden tot een hernieuwing en versteviging van de familiecontacten en tot grote veranderingen. Het interessants van alles is dat Paul en Prudence een echte liefdesrelatie ontwikkelen. Zij doen voor het eerst sinds jaren weer dingen samen, eerst heel voorzichtig maar al snel delen zij weer hun woon- en slaapkamer. Natuurlijk wordt de uitbundige sex weer in (onnodig) detail beschreven. Aurélien wil scheiden nadat hij een relatie is begonnen met Maryse, de verpleegster uit Bénin die voor zijn vader zorgt. Maryse helpt bij de ontvoering van zijn vader. Dit komt helaas uit. Auréliens vrouw publiceert in een krant het hele verhaal dat ook politieke consequenties dreigt te hebben. Aurélien kan een vlotte scheiding nu wel vergeten en voor zijn vriendin dreigt ontslag. Even later wordt hij hangend aan een balk van het oude familiehuis waar zijn vader verblijft, gevonden. Maryse gaat terug naar Bénin. De familiebanden tussen de vader, Paul, Cécile en Prudence worden steeds sterker. Politiek en terrorisme verdwijnen vrijwel volledig naar de achtergrond.

Afscheid

Bij Paul wordt bij een bezoek aan de tandarts een kwaadaardig gezwel ontdekt. Het vervolg van het verhaal is een beschrijving van onderzoeken en behandelingen met heel veel details over MRI-scans, chemotherapie en immuuntherapie en chirurgie. Hij weigert een rigoureuze operatie waarbij hij ook zijn tong zou verliezen. Alles gaat nu naar het onvermijdelijke einde van zijn leven. Er is geen redding meer mogelijk. Zijn relatie met Prudence wordt elke dag intenser en ook ontstaat er veel warmte tussen zijn zus en hem. Nog één keer rijdt zij hem (hij kan niet meer rijden) naar het huis van zijn verlamde vader. Samen met zijn vader zit hij uren naar de ondergaande zon te kijken, maar zegt niets. Zijn vader kan niet praten.

Vernietigen

Terug in Parijs kan hij alleen nog op zijn dood wachten. De titel Anéantir (vernietigen) is misschien wat misleidend. De strekking van het verhaal lijkt toch te zijn, dat hij juist zijn vernietiging heeft kunnen vermijden. Door uit de oppervlakkige buitenwereld van politiek, economie, technologie en terrorisme terug te keren naar de binnenwereld van liefde en geborgenheid in de familie, heeft zijn leven er iets toe gedaan, is hij juist niet ‘vernietigd’. Een lezer op de Franse website babelio.com  vat het als volgt goed samen: hoe kan je weerstand bieden aan de definitieve vernietiging?

“Le monde est au bord du gouffre, mais face au vide civilisationnel se reflète aussi un néant existentiel. Le vide fascine. Sur quelle île de compassion se réfugier pour éviter de tomber dedans ? La famille, la foi, l’engagement, la spiritualité, et l’amour toujours. L’amour et la passion. Comment résister à l’anéantissement définitif ? Cela aurait pu s’appeler “Affronter”, ça s’appelle “Anéantir” et c’est un livre plus positif qu’il n’y paraît.”
https://www.babelio.com/livres/Houellebecq-Aneantir/1376626#!

Ik vond de beschrijving van de relaties tussen de hoofdpersonen hier en daar erg mooi. Het liefdesverhaal van Aurélien en Maryse is ontroerend net als de beschrijvingen van de ontwikkeling in de verhouding van Paul en Prudence en de intense band tussen hem en zijn verlamde vader. Dat Houellebecq ooit zoiets zou schrijven, had ik nooit vermoed. Maar ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die naar de vroege Houellebecq terugverlangen als ze dit boek lezen en dat ze het schrijven van psychologische romans liever aan anderen overlaten (zoals Bas Heijne, zie hieronder).

Romantisch conservatisme

Je zou kunnen zeggen dat de hoofdpersoon Paul de maatschappijvisie van Houellebecq verwoordt:

“Aux yeux de Paul, le tout dernier alias fictif de Houellebecq, «si l’objectif des terroristes était d’anéantir le monde tel qu’il le conaissait, il ne pouvait pas leur donner tout à fait tort ».” https://www.ledevoir.com/lire/658551/fiction-francaise-aneantir-houellebecq-et-la-possibilite-de-l-amour

Uit eerdere boeken kende ik natuurlijk Houellebecq’s afkeer van de geglobaliseerde neoliberale economie en zijn opvattingen over het verdwijnen van menselijke waarden in een wereld waar alles om eigenbelang draait, goed samengevat door Paul in deze passage van het boek:

“La doxa libérale persistait à ignorer le problème, tout emplie de sa croyance naïve que l’appât du gain pouvait se substituer à toute autre motivation humaine, et pouvait fournir à lui seul l’énergie mentale nécessaire au maintien d’une organisation sociale complexe. De toute évidence c’était faux, et il paraissait évident à Paul que l’ensemble du système allait s’effondrer dans un gigantesque collapsus … … .” (p. 539)

Ik kan het best eens zijn met een veel van zijn constateringen maar ik zie niet duidelijk welk alternatief hij er tegenover stelt en voor zover ik het wel zie, word ik ook daar niet blij van. In Sérotonine (zie mijn eerdere blog) schildert hij de verloedering van het platte land in Normandië en lijkt romantisch terug te verlangen naar de gezonde menselijke verhoudingen in de traditionele samenleving, die door het neoliberalisme kapot gemaakt is. Over die verhoudingen heb ik mijn twijfels. In dit laatste boek proberen de verschillende personen op hun eigen manier iets van spiritualiteit terug te vinden. De atheïst Paul steekt af en toe een kaarsje aan in de kerk, zijn vrouw vlucht in de bedenkelijke wereld van het Wicca-geloof, terwijl het leven zijn zus Cécile door ultra-conservatief katholicisme wordt beheerst. Houellebecq gebruikt zijn boek als spreekbuis voor zijn eigen bedenkingen tegen euthanasie. Het romantische conservatisme in zijn boeken staat mij tegen. Vluchten in traditionele samenlevingsvormen of in vage spiritualiteit is geen oplossing voor de reële problemen die hij aan de orde stelt.

Boekbesprekingen

Henk Pröpper, Houellebecq slaagt erin de werkelijkheid geheel te omarmen  20 januari 2022, https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/houellebecq-slaagt-erin-de-werkelijkheid-geheel-te-omarmen~ba818768/ 
Ik ben het eens met wat Pröpper in deze bespreking schrijft: “De passages waarin Houellebecq Pauls ouderlijk huis en de familierelaties schetst, zijn van grote schoonheid en relevantie. Hij toont mensen elk met hun eigen eigenaardigheden en soms onbegrijpelijke beslissingen. Ook waar spreken onmogelijk blijkt, is een hoge vorm van vertrouwelijkheid mogelijk. In de beschrijvingen van het contact met Pauls vader gaat Houellebecq ver voorbij de vervreemding van de moderne wereld, en tast hij naar het eigene en intieme, daar waar mensen elkaar woordeloos aanraken. Van de lawaaiige buitenwereld naar een kwetsbare binnenwereld: dat is een opzienbarende stap in zijn oeuvre.”

Daan Pieters, Recensie: Michel Houellebecq – Anéantir, https://www.tzum.info/2022/01/recensie-michel-houellebecq-aneantir/

In de boekbespreking in de NRC wordt benadrukt dat het boek toch het centrale thema van Houellebecq behandelt: het onvermogen van de liberale wereld de mens zingeving te verschaffen:
“Het maakt anéantir tot een Houellebecq-slow, met een ambitieuze inzet en een tragisch-romantische visie op de toekomst van onze samenleving, een roman als een zwanenzang, met een ondertoon van compassie. Ook in Houellebecqs eerdere werk loerde de dood, het grote niets, voortdurend om de hoek. Van het begin af aan stonden het typisch Franse ‘miserabilisme’ en ‘declinisme’ hoog in zijn vaandel. Nu staat Magere Hein werkelijk voor de deur, de auteur wordt ook een dagje ouder en zijn lezers met hem. De liberale veronderstelling was ‘dat hebzucht iedere andere menselijke beweegreden kon vervangen’ en zo het ‘complexe sociale systeem’ in stand zou houden. ‘Maar dat was een vergissing.’ Het was gedoemd ineen te storten, met veel geweld en op korte termijn.”
nrc.nl/nieuws/2022/01/06/in-de-nieuwe-houellebecq-schuilt-het-ongeluk-in-het-gezin-a4075903

Niet iedereen is overtuigd van de literaire kwaliteiten van Houellebecq’s beschrijvingen van de psychologische verhoudingen tussen de personen in het boek. In een commentaar in de NRC schrijft Bas Heijne:
“Het getuigt van literaire moed dat Houellebecq aan zijn schurende ambivalenties, die zijn eerdere werk zo opwindend maakten, wil ontsnappen. Maar de antwoorden die hij in Vernietigen geeft zijn, op een enkele indrukwekkende passage na, vaak banaal en zelfs sentimenteel. Werkelijke intimiteit blijft op afstand. Vandaar wellicht die depressie, waaruit zijn vrouw hem liefdevol wilde verlossen met wat opbeurende porno.”
https://www.nrc.nl/nieuws/2023/03/09/met-vernietigen-probeert-michel-houellebecq-een-psychologische-roman-te-schrijven-a4159034

Uit de vorige eeuw

 

‘t Geboomt, ‘t Gebloemt

Ik woon in de Merenwijk Leiden, vlakbij Warmond. Regelmatig maak ik een ommetje naar één van de dichtbij gelegen gebiedjes, die ik pas goed in de Corona-tijd heb leren kennen. Ik ben niet de enige die dit doet en kom vaak dezelfde collega-zwervers tegen. Interessant zijn mijn ontmoetingen met Benjamin Teensma, oud-hoogleraar Portugees, geboren in 1932. Wij hebben dan leuke gesprekken, bijvoorbeeld over zijn vader die de oude Jac. P. Thijsse persoonlijk kende. Daarbij citeert hij teksten zoals ik hierboven op de foto van Huys te Warmont heb geplakt. De strekking van die tekst is verwant met het bekende (ook door hem geciteerde ) “Laat niet als dank voor ‘t aangenaam verpoozen, den eigenaar van ‘t bosch de schillen en de doozen!”. De bron van de tekst op de bovenstaande foto heb ik tot nu toe niet kunnen achterhalen. Ik heb hem opgetekend uit de mond van de heer Teensma, het hier wandelende geheugen uit een ver verleden.

Klassenstrijd in het bos

Wel heb ik uitgevonden dat de tekst van vóór mei 1920 moet zijn. In een nogal geïrriteerd commentaar in De Tribune (een blad van socialistische signatuur) van 27 mei 1920 windt de schrijver zich op over dit “laffe burgermansrijmpje”. Hij beschuldigt de grondbezitter van diefstal:

‘n Poëtische ontboezeming van den grondbezitter om het van Natuur genietend menschdom er aan te helpen herinneren, dat de aarde haar schoon kleed niet draagt voor heel het menschdom, maar voor slechts enkele bevoorrechten, die niettegenstaande zij zich schuldig maakten aan diefstal, het recht behielden om niet alleen vrij-uit te gaan, maar bovendien het door hen geroofde deel van de Natuur-schepping af te sluiten voor de bestolenen.’k Heb zo’n bordje uit den grond gerukt. «Verboden toegang» liet ik ongemoeid. ‘k Wilde m’n kleeren niet scheuren. Het laffe burgermansrijmpje kon ik echter niet  laten staan. Kinderachtig? Neen, lezer, woede, opgekropte woede door het telkens er aan herinnerd worden, dat een bezittersklasse het recht is gegeven, mij de schoonste natuurscheppingen te ontnemen.” (De Tribune, 27 mei 1920)

Laat niet als dank …

Tekst en plaat uit 1916

In 1916 schreef de ANWB een prijsvraag uit voor een tekst onder een affiche tegen de verontreiniging van bossen door achtergelaten afval. De winnende tekst is de bekende tekst “Laat niet als dank …”.  In de Graafschap-bode (en andere kranten) van 3 maart 1916 is te lezen:

“Op de prijsvraag voor een onderschrift onder de plaat, welke de A.N.W.B. zal uitgeven ter bestrijding van het ontsieren onzer bosschen door vruchtenschillen, eierschalen, boterhampapieren, enz., zijn vrij vele inzendingen gevolgd.
De prijs werd toegekend voor:
Laat niet, als dank voor ‘t aangenaam verpoozen,
Den eigenaar van ‘t bosch de schillen en de doozen.”

Nog in 1916 publiceerde de ANWB een plaat met deze tekst eronder.

Sluikreclame

Niet iedereen was zo blij met die ANWB-plaat. In een artikel uit het Algemeen Handelsblad van 4 augustus 1918 lezen we”:

De plaat uit 1916

“Dichterlijke vermaningen. – De A.N.W.B. wendt zich ook tot het publiek met het verzoek:
«Laat niet, als dank voor ‘t aangenaam verpoozen, den eigenaar van het bosch de schillen en de doozen», en het plaatst dit als bijschrift bij een reclameplaat, een saai en suf ding, dat meer heeft van een reclame voor een zeker merk fietsen (al te duidelijk vermeld op de rijwielen, waarop het stijve paar, dat in zoet gevrij onder een paar groote eiken rust, naar het bosch is komen rijden) en van zekere soorten versnaperingen, waarvan de firmanamen eveneens duidelijk op de doozen en flesschen te lezen zijn.  … … De vlakke fletskleurige plaat zal weinigen opvallen en dus – helaas – maar weinig dienst doen.”

Moderne plaat met oude tekst

Misschien was de ANWB het wel eens met deze kritiek en liet daarom in 1928 een nieuw affiche ontwerpen, nu door Willy Sluiter.

De opvolger van de plaat uit 1916, was moderner, meer aan de geest van de late jaren 20 aangepast. Het paar op de voorgrond is (voor die tijd) modern gekleed en de de kleuren zijn fel en vrolijk. De tekst uit 1916 was ongewijzigd en zou decennia lang bekend blijven. Wie die tekst geschreven had, bleef voorlopig geheim.

 

Bestuurslid wint de prijsvraag

Pas in 1930 komen we erachter wie deze tekst verzonnen heeft. In de Telegraaf van 24 december 1930 staat een kort artikeltje met de titel “LAAT NIET ALS DANK VOOR ‘T AANGENAAM VERPOOZEN ….” en ondertitel “Wie de auteur is”. In de vergadering van het algemeen bestuur van de ANWB spreekt de voorzitter waarderende woorden tot de aftredende bestuursleden Slicher en Kraaijenhoff. Hieraan besteedt ook de Kampioen van die maand aandacht. De Telegraaf zegt hierover:

 “De Kampioen herinnert bovendien aan Slichter’s medewerking aan dat blad en verklapt een klein geheim, door hem aan te wijzen als den auteur van het gevleugelde woord:«Laat niet, als dank….. ….. … doozen», … ... .”

Ik vraag me wel af, of het er bij de prijsvraag van 1916 eerlijk aan toe gegaan is. Volgens mijn informatie was Jacob Hendrik Slicher (1863-1938) van 1896 tot 1930 bestuurslid van de ANWB en vanaf 1901 eerste secretaris.  Als dat klopt, zat Slicher al twintig jaar in het bestuur van de ANWB toen zijn inzending werd uitgekozen voor de affiche van 1916. Eerlijk of niet, zijn tekst werd een succes en nog steeds kennen veel mensen deze meer dan honderd jaar oude woorden uit hun hoofd.

Noten

‘t Geboomt

In een berichtje uit de Haarlemsche Courant van 6 juli 1928 staat de tekst:
“‘t Geboomt, ‘t gebloemt, dat gij hier ziet,
Behoort aan anderen, aan u niet.
Laat vrij uw oog langs alles gaan,
Maar wil er nooit de hand aan slaan.”

Van Benjamin Teensma had ik begrepen: “… uw oog over alles gaan” en “Doch wilt er niet de hand aan slaan”.  Kleine verschillen.

Laat niet als dank …

Klassenstrijd

De achtergrond van dit soort rijmpjes was niet in de eerste plaats natuurbehoud maar de behartiging van de belangen van grondeigenaren. In die zin had de verbale woede-uitbarsting van de socialist in de Tribune wel een reële achtergrond. Op de website van de ANWB lezen we:

“Tijdens de aanleg van rijwielpaden en bij het uitzetten van langeafstandswandelpaden kreeg de ANWB namelijk klachten van eigenaren van landgoederen en bossen. Ze waren boos dat toeristen papier, blikjes, dozen en flessen achterlieten. Grondeigenaren waren bang dat wanneer ze meer toeristen zouden toelaten, hun terreinen ernstig vervuild zouden raken.”  https://www.anwb.nl/over-anwb/geschiedenis/laat-niet-als-dank—actie-zwerfvuil

 

De ANWB-plaat van 1939

Een nieuwere plaat

De ANWB bleef vernieuwen. In 1939 zijn de fellere kleuren behouden, maar ligt het afval weer op de voorgrond zoals in 1916. Het modieuze paar is vervangen door een gezin op de achtergrond.

Rijmpjes in Duitsland

Rijmpjes om de recreant aan te sporen zijn afval op te ruimen, waren niet alleen in Nederland, maar ook in Duitsland populair aan het begin van de vorige eeuw, bijvoorbeeld:

“Was im Stube gilt als simpel Brauch,
behalt das fest im Walde auch.
Lass niemals auf den Boden fallen
Papier, Orangen, Eierschalen.
Halt rein und sauber das Waldlokal,
So seid ihr willkommen allzumal.”
(uit Algemeen Handelsblad, 4 augustus 1916)

Oude kranten

Bij mijn zoektocht naar de oorsprong van de door Teensma geciteerde teksten heb ik dankbaar gebruik gemaakt van oude kranten die allemaal gedigitaliseerd (en doorzoekbaar) op https://www.delpher.nl/ staan. Ook heb ik gebruik gemaakt van ‘Het Geheugen’, een uitgebreid archief van oude plaatjes op dat zelfde delpher: https://geheugen.delpher.nl/nl

____

 

Det tredje riket

Morgenstjern deel 3

In januari van dit jaar schreef ik een blog over het tweede deel van de Morgenster-trilogie van Knausgård, Ulvene fra Evighetens Skog. Ik was niet helemaal overtuigd van dit boek en schreef: “Hij schijnt nog een afsluiting in voorbereiding te hebben. Het wordt dus een trilogie. Afwachten dan maar hoeveel pagina’s het zullen zijn.” Deze zomer kreeg ik van mijn zoon Hans  het inmiddels verschenen derde deel, 483 pagina’s. Gisteren las ik het uit. Ik vond het een mooi boek. Het speelt in dezelfde dagen als de eerste twee delen en alle personen in deel 3 waren al in boek 1 en boek 2 ten tonele gevoerd. Nu worden dezelfde gebeurtenissen vaak door de ogen van andere personen waargenomen en zijn niet echt meer dezelfde gebeurtenissen.

Tove komt uit de coulissen

Nu laat Knausgård Tove, de vrouw van Arne, een van de belangrijkste hoofdpersonen van het eerste deel, zelf aan het woord. Zij beschrijft een aantal dagen vóór het begin van Morgenstjernen en maakt de lezer deelgenoot van haar psychoses die haar isoleren van haar kinderen en haar man. Ook beschrijft zij in detail haar worsteling met haar schilderkunst. Beklemmende passages beschrijven de visioenen die zij op het dieptepunt van haar aanvallen heeft.

Line en Valdemar

Personen met schijnbaar onbelangrijke bijrollen in het eerste deel worden plotseling hoofdpersoon. Gebeurtenissen uit het eerste deel komen soms in een heel ander daglicht te staan. In het eerste boek maken we Solveig mee, hoofdverpleegster in het ziekenhuis waar de hersendode Ramsvik  plotseling tot leven komt. Solveig wordt daar opgebeld door haar dochter Line, die onverwacht een paar dagen wil komen logeren om daar voor een examen te studeren. Het telefoongesprek in Morgenstjernen vinden we letterlijk terug in Det Tredje Riket, met een belangrijk verschil dat nu Line aan het woord is. De lezer kent nu de werkelijke voorgeschiedenis van dit gesprek en is op de hoogte is van de onuitgesproken irritaties die de moeder bij Line teweeg brengt.  We weten nu dat de negentienjarige Line een charismatische zanger in een wonderlijke hard-metalband ontmoet heeft en dat er tijdens een concert in Zweden een relatie met deze vreemde Valdemar ontstaan is. Als zij even later bij haar moeder aankomt, weet zij inmiddels dat zij zwanger is en dat ze het wil kind behouden. Zodra je dat weet, lees je het hoofdstuk in het eerste  boek heel anders. De liefdesgeschiedenis tussen de naïeve (en intelligente) Line en de vreemde (en misschien gevaarlijke?) Valdemar is misschien één van de mooiste stukken van het boek.

Door de ogen van Gaute

In het eerste boek zien we hoe dominee Kathrine 0p weg naar huis besluit in een hotel te gaan overnachten en hoe haar man Gaute haar ervan verdenkt met een andere man geslapen te hebben, zeker als hij een zwangerschapstest in haar tasje vindt. Zij ontkent alles en eist absoluut vertrouwen. Dit zelfde verhaal komt nog eens in het derde deel, maar dan door de ogen van Gaute. Het is toch niet hetzelfde verhaal.

Geir en de duivel

De ‘detective’-geschiedenis uit het eerste deel, de driedubbele moord op de leden van een ultrarechtse hard-metalband en de rol van het overlevende lid Jesper komt natuurlijk ook in het derde deel  niet tot een duidelijke conclusie.  Journalist Jostein ligt nog steeds in coma, maar nu probeert detective Geir de zaak op te lossen. Tussen de bedrijven door lezen we over het onoprechte dubbelleven van Geir. Zijn vriendin weet niet eens dat hij getrouwd is. Geir houdt interviews met degenen die Jesper voor het laatst gezien hebben en bestudeert films die de band van zichzelf heeft opgenomen. Op die films meent hij de schim van de duivel zelf te ontwaren. Als hij later Kathrine vraagt naar het standpunt van de Noorse kerk over het bestaan van de duivel, heeft zij weinig zin hem te helpen.

Hoofdpersoon Syvert

De onbetwiste hoofdpersoon uit het tweede boek, begrafenisondernemer Syvert, speelt ook hier weer een centrale rol. Ook hier komen we pagina’s lange beschrijvingen van allerlei triviale gebeurtenissen tegen. Nu vond ik deze lange beschrijvingen niet altijd goed te verteren en gaf toen toch de voorkeur aan de meer filosofische en abstracte beschrijvingen (met alle verwijzingen naar Bijbelteksten en filosofen) in de tweede helft van het tweede boek. Daarmee is de literatuurcriticus Marius Emanualsen het niet echt eens:

“For meg var Syvert Løyning noe av en genistrek. Han var, kort sagt, det som skulle til for at jeg igjen skulle klare å forelske meg i Karl Ove Knausgård. Hadde Knausgård skrevet fire hundre sider til om Syvert, der han prøvde ut nye fiskeoppskrifter, og tenkte på nakne jenter, ville jeg vært all in. Syvert Løyning illustrerte ikke en døyt. Han var bare Syvert – fra minutt til minutt. Det var mer enn nok, og akkurat det denne idéspekkede apokalypsen trengte for å finne en sårt tiltrengt likevekt.”*)

In het tweede boek heeft Syvert zijn halfzus in Moskou gevonden en ontmoet. Zij zal hem nu in Noorwegen opzoeken. Hij besluit dit niet direct aan zijn moeder te vertellen. Als hij terloops tegen haar opmerkt dat in het oude paspoort van zijn vader veel visa voor Rusland staan, ontkent zij alles: “hij is daar nooit geweest”. Als een paar dagen later een oudere man  hem schrijft  dat hij met hem over een belangrijke zaak wil praten, is hij nog even bang dat hij er ook nog een halfbroer bij krijgt, maar het is de bekende architect Helge, die aan het begin van het tweede boek bekent dat hij als zestienjarige heeft gezien hoe de auto van Syverts vader in het water reed en toen de politie niet had gewaarschuwd. Had hij dat wel gedaan, dan had die vader misschien nog geleefd. Helge wil een soort vergiffenis van Syvert, maar het gesprek wordt niets. Syvert is alleen maar geïrriteerd.

De derde dag

Natuurlijk eindigt het boek zonder enige conclusie. Op de derde dag verdwijnt de nieuwe ster. Hoe het verder gaat, weten we niet.

Is het een goed boek?

Ik vond het een goed boek om te lezen, maar zonder de eerste twee boekdelen zou het niet veel waard zijn geweest. Het verwijst voortdurend naar zaken die de lezer al uit de eerdere duizend pagina’s weet. Dit boek is niet overladen met intellectuele hersenspinsels. Er staan nauwelijks verwijzingen naar de Bijbel in (afgezien van een tekst uit Leviticus) en naar grote filosofen zoeken we te vergeefs. De morgenster zelf en de vreemde gebeurtenissen sinds het verschijnen daarvan krijgen veel minder aandacht, maar de mensen en hun onderlinge verhoudingen komen beter uit de verf. Weer staat het boek vol minutieuze weergaven van banale gesprekken en beschrijvingen van triviale handelingen. Als ergens in detail beschreven wordt hoe iemand een snoepje uit het lastige snoeppapiertje haalt, denk ik soms: nu weet ik wel genoeg. Maar dit is Knausgård. Als je hier niet van houdt, moet je boeken van een andere schrijver gaan lezen. Met de geciteerde Noorse literatuurcriticus Emanuelsen ben ik het wel eens dat dit boek evenwichtiger en overtuigender is dan boek 2 met zijn overmaat aan abstract-filosofische gedachten. Toch mis ik passages zoals Vasilisa’s essay over de geschiedenis van de onsterfelijkheid in Rusland in boek 2 wel een beetje.

Literatuur

Karl Ove Knausgård, Det Tredje Riket, Forlaget Oktober 2023

Marius Emanuelsen, Mønsteret våkner, https://www.vinduet.no/kritikk/monsteret-vaakner-det-tredje-riket-av-karl-ove-knausgaard-anmeldt-av-marius-emanuelsen/  

*) vertaling van het geciteerde Noorse commentaar:

“Voor mij was Syvert Løyning een bijna geniale inval. Hij was, kort gezegd, dat wat er nodig was voordat ik weer in staat zou zijn verliefd te worden op Karl Ove Knausgård. Zou Knausgård nog vierhonderd pagina’s meer over Syvert geschreven hebben, waarin hij nieuwe visrecepten uitprobeerde en zat te denken over naakte meiden, dan zou ik all in zijn. Syvert Løying illustreerde helemaal niets. Hij was alleen maar Syvert – van minuut tot minuut. Dat was meer dan genoeg, en precies datgene dat deze met ideeën overladen apocalyps nodig had om voor een hard nodig tegenwicht te zorgen.”