Fietsen langs de Oostzee

De reis en de fiets

Toch maar een weekje fietsen in Polen dit jaar, nu niet in juni maar in september. Om gezeur met fietsvervoer te vermijden had ik een fiets gehuurd in Międzyzdroje aan de Oostzee niet ver van Duitsland. Voor de treinreis op 15 september vond ik maar een nieuw woord uit: dagmerrie. Niet alleen uitgevallen treinen, gemiste overstappen, in één minuut naar een ander perron rennen, maar ook Duitse conducteurs die je in de restauratiewagen toeblaften dat je tussen twee slokken bier “die medizinische Mund-Nase-Bedeckung” weer moest aanbrengen. Het verontrustende was dat niemand lachte (behalve ik) als zo’n idioot zo tekeer ging.

Ik haalde op het nippertje mijn bestemming in Polen, waar het er allemaal veel relaxter aan toeging. De volgende dag stond mijn ‘rower trekkingowy’ voor me klaar, die ik per Facebook had gereserveerd voor €4,40 per dag. Een stevige fiets met brede banden, niet erg soepel schakelend, maar goed voor de niet altijd even goed verharde fietspaden.

Fietsen langs de haffenkust

De route was steeds Oost of Noordoost. Pas de laatste dag zou ik weer wat naar het Zuiden reizen. Helaas was na iets meer dan een dag fietsen de wind naar het Noordoosten gedraaid, waardoor ik vooral met tegenwind heb gefietst, wel goed voor mijn conditie.

Het begin was meteen schitterend door het Woliński Park Narodowy, een nationaal park op een eiland omringd door zee en binnenmeren, bekend om de grote concentratie zeearenden en de bizons die er gefokt worden. De zeearenden zag ik en ook een groep rode wouwen.

Na dit nationale park gaat het lange tijd langs de Oostzeekust. Het fietspad loopt kilometers lang een paar honderd meter van de zee door uitgestrekte bossen, die vooral uit grote dennen bestaan. Hier en daar is een overgang naar het niet al te brede strand dat meteen achter het bos begint. De ritten door het bos worden regelmatig afgewisseld door het bezoek aan talloze badplaatsen. Die bestaan uit eindeloze restaurants voor gebakken vis en pizza afgewisseld door pensions, appartementen en huisjesterreinen, niet bijzonder aantrekkelijk, wel handig als je wat wilt eten of drinken.

Op de landtong bij het Kopań-meer

Na iets meer dan twee dagen fietsen kwamen de leukste trajecten over de landtongen tussen de zee en de grote binnenmeren van deze ‘haffenkust’, zoals het Jamno-meer bij Mielno en het Kopań-meer voorbij Darłowo. Schitterend zoals je daar over een smalle strook land fietst met links uitzicht over de Oostzee en rechts uitzicht op het meer.  Bij niet alle meren is die landtong goed befietsbaar. In dat geval reed ik om het meer heen. Op het moment dat ik een paar kilometer van de kust het binnenland in fietste, kwam ik een heel andere wereld tegen, een wereld die ik kende van mijn andere Poolse avonturen, een wereld waar vrijwel niets is, alleen kleine winkeltjes, bijna geen restaurants, wel hier en daar een Agroturystyka, een boerderij die kamers verhuurt of hele huisjes voor minder €20 per nacht. De tweede en derde nacht sliep ik bij zo’n boerderij.

Erg veel contact met de Polen had ik niet deze vakantie. Het beperkte zich tot een praatje wanneer ik bij een hotel of een Agroturystyka aankwam (waar ik geen maaltijden heb gebruikt) en tot bestellen en afrekenen in restaurants en winkels. Dat ik Pools praatte, vonden de mensen nogal bijzonder.

Slowiński Park Narodowy

Aan het eind van de vierde dag kwam ik bij het prachtige Slowiński Park Narodowy aan, een van de mooiste natuurgebieden van Polen, bekend van zijn wandelende duinen, maar er is veel meer moois, zoals uitgebreide moerassen en meren met alle bijzondere vogels en planten die erbij horen. Het park is genoemd naar een volk dat hier vroeger woonde. Ik overnachtte in Kluki, dat eigenlijk één groot openluchtmuseum is van vakwerkhuizen van dat Slowiński-volk, in een klein huisje naast een boerderij.

Door modder en over oude spoorwegen

Het was goed dat ik niet verder was gefietst die avond, want wat ik de volgende ochtend tegenkwam, had met fietspaden niets te maken. De  ‘weg’ naar Skórzyno loopt door een moerasgebied. Ik las op een bordje dat ze het gebied natter aan het maken waren voor de bevers. Dat was te merken. Het pad bestond uit modderige graspollen en plassen.

Hier en daar waren houten vlonders neergelegd, maar die sloten nergens aan het begin en het eind op de modderige grond aan. Mijn gemiddelde snelheid daalde ver onder de 8 km/u. De rest van de dag was minder moeilijk. Ik fietste ten Zuiden van het Łebsko-meer naar Łeba en verder. In 2003 waren we er met het gezin geweest om naar de wonderlijke duinen te kijken. Na Łeba fietste ik ten Zuiden van het volgende meer  (Sarbsko) en vandaar weer naar de kust. Voordat ik bij mijn eindbestemming Białogóra aankwam, ging de tocht door een prachtig bos. De lage avondzon scheen door de dennenbomen. Overal kwamen de paddenstoelen uit de grond. Het was herfst geworden.

Fietsen als een trein

De laatste fietsdag ging alleen het eerste stukje nog door het bos. Daarna beheerste uitgestrekte stukken bouwland het beeld. Een mooie verrassing was het prachtige fietspad over de oude spoorlijn Krokowo-Swarzewo. Aan het eind hiervan kwam ik bij de baai van Gdańsk uit. Aan de horizon was de grote landtong naar Hel tegenover Gdynia te zien. Vanaf hier ging de route niet meer naar het Oosten, maar naar het Zuiden, eerst naar Puck en dan naar Gdynia. Puck is een aardig provinciestadje met marktplein (Rynek) zoals veel Poolse plaatsen.

Einde van de fietstocht

Vanaf hier fietste ik naar Gdynia. Het was even schrikken toen ik de flatgebouwen, havens, spooremplacementen en fabrieken naderde. Door een navigatiefout kwam ik nog bij een opslagplaats voor containers terecht. Toen een soort heftruck met zo’n container in mijn richting begon te rijden, maakte ik rechtsomkeert en vond een goede route naar het station van Gdynia, waar ik op de trein naar Gdańsk stapte.

Na een bezoek aan Gdańsk nam ik de trein terug, niet naar Leiden, maar naar het beginpunt van de fietstocht, Międzyzdroje, om mijn fiets in te leveren. Toen de jonge vrouw van de fietsenwinkel mij aan zag komen, moest ze hard lachen en zei in het Engels: “You made it, you are back, you are still alive!”, alsof ze het niet kon geloven.

Pas de volgende dag reisde ik terug naar Leiden, zonder fiets. Alweer grote vertragingen en andere ergernissen, maar om 23:15 was ik thuis.

Meer over fietsen in Polen op de volgende pagina.
Fotoalbum op deze pagina (wachtwoord vereist)

____

 

 

Een huisje in Bourgogne

Het huis van Charlotte

Niet lang voor ons vertrek naar Frankrijk was het dan toch gelukt een huisje in Bourgogne te huren. Alles was al verhuurd op de verschillende websites die ‘gîtes’  op het Franse platteland aanbieden. Dan maar even AirBnB geprobeerd: bingo, we vonden nog een huisje. Beter: we vonden een groot huis, een verbouwde boerderij, met drie slaapkamers, twee badkamers, een gigantische zitkamer en een voor 12 personen ingerichte woonkeuken, in het gehucht Chalvron, iets meer dan 15 km van Vézelay.

Het huis in Chalvron

Het huis wordt beheerd door de Engelsman Robert, die 15 meter verder aan dezelfde straat een huis bezit. Het is eigendom van zijn in de Verenigde Staten wonende dochter Charlotte en haar man William.Het staat vol met de oude en soms heel persoonlijke spullen van de familie. Je bent in het huis van iemand anders.

Kamers

De woonkeuken

Het oude woongedeelte is tot  keuken omgebouwd en van de schuur heeft hij een gigantische meer dan 10 meter hoge zitkamer gemaakt. Twee slaapkamers en een badkamer komen uit op een balustrade die op de zitkamer met zware fauteuils en zelfs een piano uitkijkt. De kamer is zo groot dat er versieringen als een volledige roeiboot en een groot tapijt aan  de muur konden worden gehangen.

De zitkamer: gezicht vanaf de balustrade

Onze slaapkamer en badkamer bevond zich boven de keuken. Ook die slaapkamer had geen gebrek aan ruimte. In een nis vlak onder het dak stond als versiering een verzameling oude voorwerpen zoals een oude kinderwagen, en – last but not least – een historische motorfiets. In de ruime badkamer was er genoeg ruimte voor een grote naaimachine.

Chalvron

Uitzicht vanaf de kerk bij Chalvron

Chalvron is een gehucht van niets aan de rand van de Morvan in Bourgogne. Het is een aangenaam glooiend landschap. De bergen zijn nergens hoog, maar overal kronkelen de vaak steile wegen langs heuvels en riviertjes. Ik was blij dat ik hier niet hoefde te fietsen. Niet ver van Chalvron is het wereldberoemde Vézelay, maar het voordeel van  Chalvron is de totale afwezigheid van toerisme. Er is daar niets, niet eens een bakker.  De bakkerij ligt op 10 km afstand in het plaatsje Saint-Père, maar helaas was de bakker net overleden. Tijdelijk was er aan de overkant van de weg bij de ‘Vival’ brood te krijgen. Daar reed ik elke ochtend dan maar even heen. Onderweg kon ik dan even mijn WhatsApp en e-mail controleren, want in ons huis was geen internet en ook geen mobiel bereik.

De kerk van Saint-Aubin-des-Chaumes

Een van de mooiste plekjes bij Chalvron is de kerk uit de 15 eeuw van Saint-Aubin-des-Chaumes op heuvel met mooi uitzicht over het bourgondische landschap. Je kunt er wandelen. Verder is er niets te doen.

Robert

Robert, onze gastheer, is een excentrieke Engelsman uit Oxford. Hij houdt van praten en elke keer dat we hem tegenkomen, doet hij dat ook voluit. Zelf hoeven we niet veel te zeggen. Wij horen veel over zijn uitgebreide familie en over zijn hobby’s zoals het opknappen van oude auto’s, waarin hij ook regelmatig rijdt. Ook vertelt hij amusante verhalen over merkwaardige mensen die in Chalvron wonen. Hij vertelt over interessante gasten, zoals een volledig a-capella koor dat het huis als oefenruimte gebruikte. Bij een huisconcert konden de luisteraars op de balustrade bij de slaapkamers naar de mooie koormuziek luisteren. Hij knapt nog een paar fietsen voor ons op, waar we tenslotte niet op rijden: te slecht weer. Hij helpt ons met het perfect aanmaken van de gerieflijke houtkachel die in onze zitkamer staat. Hij wijst ons er met klem op dat we geen fruit in op de tafel of de grond mogen laten liggen om geen ‘lérots’ aan te trekken. Wij weten niet wat dat zijn. Hij beschrijft ze als een soort muizen met grote oren en ogen en een lange staart. Pas later zullen wij begrijpen wat hij daarmee bedoelde.  Zie daarvoor dit verhaal. 

____

Slapeloos door de slaapmuis

Ruime slaapkamer

Nog nooit zo’n groot huis gehuurd. Nog nooit zo’n grote slaapkamer gehad op vakantie. Daar sliepen we dan boven de gigantische keuken in de kamer waar als versieringen een oude kinderwagen, een oude fiets en een historische motorfiets in een nis onder het dak waren neergezet.

De slaapkamer

Buiten was het heerlijk rustig. In het dorp Chalvron gebeurt nooit iets, zeker niet ‘s nachts. Toch was het binnen niet echt rustig. Allerlei onduidelijke geluiden – geknaag, trippelende pootjes, een val van een meter naar beneden? – hielden ons uren uit de slaap.

Hier liepen de eikelmuizen als het donker werd …

 

Motor Mouse

Waren dit dan de ‘lérots’ waarvoor Robert ons nog gewaarschuwd had? Soms kreeg je het idee dat er zo’n beest van grote hoogte van onder het dak rechtstreeks in de motorfiets of de kinderwagen viel. Tenslotte vielen we wel in slaap. Wij gaven onze vriend de bijnaam ‘Motor Mouse’, bekend van Engelse kinderboekjes.

De volgende dag meldden wij het probleem aan Robert. Hij moest tot zijn spijt erkennen dat de ‘lérots’ bij het koude weer van het moment de zolders van huizen en schuren opzochten. Andere bewoners in de buurt hadden er ook last van. We zochten op Google en Wikipedia nadere informatie over die interessante beestjes op en vonden snel heel veel.

Het bleek om een eikelmuis te gaan, in het Engels een ‘Garden dormouse’ geheten, een woord waarin het Franse ‘dormir’ zit. De eikelmuis is geen echte muis, maar van de familie van slaapmuizen, muizen die een winterslaap houden. De eikelmuis houdt wel een erg lange winterslaap, soms van tot 7 maanden. Voordat het beestje aan die slaap begint, eet het zich zo vol dat hij met zijn bolle lichaam nauwelijks meer kan lopen.

Zevenslaper

Eikelmuis – Lérot – Garden Dormouse

Wij waren ons er niet van bewust, maar eigenlijk kenden wij de naaste familie van de eikelmuis, de relmuis (‘Edible dormouse’), al heel lang als een hoofdpersoon in het hoofdstuk ‘A Mad Tea Party’ (‘Een dolle theevisite’) in Alice in Wonderland van Lewis Caroll (1865). In de Nederlands vertaling heet de ‘Dormouse’ de ‘Zevenslaper’ en zit hij, vast in slaap tussen de Maartse Haas (‘March Hare’) en de Hoedenmaker (‘Mad Hatter’). Af en toe wordt hij wakker en zegt dan dingen als “`You might just as well say that I breathe when I sleep is the same thing as I sleep when I breathe”!’ 

De zevenslaper tussen de Maartse Haas en de Hoedenmaker (originele illustratie uit de Engelse uitgave)

Onze slaapmuis was dus een net iets andere soort dan het slaperige beest in Alice in Wonderland. Een of meer slaapmuizen hadden de warmte en de droogte onder het dak van ons huis opgezocht. Slapen deden ze ‘s nachts helemaal niet, maar hielden ons door te lopen, springen, vallen en knagen behoorlijk uit de slaap.

Bedreigd

Het was ooit een tamelijk algemeen knaagdier in grote delen van Europa maar wordt overal met teruggang en zelfs uitsterven bedreigd. De lege ruimtes in oude huizen en schuren die zij voor hun uitzonderlijk lange overwintering nodig hebben, komen steeds minder voor. In de perfect geïsoleerde en afgesloten huizen van tegenwoordig is geen ruimte meer voor wat wij ongedierte noemen.

Toevluchtsoord voor slaapmuizen

Toen wij twintig minuten weg waren om boven in te pakken voor de terugweg, bracht een eikelmuis een bezoek aan de keuken en legde daar een spoor van kleine donkere uitwerpselen neer. Toen Robert dit hoorde, besloot hij meteen een val neer te zetten. Ik heb hem erop gewezen dat het om een beschermde en bedreigde soort gaat en hem gevraagd het beest een paar kilometer verder in het bos los te laten. Hopelijk heeft hij mijn advies opgevolgd.

Meer informatie

Over slaapmuizen zie de Wikipedia-pagina.
Specifiek over eikelmuis en de relmuis.

Alice in Wonderland (Nederlands, Engels)

___

Van grutto’s tot grutto’s

Vogels kijken in het Corona-jaar

Van grutto’s tot grutto’s

Op zaterdag 21 maart 2020 stond ik grutto’s te fotograferen in de Polders Poelgeest. Voor het eerst stonden de fotografen op gepaste afstand van elkaar en keken niet in elkaars camera’s of kijkers. Het virus, dat al voor de nodige problemen in China had gezorgd, was bij ons aangekomen. Op 8 maart waren we nog met de vogelwerkgroep naar het Leersumse veld geweest, maar dat zou heel lang gaan duren voordat zo’n uitspatting van uitbundig sociaal contact weer zou mogen.

Op 17 maart 2021 sta ik op dezelfde plek weer te fotograferen. Misschien fotografeer ik wel een paar van dezelfde grutto’s, waarvan er ook dit jaar een aantal een tussenstop tussen de flats van Poelgeest hebben gemaakt om vervolgens naar IJsland door te vliegen. Een jaar geleden kende ik het verschil tussen onze inheemse grutto (limosa) en de IJslandse variant nog niet.  Nu geniet ik extra van hun donkerrode kleuren die oplichten in het licht aan het einde van de winter.

De gebiedjes

Dit was het jaar van de kleine gebiedjes dichtbij huis. Verre reizen en excursies met veel deelnemers waren dit jaar geen optie. Omdat ik dit jaar pas echt met pensioen ben gegaan gegaan, kreeg ik wel veel meer tijd voor hobby’s. Naast muziek zijn dat vooral fotograferen, talen leren en genieten van de natuur. Lange buitenlandse fietstochten staan even in de wacht. Zoals miljoenen andere Nederlanders ben ik mijn directe omgeving veel intensiever gaan verkennen

In het Noorden van Leiden, vlakbij Warmond en Oegstgeest, is er geen gebrek aan interessante kleine gebiedjes. Vlakbij huis zijn dat het Park Merenwijk, de Strengen, Polders Poelgeest, Koudenhoorn en Huis te Warmont.

Polders Poelgeest is een goed voorbeeld van natuur zoals die in de Randstad tussen de flatgebouwen wordt aangelegd. Met wilde natuur ver van de menselijke beschaving heeft deze niets te maken. Waar elke vijf minuten een trein langs raast, staan in de zomer de lepelaars in de ondiepe plas te vissen, zwemmen pijlstaarten, winter- en zelfs zomertalingen en zingen kleine karekieten, blauwborstjes en rietgorzen. Visdiefjes duiken voortdurend in het water, terwijl de flatbewoners hun ramen moeten sluiten tegen het oorverdovende gekrijs van kokmeeuwen.

De laatste overblijfselen van de Zwanburger polder (zie ook elders op deze site), de Strengen (en Tengnagel) en Koudenhoorn zijn mijn lievelingsgebiedjes waar je naast allerlei rietvogels regelmatig ijsvogels kunt aantreffen. Wat er nog echt van de oorspronkelijke Zwanburger polder over is, kan je pas weer bereiken als het bootje weer mag varen. Dan is het een schitterend gebied voor weidevogels als grutto, kievit en scholekster.

Bij het huis te Warmont is van alles te zien, niet alleen vogels. In het voorjaar de schitterende kleuren van de rododendrons, in de herfst de prachtige paddenstoelen en het hele jaar door allerlei vogels, inclusief koperwieken, vuurgoudhaantjes en allerlei mezen. Ik heb ze nog nooit gezien, maar de dode bomen schijnen een woonplaats te zijn voor bijzondere vleermuizen.

Relatief recent voegde ik nog twee gebiedjes aan mijn lijst toe: de Munnikenpolder (of wat daarvan over is) bij Leiderdorp en de Boterhuispolder bij de uitvalweg van Leiden Noord naar de snelweg. Vooral het eerste gebiedje is erg interessant, vooral voor eenden, ondanks de grote nabijheid van de A4.

Ik bezocht deze gebieden heel vaak alleen, maar ook regelmatig met enthousiaste collega-vogelaars en -fotografen. Ik maakte  mooie wandelingen over Koudenhoorn met Arthur Staal (Zie ook de mooie website van Arthur Staal). Met Renée Schermervoest ging ik op de Strengen op ijsvogeljacht. Met Stan v.d. Laan keken we naar goudhaantjes op Koudenhoorn en naar mooie paddenstoelen bij Huis te Warmont. Arthur liet mij ‘zijn’ gebiedje, Duivenvoorde, zien en we gingen ook nog eens naar het Heempark Leiden en het vlak daarbij gelegen Landgoed Oud Poelgeest, waar we zelfs vuurgoudhaantjes konden fotograferen.

De gebieden

Hoe mooi die gebiedjes ook zijn, ze gaan mij zo langzamerhand vervelen. Niet alleen ken ik ze nu te goed, maar ze zijn ook te druk geworden. Want ik ben niet de enige Coronawandelaar. En sommige wandelaars kom ik ook erg vaak tegen. Daarom voelt het als een bevrijding, om eens naar ‘echte’, grotere gebieden te gaan. Nog één keer was er een onofficiële excursie van de vogelwerkgroep naar Voorne. Zie hiervoor een apart verslag.

De reis naar Normandië in onze zomervakantie was heel mooi, maar leverde niet zoveel ‘natuur’ op. Zie hiervoor de verschillende blogs te beginnen met ons bezoek aan Bergues.

Onze geplande reis naar onze zoon in Noorwegen – altijd goed voor mooie zeearenden en andere zeevogels – hebben we al twee keer moeten afzeggen door het Coronabeleid van dat land. In plaats daarvan zijn we wél twee keer naar de bossen en één keer naar de zee gegaan.

In Epe huurden we in de herfstvakantie een heel klein huisje. We maakten prachtige wandelingen door de bossen en door de hei. Geen opzienbarende waarnemingen, wel prachtige paddenstoelen in mooie bossen, waar de zwarte spechten zich toch niet lieten zien. In de kerstvakantie bezochten wij één van mijn absolute lievelingsgebieden, het Dwingelderveld en omgeving. Een mooier en stiller bos- en heidegebied is er niet in Nederland. Ondanks het beestachtige hebben we weer erg genoten, ook van het bezoek van onze kinderen.

In de voorjaarsvakantie volgde een bezoek aan het andere topgebied in Nederland: Texel. Vanuit het huurhuisje achter de Waddendijk kon je zo naar de Schorren lopen en daar vele duizenden vogels zien, waaronder wulpen en rosse grutto’s. Niet ver daarvandaan zaten duizenden rotganzen en honderden kluten. In de zee zwommen de eidereenden.

De seizoenen

Voorjaar

Het Coronajaar begon aan het eind van de winter, bijna in het voorjaar. Net zoals nu genoot ik van de grutto’s in de Polders Poelgeest. Het hoogtepunt in april waren wel de krooneenden die bij de Strengen verschenen. Niet veel later zwom er in de Polder Poelgeest een prachtige zomertaling. Overal liepen al snel de ganzenkuikens rond. De eerste grote dagvlinders, zoals dagpauwoog, waren vanaf half april te bewonderen. Op de Strengen verschenen de tapuiten, terwijl de kikkers uit hun schuilplaatsen waren gekomen. Met Petra genoot ik van de rododendrons die bij Huis te Warmont eind april de rododendrons in volle bloei stonden. Grote groepen Lepelaars vertoefden vanaf eind mei  in de Polders Poelgeest en stonden daar naast de grutto’s in het ondiepe water. Het leven in ‘mijn’ gebiedjes werd steeds uitbundiger en kleurrijker: karekieten, rietzangers, fitissen, prachtige vlinders en steeds meer hommels en bijen.

Zomer

Mijn zomer begon met een grauwe vliegenvanger op de Strengen. Regelmatig ging ik nog eens kijken naar de lepelaars in de polders Poelgeest, die driftig achter hun visjes of kreeftjes aan liepen. Een grappige manier van vissen.

Steeds meer vlinders, zoals koolwitjes en dagpauwogen, libellen, hommels, bijen en zweefvliegen, waarvan ik de naam niet weet. Ik bekwaamde mij in het fotograferen van zangvogels in het riet, waarbij vaak helaas het riet scherp in beeld kwam en de vogel vrijwel onzichtbaar bleef. In Frankrijk genoten Petra en ik van de rustige stranden, maar zagen geen bijzondere vogels, wel leuke schelpen en zeeslakken (zoals muiltjes). Toen we in Nederland terug waren, zaten er op de Strengen ijsvogels en de eerste pogingen ze te fotograferen lukten redelijk. Veel plezier beleefde ik aan de grote libellen, die ik met een telelens – en veel geduld – vastlegde. Inmiddels waren er veel distelvlinders verschenen en werd het herfst.

Herfst

Mijn ijsvogeljacht ging onverminderd door. Zie hieronder. Inmiddels waren er bulldozers op de Strengen verschenen. Waar een heerlijk ruig natuurgebiedje was ontstaan, werd nu door de ambtenaren en ingenieurs iets nieuws aangelegd met veel water en zo. Misschien wordt het wel mooi. Zie hiervoor mijn andere blog. In de verschillende App-groepen verschenen opgewonden berichten over de sneeuwgors, die zich in de Polders Poelgeest zou bevinden. Die moest ik ook zien en fotograferen.

Mooier dan de fotootjes van de sneeuwgors werden mijn composities met aalscholvers.  Zie ook mijn blog over vogelfoto’s.  Herfst is misschien het mooiste jaargetijde voor fotografie, vooral van de bomen in herfstkleuren en paddenstoelen, die ik in het Merenwijkpark en bij Huis te Warmont meerdere malen fotografeerde.

Als ik geluk had, kwam ik ook nog eens een groepje staartmezen tegen. Helemaal mooi waren de herfstkleuren in Epe eind oktober. Gedurende deze herfst heb ik veel koperwieken gezien, soms heel dichtbij huis bij de Merenwijk, soms in de verschillende gebiedjes bij Warmond. Hetzelfde geldt voor Puttertjes, die op verschillende plekken in grote groepen te zien waren. Zoals gebruikelijk rond deze tijd, verschenen op veel plaatsen weer smienten in grote hoeveelheden. Wat een mooie vogel is dat toch!

Winter

Onze winter begon in Dwingeloo. Afgezien van de wilde zwanen en de rietganzen op het boerenland niet ver van het dorp, die ik daar elk jaar zie, waren er geen bijzonderheden als kuifmezen of appelvinken deze keer, maar daar was het weer ook te slecht voor.

In januari zag ik weer regelmatig de ijsvogel op Koudenhoorn. Eind januari en begin februari begon het flink te vriezen, wat mooi plaatjes opleverde van ijsschotsen, ijspegels en vogels in de sneeuw en op het ijs. Voor de ijsvogel was dit geen goede tijd, maar ze schijnen het overleefd te hebben.

En toen was het, hoewel nog lang geen voorjaar, wel voorjaarsvakantie op Texel. Over de vele duizenden vogels boven het wad en achter de dijk heb ik hierboven al geschreven. Biomassaliteit puur! Begin maart verschenen er in de Polders Poelgeest mooie pijlstaarten en die zwommen tussen de eerste grutto’s door. Het baltsen van de futen was een teken dat het voorjaar snel zou komen. Zo ook het verschijnen van een grote hoeveelheid, deels IJslandse, grutto’s. Het jaar – het Coronajaar – was rond.

Opnieuw voorjaar

De Corona-ellende is nog niet voorbij. Maar daar trekken de vogels zich niets van aan. Opnieuw zitten er schitterende grutto’s in de polders Poelgeest. Het wachten is op lepelaars, zomertalingen en nog veel meer. De ganzen zijn zich al op de voortplanting aan het voorbereiden en maken een hels kabaal. Prachtige slobeenden en wintertalingen zwemmen en vliegen in de koel voorjaarszon.

IJsvogeljacht

De combinatie vogels kijken en fotograferen leverde mij dit jaar veel plezier en een paar mooie plaatjes op. De ijsvogels, eerst op de Strengen en later vooral op Koudenhoorn, waren wel het hoogtepunt. Op de Strengen stond ik af en toe samen met Renée op het verschijnen van de blauwe flits te wachten. Op Koudenhoorn deed ik met Arthur hetzelfde. Eén probleem: deze kleine vogeltjes zitten vaak te ver weg om goed met een telelens van 600 mm vast te leggen (zie ook deze pagina). Maar op Koudenhoorn lukte het soms om hem bij mooi weer op een tak tegenover een van de bankjes in het stiltegebied in de lens te krijgen.

IJsvogel (Koudenhoorn)

En de lijst?

Een echte vogelaar heeft een lijst. Ik heb geen lijst. Ik ben dus geen echte vogelaar. Maar als ik zo’n lijst zou hebben, zou er in dit Coronajaar wel een roze spreeuw op staan, die ik toevallig in de duinen bij Wassenaar zag, toen ik mij afvroeg waar al die andere vogelaars naar stonden te turen. Verder staan er geen echte zeldzaamheden op die lijst, wel leuke vogels zoals tapuiten, krooneenden, wilde zwanen en zomertalingen. Maar ik ben eerder onder de indruk van duizend rosse grutto’s dan van één roze spreeuw.

Wupen, rosse grutto’s, scholeksters (De Schorren, Texel)

____

Kleine vakantie

Bijna alles is klein deze keer. Het huisje (één kamer) is zo klein dat je van de eettafel zo in bed kunt rollen. Wij bevinden ons in een plaats met drie letters (Epe) en het gezelschap is ook niet groot: twee personen.

Ja, de bomen zijn zo hoog dat je geen idee hebt wat voor kleine vogeltjes er van kruin tot kruin vliegen. En het bos is groot. Lange statige lanen met eiken of beuken er langs worden afgewisseld door romantische slingerpaadjes, door paardenhoeven omgeploegde ruiterwegen en kaarsrechte betonstroken waar de geëlektrificeerde overjarige Nederlander overheen suist, zijn/haar blik gefixeerd op het LCD-schermpje dat aan het te hoge stuur is bevestigd.

Daar lopen we dan. De bossen zijn mooier dan we ons van vorige bezoeken herinnerden. Vooral de hoge dennen zijn mooi. Zij hebben het voordeel dat de meeste takken bovenaan zitten en niet zo’n donker ondoordringbaar bos vormen als die sombere sparren. Bij sparren zie je soms door het bos de bomen niet meer. Herfst is overal een mooi jaargetijde, maar zeker hier. De kleuren zijn nog volop in ontwikkeling maar hier en daar kan je al genieten van sterke contrasten tussen gele beuken tegen de achtergrond van donkergroene dennenbossen en paarsbruine heidevelden.

De mooie berkenstammen zorgen voor mooie contrasten en een ritme in het landschap wanneer er tientallen op een rijtje staan. Onderaan die bomen schieten de paddenstoelen met grote vaart uit de grond. Even krijgen we een glimp te zien van het wonderlijke leven dat zich in de diepe duisternis afspeelt: prachtig felgekleurde vliegenzwammen, andere amanieten en een grote verzameling bruine en kleurloze zwammen die uit dode boomstronken groeien, zoals sponszwammen.

In de verte lacht een specht. Het zou een zwarte specht kunnen zijn. Die zitten hier zeker, maar hij laat zich niet zien en we horen ook geen geroffel. Hoog over de bomen vliegen zwermen lijsterachtigen, waarschijnlijk kramsvogels maar ze blijven te ver weg. Er vliegen regelmatig vinken en af en toe een groepje puttertjes. Overal hoor je de bonte specht en af en toe zie je er een langs een stammetje klimmen en dan weer wegvliegen.

De merels vliegen regelmatig door de lagere regionen van het bos. Het hadden er veel meer kunnen zijn als het usutu-virus niet zo onder de populatie had huisgehouden.

Als we nu niets doen, doet het Covid-virus iets dergelijks met de mensenpopulatie, maar we doen wel iets, dat wil zeggen: we doen steeds minder. Geen gezellig terrasje op de helft van onze wandeling naar de Renderklippen of de Dellen, maar op een door de toeristenindustrie ter beschikking gesteld bankje een kopje koffie uit een thermoskannetje en daarbij een goed belegde boterham. Er komt een gezelschap langs waarvan één wandelaar vrij slecht ter been is. Als we hem een deel van ons bankje aanbieden, reageert hij bijna verontwaardigd: “Dan kan ik de voorgeschreven afstand niet aanhouden!”. “Sorry – even vergeten”. Even later verlaten wij het bankje en kan er volgens de regels op gezeten worden.

Wij lopen terug naar ons piepkleine huisje. Daar schenken we een bokbiertje in en koken boerenkool met worst. Herfst 2020.