Vogels in het donker flitsen

Waarom?

Waarom zou ik vogels in het donker flitsen? Misschien zijn er meer toepassingen, maar ik heb het gedaan om halsbandparkieten te tellen. Deze gaan ‘s avonds met groepen van soms wel meer dan vijfhonderd exemplaren in een boom zitten.  Er zijn verschillende methoden om ze enigszins betrouwbaar te tellen. Eén methode is om de aanvliegende groepjes van rond tien tot veertig parkieten te registreren. Dan weet je tenslotte wat er ongeveer in de boom moet zitten. Een andere methode is te wachten totdat ze allemaal zitten, rond een uur na zonsondergang en ze dan in de boom te tellen. Het vervelende is alleen dat het dan zo donker is dat je ze niet meer ziet. Een mogelijke methode is dan ze te flitsen. Het is mij redelijk goed gelukt zo. Ik beschrijf hier een paar technische details.

Een nadeel van deze methode is mogelijke verstoring. Bij de halsbandparkieten heb ik daar zelf in eerste instantie niets van gemerkt. Er ontstond geen enkele onrust tijdens of na het flitsen in het donker. Helaas verstoorde ik de vogels wél toen ik ze een keer bij aankomst flitste toen het nog niet zo donker was. 

Er zijn dus redenen zijn deze methode niet toe te passen. Een minder verstorende methode is het gebruik van een (dure) warmtecamera.
Zie hiervoor deze link
.

Hoe ver kan ik flitsen?
Mijn combinatie: Nikon D610, SB-700 flitser, oeroude Nikon 50 mm f/1,4 – lens.

Hoe goed een flitser ook is, naarmate je onderwerp verder weg staat, hoe minder licht per vierkante meter op het onderwerp valt. Omdat de oppervlakte van het gefotografeerde vlak met het kwadraat van de afstand tot de flitser toeneemt, is het duidelijk dat de belichting op 12 meter 4 keer zo zwak is als op 6 meter. Moderne elektronenflitsers geven een variabele hoeveelheid licht af, in de regel op basis van het TTL-systeem (‘through-the-lens’). De camera meet hoeveel licht er binnenkomt en stopt de flitser zodra er genoeg is en dat alles in een fractie van een tienduizendste seconde.

De maximale hoeveelheid licht wordt gegeven door het zogenaamde richtgetal bij 100 ISO. Mijn flitser heeft een richtgetal van  28. De maximale afstand bij ISO 100 wordt gegeven door het richtgetal te delen door de diafragmawaarde. Bij een diafragma 4 en ISO 100 kan ik met mijn flitser tot  7 meter fotograferen. Bij een vier keer zo hoge ISO wordt die maximale afstand twee keer zo groot: 14 meter bij ISO 400, 28 meter bij ISO 1600, 56 meter bij ISO 6400 (zie het tabelletje). Met moderne camera’s is er dus geen enkel probleem. Die kunnen met een goede flitser ver genoeg. Met een iets krachtigere flitser (zoals de Nikon SB-800) kom je nog iets verder: 72 meter bij ISO 6400. Zet ik mijn 50 mm-lens helemaal open op f/1,4, dan kan ik bij ISO 6400 meer dan 150 meter ver flitsen!

download het tabelletje

Hoe moet ik de camera instellen?

Al het bruikbare licht komt uit de flitser. Het omgevingslicht speelt geen rol. Daarom kan gewoon met M (manual) gewerkt worden. Een bruikbare instelling:

  • M-stand camera, dus niet A of S. Sluitertijd: de kortste tijd, die voor flitsen op de camera toegestaan is, bijv. 1/250.

    Op de flitser staat alles standaard, dus ook TTL aan.
  • Een standaardlens, bijv. 35 mm voor een APS-C camera  of 50 mm voor een full-frame camera. Het voordeel van ouderwetse prime (= niet zoom) lenzen is dat ze vaak een grote lensopening hebben, soms wel f/1,4. Maar een zoom in hetzelfde bereik kan goed werken. De lens dient een handmatige afstandsinstelling te hebben (met een venstertje waar je de ingestelde afstand kunt aflezen, zie linker plaatje boven, zo niet zie P.S.). De lens moet op een grote afstand worden ingesteld. In de regel is dit oneindig. Eventueel bij daglicht een keer testen.
  • Diafragma niet te open, bijv. f/8 als dat genoeg flitsafstand oplevert. Goed voor de scherptediepte.
  • Minimaal ISO 1600, eventueel ISO 6400. Hoe groter de ISO, hoe hoger je de diafragmawaarde kunt instellen. Resultaat scherpere foto’s maar slechtere kleuren. Zorg dat auto-ISO uitgeschakeld is!
  • Handmatige scherpstelling op de camera of op de lens instellen.
  • Op de flitser alles standaard. Zorg dat TTL gebruikt wordt en geen andere meetmethoden.
Hoe fotografeer en tel ik de vogels?

Je moet weten waar ze zitten, want je ziet ze niet (goed).

  • Ga op een redelijke afstand van de bewuste plek staan, om twee redenen: ver weg is goed overzicht, ver weg is minimale verstoring. Op een scherpe foto kan je de vogels op vrij grote afstand voldoende zien om te tellen.
  • richt de camera met de juiste instelling (controleer vooral ook de afstandsinstelling goed!) op de plek waar ze waarschijnlijk zitten.
  • Als het een grotere boom of een andere grotere plek is, maak een reeks foto’s die de hele boom/plek afdekt.
  • Kijk op de LCD van de camera wat erop gekomen is. Pas dan weet je het.
  • Tellen kan bijvoorbeeld door een foto groot op papier af te drukken en dan alle vogels af te kruisen en te tellen.
  • Maar de vogels die dieper in de boom of aan de andere kant van de boom zitten, blijven misschien verborgen. Er kunnen wel twee keer zoveel beesten zitten als je meteen ziet. Het blijft een niet zo precieze methode.
  • Het combineren van meerdere beelden is nog lastig, omdat er snel dubbeltellingen optreden.
  • Op die manier zijn er zowel risico’s van te weinig als van te veel tellen.

P.S.
Heeft de lens geen venstertje voor het uitlezen van de afstand, dan kan de volgende methode goed werken.

  1. monteer de lens op de camera met AUTOFOCUS = ON
  2. Richt de camera op een goed verlicht voorwerp (bij voorkeur bij daglicht) op de gewenste afstand (meestal oneindig) en stel scherp met autofocus.
  3. Zet op de camera of de lens de autofocus weer uit en draai niet aan de scherpstelring van de lens vanaf dit moment.
  4. Volg vanaf hier de normale procedure.

 

Terug naar Vogels fotograferen