Liegen voor de gezelligheid – bij mijn laatste publicatie

Liegen voor de gezelligheid

Hoe oud mijn zoon was, weet ik niet meer. Maar op een zeker moment in zijn opvoeding moesten wij hem uitleggen dat het uiten van de ongefilterde waarheid niet altijd wenselijk is. Soms zeg je bepaalde dingen gewoon niet en soms maak je ze een beetje mooier dan ze eigenlijk zijn. Soms geef je mensen een blijk van waardering voor dingen die je zelf nooit zo gedaan zou hebben. Hans moest hier even over nadenken, maar toen snapte hij het heel goed. Hij vatte onze adviezen samen als “Soms moet je liegen voor de gezelligheid”. Nu is liegen misschien niet wat je meteen zou aanbevelen, maar de waarheid voorzichtig doseren en vervelende zaken niet te veel benoemen, dat zijn principes die een stuk minder ellende veroorzaken dan alles recht voor zijn raap uitspreken. Dat snapte hij erg goed.

Gezelligheid in de politiek

De politiek kan niet zonder het principe van de gezellige leugen. Anders zou het een zootje worden. Veel feiten verdwijnen onder de tafel of zijn onzichtbaar tussen de regels van beleidsteksten. Grove leugens zijn natuurlijk niet aan te bevelen, maar redeneringen op basis van selectief of verouderd feitenmateriaal en sterk vereenvoudigde theorieën en argumentaties, daar kom je in de politiek natuurlijk niet omheen.

Hans Rosling liet in zijn lezingen en in zijn boek ‘Factfulness’ zien hoe volksstammen politici en beleidsmakers (vaak niet eens bewust) systematisch van volkomen verkeerde, vaak totaal verouderde feiten uitgaan. Vooroordelen worden niet zelden als feiten gepresenteerd. Dan wordt het soms toch nodig om tegen de gezelligheid in te gaan en vraagtekens bij feiten en redeneringen te gaan zetten.

Toolbox voor leugenconstructie

Politici en hun adviseurs willen graag aantrekkelijke perspectieven ontwikkelen. Een van de mooie mogelijkheden hiertoe biedt het verkeerd gebruik van simpele fysica, die toch niet zo simpel is als mensen denken. De thermodynamica, de leer van warmte, energie  en arbeid, is, mits fout toegepast, een perfecte ‘toolbox’ voor het construeren van aantrekkelijke leugens. De wet van behoud van energie zegt dat energie in een gesloten systeem niet verloren kan gaan. Niet veel anders is de wet van behoud van materie: in een gesloten systeem gaat geen materie verloren. Oppervlakkig gezien gaat er dus niets verloren, maar wie dat denkt, vergeet de tweede hoofdwet van de thermodynamica, die op allerlei manieren geformuleerd kan worden.

De eenvoudigste formulering van de tweede hoofdwet is dat energie spontaan altijd van warm naar koud en nooit omgekeerd stroomt. Als ik twee gelijke vaten met verschillende temperaturen met elkaar verbind, dan ontstaat er een gecombineerd vat met de gemiddelde temperatuur. Een andere consequentie van die zelfde wet: als ik een fles rode wijn en een fles witte wijn bij elkaar gooi, dan houd ik een roze wijn over. Spontaan zal het vat van de gemiddelde temperatuur nooit in de uitgangstoestand terugkomen, spontaan zal de wijn zich niet meer scheiden en rood en wit. De thermodynamica heeft het over de entropie die in een gesloten systeem wel kan toenemen, maar nooit kan afnemen. Wil je de entropie weer laten afnemen, dan moet er aan het systeem energie worden toegevoegd. Hoe meer verschillende stoffen gemengd zijn, hoe meer energie heb ik nodig om de stoffen weer zuiver  te krijgen.

Recycling uit afval is een energie-intensieve  business, waarbij de thermodynamisch berekende energie altijd een theoretische ondergrens is. In de praktijk kan recycling nog veel meer energie kosten en het is maar de vraag of er voldoende duurzaam opgewekte energie beschikbaar is.

Circulaire kletskoek

Wie echter een aantrekkelijk verhaal voor politici wil presenteren, vergeet even dit moeilijke verhaal en doet, volkomen ten onrechte, alsof afvalstromen gemakkelijke grondstoffen zijn. Een ingewikkeld mengsel van organische stoffen en allerlei soorten metalen: gewoon even recyclen dan hebben we al die stoffen weer. Je hoeft niet meer dan middelbare-schoolkennis van scheikunde en natuurkunde te hebben om in te zien dat dit onzin is. Maar het is zo’n aantrekkelijk verhaal! Grondleggers van de ‘circulaire economie’ kletsen de politiek omver met kreten als ‘waste is food’ en de politiek slikt het. De leugen is te gezellig om door te prikken, maar ooit zullen we er achter komen dat het een leugen is.

Toen ik in de jaren 1980 samen met een gepensioneerd medewerker van het Centraal Bureau voor de Statistiek een eenvoudig verhaaltje hierover wilde schrijven in een economisch tijdschrift werd dit geweigerd. Het ging te zeer in tegen de ideeën van toentertijd belangrijke economieprofessoren. Toen we het dan maar in het Chemisch Weekblad plaatsten, zeiden de mensen: “maar dit is toch niets nieuws, dit weet iedere tweedejaars student scheikunde al!”

Nog eens doorprikken na 50 jaar

Toen mij iets meer dan een jaar geleden gevraagd werd iets over de ‘onmogelijkheid van de circulaire economie’ in een boek te schrijven, was ik niet meteen enthousiast. Waarom weer gewichtig doen met kennis onder het niveau van een bachelor-chemiestudie? Ik had nog een wat langer verhaal liggen, dat ik niet gepubliceerd had omdat het thema me begon te vervelen.  Ik stuurde dit maar naar de verantwoordelijke redacteur, die enthousiast reageerde: “Dit is precies wat we nodig hebben!” Ik heb me laten ompraten en na een paar dagen werk stuurde ik een verkorte versie van mijn zes jaar oude verhaal in. Het duurde nog anderhalf jaar voordat het als eerste hoofdstuk in dit nieuwe boek gepubliceerd werd . Ik geloof dat het een goed verhaal is, maar het zou overbodig moeten zijn.  Het artikel begint met citaten uit de jaren 1970. De belangrijkste referentie is het boek van Georgescu-Roegen uit 1971, The Entropy Law and the Economic Process. Met dat boek was alles eigenlijk al gezegd. Hieraan is niets toe te voegen. Het is triest dat ik meer dan vijftig jaar later weer een ongezellig hoofdstuk heb moeten schrijven om gezellige fantasieën als circulaire economie naar het rijk der fabelen te verwijzen.

Meer over dit onderwerp

Circulair geleuter (2016)

Natuurwetten democratisch afschaffen (2016)

Energie en Entropie (2022)

____

Literatuur

J.H.C. Lisman, R. de Man, Oneigenlijk gebruik van het woord entropie , Chemisch Magazine, September 1981.

R. de Man, The Forbidden Question, ongepubliceerd essay, te downloaden van mijn website, September 2015.

R. de Man, Circularity Dreams – Denying Physical Realities, in: The Impossibilities of the Circular Economy,  Routledge, November 2022, te downloaden van deze site

Hans Rosling, Factfulness: ten reasons we’re wrong about the world – and why things are better than you think, Stockholm 2018.

Lulverhalen

Wat is een ‘narrative’?

Wat is nu eigenlijk een ‘narrative’? Je hoort dit rare woord steeds vaker uit de mond van managers, adviseurs en politici? Vroeger hadden diezelfde mensen het vooral over ‘visies'[1] en grootse ‘strategische’ ambities.  Een ‘narrative’ doet eigenlijk hetzelfde in een iets andere vorm. Het is een simpel verhaaltje dat de wereld (met vaak een hoofdrol voor de verteller) tot overzichtelijke dimensies terugbrengt,  waarin eenvoudige oorzaken tot  eenvoudige  gevolgen leiden, en waar er eenvoudige oplossingen zijn voor overzichtelijke problemen.

Lulverhalen

Er is een goede Nederlandse vertaling voor het woord ‘narrative’. Het is gewoon een lulverhaal, een verhaal dat zo eenvoudig is dat je het gemakkelijk kunt onthouden en mensen er snel mee kunt overtuigen (of belazeren).  Maar ook: het is een verhaal dat zo eenvoudig is dat het met de complexe werkelijkheid vaak niets te maken heeft, een verhaal dat in de regel grote onwaarheden bevat.

Ik heb jarenlang als een consultant op het gebied van duurzaamheid gewerkt. Het aantal inhoudsloze lulverhalen dat ik voorbij heb zien komen, is niet te tellen: de hopeloze vereenvoudiging van het duurzaamheidsbegrip in de vorm van de PPP-driehoek (profit, people, planet), de aan leugens grenzende ideeën over de komende ‘circulaire economie’ en andere ‘transitie’-oppervlakkigheden.

Indrukwekkend uit je nek kletsen

Een aantal jaren geleden was ik eens docent bij een cursus aan een dure internationale businessschool, het soort school dat adverteert met een garantie van (minimaal) salarisverdubbeling na het met succes afronden van de cursus (lesgeld tienduizenden euro per jaar). Om de studenten vast te laten wennen aan hun komende succes heeft de school heeft een restaurant van Michelinsterrenkwaliteit. Tegen grof geld kunnen de studenten daar leren om indrukwekkend uit hun nek te kletsen. Zij leren dat onder meer in groepssessies met kleine zogenaamde ‘buzz-groups’ waarin de mensen samen een ingewikkeld probleem moeten oplossen. Zo’n groep krijgt maximaal 10 minuten de tijd om hun geniale oplossing te ontwikkelen en daarna in de klas te presenteren. Een veel gekozen manier van presenteren is daarbij de ‘elevator-pitch’: een verhaaltje dat kort genoeg is om aan een collega of potentiële klant in de lift tussen de tweede en de zevende verdieping te vertellen.

Wat je op zo’n school leert, lijkt mij nogal gevaarlijk: zelfvertrouwen zonder te veel kennis, hopeloos vereenvoudigde en verkorte lulverhalen over de complexe werkelijkheid. Tijdens zo’n workshop verzette ik mij krachtig daartegen en ik benadrukte in mijn presentatie dat het oplossen van problemen (als ze al oplosbaar zijn!) maanden en vaak jaren kan duren. Verbaasd keken de studenten mij aan. Een van de deelnemers stuurde mij echter niet lang na deze bijeenkomst een e-mailtje: “dit was het nuttigste wat ik sinds jaren tijdens een workshop gehoord heb.” Deze deelnemer was helaas de uitzondering, die de regel bevestigt.

Narratives als slaapmiddel

Op elk gebied zij er zijn te veel oppervlakkige ‘waarheden’ in omloop, die alleen maar ‘waar’ lijken omdat ze voortdurend herhaald worden maar niet aan de werkelijkheid getoetst. Laten we het hier maar niet over de pandemie hebben. Iedereen praat elkaar en het journaal na over de gevaren van de delta-variant en de relevantie van incidentie-getallen. Het lijkt zo net of we echt iets weten, maar eigenlijk weet vrijwel niemand iets.

Gelukkig maar dat we die lulverhalen hebben, de ‘narratives’ waarmee we onszelf en onze medemens in slaap sussen.

[1] Helmut Schmidt moest indertijd overigens niets van ‘Visionen’ hebben: “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen”, en hij had groot gelijk.

_____

 

Der Verbraucher als Deus ex Machina

Wie wir aus Ratlosigkeit wilde Phantasien über den Weltmeister des kurzfristigen Handelns entwickeln*)

Diese Gedanken entstanden bei mir während Vorträge und Gespräche bei den sog. Hamburger Gesprächen letzte Woche.

Eine (zu) schöne Geschichte

Die folgende Argumentation hört man diese Woche wenigstens 1000 mal (wenn nicht 100.000 mal) auf deutschen und internationalen Veranstaltungen (Workshops, Kongressen, Symposien, Festreden, Fernsehprogrammen). Ich kann mir gut vorstellen, dass auch heute eine Rede ungefähr den folgenden Text enthält.

„Wir belasten unseren Planeten mit unseren Produktionsprozessen, Produkten, Abfällen und Emissionen weit über die Tragfähigkeit der Umwelt hinaus. Wir gefährden nicht nur das Klima, die Biodiversität nimmt dramatisch ab und, obwohl fast keiner das merkt, geht die Qualität der Böden so schnell runter, dass nicht nur ganze Ökosysteme bedroht sind, sondern auch die Ernährung der noch immer schnell wachsenden globalen Bevölkerung. Durch die Globalisierung der Wirtschaft hat die Bevölkerung der reichen Länder einen immer größeren globalen Fußabdruck. Die Bundesrepublik braucht die Oberfläche von fünf zusätzlichen Bundesrepubliken. Mit unserem Konsum vernichten wir die Wälder in Indonesien, die Böden und das Grundwasser in Zentralasien und verstoßen wir zusätzlich gegen elementare Menschenrechte weltweit.

Meine Damen und Herren, eine nachhaltige Entwicklung erfordert, dass wir kräftig gegen die Umweltbelastung und die Menschenrechtsverletzungen in unseren globalen Zulieferketten agieren. Aber wie erreichen wir, dass keine Primärwälder für Palmöl gerodet werden, dass die Entwicklung von Sojaplantagen für das in unseren Fleischveredlungsunternehmen verwendete Viehfutter nicht zu Landraub in Südamerika beiträgt, dass die Arbeiterinnen in der Bekleidungsindustrie von Bangladesch ein gerechtes „living wage“ und eine akzeptable Arbeitssicherheit bekommen? Ohne Druck auf die Unternehmen in der gesamten Kette – von der Primärproduktion bis hin zum Supermarkt geht es nicht.

Der Druck sollte (im Prinzip) vom Staat kommen. Der Staat – über die üblichen Instrumente des Ordnungsrechts – sollte das Spielfeld neu definieren. Unternehmen, die heute nur Geld damit verdienen, weil sie die externen Umweltkosten und sozialen Kosten nicht internalisieren in den Preisen ihrer Billigwaren, sollten die externen Kosten endlich mal in Rechnung gestellt werden. Sollten, aber in der Realität ist das wohl sehr schwierig. Motivation und Handlungsspielraum des Staates sind hier das Problem. In den problematischen Produktionsländern fehlt es dem Staat an Motivation. In korruptionsgeplagten Ländern wie Bangladesch oder Indonesien wird der Staat die sozial und ökologisch bedenklichen Praktiken nie effektiv bekämpfen, solange die korrupte Elite darin kein Eigeninteresse sieht. In den Konsumentenländern hat der Staat nur sehr wenig Spielraum. Die WTO verhindert in der Regel, dass importierende Länder die Nachhaltigkeit der importierten Waren regulieren. Es gibt zwar im Bereich der Bioenergie und der Holzimporte gewisse Ausnahmen, aber in der Regel können Deutschland, die Niederlande oder Frankreich keine ökologischen oder sozialen Anforderungen an Soja- oder Textilimporte gesetzlich festlegen, ohne unzulässige Handelsbarrieren zu verursachen.

Liebe Zuhörer, wie können wir trotzdem die Unternehmen in Richtung Nachhaltigkeit bewegen? Wir meinen, dass der Verbraucher (die Verbraucherin) hier eine wichtige Rolle spielen muss und auch kann! Es findet hier bereits eine erfreuliche Entwicklung statt. Es ist heutzutage undenkbar, dass Supermärkte keine kontrolliert biologisch angebauten Lebensmittel oder „fair-trade“-Waren anbieten. Der/die Verbraucher(in) verlangt von Unternehmen, dass er/sie mit gutem Gewissen einkaufen kann. Und die Unternehmen hören auf die kritischen Verbraucher(innen). Der kritische Konsument ist bereits heute ein wichtiger Faktor in der Beeinflussung von Produkten, Produktion und Lieferketten. Diese Rolle wird zunehmen, aber dafür müssen folgende Bedingungen erfüllt sein: dem Konsument müssen die mit dem Produkt verbundenen ökologischen und sozialen Problemen bewusst sein und es müssen verantwortungsvolle Alternativen vorhanden sein. Wenn der Konsument versteht, dass er einen Beitrag zur Lösung gravierender ökologischer und sozialer Probleme leisten kann, ist er auch bereit dafür ein paar Cent mehr zu bezahlen. Der Schlüssel liegt also bei Schaffung von Bewusstsein und Wissen durch Erziehung und Aufklärung der Verbraucher!“

Otto Moralverbraucher

Deus ex Machina

Ein „Deus ex machina“, ursprünglich „das Auftauchen einer Gottheit mit Hilfe einer Bühnenmaschinerie“, ist „eine sprichwörtlich-dramaturgische Bezeichnung für jede durch plötzliche, unmotiviert eintretende Ereignisse, Personen oder außenstehende Mächte bewirkte Lösung eines Konflikts“. Im Drama der fehlenden Steuerung globaler Stoff- und Warenströme schwebt plötzlich der Verbraucher über der Bühne und bekommt damit fast göttliche Eigenschaften. Der Verbraucher – in seiner Göttlichkeit – löst das Unlösbare: Das Handeln ist völlig blockiert. Die Unternehmen stehen im Wettbewerb zu einander. Wer zu viel Nachhaltigkeit entwickelt, produziert zu teuer und wird vom Markt zurückgepfiffen. Der Staat im Produktionsland wird von dominanten Interessensgruppen zu Korruption und niedrigen Standards gezwungen. Der Staat im reichen Konsumentenland wird von WTO-Regeln gelähmt. Eine völlig aussichtslose Lage.

Und, siehe da, der göttliche Verbraucher entwirrt den Knoten und das Problem ist gelöst!

Phantasiekonstrukt

Der göttliche Verbraucher ist leider ein Phantasiekonstrukt und hat nur ganz wenig mit dem irdischen Verbraucher, Otto Normalverbraucher, gemeinsam. Er lässt sein Kaufverhalten kompromisslos von seinem Gewissen steuern. Es gibt selbstverständlich Käuferschichten (vor allem in den oberen Einkommensklassen), die nur Biogemüse, T-Shirts aus biologisch angebauter Baumwolle und delfinfreundlichen Thunfisch verlangen, oder sogar kategorisch auf Thunfisch verzichten. Die Mehrheit der Verbraucher wird sich auch in Zukunft bei Kaufentscheidungen nur sehr begrenzt, wenn überhaupt, durch ökologische oder soziale Überlegungen steuern lassen. Um das unvermeidliche Drama zu verhindern, wird aus Otto Normal Verbraucher Otto Moralverbraucher (siehe das Buch von Caspar Dohmen) gemacht. Den gibt es aber in der Realität nur sehr selten.

Der Konsument und der Bürger

Weltmeister des kurzfristigen Handelns

Eine nachhaltige Wirtschaft ist davon abhängig, ob wir in der Lage sind, die Priorität langfristiger Ziele wieder herzustellen und Gegengifte gegen die nachhaltigkeitsfeindliche Kurzfristigkeit zu entwickeln. Nachhaltigkeit hat nicht in erster Linie, wie oft angenommen wird, mit einem Kompromiss zwischen ökologischen, wirtschaftlichen und sozialen Zielen, sondern mit der langfristigen Stabilität unserer Wirtschaft zu tun. Den Konsument für die langfristige Stabilität unseres Wirtschaftssystem verantwortlich zu machen, wer könnte auf so eine lächerliche Idee kommen? Das Tier Konsument ist in erster Linie durch kurzfristige Ziele und immer wechselnde Emotionen getrieben. Nachhaltigkeit kann dabei durchaus eine Rolle spielen, aber dann in der Form von Emotionen zum Thema Nachhaltigkeit. Dabei können die Emotionen genauso schnell wechseln wie bei anderen Modeerscheinungen. Wer auf das Verhalten des emotionalen Verbrauchers vertraut, wird leider nur Zeit verlieren. Es wird zwar keinen Mangel an nachhaltigkeitsgetriebenen emotionalen Themen am Verbrauchermarkt geben, aber das Ergebnis wird mit Sicherheit nicht nachhaltig sein.

Der Bürger als treibende Kraft

Vom Einfluss der Konsumenten auf Unternehmen durch ihr Kaufverhalten darf man nur ganz bescheidene Beiträge zur Nachhaltigkeit erwarten. Viel mehr Einfluss haben die Menschen in ihrer Rolle als Bürger. Kritische NGOs haben einen viel größeren und direkteren Einfluss auf Unternehmen als die Konsumenten. Die Drohung von NGOs, Unilevers „brand“ Dove anzugreifen, hat Unilever dazu gezwungen, eine Koalition gegen die Vernichtung der südostasiatischen Regenwälder aktiv zu unterstützen. Die Kampagnen der NGO „Lekker Dier“ in den Niederlanden gegen unethische Praktiken in der Hühnerzucht (holländisch: „plofkippen“) hat dazu geführt, dass führende Supermärkte und Lebensmittelhersteller sich auf einigermaßen akzeptable Formen der Hühnerhaltung verpflichtet haben. Es sind weder die Konsumenten noch die Politik, die solche Änderungen bewirkt haben. Ein Großteil der Konsumenten wird auch in Zukunft das billigste Hühnerfleisch kaufen. NGOs wie „Lekker Dier“ können aber effektiv verhindern, dass bestimmte Qualitäten überhaupt noch angeboten werden.

Die Initiative liegt beim Bürger. Die Politik konsolidiert

Der Schlüssel für die Gestaltung nachhaltiger Lieferketten liegt weder beim Staat noch beim Konsument. Der (nationale) Staat ist zu träge und kann in der globalen Wirtschaft oft nicht adäquat handeln. Der Konsument ist Weltmeister Kurzfristigkeit. Die entscheidende Rolle liegt bei dem Bürger und seinen Organisationen: bei den gesellschaftlichen Organisationen (NGOs), die durch eine Kombination von Kritik und Kooperation die Unternehmen in die gute Richtung lenken. Das Ergebnis sind Kompromisslösungen, in denen die Interessen der unterschiedlichen „stakeholders“ repräsentiert werden. Gute Beispiele sind die „roundtables“ für Holz, Palmöl, Soja, etc. (FSC, RSPO, RRS, etc.). Sie reflektieren die heute praktisch realisierbaren Kompromisse, noch nicht die optimalen Lösungen für Nachhaltigkeit. Sie sind aber relativ schnell zustande gekommen, viel schneller als durch klassische internationale Kooperation, zum Beispiel auf der Ebene der Vereinten Nationen, realisierbar gewesen wäre. Solche „multi-stakeholder“-Initiativen haben zu breit akzeptierten Standards geführt. Diese Standards werden noch nicht weltweit effektiv umgesetzt und das kann auch nicht erwartet werden. Die Standards müssen als Angebot der Koalitionen von Bürgern und Wirtschaft an die Politik verstanden werden. Die Standards genießen hohe Akzeptanz und es ist nachgewiesen, dass sie umgesetzt werden können. Jetzt ist die Politik am Zug, sie verbindlich für alle zu machen.

Referenzen

Deus ex Machina, sieh: https://de.wikipedia.org/wiki/Deus_ex_machina

Caspar Dohmen, Otto Moralverbraucher: Vom Sinn und Unsinn engagierten Konsumierens, Orell Füssli, 2014.

Über den “plofkip” https://www.wakkerdier.nl/plofkip 

Siehe auch meine englischsprachige Publikationen, wie
Reinier de Man, Private Sector Driven Sustainability Standards, How can they Promote Sustainability in Third States?, in: Wybe Th. Douma, Steffen van der Velde (eds.), EU environmental norms and third countries: the EU as a role model?, CLEER Working Papers 2013/5.

 

_______

*) Warnung: dieser Blog enthält Ironie und Humor. Zu Risiken und Nebenwirkungen fragen Sie Ihre Freunde.

Outsourcing Responsibility

A morning discussion at the sustainability department of a large textile retailer.

[fiction based on real cases]

  • Good morning. Did you look at the football match last night?
  • Yes, but it was a bit depressing to see how they lost against this second class club from Bremen …
  • I agree, but there is something else we should discuss: I just heard that there was a fire in a Bangladesh textile factory last night. Do you know more?
  • Yes, it seems that it was not as bad as the Rana Plaza accident in 2013 where more than 1000 people seem to have died. I heard some 10-15 women have died from smoke poisoning. The other 250 could leave the building safely. The building has not yet collapsed.
  • Are we somehow involved? Are we connected through one of our supply chains?
  • I did a quick scan of our supplier data. There does not seem to be a direct connection, although we suspect that one of our main suppliers is using (or has been using) the company that owns the production facility that just burnt down. Moreover, I checked on the website reprisk.com whether we should worry about any reputation risk now. It seems that we are not in the spotlight this time, but H&M and C&A should be worried more.
  • Yes, it seems very unlikely that NGOs like the Clean Clothes Campaign or similar NGOs will find out our third-tier-link to the accident spot. So we need not worry too much.
  • But we should follow this closely. In any case, we should have a good story ready before NGOs will try to damage our reputation. To build a good reputation and a strong brand takes years. It can be destroyed overnight.
  • What story do we need, just in case?
  • In any case, we should emphasize our strong commitment to BSCI, the Business Social Compliance Initiative, including our efforts to audit at least all our first-tier suppliers. Moreover, we should mention our participation in ACCORD, the Bangladesh Fire and Safety Accord and our policy with respect to the Living Wage issue. But I do not expect that we will be grilled by NGOs this time.
  • And what about our supply chains from Latin America? There appear to be some issues related to freedom of association and labour safety there.
  • Don’t worry too much. We are working with some companies to get things better, but public attention is not focussing on those countries. The issue has not yet been discovered by our stakeholders. We should not create an issue where it has not developed yet.
  • I will go for a cup of coffee. Can I get one for you, too?
  • Yes, strong coffee, no sugar, no milk please.

Rescuers search for survivors of Bangladesh building collapse

http://www.abc.net.au/news/2013-04-26/up-to-1,000-feared-dead-after-bangladesh-factory-collapse/4652206

What is wrong with this discussion? A virtual interview.

  • What do you think when hearing these CSR managers discuss the Bangladesh accident?
  • On one level, it is completely reasonable and understandable that they discuss the business risks as a result of this accident. On another level, it is almost depressing to hear that the death of 15 women is only discussed in terms of risks to the company. It seems that issues of responsibility and issues of business risks are not being distinguished at all.
  • I do not follow you. My understanding is that the company’s stakeholders act as watchdogs. These watchdogs then create business risks for the company. The business risks create a motivation for the company to act, to improve their own management and to create pressure on their suppliers or even on the suppliers of their suppliers to organize corrective action. In the end, the affected people only profit.
  • Yes, that is the theory. But I do see fundamental problems. The first problem is that the company’s ethical obligation to respect human rights (including worker safety such as fire protection) is virtually being replaced by purely commercially motivated risk management. The goal of reducing risks to people (violations of human rights) is being replaced by the goal of reducing risks to the company.
  • I do not see the problem. As I said: by reducing the company’s risks you are automatically reducing the risks to the people. Is not that great?
  • No, you are not doing this automatically. Therefore it is not great. The company is not acting on the basis of its own values, but on the basis of issues that come up. Issues are defined by stakeholders with their selective agendas and their selective capacity to observe and to report. Issues that are not on their agenda can be disregarded. Places where they are not present do not matter. This is a potentially dangerous tendency. Although companies like to call themselves proactive, they are increasingly becoming reactive, reactive to what selective stakeholders, those stakeholders that matter in terms of risk creation, define as issues. This is what I call: ‘outsourcing responsibility’.
  • What would you do differently then?
  • Companies should become more ‘proactive’ in the sense that they go beyond the agendas that their stakeholders define and commit themselves to solving problems that even their stakeholders have not yet defined. The best companies do already understand this.

___

Circulair Geleuter

Het verzoek

Ik werd onlangs opgebeld of ik een bijdrage wilde leveren aan een symposium over circulaire economie, georganiseerd door een niet nader te noemen bedrijf. Zo ging dit gesprek ongeveer.

Het gesprek

X:  Ja, wij kennen u van het artikel in Trouw, waarin u zich nogal kritisch uitlaat over ‘circulaire economie’

Ik: Wat wilt u van me?

X: Nou, wij zouden het aardig vinden als u uw mening zou kunnen inbrengen in een klein symposium van ons bedrijf waar we verschillende partijen met verschillende meningen uitnodigen om van gedachten te wisselen over ‘circulaire economie’. Onze strategie is helemaal op de implementatie van ‘circulaire economie’ gebaseerd. Het zou goed zijn dat ook uw geluid – toch wel heel anders dan wat de meesten laten horen – gehoord werd.

Ik: Ik weet niet of dat zinvol is. U kent, neem ik aan, mijn verhaal. Kort door de bocht: het concept ‘circulaire economie’ is op een leugen, of in ieder geval op een misverstand, gebaseerd. Het is fysisch onmogelijk om elk stofmengsel (product, afval …) weer tot nuttige componenten te recyclen, tenzij je eindeloos veel energie ter beschikking hebt. Vergeet je die energiecomponent dan lijkt die circulaire economie veel te mooi, te eenvoudig en te aantrekkelijk. Begrijp me niet verkeerd. Recyclen is vaak heel zinvol en ook in het rijksbrede programma staan veel zinvolle actiepunten. En wat uw bedrijf doet en nog van plan is, ook dat is heel mooi. Dit alles wordt alleen gelegitimeerd door een leugen …

X: Voor ons bedrijf is het een perspectief, een doel op lange termijn, iets waar we naar toe werken.

Ik: Dat is wel aardig, maar het is een utopie. Je kunt er wel naar toe werken, maar je zult er nooit komen. Bovendien is niet alles op de weg naar een ‘circulaire economie’ goed. Je zult het per geval moeten bekijken.

X: Wij zijn juist erg geïnteresseerd in uw mening.

Ik: Daar was ik al bang voor. Dat u denkt dat het om een mening gaat. Dat de basisfilosofie van de ‘circulaire economie’ in strijd is met elementaire fysische waarheden, in dit geval de Tweede Hoofdwet van de Thermodynamica, is niet mijn mening. Het is een waarheid, die ik best wel wil uitleggen, maar waarover verder niet te praten valt.

X: Maar uw mening – sorry dat mag ik geloof ik niet zeggen van u… –  uw standpunt is juist heel belangrijk voor ons symposium.

Ik: Ter vergelijking: er zijn nog steeds mensen die tegen alle feiten, tegen alle redelijke argumenten, tegen de beste theoretische kennis in beweren dat het klimaat niet door menselijke activiteiten aan het veranderen is. Je kunt zo een symposium organiseren met klimaatpessimisten en klimaatoptimisten die elkaar te lijf gaan, maar wat heb je daar aan? Feit is dat degenen die de klimaatverandering ontkennen gewoon uit hun nek lullen. Ook al nodig je een meerderheid tegenstanders uit, inhoudelijk hebben zij al lang verloren. Er valt hier niet te discussiëren. Er valt niet te onderhandelen. De waarheid ligt niet tussen twee meningen.

Hetzelfde geldt voor het probleem van de ‘circulaire economie’. Inhoudelijk klopt er niets van. Iedereen die een beetje verstand heeft van thermodynamica weet dat het niet deugt. Er is overigens nog een aantal problemen die ik gemakshalve nu maar even oversla. Ik begrijp dat het niet in het belang is van uw bedrijf om de theorie achter uw strategie onderuit te halen, maar dit is geen commerciële of politieke discussie. Dit is een inhoudelijke discussie die met wetenschappelijke, niet met commerciële of politieke argumenten beslist kan worden. Wat heb ik er aan om dan als enige tegenstander tussen al die mensen te gaan zitten die enthousiast hun circulaire kletskoek vanuit hun eigen belangen verdedigen?

X: Even voor de duidelijkheid. Bij dit symposium gaat het niet om onze commerciële doelen allen. Het doel is maatschappelijk …

Ik: Het vervelende is dat de grote denkfout achter circulaire economie, het ontkennen van de Tweede Hoofdwet van de Thermodynamica, en daarmee het bagatelliseren van de energetische consequenties van eindeloos recyclen, nooit serieus aan de orde komt. De ten onrechte bejubelde goeroe van ‘cradle to cradle’ (Braungart) ziet het allemaal niet zo somber en verwijst naar de oneindige beschikbaarheid van zonne-energie en verkondigt daarmee leuke maar onverantwoordelijke sprookjes.

X: Het zou toch goed zijn om zulke dingen in te brengen in ons symposium, zodat we van elkaar kunnen leren …

Ik: Daar geloof ik niet zo in. Het zal eerder een feestje worden waarin ongefundeerde meningen worden herhaald en bevestigd. Terwijl ik dit zeg, maak ik me weer kwaad. Nee, ik doe niet mee. Een goede middag nog.

Zie ook

mijn artikel met Friege
mijn artikel met Brezet

Lees ook Piers Sellers in The New Yorker over de ontkenning van klimaatwetenschap.

Een korte uitleg van het entropie-begrip op mijn website