Twee fotojaren

De afgelopen jaren schreef ik korte overzichten (2022 en 2023) van mijn fotografiepogingen en enkele min of meer geslaagde resultaten. Nu zijn er alweer twee jaar voorbij. In 2024 en 2025 heb ik weer veel foto’s gemaakt, per jaar ongeveer 12000 op mijn spiegelreflexen en dan nog een groot aantal foto’s op mijn telefoon en mijn kleine camera’s. Eigenlijk is er de laatste jaren niet zo veel veranderd. Mijn belangstelling is vooral landschapsfotografie en natuurfotografie, met een zwaartepunt bij paddenstoelen en libellen. Ook fotografeer ik regelmatig vogels, maar mijn vogelfoto’s zijn als foto meestal niet zo bijzonder. Vaak zijn vogelfoto’s oersaai, behalve als er iets bijzonders gebeurt.

Ik ben dus ook deze laatste twee jaren vooral gaan doen wat ik leuk vind en wat ik al een beetje beheers. Ik maak misschien nog iets betere natuur- en landschaps- en stadsfoto’s en straatfotografie is nog steeds niet mijn sterkste kant, om over portretfotografie maar te zwijgen. Ik ben nog meer tot de overtuiging gekomen dat camera’s en objectieven meestal niet zo belangrijk zijn als je er maar in staat mee ben redelijke foto’s te maken onder niet al te extreme omstandigheden. In mijn directe omgeving zie ik mensen de mooiste foto’s met een mobieltje maken, terwijl uit de duurste spiegelloze reflexcamera vaak alleen maar bagger komt. Goede fotografen hebben in de eerste plaats goede ogen en een goede kijk op de mogelijkheden van het moment.

Mijn fotografie in 2024 en 2025 volgt weer de ontwikkeling van de natuur en daarbij zijn ook weer vergelijkbare foto’s ontstaan. In het voorjaar fotografeer ik natuurlijk de frisse kleuren van de bomen, vlinders en andere insecten die steeds meer verschijnen en dan vanaf april en mei de prachtige libellen die, na een jaar of meer als larve door de modder te hebben gekropen, er met hun mooie kleuren er bijna om vragen gefotografeerde te worden. De technische problemen van libellenfotografie heb ik zo langzamerhand wel grotendeels opgelost en het komt nu vooral op geduld en een dosis geluk aan.

Genieten van de herfst

Op het moment dat de laatste blauwe glazenmakers over het water bij het bos vliegen, verschijnen in dat bos de eerste paddenstoelen. Terwijl in het voorjaar op bijna de helft van mijn foto’s libellen staan,  vind je vanaf september op zeker de helft van mijn foto’s paddenstoelen. Dat is al een aantal jaren zo. 

Nu zijn grote reeksen paddenstoelenfoto’s toch ook een beetje saai. Daarom verbind ik dit soort fotografie het liefst met landschapsfotografie. De paddenstoelen zijn dan één element van een interessant landschap waarvan ik de verschillende elementen in samenhang wil laten zien: planten, bomen, insecten en andere dieren. Het voordeel van deze benadering is dat je je minder beperkt tot een bepaalde camera of een bepaald objectief. Soms maak je landschapsfoto’s met een 80 mm zoom op een full-frame camera en even later fotografeer je de paddenstoeltjes daar met een macrolens op een cropcamera. Afgelopen herfst (2025) heb ik dit concept met veel plezier toegepast op het maken van een foto-album van Huys te Warmont. Zie hiervoor deze pagina (wachtwoord vereist).

Tussen het eind van de zomer en het begin van de winter heb ik vierendertig maal dezelfde wandeling gemaakt en daar vaak bijna dezelfde foto’s gemaakt. Je ziet dan hoe geleidelijk de kleuren veranderen (zie bovenstaande vier foto’s), de bladeren verdwijnen, paddenstoelensoorten komen en gaan en hoe het weer en het licht geleidelijk of schoksgewijs veranderen. Ik ben van plan dit jaar een dergelijke serie over de overgang van winter naar zomer te maken.  Je leert er een gebied heel goed door kennen en hoe beter je een gebied kent, des te beter weet je wat je moet fotograferen. 

Deze overgang van losse foto’s naar reeksen (bijvoorbeeld in de vorm van een fotoalbum) is de belangrijkste innovatie in mijn fotografie van de laatste tijd. Behalve een reeks over het voorjaar heb ik nog verschillende series in voorbereiding.

De Stadsnatuur

Eén serie heeft de werktitel “stadsnatuur’, waarin ik wil laten zien hoe vaak de mooiste natuur zich vlak bij de stad of in de stad bevindt. Ik ben op zoek naar beelden van groepen vogels die langs flatgebouwen vliegen, van wulpenslaapplaatsen langs de snelweg en meer van dat soort interessante tegenstellingen. 

Beelden uit de stadsnatuur

Voor de tweede keer LAK-cursus

Portret, geïnspireerd door illustratie in Alice in Wonderland

In 2024 volgde ik voor de tweede keer de cursus digitale fotografie van het LAK in Leiden. De vorige keer was door corona en persoonlijke gezondheidsproblemen wat in het water gevallen. Deze keer was de cursus bijna gelijk aan de vorige keer. Maar toch heb ik ook deze keer veel geleerd door te experimenteren straatfotografie, landschapsfotografie en het maken van minimalistische beelden. Leuk waren ook weer de oefeningen met stillevens en portretten in Rembrandt-achtige stijl.

Beweging en kleur uitschakelen

Ik heb voor de foto’s van de cursus wat geëxperimenteerd met zware grijsfilters voor het bereiken van heel lange sluitertijden. Je krijgt dan foto’s waaruit alle beweging verdwenen  is, niet altijd mooi maar soms levert het iets op. Ook heb ik, ook in combinatie daarmee, wat gespeeld met zwart-witfotografie. Het leuke daarvan is dat je heel veel leert over kleuren op het moment dat je kleuren in grijstinten wilt vertalen. 

De trein raast langs de Polders Poelgeest
Kleurloos Koudenhoorn

Wat nu?

Deze vraag stel ik elke keer als ik zo’n overzicht schrijf. Voor mij is liggen de volgende stappen wel voor de hand. Ik heb de laatste jaren redelijk leren fotograferen. Ik weet ongeveer hoe een camera werkt en hoe je er redelijke beelden mee kunt schieten. Ik heb het gevoel dat ik een goede typmachine bezit en nu moet ik er maar eens verhalen mee gaan schrijven. Mijn album “Herfst bij Huys te Warmont” is een mooi begin. Fotografie is hier geen doel, maar een middel om iets te laten zien wat ik mooi vind. Daar wil ik mee doorgaan. 

 

Natuur in Laos

Waar ik ook op vakantie ga, de natuur is één van mijn vaste aandachtspunten. In Normandië fotografeer ik de strandplevieren, in Schotland grote jagers en noordse stormvogels, bij de Loire koereigers, kanaaljuffers en andere libellen. Onze reis naar Laos was niet in de eerste plaats een natuurreis en wat we aan natuur tegenkwamen, was op geen enkele manier gepland. Het viel wel wat tegen.

Ik kreeg de indruk dat de Mekong en zijn zijrivieren sterk vervuild zijn. Zichtbaar was vooral de schrikbarende plasticvervuiling, maar wellicht waren er ernstigere minder zichtbare bronnen van verontreiniging. Misschien hebben de verschillende dammen en stuwmeren een sterk negatieve invloed op de natuur en met name de visstand, maar ik heb mij er niet in kunnen verdiepen.  

Luang Prabang

We zagen bij de Boeddhistische tempels en bij andere parkjes in Luang Prabang een paar mooie vlinders (zoals de common tiger butterfly, Danuaus genutia) maar verder geen enkele vogel van betekenis. Wij moesten het doen met de overal in Zuidoost Azië algemene treurmaina (‘common myna’), een spreeuwachtige en met honderden mussen, die hier geen huismussen maar ringmussen bleken te zijn. 

Champassak

In het Zuiden, bij Champassak, was het niet veel beter. Ook hier vlogen vrij veel mooie grote vlinders zoals de prachtige Golden Birdwing (Troides aeacus, in 2003 al eens in Kuala Lumpur gezien) de limoenvlinder (Papilio demoleus) en (waarschijnlijk) de grote mormon (Papilio mormon). Maar ook hier geen bijzondere vogels. 

Grote mormon 

Wel ben ik bij de tempels van Champassak op libellenjacht gegaan. Bij het wetland achter de tempels en de door de hoge waterstand ondergelopen velden zag ik verschillende libellen die wel iets aan onze Nederlandse libellen doen denken, maar toch allemaal anders zijn. Het meest algemeen was daar de slanke oeverlibel (Orthetrum sabina), inderdaad veel slanker dan onze oeverlibel. Een libel die wat aan onze heidelibellen doet denken is swamp watcher (Potamarcha congener). Maar één keer zag ik een libel met prachtig rode vleugels, de Russet percher (neurothemis fulvia). Ik dacht eerst nog dat ik een vlinder had gefotografeerd. Heel mooi waren de vele exemplaren van de Ditch jewel (Brachythemis contaminata), die over het ondergelopen land bij een van de tempels vlogen. Ik zag maar één waterjuffer, die wel iets leek op een kanaaljuffer of een watersnuffel: de Eastern lillysquatter (Paracercion melanotum). En hier eindigde mijn korte kennismaking van de libellen van Zuidoost Azië. Een vervolg zit er niet echt in.

Met dank aan Erik Fleur die mij met de namen van de libellen heeft geholpen.

Een parkje in Bangkok

Op de terugweg naar Nederland waren we nog even in Bangkok. Daar nog een paar interessante waarnemingen in de stadsnatuur, een parkje vlakbij de grote Wat Pho tempel: Saranrom Park.  In het park zagen we twee grote Varanen (‘monitor lizzards’) , de een na grootste hagedissen ter wereld. Ik had ze 22 jaar geleden in Malakka in Maleisië gezien en was vergeten hoe groot die beesten zijn. In het parkje zagen we ook zwarte kraaien (dikbekkraaien), een iets andere soort dan we in Nederland zien en ook maina’s, in dit geval de kuifmaina (‘crested myna’), een andere soort dan die we in Laos hadden gezien.

Massaimpressionisme in Giverny

Wie in Frankrijk op vakantie gaat, moet eigenlijk altijd de Micherlin-gids goed bestuderen. De aanduiding drie sterren, in de gids zelf ten onrechte bestempeld als ‘vaut le voyage’, betekent in de regel: ga hier niet heen als je niet van toeristen houdt’. We hadden ons al eens  (in 2017) laten misleiden door de prachtige beelden van de schilderachtige Abbaye Notre-Dame de Sénanque, schitterend gelegen te midden van de violette lavendelvelden in de Provençaalse heuvels. Google maps heeft er zelfs vier sterren voor over. Omdat wij toen geen parkeerplaats op minder dan anderhalve kilometer konden vinden, zijn wij naar ons hotel in het totaal onopwindende plaatsje Apt teruggereden, waar we ons een stuk meer op vakantie voelden (zie deze blog).

In de tuin van Monet (eigen foto)

Dat was zeven jaar geleden, dus het werd tijd om weer eens zo’n fout te maken. We waren in het Normandische plaatsje Lyons-en-Forêt, een schitterend plaatsje omgeven door de saaiste beukenbossen ter wereld en het werd tijd voor een cultureel hoogtepunt. Niet ver daarvandaan had de beroemde impressionistische schilder Monet in 1890 een huis gekocht, waar hij de tuinen aanlegde die hij in zijn series schilderijen vereeuwigde. De tuinen werden bijna even beroemd als overbekende schilderijen van waterlelies en bruggetjes. 

De tuin gaf Monet de mogelijkheid om minder te reizen en meer te schilderen in de buurt van zijn vrouw en kinderen. Monet, die vooral geïnteresseerd was in de essenties van kleuren en licht, kon hier niet alleen prachtige schilderijen van een geliefd onderwerp maken, maar als tuinontwerper ook zijn eigen onderwerp creëren. Net zoals bij andere onderwerpen, zoals bijvoorbeeld de kathedraal van Rouen, werkte hij met series waarin hij de uitwerking van verschillende soorten licht op zijn tuin kon laten zien. Zo schilderde hij in minder dan twee jaar tijd achttien verschillende schilderijen van waterlelies. 

Waterlelies in de tuin van Monet (eigen foto)

Toen wij op 19 augustus de Monet-tuin in Giverny naderden stond er al een kilometer lange rij mensen te wachten en te praten in Italiaans, Chinees, Duits, Engels en nog veel meer talen. Men was op weg naar één van de iconen van het Franse impressionisme: de waterlelies van Monet en natuurlijk de Japanse brug, die hij meerdere malen schilderde. Wij hadden al een tijdslot geboekt en konden deze file dus inhalen.  De tuin zag er nog steeds prachtig uit, helemaal in de stijl van Monet, geen strak aangelegde tuin, maar bonte patronen van allerlei op speelse manier gegroepeerde bloemsoorten met verwante of juist contrasterende kleuren. De tuin van Monet is, ook nu nog, zelf een schilderij dat ‘kleuren’ als onderwerp heeft. 

De schilderijen van Monet stralen een prachtige rust en harmonie uit. Als je als één van de 700.000 jaarlijkse bezoekers even alleen naar het water, de waterlelies en het riet kijkt, zie je nog steeds dezelfde rust.

Kijk je iets verder naar wat zich op de bruggetjes en de paden langs het water afspeelt, dan verandert het beeld drastisch: de bezoeker lijkt niet werkelijk in de impressionistische wereld van Monet geïnteresseerd te zijn, maar wil zelf middelpunt van zijn eigen schilderij zijn, de hoofdrolspeler van selfie: ik bij de waterlelies van Monet.

Op de selfie-brug in de tuin van Monet

Hij wil zelf degene zijn die vanaf de Japanse brug de tuin inkijkt. Het was daarom wel dringen bij de bruggetjes. Van de brug zoals Monet hem zag, is niets meer over. De diepe rust van toen is vervangen door de oppervlakkige opwinding van het selfie-publiek.  

Van een bezoek aan het huis van Monet zagen wij maar af. Nog een uur in de rij staan om vervolgens met te veel mensen door te nauwe gangen te worden geperst, daar hadden wij geen zin in.

Een schilderij van Hiramatsu Reiji

Gelukkig was er in het naast de tuin gelegen ‘Musée des Impressionismes’ een prachtige tentoonstelling van de Japanse kunstenaar Hiratmatsu Reiji, die zich had laten inspireren door de waterlelieschilderijen van Monet. Reiji schilderde grote doeken met Japanse technieken en Japanse pigmenten, in een typisch Japanse en absoluut niet impressionistische stijl. Toch gebruikte hij heel mooi veel elementen uit de schilderijen van Monet, zoals de vorm van de waterleliebladen of het visuele ritme van de bamboestengels. In dit museum heerste de rust die we bij de tuinen wel gemist hadden. 

_____

 

 

 

Mopper-conto

Mopperen

Soms zeggen ze tegen mij: je wordt echt zo’n oude mopperkont. Vreselijk zoals jij altijd over dezelfde dingen moppert. Nu klopt het wel dat ik redelijk oud aan het worden ben. Vroeger mopperden mijn grootouders en ouders ook over van alles. Dat hoort er een beetje bij. Nu ben ik aan de beurt. Waarom zou ik het niet mogen? Toegegeven, het is niet leuk voor je omgeving. Dat was het vroeger ook niet. Het is misschien beter om het mopperen niet te veel uit de hand te laten lopen. Daarom dit stukje dat even als uitlaatklep kan fungeren. De zaken die hier de revue passeren, zijn geen wereldproblemen. Thema’s als de opmars van autocratische leiders en de oorlogen in de Oekraïne of Gaza zijn te ernstig voor gezellig mopperen en vind je hier dus niet.

Irritatie-top-tien van een mopperkont

  1. Mobieltjes
    Iedereen staart op zijn mobiel. Niemand kijkt of luistert naar (mensen in) zijn directe omgeving.
  2. Elektrische fiets
    De elektrische fiets heeft het verkeer volledig in de war gestuurd. Het is onoverzichtelijker en gevaarlijker geworden. Fietsen is minder leuk dan vroeger.
  3. Consumptiedwang bij Albert Heijn
    De scanner schreeuwt voortdurend tegen mij ‘Je mist bonus’ en verleidt me meer te kopen. Bij de aanbiedingen van ‘twee voor de prijs van één’ kan ik eventueel de tweede portie thuis gewoon weggooien. En dit bij de winkel die zich een leider in ‘duurzaamheid’ noemt!
  4. Kapitaalvernietigende innovatie
    Mijn computer van tien jaar geleden staat nog op mijn kamer en kan in principe alles nog. De office-suite van toen kan nog alles wat ik normaal nodig heb. Toch moest ik een nieuwe kopen om de processortijd en geheugen verslindende nieuwe programma’s op te kunnen draaien. Idem dito met mobiele telefoons, smart-TV’s etc.
  5. Eindeloze terugkoppeling
    Koop je iets op internet, dan start je een lange serie berichten met de onderwerpen: dank voor je bestelling, we gaan het zo vesturen, we hebben het verstuurd, het is onderweg, het is er bijna, het is afgeleverd, hoe hebben wij het gedaan?, hoe tevreden ben je met het product? en wellicht nog meer. Zelfs bij het verzenden van een simpel pakje via Post NL of DHL ontstaan dit soort series en soms mag je dan ook gratis aan een of andere prijsvraag meedoen. Ik mopper: ‘laat mij met rust’.
  6. Politiek correcte gender-terminologie
    In de trein mag ‘Dames en Heren’ blijkbaar niet meer. Ik mopper: “of ik een dame of een heer ben (of geen van beiden), bepaal ik zelf wel. Misschien wel allebei en dan word ik twee keer begroet!”.
  7. De afschaffing van de u-vorm
    Ik erger me nog regelmatig aan het gevoel dat er te weinig afstand wordt genomen in brieven die de jij-vorm hanteren. Een brief over de uitkering van extra pensioen door een verzekeringsmaatschappij begint met “Je ontvangt van ons een lijfrente-uitkering”. Waarom? Waarom niet gewoon “U ontvangt ….”. Het zijn mijn vrienden niet. Banken en verzekeringen zijn een noodzakelijk kwaad, nooit vrienden.
  8. De Nederlandse taal
    Dit is altijd een mopperpunt van bejaarden geweest. Ik mopper mee. Het zijn eigenlijk drie problemen: de vervuiling van de taal met allerlei leenwoorden uit het Engels waarvoor meestal ook uitstekende Nederlandse woorden bestaan. Slordigheden in de grammatica, vooral onjuiste geslachten bij verwijzingen (dat bij de-woorden, etc.). En ten derde: het gebruik van Engels als voertaal in Nederlandse winkels en restaurants. Vooral in Amsterdam lukt het de obers vaak niet je in het Nederlands te woord te staan.
  9. Overvolle fietsenstallingen
    Er zijn tegenwoordig prachtige fietsenstallingen vlakbij het station, met duizenden plaatsen. Toch zijn ze vaak erg vol. In dat geval zijn er alleen nog plaatsen op de boven-rijen vrij. Je moet je fiets daar dan op tillen. Op mijn leeftijd wordt dat niet gemakkelijker. Straks moet ik met de bus naar het station omdat ik mijn fiets niet meer kan stallen.
  10. Geen rust op zondag
    Zondagsrust was altijd gekoppeld aan geloof en kerken. Dat is jammer, want er zijn goede niet religieuze redenen om één dag tot een rustdag zonder economische activiteiten te maken. Ik mopper dus regelmatig over de drukte in winkelstraten op zondag. Ik verlang niet terug naar de macht van de kerk, wel naar die rust van toen.

______

Zo begon het ….

Vandaag

Vandaag heb ik mij per 31 december dit jaar uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel, meer dan 30 jaar na mijn inschrijving.

Het begin van mijn adviesbureau

Rotterdam, Elmshorn

Meer dan 30 jaar geleden, op 1 juni 1990 schreef ik mij in onder de naam Dr. Reinier de Man Adviesburau voor Mileubeleid. Ik was al enige tijd actief als zelfstandig adviseur, eerst naast mijn werk aan de Erasmus-Universiteit. Op 22 mei 1987 was ik, tot mijn eigen verbazing, gepromoveerd in de sociale wetenschappen. Om de drukkosten van mijn proefschrift te betalen werkte ik voor Reinhard Ueberhorst, een politiek adviseur uit Elmshorn bij Hamburg, aan een project over nucleaire veiligheid. Het resultaat bestond uit lijvige rapporten over “Sicherheitsphilosophien” als input in interessante discussies met kernenergie-experts uit de wereld van voor- en tegenstanders van kernenergie.

Rapport Nr. 2 in de reeks

Intussen begon ik met mijn eigen winkeltje, eerst onder de naam Environmental Management. Er woedde op dat moment een discussie over de vormgeving van milieumanagement in bedrijven en, geheel in de stijl van mijn Duitse werk, schreef ik een analyse van de toenmalige situatie. Ik zette een advertentie in het milieublaadje van de werkgeversorganisatie VNO-NCW met aanwijzingen hoe mijn rapport Interne Milieuzorg in Bedrijven – de stand van de Nederlandse Discussie te bestellen was. Ik verkocht een dertigtal exemplaren. Op het kaft van het rapport stond dat het nr. 2 was uit een reeks van vijf rapporten. Ik vond dat overtuigender staan. Nr. 1 had ik nog niet geschreven (en zou ik nooit schrijven) en na nr. 2 kwam er niets meer. Wel kreeg ik enkele bestellingen binnen, die ik helaas moest afwijzen. Met dit rapport had mijn toegang verschaft tot de Nederlandse beleidsdiscussie en ik werd enkele malen voor het houden van lezingen uitgenodigd. Vanaf dat moment volgde ik in mijn advieswerk twee sporen: het Duitse advieswerk over kernenergie en later over de “Chemiepolitik” en mijn bijdrage aan de ontwikkeling van milieumanagement en later ketenbeheer in Nederland.

Adviseren vanuit ons flatje

Tot 1989 combineerde ik mijn advieswerk met mijn baan in Rotterdam. Op een bepaald moment ging dat niet meer. Ik voerde een gecompliceerd project voor SGS uit waarvoor ik alle Europese vestigingen moest bezoeken. Op een bepaald moment zat ik in het vliegtuig uit Barcelona op weg naar een mondeling tentamen dat ik in Rotterdam moest afnemen. Eenmaal in Rotterdam aangekomen, kon ik me niet meer precies herinneren waar dat tentamen in Godsnaam over ging. De week daarop nam ik ontslag. Ik had niet lang daarvoor een vaste aanstelling gekregen. Die was voor mij een extra reden om snel weg te wezen. De rest van mijn leven aan die universitaire instelling? Ik zou nog liever dood gaan.

Adviesbureau aan de Morssingel

Vanaf dat moment werkte ik thuis van achter een heel breed antiek bureau. Ik had een tweede telefoontoestel gekocht – ons eerste toestel met druktoetsen – en een redelijk compact kopieerapparaat. Ook de fax – werkend met dikke rollen thermisch papier- kon natuurlijk niet ontbreken. Mijn eerste antwoordapparaat stond op de vensterbank. Ik herinner me dat dit aanleiding was tot grote irritatie. Petra zei dat het zo langzamerhand ons huis niet meer was met al die apparaten. Links van mijn bureau stond een Olivetti PC (met groen scherm), met Intel 8086 processor, gekocht in 1986 voor bijna tienduizend gulden. Tekstverwerking ging met Word Perfect en er stonden naast de PC een naaldenprinter en één van de eerste modellen HP Inkjets. Op dezelfde kamer

kopieerapparaat, naaldenprinter, inkjet-printer, Olivetti PC, fax

stond Petra’s PC, een iets nieuwere Philips (met oranje scherm), die ook al kleine diskettes kon lezen. Ik was trots op mijn 1200 baud modem (bijna iedereen had nog 300 baud!), waarmee ik hier en daar file kon downloaden. Ik had op een bepaald moment een CompuServe- abonnement, waarmee ik overal ter wereld een primitieve vorm van e-mail kon gebruiken. We speelden vaak een leuk spelletje op de PC: digger.

Duitsland en Nederland

De opdrachtenportefeuille was nog niet erg goed gevuld. Ik werkte nog veel voor het Duitse bureau op het gebied van nucleaire veiligheid en ik verwierf redelijk wat naamsbekendheid met een column in de bladen Milieumagazine en Nieuwe Beta. In de Nederlandse bladen schreef ik ook regelmatig over ontwikkelingen in Duitsland. Inmiddels was ik betrokken geraakt bij discussies over het Duitse chemiebeleid en werkte aan een project dat Ueberhorst in opdracht van de stad Frankfurt uitvoerde.

Ons eerste kind kwam eraan. Ons huis was niet meer geschikt voor een gezin én een kantoor. We hadden toen kunnen proberen een huis te kopen met kantoorruimte, maar dat leek te riskant. Ik ging op zoek naar kantoorruimte in Leiden en vond een prachtige ruimte aan de Kloksteeg, boven Burgersdijk en Niermans. Vrijwel gelijktijdig met het tekenen van het huurcontract registreerde ik mijn bedrijf bij de Kamer van Koophandel. Ueberhorst had grote bezwaren aangetekend tegen de naam Environmental Management – te platvloers of zo. Ik registreerde mij op 1 juni mede op zijn advies als Adviesbureau voor Milieubeleid. Op dat moment klopte dat ook wel, want ik hield mij vrij weinig met management bezig.

Een kantoor, een kind en weinig inkomsten

Op 4 juni betrok ik mijn nieuwe kantoor op de Kloksteeg. Het echte avontuur kon beginnen: zelfstandig ondernemer met weinig werk en een kind in aantocht. Ik ging driftig door met columns schrijven in Milieumagazine, alleen in 1991 al zeven stuks, in 1992 zes. Ik was actief in de Vereniging voor Milieuwetenschappen (VVM). Er was een verzoek van het Ministerie aan VVM om een project uit te voeren met betrekking tot radioactief afval. Ik bood aan dat project uit te voeren. Dat kon als ik mijn bestuursfunctie daar zou neerleggen. Geïnspireerd door het werk dat ik met mijn collega/opdrachtgever uit Elmshorn deed, organiseerde ik een interessant discussieproject en een dik rapport rond 1991. Het beleid is overigens nu nog niet veel verder dan toen.

4 juni 1990: mijn nieuwe kantoor, de secretaressekamer

Erg veel goed betalende opdrachten had ik nog niet, maar ik deed interessant werk. Zo schreef ik samen met een aantal auteurs een cursus voor de Open Universiteit over Milieumanagement. Ik week hier bewust van het geijkte patroon af. Ik ging niet als ‘editor’ de bijdragen van alle deskundigen corrigeren. Ik vroeg de deskundigen mij hun eigen basismateriaal te sturen, op basis waarvan ik hoofdstukken schreef die zij mochten corrigeren. Dat werkte erg goed.

Grote, belangrijke thema’s

In de loop van 1991-1992 begon er meer lijn in mijn werk te komen. Zo’n lijn kan je pas na lange tijd goed onderscheiden. Toen was dat helemaal niet zo duidelijk. Na meer van 30 jaar zie ik de volgende onderling sterk verbonden inhoudelijke lijnen:

[1] Ketenbeheer in Nederland

[2} Stoffstrommanagement in Duitsland

a. Wer ist der Manager?

b. Textil und Chemie

[3] Ronde tafels, Certificering, in het bijzonder papier/hout, katoen/textiel en palmolie

Zie hiervoor de aparte stukjes (in ontwikkeling).

Wat steeds duidelijker werd rond 1992, is dat Duitsland een belangrijk land voor me werd en zou blijven. Heel veel werk in Nederland heb ik nooit gedaan en als ik het deed was het voor internationale organisaties en bedrijven.