Eendgezind de natuur in …

Gezellige overdracht

Zal ik maar eens gaan klagen over het belachelijke leven dat we nu leiden (lijden?)? Dan zou ik gaan zeuren over een wereld zonder concerten, zonder musea, zonder restaurants en ook zonder scholen. Ik zou gaan mekkeren over onze medemens die thuis het virus met veel plezier (en bier) zit over te dragen. Ik zou misschien beweren dat het een illusie is dat de overheid dit kan oplossen zolang de mensen zich zo stom gedragen en dat COVID in de eerste plaats geen beleidsprobleem van de overheid is maar een gedragsprobleem van burgers. Ik zou wellicht nog eens benadrukken dat alleen in een totalitaire staat die twee min of meer samenvallen.

Ik doe het maar niet.

Eenden kijken

Vogeltjes of beter vogels, daar wil ik het over hebben. Rond 1964 werd ik lid van de NJN, afdeling Wageningen. Wij waren in alles geïnteresseerd van korstmossen en langpootmuggen tot wilde zwijnen, maar het hoofdgerecht van het natuurmenu bestond uit vogels, vooral ook watervogels. Regelmatig waren er vogeltellingen waarbij wij verantwoordelijk waren voor een tiental kilometers Rijn.  Flevoland, toen volop in aanleg, was een vast doel van onze excursies. Met laarzen aan fietsten we naar Harderwijk en vervolgens fietsten we langs de knardijk naar Lelystad dat uitsluitend bestond uit huisvesting van polderwerkers en een eenvoudige kantine (zie ook hier).

Een impressie van de Blauwe Kamer aan de Rijn (1965)

Onder leiding van ervaren vogelaars als Aart Noordam, Eric Gerding en Frits Boerwinkel leerde ik al gauw de belangrijkste vogels onderscheiden. Fietsend naar Lelystad zagen we aan de linkerkant heel veel eenden, die ik voor tijd nog helemaal niet kende. Natuurlijk kende ik de wilde eend wel, maar kuifeenden, tafeleenden, smienten, wintertalingen en bergeenden waren helemaal nieuw voor me. Zo ook prachtige nonnetjes, brilduikers, pijlstaarten en middelste zaagbekken. Af en toe zagen we ook krakeenden, die toen veel minder algemeen waren dan nu.

Aan de rechterkant, waar Flevoland zou komen, lagen voorlopig nog uitgestrekte rietvelden. Baardmannetjes waren er zo algemeen als huismussen, herinner ik mij.

Vogelaarvriendelijke vogels

pijstaart

Ik zag toen al dat eenden een ideaal onderwerp voor vogelaars vormden: lekker groot en niet hoog in de bomen tussen allerlei takken heen en weer vliegend zoals meesjes, goudhaantjes en vinken. Bovendien kijk je vooral in het winterseizoen naar die beesten, wanneer er gelukkig geen bladeren aan de bomen meer zitten.

Ik ben nooit een echt goede vogelaar geworden. Zeker bij de zangvogels bak ik er weinig van. Ik ken de fitis, de tjiftjaf en de zwartkop en ook een zanglijster kan ik goed herkennen, maar veel verder komt ik niet. Bij de steltlopers gaat het goed met grutto, wulp, kluut en zelfs watersnip, maar ga mij niet vragen hoe al die ruiters eruit zien. Maar mijn eendenkennis is nog op peil en zelfs iets beter geworden de laatste jaren. Het zijn ook dankbare beesten om te fotograferen, wat me nu ik een 600 mm teleobjectief bezit, ook af en toe redelijk lukt.

Een een(d)zaam werkje

Typisch een werkje in Coronatijd: ik heb een klein boekje met eendenfoto’s gemaakt van mijn bestaande foto’s. Sommige foto’s zijn erg mooi. Voor sommige eenden moet ik nog eens een betere foto maken. Hier staat het (voorlopige) resultaat.

wintertalingen

 

Zo begon het ….

Vandaag

Vandaag heb ik mij per 31 december dit jaar uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel, meer dan 30 jaar na mijn inschrijving.

Het begin van mijn adviesbureau

Rotterdam, Elmshorn

Meer dan 30 jaar geleden, op 1 juni 1990 schreef ik mij in onder de naam Dr. Reinier de Man Adviesburau voor Mileubeleid. Ik was al enige tijd actief als zelfstandig adviseur, eerst naast mijn werk aan de Erasmus-Universiteit. Op 22 mei 1987 was ik, tot mijn eigen verbazing, gepromoveerd in de sociale wetenschappen. Om de drukkosten van mijn proefschrift te betalen werkte ik voor Reinhard Ueberhorst, een politiek adviseur uit Elmshorn bij Hamburg, aan een project over nucleaire veiligheid. Het resultaat bestond uit lijvige rapporten over “Sicherheitsphilosophien” als input in interessante discussies met kernenergie-experts uit de wereld van voor- en tegenstanders van kernenergie.

Rapport Nr. 2 in de reeks

Intussen begon ik met mijn eigen winkeltje, eerst onder de naam Environmental Management. Er woedde op dat moment een discussie over de vormgeving van milieumanagement in bedrijven en, geheel in de stijl van mijn Duitse werk, schreef ik een analyse van de toenmalige situatie. Ik zette een advertentie in het milieublaadje van de werkgeversorganisatie VNO-NCW met aanwijzingen hoe mijn rapport Interne Milieuzorg in Bedrijven – de stand van de Nederlandse Discussie te bestellen was. Ik verkocht een dertigtal exemplaren. Op het kaft van het rapport stond dat het nr. 2 was uit een reeks van vijf rapporten. Ik vond dat overtuigender staan. Nr. 1 had ik nog niet geschreven (en zou ik nooit schrijven) en na nr. 2 kwam er niets meer. Wel kreeg ik enkele bestellingen binnen, die ik helaas moest afwijzen. Met dit rapport had mijn toegang verschaft tot de Nederlandse beleidsdiscussie en ik werd enkele malen voor het houden van lezingen uitgenodigd. Vanaf dat moment volgde ik in mijn advieswerk twee sporen: het Duitse advieswerk over kernenergie en later over de “Chemiepolitik” en mijn bijdrage aan de ontwikkeling van milieumanagement en later ketenbeheer in Nederland.

Adviseren vanuit ons flatje

Tot 1989 combineerde ik mijn advieswerk met mijn baan in Rotterdam. Op een bepaald moment ging dat niet meer. Ik voerde een gecompliceerd project voor SGS uit waarvoor ik alle Europese vestigingen moest bezoeken. Op een bepaald moment zat ik in het vliegtuig uit Barcelona op weg naar een mondeling tentamen dat ik in Rotterdam moest afnemen. Eenmaal in Rotterdam aangekomen, kon ik me niet meer precies herinneren waar dat tentamen in Godsnaam over ging. De week daarop nam ik ontslag. Ik had niet lang daarvoor een vaste aanstelling gekregen. Die was voor mij een extra reden om snel weg te wezen. De rest van mijn leven aan die universitaire instelling? Ik zou nog liever dood gaan.

Adviesbureau aan de Morssingel

Vanaf dat moment werkte ik thuis van achter een heel breed antiek bureau. Ik had een tweede telefoontoestel gekocht – ons eerste toestel met druktoetsen – en een redelijk compact kopieerapparaat. Ook de fax – werkend met dikke rollen thermisch papier- kon natuurlijk niet ontbreken. Mijn eerste antwoordapparaat stond op de vensterbank. Ik herinner me dat dit aanleiding was tot grote irritatie. Petra zei dat het zo langzamerhand ons huis niet meer was met al die apparaten. Links van mijn bureau stond een Olivetti PC (met groen scherm), met Intel 8086 processor, gekocht in 1986 voor bijna tienduizend gulden. Tekstverwerking ging met Word Perfect en er stonden naast de PC een naaldenprinter en één van de eerste modellen HP Inkjets. Op dezelfde kamer

kopieerapparaat, naaldenprinter, inkjet-printer, Olivetti PC, fax

stond Petra’s PC, een iets nieuwere Philips (met oranje scherm), die ook al kleine diskettes kon lezen. Ik was trots op mijn 1200 baud modem (bijna iedereen had nog 300 baud!), waarmee ik hier en daar file kon downloaden. Ik had op een bepaald moment een CompuServe- abonnement, waarmee ik overal ter wereld een primitieve vorm van e-mail kon gebruiken. We speelden vaak een leuk spelletje op de PC: digger.

Duitsland en Nederland

De opdrachtenportefeuille was nog niet erg goed gevuld. Ik werkte nog veel voor het Duitse bureau op het gebied van nucleaire veiligheid en ik verwierf redelijk wat naamsbekendheid met een column in de bladen Milieumagazine en Nieuwe Beta. In de Nederlandse bladen schreef ik ook regelmatig over ontwikkelingen in Duitsland. Inmiddels was ik betrokken geraakt bij discussies over het Duitse chemiebeleid en werkte aan een project dat Ueberhorst in opdracht van de stad Frankfurt uitvoerde.

Ons eerste kind kwam eraan. Ons huis was niet meer geschikt voor een gezin én een kantoor. We hadden toen kunnen proberen een huis te kopen met kantoorruimte, maar dat leek te riskant. Ik ging op zoek naar kantoorruimte in Leiden en vond een prachtige ruimte aan de Kloksteeg, boven Burgersdijk en Niermans. Vrijwel gelijktijdig met het tekenen van het huurcontract registreerde ik mijn bedrijf bij de Kamer van Koophandel. Ueberhorst had grote bezwaren aangetekend tegen de naam Environmental Management – te platvloers of zo. Ik registreerde mij op 1 juni mede op zijn advies als Adviesbureau voor Milieubeleid. Op dat moment klopte dat ook wel, want ik hield mij vrij weinig met management bezig.

Een kantoor, een kind en weinig inkomsten

Op 4 juni betrok ik mijn nieuwe kantoor op de Kloksteeg. Het echte avontuur kon beginnen: zelfstandig ondernemer met weinig werk en een kind in aantocht. Ik ging driftig door met columns schrijven in Milieumagazine, alleen in 1991 al zeven stuks, in 1992 zes. Ik was actief in de Vereniging voor Milieuwetenschappen (VVM). Er was een verzoek van het Ministerie aan VVM om een project uit te voeren met betrekking tot radioactief afval. Ik bood aan dat project uit te voeren. Dat kon als ik mijn bestuursfunctie daar zou neerleggen. Geïnspireerd door het werk dat ik met mijn collega/opdrachtgever uit Elmshorn deed, organiseerde ik een interessant discussieproject en een dik rapport rond 1991. Het beleid is overigens nu nog niet veel verder dan toen.

4 juni 1990: mijn nieuwe kantoor, de secretaressekamer

Erg veel goed betalende opdrachten had ik nog niet, maar ik deed interessant werk. Zo schreef ik samen met een aantal auteurs een cursus voor de Open Universiteit over Milieumanagement. Ik week hier bewust van het geijkte patroon af. Ik ging niet als ‘editor’ de bijdragen van alle deskundigen corrigeren. Ik vroeg de deskundigen mij hun eigen basismateriaal te sturen, op basis waarvan ik hoofdstukken schreef die zij mochten corrigeren. Dat werkte erg goed.

Grote, belangrijke thema’s

In de loop van 1991-1992 begon er meer lijn in mijn werk te komen. Zo’n lijn kan je pas na lange tijd goed onderscheiden. Toen was dat helemaal niet zo duidelijk. Na meer van 30 jaar zie ik de volgende onderling sterk verbonden inhoudelijke lijnen:

[1] Ketenbeheer in Nederland

[2} Stoffstrommanagement in Duitsland

a. Wer ist der Manager?

b. Textil und Chemie

[3] Ronde tafels, Certificering, in het bijzonder papier/hout, katoen/textiel en palmolie

Zie hiervoor de aparte stukjes (in ontwikkeling).

Wat steeds duidelijker werd rond 1992, is dat Duitsland een belangrijk land voor me werd en zou blijven. Heel veel werk in Nederland heb ik nooit gedaan en als ik het deed was het voor internationale organisaties en bedrijven.

 

 

Aan de periferie van Europa

Vakantie-idylle

Het is heerlijk fietsen dichtbij de grenzen van de EU. Ik geniet van de rust in de eenvoudige dorpen waar, als er niet toevallig een tractor doorheen rijdt, de ooievaars met hun geklepper en de leeuweriken met hun onophoudelijke liedjes hoog in de lucht alleen maar de stilte onderstrepen. Fantastisch zo’n gierpontje  dat door de stroming van de rivier wordt voortbewogen. Ik weet  niets van die boer die daar met zijn tractor op dat primitieve pontje staat.

Het pontje bij Wybrzeże

Ik kan er dus op los fantaseren, net zoals indertijd Vincent van Gogh over de boeren schreef: “Ik denk er zoo dikwijls aan dat de boeren een wereld op zich zelf zijn, in veel opzigten zooveel beter dan de beschaafde wereld.” Maar wat zie ik eigenlijk? Een gelukkig boer die, dichtbij de natuur, met volle teugen van het buitenleven geniet? Of eerder een man die zich voor een hongerloontje afbeult en op zijn vijfenveertigste al meer versleten is dan ik, de verwende Nederlandse fietser van zeventig?

Een hard leven

Aan de weg bij Dubiecko

Het is leeg in dit gedeelte van Polen. Behalve de boerenbedrijven is er heel weinig te doen. Er is weinig industrie en wie geld wil verdienen, kan het beste maar op reis gaan naar Duitsland, Nederland of Engeland. Als ik langs de provinciale weg bij Dubiecko fiets, kom ik langs een groot advertentiebord met verschillende teksten, onder meer “Praca w Holandii – szklarnie”(Werk in Holland – kassen”). Uit dit soort streken komen dus de Polen die hier gewaardeerd worden om hun discipline, hun vakkundigheid en hun lage lonen. Zonder deze Polen zouden er geen asperges bij Albert Heijn liggen.

Tijdens deze fietstocht ga ik ergens op een terras van één van de schaarse restaurants iets drinken en ik raak in gesprek met een wat ouder echtpaar dat met de (elektrische) fiets onderweg is. De man heeft in Duitsland gewerkt en spreekt Duits met mij. De vrouw begrijpt er niet veel van. Uit zijn verhaal blijkt dat hij een zelfstandig ondernemer geweest is en jarenlang voor zijn pensioen gespaard heeft. Tweehonderd Euro krijgt hij per maand, meer niet. Ik vertel hem over onze AOW, maar dat had ik beter niet kunnen doen. Alleen al mijn AOW is bijna vier keer zo veel als wat hij krijgt.

Aan de rand van het bos

Facebook-conversatie

Mijn laatste Agroturystyka voordat ik via Rzeszów weer naar huis zou reizen was bij Słonne aan de mooie rivier de San. Ik vond deze mooie plek – met de mooie naam Na skraju lasu = aan de bosrand – via Internet en via hun Facebook account kon ik voor één nacht een kamer reserveren voor 40 zł. (€ 10). Voordat ik erheen fietste, vroeg ik nog of ze een avondmaaltijd konden verzorgen. Ik kreeg als antwoord “z kolacją nie będzie problemu, tradycyjna czy obiadokolacja?” (met het avondeten is er geen probleem, traditioneel of een ‘lunch-diner’ (of zoiets)?”.  Ik heb maar geschreven dat ik niet wist wat obiadokolacja is en dat ze zelf maar moeten beslissen. Voor een ontbijt zouden ze niet kunnen zorgen.

Ik kwam vroeger aan dan gepland. Ik werd hartelijk ontvangen door de man van het huis die mijn mijn appartement met keuken, woonkamer, twee slaapkamers en badkamer liet zien. Na het douchen werd ik meteen aan het avondeten in hun eigen huis uitgenodigd. Het bleek dat ik mijn Facebook-discussie had gevoerd met hun dochter in de stad, maar zij had het allemaal keurig doorgegeven. Het maal was heel eenvoudig. Tijdens het eten vertelde de man iets over zijn leven. Hij had veel in de bouw gewerkt en, ondanks het feit dat hij problemen had met zijn rug, deed hij nog veel, niet te zware klussen.’ Hij had veel in Engeland en in Duitsland gewerkt. Het nagerecht was mooi en smakelijk zelfgemaakt gebak. Tenslotte werd er een heel klein glaasje (zelf gemaakte) sterke drank bij geschonken.

De volgende ochtend kreeg ik, tegen mijn verwachting, toch nog een echt ontbijt aangeboden in het huis van meneer en mevrouw. Meneer was al veel eerder vertrokken. Het zal een uur of vijf geweest zijn toen een busje met bouwvakkers hem kwam ophalen voor de rit naar Dresden, minimaal 8 uur rijden via Kraków, Katowice en Wrocław. Ik neem aan dat hij die avond niet meer thuis gekomen is. Mevrouw had nogal vieze zoete thee voor me ingeschonken. Misschien zat er honing in. Ik durfde niet te zeggen dat ik het niet lekker vond. Uit vriendelijkheid dronk ik het zo snel mogelijk op.

Aan de periferie van Europa

Het mooie landschap van de Podkarpaten

Niet veel later fiets ik- zonder rugpijn – door het mooie het landschap, kijk naar de vogels en voel de warme zon op mijn huid.

Toch kan ik niet alleen maar van de rust, het weer, de vogels en het landschap genieten. Ik moet denken aan mijn gastheer. Misschien had hij op de bouw in Dresden al op dat moment wel zijn eerste pijnstiller achter de kiezen.

Is dit werkelijk het Europa dat we willen? Wie profiteert eigenlijk van die mooie liberale samenleving? De goedkope arbeidskrachten uit de arme periferie van Europa mogen het leven van de rijke mensen in het rijke centrum steeds aangenamer maken. Maar wat krijgen zij er voor terug? Geen wonder dat in landen als Polen, Hongarije en Bulgarije enge politici aan de macht komen. Dat is zeker niet toe te juichen, maar wel goed te begrijpen.

  1. Fietsen in Polen
  2. Orthodoxe kerken in het Oosten
  3. Verdacht aan de buitengrens van de EU
  4. De Poolse taal in de praktijk
  5. Vogels onderweg
  6. Weerzien na 42 jaar
  7. De periferie van Europa