Natuurlijke historie

Een vroege veldbioloog en de stinkzwam

Dit jaar zag ik weer eens mooie grote stinkzwammen in een park bij Oegstgeest. In het Latijn heet de stinkzwam Phallus impudicus (schaamteloze penis). Ik vroeg mij af wie die naam ooit verzonnen had. Het was niet Linnaeus in de achtiende eeuw maar een veel vroegere Nederlandse geleerde, Hadrianus Junius.

Hij heeft die paddenstoel uitgebreid in het Latijn beschreven in een klein  tractaat (in 1564). In een eerdere blog heb ik daar al aandacht aan besteed.  De publicatie van Junius was in de Renaissance een doorbraak in de bestudering van de levende natuur. Tot die tijd baseerden de meeste botanici en medici zich bijna uitsluitend op gezaghebbende teksten van de oude Grieken en Romeinen, maar Junius ging zelf op veldonderzoek uit.

Duizend jaar oude boeken

Tot in de zeventiende eeuw waren twee boeken van toen al meer dan duizend jaar oud misschien wel de belangrijkste bronnen van medische en biologische kennis:

(1) de Naturalis Historia van de Romeinse Plinius de Oudere (rond 24 tot 79 n. Chr. , de uitbarsting van de Vesuvius)  die diverse functies on de keizers Claudius en Nero vervulde.

(2) Περ ὕλης ἰατρικῆς (De materia medica), een uitgebreide farmacologische  encyclopedie door de Griek Pedanius Dioscorides (rond 40-90 n.Chr), die als medicus ook voor keizer Nero werkte.

Ik zal hieronder kort iets over deze twee boeken schrijven en laten zien wat deze boeken over paddenstoelen te vertellen hebben.

De Natuurlijke Historie door Plinius  (rond 70 n.Chr.)

Het monumentale boek
De kopie uit de negende eeuw in Leiden

Een van de belangrijkste bron voor medische en biologische geleerden in de middeleeuwen en nog lange tijd daarna was een werk uit de Romeinse tijd waarin bijna de gehele natuur werd beschreven, inclusief planten, dieren, ziekten, geneesmiddelen. Maar ook astronomie, geologie en zelfs kunstgeschiedenis ontbraken niet in dit monumentale uit 37 boeken (met 2493 hoofdstukken) bestaande werk van Plinius de Oudere  uit 77 n. Chr.: Naturalis Historia.

De ons bekende tekst komt uit vroege kopieën uit de middeleeuwen, het resultaat van vele malen overschrijven van de Romeinse tekst, die definitief verloren is gegaan. 

Waarschijnlijk bevatte de oorspronkelijke tekst geen platen. Een van de oudste versies van het boek stamt uit de negende eeuw en wordt in de Universiteitsbibliotheek van Leiden bewaard. Dit manuscript is het resultaat van 800 jaar overschrijven sinds de originele publicatie in Rome en zal zeker daarom veel fouten bevatten. Het eerste gedrukte exemplaar (oplage 100!) is uit 1469, minder dan 20 jaar na de uitvinding van de boekdrukkunst.

De eerste pagina van de druk uit 1469 van Naturalis Historia

Pas door de systematische beoefening van de natuurwetenschap vanaf de zeventiende eeuw kon het werk van Plinius als standaardwerk over de natuur naar de achtergrond gedrongen worden.

De titel van het boek, Naturalis Historia of Natuurlijke Historie, heeft alle eeuwen overleefd en wordt nog steeds gebruikt als synoniem voor ‘biologie’. Nu betekent historia in het Latijn niet geschiedenis maar beschrijving.

 

Plinius over paddenstoelen

Plinius wijst er terecht op dat paddestoelen niet alleen voedzaam en smakelijk kunnen zijn maar ook gevaarlijk als je een giftige soort in de maaltijd verwerkt. Hij herinnert aan de recente vergifitiging van keizer Tiberius Claudius door Agrippina die hem in het jaar 54 een bord giftige paddenstoelen, mogelijk de groene knolamaniet, serveerde . Hiermee wilde zij waarschijnlijk de troonopvolging van Claudius door haar zoon Nero veilig stellen. Plinius schrijft hierover:

“Onder de zaken die zonder de nodige voorzichtigheid worden geconsumeerd, reken ik met recht paddenstoelen – weliswaar een voedzaam product, maar een dat in een kwaad daglicht is komen te staan door een gedenkwaardig historisch voorval: Agrippina gebruikte ze namelijk om keizer Tiberius Claudius te vergiftigen. Met deze daad liet zij een ander soort ‘gif’ op de wereld los: haar eigen zoon, Nero.”

Maar hoe kan je nu zien of een paddenstoel giftig is of niet? Volgens Plinius kan je dat soms wel eenvoudig zien: 

“Bij sommige soorten is de aanwezigheid van gif gemakkelijk te herkennen: een vage rode tint, een ziekelijk of verrot uiterlijk, een grauwe kleur aan de binnenzijde, barsten of scheuren, en een bleke rand rondom. Bij andere soorten ontbreken deze kenmerken; ze zien er droog en volkomen onschuldig uit, soms zelfs met witte vlekken op de hoed – overblijfselen van het vlies (of de ‘baarmoeder’) waaruit ze zijn voortgekomen. De aarde brengt namelijk eerst deze ‘baarmoeder’ voort, waarbinnen de paddenstoel zich ontwikkelt, vergelijkbaar met de dooier in een ei.”

Het lijkt niet of de auteur van de Romeinse natuurencyclopedie de consument van paddenstoelen voldoende aanwijzingen geeft om de giftigheid van een paddenstoel te bepalen. Hij noemt wel wat mogelijke aanwijzingen zoals het gevaar van paddenstoelen die op een plek met ijzerroest groeien (de paddenstoel zet die roest om in gif!) of het levensgevaarlijke verbond tussen giftige paddenstoelen en giftige slangen:

“… als een paddenstoel groeit in de nabijheid van een slangenhol — zeker wanneer deze in een vroeg ontwikkelingsstadium wordt blootgesteld aan de adem van de slang — kan hij het gif van het dier in zich opnemen, gezien de natuurlijke affiniteit tussen dergelijke substanties. Men dient daarom op zijn hoede te zijn in de periode voordat de slangen zich in hun holen terugtrekken.”

Hoe paddenstoelen ontstaan, daarover deden in de oudheid en tot in de zeventiende eeuw de vreemdste verhalen de ronde. Plinius zegt bijvoorbeeld:

“Ze ontstaan uit het slijm en de gistende sappen van vochtige aarde, of vaak bij de wortels van notenbomen. Aanvankelijk verschijnen ze als een kleverig schuim, dat vervolgens een vliesachtig omhulsel vormt, waarna de paddenstoel zelf tevoorschijn komt, zoals ik reeds heb beschreven.”

Het farmacologische handboek van Dioscorides (rond 70 n.Chr)

Het handboek

Dioscorides was een Griekse geleerde en lijfarts van keizer Nero. Hij schreef vrijwel in dezelfde tijd toen Plinius zijn natuurlijke historie schreef zijn uitgebreide farmacologische handboek, oorspronkelijk in het Grieks onder de naam Περ ὕλης ἰατρικῆς (in het Latijn ‘de materia medica’).  Waarschijnlijk hebben de twee auteurs elkaars werk nooit gezien. 

Blad 83r uit de Weense Dioscorides (uit het jaar 512)

Het werk van Dioscurides werd in de Middeleeuwen talloze malen gekopieerd en vertaald in het Latijn en het arabisch. Na de uitvinding de boekdrukkunst werd het herhaalde malen in verschillende talen uitgegeven, soms met prachtige (vaak met de hand ingekleurde) houtsneden.

Περ ὕλης ἰατρικῆς (de materia medica) was de basis voor bewerkingen in verschillende talen. Heel populair was het werk van de Italiaan Mattioli, waar ik hieronder op terugkom.

Dioscurides over paddenstoelen

Uit de Spaanse vertaling van het boek van Dioscurides: Fungi

Ook in het werk van Dioscurides vinden we belangrijke passages over paddenstoelen. In de, van kleurenplaten voorziene, Spaanse vertaling uit 1555 van het  boek van Dioscurides  lees ik :

“Er zijn twee soorten paddenstoelen: exemplaren die eetbaar zijn en exemplaren die volstrekt dodelijk zijn. Ze worden vaak giftig door uiteenlopende oorzaken – bijvoorbeeld wanneer ze groeien in de nabijheid van verroeste spijkers, verrottende stoffen, de nesten van giftige slangen of bomen die schadelijke vruchten voortbrengen. Dergelijke paddenstoelen bevatten een gestolde, kleverige substantie; zodra ze uit de grond worden geplukt, bederven en vergaan ze in snel tempo. Paddenstoelen die niet met giftige stoffen zijn besmet, smaken aangenaam wanneer ze aan stoofschotels worden toegevoegd – al kunnen zelfs deze, bij consumptie in grote hoeveelheden, vaak leiden tot wat men ‘cholera’ noemt”. 

Met ‘cholera’ bedoelde men in die tijd ernstige maag-darmklachten. Hoewel ze waarschijnlijk geen contact met elkaar hadden, presenteerden Plinius en Dioscurides bijna exact dezelfde populaire (maar onbewezen) kennis uit die tijd, zoals de nabijheid van verroeste spijkers en slangenholen. 

Het Kruidenboek van Mattioli (rond 1565)

Discorsi en Commentarii 

In de Renaissance bleef het boek van Dioscurides nog razend populair en het was de basis voor herdrukken en bewerkingen in verschillende talen. 

Heel populair was het werk van de Mattioli (1501-1577, ook als Matthioli geschreven) , die het oorspronkelijke werk uit het Grieks in het Italiaans vertaalde, er zijn eigen bijdragen aan toevoegde (gepubliceerd als Discorsi) en het geheel in de academische taal van tijd, Latijn, vertaalde (gepubliceerd als Commentarii). De Latijnse versie was weer de basis voor de duitstalige tekst van het New Kreüterbuch, waaraan voor de Duitse wereld interessante zaken zijn toegevoegd.

Paddenstoelen in Commentarii

Op p. 1104 van Commentarii staat een mooie plaat van verschillende paddenstoelen. Vlak boven deze plaat staat een tekst die vrijwel ongewijzigd uit het werk van Dioscorides lijkt te zijn gekopieerd.

Uit Commentarii van Mattioli

De Latijnse tekst boven de plaat vertaal ik als:

“Er zijn twee soorten paddenstoelen: sommige zijn eetbaar, terwijl andere dodelijk zijn. Ze kunnen om uiteenlopende redenen giftig worden – bijvoorbeeld wanneer ze groeien in de nabijheid van een verroeste ijzeren spijker, verrottende stof, het hol van een slang, of bomen die van nature schadelijke vruchten voortbrengen…. …. ….”

 

 

Het is exact de onveranderde tekst van het in die tijd al duizend jaar oude boek van Dioscurides! Daarom heb ik hierboven alleen de de eerste regels vertaald. 

Het Duitse kruidenboek: New Kreüterbuch

De bewerking van het oude boek van Dioscurides was ook in de Duitstalige wereld populair. Mattioli publiceerde daarom een versie in de Duitse taal als New Kreüterbuch.

Paddenstoelen in New Kreüterbuch

Het plaatje van paddenstoelen in Kreüterbuch, p. 476/

 

Wat betreft de paddenstoelen, staat er weer het zelfde plaatje in als in de eerder gepubliceerde Commentarii, maar nu hier en daar ingekleurd.

Het verhaal over roestige spijkers en slangenholen heb ik in deze uitgave niet meer kunnen vinden.

Interessant is  de tekst boven de figuur, die Mattioli heeft overgenomen van een ander kruidenboek uit die tijd: Hieronymus Bock, New Kreütterbuch (1539). In het Nederlands:

“Paddenstoelen zijn noch planten, noch wortels, noch bloemen, noch zaden; ze zijn niets anders dan het overtollige vocht van de aarde, bomen, verrottend hout en andere rottende zaken.”

Hieronymus Bock was in één opzicht zijn tijd ver vooruit. Tot 1969 werden paddenstoelen volkomen ten onrechte tot het plantenrijk gerekend. Bock had in de zestiende eeuw al helemaal gelijk dat paddenstoelen geen planten zijn, maar hij had geen enkel idee van wat het dan wel zouden zijn. 

Dezelfde tekst van Bock verschijnt in de uitgave van 1611 onder een mooi ingekleurde andere plaat van paddenstoelen en morieljes. Zie hiernaast.

 

Paddenstoelen uit hertensperma

Op meerdere plekken in zijn publicaties vertelt Mattioli een verhaal dat waarschijnlijk niet uit de oudheid stamt. Hij heeft het over de ‘hertentruffel’ (Elaphomyces, niet te verwarren met de hertenzwam). Die zou op plekken groeien waar tijdens de paring van herten sperma uit het vrouwtje op de grond is gelopen.

Net ver na het plaatje met de paddenstoelen  in het Kreüterbuch staat er een korte passage over deze vreemde paddenstoel. Onder meer lees ik daar:

“Er wechst in Wälden da viel Hirschen wonen. Hat sein ursprung von den Hirschen Samen…”

Verder is mijn tekst slecht leesbaar, maar ik vind uitgebreidere informatie uit één van de brieven die Mattioli gepubliceerd heeft (Epistularum Medicinalium etc., 1561). In een brief aan de Zwitserse geleerde Gessner (1516-1565) schrijft Mattioli (vertaald uit het Italiaans):

“Aangezien deze zwam voor u onbekend is, zal ik de achtergrond en de medicinale mogelijkheden ervan niet langer voor u verzwijgen. Jagers beweren dat de zwam ondergronds groeit, net als een gewone truffel, op plekken waar tijdens de paring sperma van een hert is terechtgekomen – vaak op een wijze waarbij het, vergelijkbaar met de opstuwende zee, uit het lichaam van het vrouwtje stroomt terwijl zij wegvlucht. “

Men geloofde in die tijd nog in ‘generatio spontanea’, spontane ontwikkeling van levende planten of dieren uit allerlei materie. Pas toen het inzicht cellen en sporen sprongsgewijs was toegenomen door de uitvinding van de microscoop, kwam aan dit geloof een einde. 

Junius, Mattioli en de hertenzwam

En dan eindig ik dit stuk waarmee ik begonnen was: de beschrijving van de grote stinkzwam door onze landgenoot Hadrianus Junius. In het voorwoord van zijn korte publicatie (1564) daarover noemt hij de medische brieven van Mattioli (1561) en gaat in op zijn verhaal over de Hertentruffel dat hem geïnspireerd had het verhaal over de stinkzwam te publiceren.

‘… …. …. Pietro Mattioli, een ware meester in de plantkunde en een man die uw beschermheren zeer is toegedaan; hij heeft de onuitputtelijke vruchtbaarheid van het plantenrijk uiterst nauwgezet in kaart gebracht en aan de schaduw ontrukt. Terwijl ik zijn medische brieven las – die u mij onlangs cadeau deed –, stuitte ik op een beschrijving van de Fungus Cervinus (hertenzwam), die, zoals hij zelf aangeeft, in Italië onbekend is. Op dat moment herinnerde ik me dat ik ooit een speels stukje had geschreven over de Phallus – een soort zwam die nergens anders voorkomt dan in de zandgronden van Holland ….” (vertaald uit het Latijn)

 

Gebruikte Literatuur

Pedanius Dioscorides, Περ ὕλης ἰατρικῆς (De materia medica), rond 70 n.Chr., oudste kopie te vinden in Wenen, de zogenaamde Vienna Discurides uit het jaar 512.  Afzonderlijke pagina’s zijn te zien op website van ÖNB
Een mooie Spaanse uitgave uit de 16e eeuw: Pediacio Discorides Anazarbeo, Acerca de la materia medicinal, y de los mortiferos, traduzido de lengua Griega, en la vulgar Castellana, etc. Antwerpen 1555, in te zien op Library of Congress

Hadrianus Iunius, Phalli, ex fungorum genere in Hollandiae sabuletis passim crescentis descriptio, 1564 . Een Nederlandse vertaling van het grootste deel van deze tekst is in het blad Levende Natuur van november 1906 te vinden: M. Greshoff, ‘Een natuurhistorisch Document der 16de eeuw’, De Levende Natuur, November 1906. Op dit artikel volgt de vertaling van een groot deel van het boek van Junius uit 1564 door Dr. A.H. Garrer. Voor deze blog heb ik Google Translate de oorspronkelijke latijnse tekst laten vertalen. 

Petro Andrea Mattioli, I discorsi nelli sei libri di Pedacio Dioscoride Anazarbeo, Venezia 1568 (de oorspronkelijke Italiaanse versie van Commentarii, voor het eerst in 1544 gepubliceerd), te downloaden van internet archive

Petro Andrea Mattioli, Commentarii in sex libros Pedacii Dioscoridis
Anazarbei de Medica materia (de latijnse vertaling van Discorsi) , voor het eerst in 1554 gepubliceerd.  Bijvoorbeeld te downloaden van biodiversity library

Pietro Andrea Mattioli,  Epistularum Medicinalium libri quinque, Lugduni,
Cesare Farina., 1561.  download van Google books. De Latijnse tekst van de brief aan Gessner over de hertenzwam met een Italiaanse vertaling heb ik gevonden op de Satanas-website

Pietro Andrea Mattioli, New Kreüterbuch (de Duitstalige versie van Commentarii, uitgegeven door Georg Handsch), Prag 1563    download van internet archive  / Zelfde in Digitale Sammlungen. Iets later werd het werk nog eens uitgegeven in Frankurt/ door Joachim Camerarius. De hier en daar gewijzigde tekst en plaatjes in deze internetversie zien er iets beter uit: Kreuterbuch Mattioli/Camerarius 1611

C. Plinii Secundi, Naturalis Historiæ, oorspronkelijk Rome 70 n.Chr. Een vroegmiddeleeuwse versie uit de zevende eeuw bevindt zich in de universiteitsbibliotheek van Leiden: download hier .   De eerste druk uit 1469 is hier te downloaden: De eerste druk van Naturalis Historia . Ik heb een later gedrukte versie gebruikt: Uitgave 1669 Leiden en Rotterdam: bron op google books

Voor de vertaling van Latijnse, Spaanse en Italiaanse teksten heb ik van Google Translate gebruik gemaakt.

 

Het stinkende bos

Paddenstoelen zijn soms heel mooi gekleurd en gevormd. Toch hebben ze iets onaangenaams. Het zijn de zichtbare verschijningsvormen van onzichtbaar in de onderwereld levende wezens, de schimmels. Maar leven ze eigenlijk wel, deze organismen die vaak niets anders doen dan wat van levende wezens over is op te ruimen zodat hun bestanddelen weer in de grote stofkringlopen worden opgenomen? Sommige schimmels zijn onmisbaar in de stofwisseling van levende wezens. Veel bomen kunnen zonder de samenwerking met schimmels niet overleven. Maar er zijn ook schimmels die geen samenwerking zoeken maar de bomen genadeloos aanvallen totdat die het loodje leggen. Vervolgens ruimen ze deze dode bomen vakkundig op. 

Heksen, duivels en rottend vlees

Het is niet toevallig dat paddenstoelen vaak in verband worden gebracht met wezens uit de sprookjeswereld of met duistere kanten van geloof en bijgeloof. De grote kringen van paddenstoelen zoals bijvoorbeeld nevelzwammen worden heksenkringen genoemd. Veel paddenstoelen zien er in een vroeg stadium als een bol uit. De hele paddenstoel zit hier goed verpakt in totdat zie met grote kracht bovenuit deze bol schiet en dan in korte tijd zijn uiteindelijke lengte bereikt. Deze bollen lijken wel wat op eieren. Ze worden meestal hekseneieren of duivelseieren genoemd. De in ons land algemene grote stinkzwam begint als zo’n mooi duivelsei. Zodra dit ei uitkomt, begint het vreselijk te stinken naar rot vlees.

Over die duivelseieren bestonden in de afgelopen eeuwen de vreemdste verhalen. Zij zouden bijvoorbeeld groeien uit de lijkjes van overleden weeskinderen en daarom naar rot vlees ruiken. In een verhaal uit Friesland gaat het om een vrouw die steelt (‘haar handen zitten los’). Als straf krijgt zij een baby die een hand mist. Zij bindt de arm van de baby af met een doek. Als dan de baby sterft, begraaft zij het kind met de doek nog om de arm. Dan groeit de arm van het baby-lijkje steeds weer boven de grond uit. De arm is verrot en daarom komt er een vreselijke lucht vanaf. Volgens dit verhaal is zo de stinkzwam ontstaan. 

Zo zijn er honderden verhalen waarin paddenstoelen in verband worden gebracht met allerlei elementen uit de wereld van kabouters, heksen, trollen en duiveltjes, maar zeker vanaf de zeventiende eeuw was er steeds meer oprechte wetenschappelijke belangstelling voor de natuur, inclusief paddenstoelen. 

Dr. Junius geeft de stinkzwam een naam

De medicus, dichter en filosoof Dr. Hadrianus Junius (Adriaen de Jong) publiceerde in 1564 een uitvoerige beschrijving van de grote stinkzwam van duivelsei tot en met volgroeide ‘Phallus’. De benaming phallus lijkt van hem en niet van de latere Linnaeus te stammen. In de Latijnse tekst van 1564 wordt expliciet gerefereerd aan ‘de eikel van het mannelijk lid’ en het feit dat het bij openbarsten van het ei overblijvende omhulsel ‘de aanblik van een scrotum nabootst’. Junius had er wel problemen mee dat er geen paddenstoelachtige hoed op de steel zit en vraagt zich af of dit wel een paddenstoel is. Merkwaardig is dat hij niet eenvoudig zegt dat de paddenstoel op een mannelijk lid lijkt, maar de keuze voor het woord phallus baseert op de gebruiken tijdens de Dionysische processies in het oude Griekenland: “Deze naam is ingegeven door de gelijkenis met het voorwerp van leer of vijgenhout dat men in het heidendom placht mee te voeren tijdens de viering van heilige mysteriën – rituelen die bekendstonden als Phallagogia, waarbij het bijgeloof de Phallus en de Ithyphallus vereerde.” Dr. de Jong kon dus eenvoudig over gebruiken in het oude Griekenland schrijven en hoefde daarbij het mannelijk lid niet direct bij zijn naam te noemen. 

Plaatjes uit het geschrift van Junius

Ergens schrijft Junius: “Overigens, of onze Phallus onder de klasse der zwammen moet worden opgenomen, zou ik niet als zeker en uitgemaakt durven bepalen, daar ik geen oordeel wil uitspreken
voor dat van anderen die daarvan meer verstand hebben”. Dat onze geleerde uit de zestiende eeuw niet wist of dit nu echt wel een paddenstoel was, kunnen wij hem niet kwalijk nemen. Om iets van paddenstoelen – schimmels dus eigenlijk – te begrijpen, moet je de sporen kunnen onderzoeken. Het zou nog honderd jaar duren voordat Anthonie van Leeuwenhoek een microscoop ontwikkelde met een vergroting van 200x. Maar zelfs die vergroting is niet genoeg om individuele sporen te kunnen zien. Daarvoor is toch zeker 400x nodig.  Junius zag de draden waaraan de stinkzwam (of het duivelsei) vastzit nog als een soort wortels. Hij schrijft over het ‘ei’: 

“… …. bevindt zich een kleine, witte, ronde massa die qua uiterlijk en witheid doet denken aan een handbal of een bolgewas; daaronder bevindt zich een gespleten streng of dubbele vezel die als wortel dient en waarmee de plant (naar ik vermoed) sap opzuigt.”

Schimmeldraden waren vóór de tweede helft van de 17e eeuw nog niet bekend (Anthonie van Leeuwenhoek rond 1675 en Robert Hooke 1665).

Dank voor Stank

Iets meer dan driehonderd jaar na het verhaal van Junius publiceert de aartsvader van de ‘natuursport’ Eli Heimans in De Levende Natuur van juli 1898 een wonderlijk verhaal over de Stinkzwam met de titel ‘Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant’. Uit het verhaal blijkt dat de stinkzwam nog tamelijk onbekend was in die tijd. In het artikel schrijft Heimans: “… de plant is vrij zeldzaam”, wat waarschijnlijk ook aan het eind van de negentiende eeuw niet klopte. Heimans beschrijft het tafereel van gasten van de uitspanning ‘De Spoolderberg’ (die nog steeds als Uitspanning ‘Het Engelse Werk’ bestaat) die niet blij waren met de stank van zijn vondst: 

“Ik maakte zonder erg de plantenbus open, om mijn merkwaardige vondst eens te laten bewonderen, en vertoonde de zwam; maar daar had je ‘t gaande. ‘Er uit met dat ding! Gooi weg! Menschen, kinderen, wat een stank!’ Allen knepen de neus dicht. Ik moest de kamer uit met mijn vondst; al toonde ik aan, dat de plant nog frisch was; en al beweerde ik ook, dat de stank geen werkelijke stank was, doch slechts een wonderbaarlijke nabootsing van de aaslucht, waardoor de aaskevers, die de
sporen moeten verspreiden, worden aangelokt… het
hielp niet.”

Waardering van de gasten van de uitspanning kreeg hij niet. Hij besloot zijn mooie vondst maar per Van Gend en Loos aan zijn vriend Thijsse te zenden. Die was er niet echt blij mee zoals uit zijn dankbetuiging bleek: 

“De volgende dag had ik bericht van Thijsse met dankbetuiging voor mijn welwillendheid, om hem iets te laten zien en ruiken, wat hij nooit gezien of geroken had, een dankbetuiging, vervat in de volgende bewoordingen: ‘Wat bezielt je toch, om mij zoo iets in huis te sturen; mijn vrouw en kinderen vlogen de kamer uit, toen ik ‘t kistje open maakte. De zwam was nog heelemaal gaaf, maar ik heb hem terstond een halve meter diep in de grond begraven met het kistje er bij. Ik ben nog misselijk. Als je weer zoo iets hebt, houdt je ‘t maar in Zwolle, of zet het zelf op spiritus.’ Ik heb zeker niet noodig te zeggen, dat Stinkzwam, de Hollandsche naam voor deze paddestoel, een zeer toepasselijke naam is.”

Stank als natuurwonder

Eli Heimans citeert bovenstaand verhaal nog eens een paar jaar later in zijn publicatie uit 1906: Wandelen en waarnemen, schetsen uit het leven van planten en dieren. Hoofdstuk 20 is helemaal aan de stinkzwam gewijd. Heimans raadt ons aan om niet meteen weg te lopen als we die misselijk makende stank ruiken, maar juist op onderzoek uit te gaan. Als we de afkeer van de stank overwinnen, wordt onze kennis van de natuur alleen maar rijker. 

“Neen, loop eens niet door, waarde wandelaar. Blijf staan op de plaats, waar u de stank het sterkst, het onverdragelijkst lijkt; doe dat een enkelen keer ter wille van de uitbreiding van uw kennis der natuur, die juist daar een merkwaardigheid rijker kan worden.”

Iets verder in het hoofdstuk schrijft hij: 

“En het malle van de geschiedenis is, dat ge onwillekeurig ruiken gaat, opzettelijk ruiken. Met genoegen nu nog wel niet, maar ook niet meer met die walging van zooeven. De afkeer vermindert opeens zoo sterk, denk ik, omdat wij door de wetenschap, dat dit vreemde voorwerp het ‘m doet, gerustgesteld zijn. Er ligt geen doode hond te rotten, geen lijk te midden van nog viezer onguurheden. We hebben hier, dat zegt ge u zelf, zonder woorden misschien, met een kunststank te doen, met een natuurwonder”.

 

Inheemse en invasieve stinkerds

Inmiddels is het herfst 2026 en de grote stinkzwam is weer hier en daar te ruiken en als je dan kijkt zie je de phallus impudicus trots omhoog gericht staan te stinken met de onvermijdelijke vliegen op zijn eikel. Als je geluk hebt, zie je dan nog mooie duivelseieren in de buurt, maar dat had ik nog niet bij deze paddenstoel.

Meer geluk had ik bij een sterk verwante paddenstoel die weliswaar geen overeenkomsten heeft met het mannelijk lid, maar wel lekker kan stinken, de fraaie inktviszwam, een stinkzwam die weer als duivelsei begint, maar als die openbarst komt er geen rechte steel uit maar een aantal armen zodat hij sprekend op een inktvis lijkt. Niet ver van mijn inheemse grote stinkzwam stond een paar dagen geleden het bos vol met duivelseieren en inktviszwammen, een fraai gezicht. Het is een invasieve soort uit Australië die zich langzaam maar zeker door Nederland verspreidt. In ieder geval voor het oog een aanwinst.

Inkviszwam. Links een duivelsei dat net uitkomt

Noot

Een eerder verhaal over schimmels en paddenstoelen schreef ik een paar jaar geleden: https://blog2.rdeman.nl/dood-en-verderf-een-langdradig-verhaal/

Nog iets eerder schreef ik over een paddenstoelenwandeling bij Huys te Warmont: https://blog2.rdeman.nl/paddenstoelen-in-oktober/

____

 

Geraadpleegde literatuur

Hadrianus Junius, het originele Latijnse werk uit 1564 (PHALLI EX FVNGORVM GENERE IN HOLLANDIÆ fabuletis paſsim crefcentis descriptio, HADRIANO IVNIO Medico auctore, 1564) en grote gedeelten hiervan overgenomen in hoofdstuk 15 van zijn grotere publicatie Batavia uit 1588:   Hadrianus Junius, Batavia. Franciscus Raphelengius, Leiden / Plantijn, Antwerpen 1588. Ik heb vooral (uitstekende!) vertalingen door Google Translate gebruikt. Daarnaast is er een groot deel van het werk uit 1564 vertaald door een zekere Dr. A.H. Garrer voor het blad Levende Natuur van november 1906. De werken van Junius zijn via Google books en andere bronnen op internet te vinden. 

M. Greshoff, ‘Een natuurhistorisch Document der 16de eeuw’,  De Levende Natuur, November 1906.  Op dit artikel volgt de vertaling van een groot deel van het boek van Junius uit 1564 door Dr. A.H. Garrer. Het artikel zegt over de weglating van kleine gedeeelten: “Hem danken
dus de lezers van De Levende Natuur dat zij eene getrouwe overzetting (echter met weglating van eenige niet voor dit tijdschrift geschikte zinsneden) dezer allereerste beschrijving van Phallus voor zich zien, verlucht met de afbeeldingen van den stinkzwam, die Dr. H. Junius liet ontwerpen door den beroemden schilder Maerten van Heemskerck
(1498-1574)… “. Het lijkt alsof een directe verwijzing naar het mannelijk geslachtsorgaan het tijdschrift iets te ver vond gaan.

Eli Heimans, ‘Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant’, in De Levende Natuur, juli 1898

Eli Heimans, Wandelen en waarnemen, schetsen uit het leven van planten en dieren, 1906

Volksverhalenbank van de Lage Landen, ‘Hoe ‘t de Stjonkswam der kommen is’, een verhaal uit Friesland. Te vinden op https://www.verhalenbank.nl/items/show/14634

 

______________

 

 

 

Hersengymnastiek

Als je ouder wordt, is het in conditie houden van je lichaam (vooral niet elektrisch fietsen!) en natuurlijk van je hersenen een eerste zorg. Wat het  laatste betreft, doe ik wel de goede dingen, geloof ik. Een artikel in de New York Times adviseerde drie soorten activiteiten: muziek, talen en puzzels. Daarnaast is ook veel beweging goed voor het op gang houden van de hersenen. Toen ik, nu alweer zes jaar geleden, een gelukkig licht herseninfarct kreeg, adviseerden mensen mij meteen aan fysiotherapie te gaan doen. Ik deed iets beters. Ik ging mijn hersenen opnieuw trainen viool te spelen. Veel vaardigheden waren verloren gegaan, maar kwamen alweer snel terug en werden beter! Ook met het advies talen te bestuderen zat het wel goed. Ik heb de uiterst ingewikkelde Poolse grammatica doorgeworsteld en ik heb Harry Potter in het Pools gelezen, niet de eenvoudigste teksten die er bestaan. Ook heb ik dikke boeken in het Noors gelezen, een taal waarin mijn woordenschat veel beter is dan in het Engels. 

Zoete relaties en bittere strijd

Onlangs hebben Petra en ik een nieuwe vreemde hobby ontwikkeld: op Netflix naar Koreaanse series kijken, niet de bekende Koreaans vechtfilms maar romantische komedies waarin mooie jonge vrouwen en (vaak onbetrouwbare) machtsbeluste mannen uit belangrijke industriële families een rol spelen. Ze zijn een mengsel van honingzoete relaties, achterdocht, vuil machtsspel en pijnlijke misverstanden. Als er na veel afleveringen eindelijk een relatie lijkt te ontstaan en de eerste kus in de lucht hangt, gaan dit soort series over op tergend langzame slow-motion beelden, waarin de lippen van man en vrouw zich met een maximale snelheid van 1 mm per 20 seconden naar elkaar toe bewegen. Op de achtergrond klink dan een aan de Koreaanse smaak aangepaste Hollywood-muziek, vaak in een vrolijk ritme van de Weense wals.

Zo keken wij met veel plezier naar de serie Crash-landing on you, waarin een vrouw tijdens een para-gliding vlucht op Noord-Koreaans gebied terecht komt en waarin zich een relatie ontwikkelt tussen deze vrouw een een Noord-Koreaanse militair. Op de achtergrond spelen natuurlijk weer de haat-en-nijd-scènes in de machtige familie van de in Noord Korea gelande vrouw. 

De gereïncarneerde hofdame in het moderne Seoul

Nu kijken wij naar de recente serie My royal nemesis, het onwaarschijnlijke verhaal van hofdame Kang Dan-Shim uit het oude Joseon-koninkrijk, die incarneert in het lichaam van actrice Shin Seo-ri in de huidige tijd. Het verhaal in het heden heeft grote gelijkenissen met wat zich driehonderd jaar eerder in Joseon heeft afgespeeld. Alleen is het Koninkrijk Joseon vervangen door de Tycoons van de Koreaanse zakenwereld: de zogenaamde Chaebols, door machtige families beheerste industriële conglomeraten. Centraal in deze serie staat de haatliefde-verhouding tussen Shin Seo-Ri en Cha Se-gye uit een machtige Chaebol. De verhoudingen in dit verhaal lijken natuurlijk op Kang Dan-Shim’s relaties in het Koninklijk huis een paar honderd jaar daarvoor. De door zware conflicten getekende relaties binnen het Koninkrijk en later binnen de Chaebol krijgen natuurlijk ruim aandacht en de relatie tussen Shin Seo-ri  en Cha-Segye is niet alleen rozengeur en maneschijn, hoewel hier ook af en toe plaats wordt ingeruimd voor honingzoete achtergrondmuziek en tergend langzame erotische slow-motion. 

De Koreaanse taal

한 글 Hangul: een gemakkelijk schrift

Natuurlijk raak ik bij het zien van zulke series geïntrigeerd door de vreemde taal die erin gesproken en geschreven wordt. Alleen heel af en toe kan je een Engels woord herkennen, zoals keibeul ka voor kabelbaan, cable car, maar meestal maak je er niets van. Ik had me ook al lang afgevraagd hoe dat Koreaanse schrift eigenlijk werkt. Was het een vereenvoudigde versie van Japans of Chinees? Het lijkt er wel een beetje op, maar het is toch een heel eenvoudig fonetisch schrift. Alle tekens zijn puur fonetisch. Elke lettergreep in deze taal wordt keurig in een hokje geplaatst. De basis van het schrift zijn combinaties van één klinker en één medeklinker, die, afhankelijk van de schrijfrichting van de klinker, naast of onder elkaar boven in het hokje komen te staan. Als een lettergreep eindigt op een of twee medeklinker(s) dan wordt/worden die onder in het hokje geplaatst. Een lange tijd gebruikte het Koreaans de gecompliceerde Chinese tekens, die echter voor het volk te moeilijk te leren waren. De koning van Joseon gaf in de vijftiende eeuw persoonlijk opdracht om een fonetisch schrift te ontwikkelen, zie hier. Het nieuwe schrift werd in 1446 beschreven in een document met de mooie titel De juiste klanken voor onderwijs van het volk. Vanzelfsprekend kwam er fel verzet van de elite, bijvoorbeeld de confucianistische geleerden, die niet blij waren dat nu ook het gewone volk kon lezen. Tenslotte is dit zogenaamde Hangul-schrift (als alternatief voor het vroegere op chinese tekens gebaseerde Hanja-schrift) algemeen geaccepteerd tot de dag van vandaag. Een populair gezegde luidt: “Een wijs man kan de letters leren voordat de ochtend voorbij is; zelfs een domme man kan ze in tien dagen leren.”  Dat klopt ook wel. Het schrift is heel eenvoudig.

Lastige klanken

Voor een niet-Koreaan is het lastiger om de bijbehorende klanken te leren omdat die nogal verschillen van onze klanken en vaak tussen de ons bekende klanken liggen. Voor alle Koreaanse letter is er een vastgelegde transcriptie in ons alfabet. Een met vrij open lippen uitgesproken o, schrijf je als eo en ㅓ in Hangul. Een kortere met bijna gesloten lippen uitgesproken o schrijf je als ㅗ in Hangul. Een net iets andere meer als oe klinkende klank schrijf je als ㅜ in Hangul en noteer je alfabetisch als u.

Koreaans kan je zonder problemen volledig in ons alfabet schrijven, maar dat doen ze daar niet, dus wil je het kunnen lezen, dan moet je de tekens wel kunnen ontcijferen, maar dat is kinderlijk eenvoudig. De hoofdpersonen in My Royal Nemesis zijn 신 서 리 en 차 세 계, eenvoudig te lezen als je de tekens kent. De eerste lettergreep is bijvoorbeeld ㅅ = S ㅣ= I  ㄴ = N, samen SIN, de tweede lettergreep is ㅅ = S ㅓ = EO, samen SEO en de derde ㄹ = R ㅣ= I, samen RI. De drie lettergrepen samen geven de naam van de eerste hoofdpersoon: 신 서 리 = SIN SEO RI . 

Rare grammatica

Het schrift is dus kinderlijk eenvoudig en kan je in een paar dagen leren. Maar hoe zit het met de grammatica? Moeilijker dan een Slavische taal kan die niet zijn en dat is die ook niet, wel voor ons heel ongewoon (zie tekst hieronder). Of ik ooit serieuze studie van deze taal ga maken en prachtige Koreaanse romans kan gaan lezen, betwijfel ik. Het lastigste lijken mij de vele schakeringen in mate van beleefdheid en formeel taalgebruik. Er bestaat zelfs een formele en informele vorm voor het woord ik. 

Alweer een vreemde hobby erbij.

Interessante grammatica 

De grammatica is relatief eenvoudig maar wel vreemd voor ons. Geen drie geslachten en zes naamvallen zoals het Pools. Geen werkwoorden met allerlei verschillende declinaties voor werkwoorden met andere klinkers in de stam of perfectieve vormen. Niets van dat alles, maar wel de eerste taal die ik gezien heb met een uitgang voor een woord als onderwerp. Je zou zeggen dat dat totaal onnodig is want de woordvolgorde staat volledig vast: onderwerp-lijdend voorwerp-gezegde, zoiets als ik rijst eet. Toch hebben zowel het woord ik  (na) als rijst (bab)  een uitgang: na-neun bab-eul meogneunda (나는밥을먹는다) is de hele vertaling. De helft van deze zin bestaat uit uitgangspartikels (vet gedrukt). Het onderwerp na (ik) krijgt hier de uitgang neun en het lijdend voorwerp bab (rijst) de uitgang eul. Het werkwoord meog (eten) krijgt de uitgang neunda voor de tegenwoordige tijd.

Er zijn heel veel partikels in deze taal, bijvoorbeeld voor het bepalen van plaats en tijd, die je achter een woord kunt plaatsen, een beetje zoals de Finse uitgangen lla, lta, ssa, sta, etc. Op straat in het Koreaans is geoli eseo 거리에서  (geoli + eseo), in het Fins kadulla (katu + lla): dezelfde constructie. 

Het werkwoord is vergeleken met Slavische talen, Duits of Frans kinderlijk eenvoudig.Wat het weer een beetje ingewikkelder maakt, is dat elke werkwoordsvervoeging, afhankelijk van de sociale afstand tussen spreker en toegesprokene, naast de neutrale vorm nog drie extra varianten kent voor (1) heel informeel, (2) een beetje informeel en (3) heel formeel. ). In die drie gradaties van beleefdheid gebruik je andere uitgangen en bijvoorbeeld een ander woord voor 'ik'. In de drie gevallen wordt 'ik eet' bijvoorbeeld (1) naneun meog-eo (나는 먹어) , (2) joneun (formeel 'ik') mog-eo yo (저는먹어요)  en (3) joneun meogseub nida (저는 먹습니다)   in plaats van in neutrale boekentaal  naneun meogneunda (나는 먹는다). Het zegt veel over het soort samenleving waarin de taal wordt gesproken. 

Voor drie tijden (tegenwoordig, verleden, toekomend) en vier beleefdheidsgraden (neutraal, informeel laag, informeel hoog en formeel) heb je totaal 3x4 = 12 uitgangen met hier en daar een kleine verandering als de stam op een bepaalde letter eindigt. Dit is veel kleiner dan het Frans met zijn vele tijden en werkwoorden met verschillende stammen (bijvoorbeeld op -er, ir, -evoir, etc. Daar moet je tientallen uitgangen kennen. In het Koreaans valt dat mee.

Nog een paar series

Na het schrijven van deze blog keken we naar nog een paar series op Netflix:

  • Bon Appétit Your Majesty, over een moderne kok die in het oude Joseon terecht komt en daar voor de koning gaat koken. Een leuke serie met een wat onbevredigend eind. 
  • Tastefully Yours, over een toprestaurant dat het recept van een klein restaurantje wil stelen, maar waar een relatie tussen de ‘dief’ en de kok van het restaurantje ontstaat. Wij vonden dit misschien wel de leukste serie in deze K-romantiek op Netflix.
  • Extraordinary Attorney Woo, (eigenlijk beter in het Nederlands te vertalen als advocaat Oe. Die W staat er niet in het Koreaans: 우영우  of U Yeong U, een palindroom waar ze altijd dezelfde grap over maakt als ze zichzelf voorstelt) over een hoogbegaafde autistische advocaat met allerlei verwikkelingen rond de verhouding van het bureau waar Woo werkt en een grote concurrent. Woo blijkt het onechte kind van de CEO van deze concurrent te zijn, een gegeven dat voor de nodige  verwikkelingen zorgt.  Hoe realistisch dit verhaal het autisme van advocaat Oe  in beeld brengt, zou je vraagtekens bij kunnen zetten. 
Noot over de spelling

Vaak worden Koreaanse woorden volgens een Engels systeem in ons schrift omgezet. Het merk Samsung (삼성) zou eigenlijk als Sam seong geschreven moeten worden. Hyundai ( 현대) schrijf je officieel als Hyun dae. De op netflix Ha Yoon-kyung genoemde actrice heet in het Koreaans 하윤경 en wordt correct als Ha Yun-Kyeong geschreven. Vaak wordt de officiële letter u voor de Engelsen als oo geschreven. Anders spreken ze het nog als yu (zoals in het woord use) uit. Soms wordt er ook nog een w aan toegevoegd, zoals we bij de naam van de bovenstaande advocaat zien: Woo in plaats van U, maar eigenlijk slaat dat nergens op.

____

 

Voorjaar 2026 bij Warmond

Hetzelfde steeds anders

In de herfst heb ik de ontwikkeling van het park van Huys te Warmont tussen zomer en winter door regelmatige foto-excursies nauwkeurig vastgelegd (zie ook hier). Het resultaat is een fotoalbum dat laat zien hoe de insecten verdwijnen, mooie herfstkleuren ontstaan, de paddenstoelen verschijnen en de bladeren afvallen. Ik ben nu bezig de omgekeerde ontwikkeling, van winter naar zomer dus, vast te leggen. Daarbij heb ik het werkterrein iets uitgebreid met regelmatige foto-expedities naar de Strengen en Koudenhoorn, de kleine eilandjes in het Joppe (zie hier).

Maart: kale bomen en de eerste blaadjes

Begin maart is er nog weinig te zien van het voorjaar, behalve de mooie bloemen van groot hoefblad die altijd vóór de bladeren verschijnen.

Langzaam verschijnen steeds meer katjes (waarvan de hommels profiteren]  en lopen de eerste bladeren uit. Overwinterende vlinders zoals de kleine vos zie je dan al vliegen. De eerste voorjaarsbloemen zoals het speenkruid en hondsdraf zie je bloeien, evenals bosanemonen en narcissen.

April: het voorjaar barst los

In April komt het voorjaar pas goed op gang.  Steeds meer vogels zingen in de bomen. Futen en meerkoeten bouwen hun nesten op het water. Steeds meer bijen, hommels, zweefvliegen en vlinders verschijnen. In de bomen bouwen reigers en lepelaars hun nesten. Fel gekleurde rode beuken contrasteren met het tere groen van andere bomen. 

Libellen verschijnen in mei

Dit jaar verschenen de eerste libellen op 25 april (zie ook hier). Zoals gewoonlijk is het lantaarntje de eerste waterjuffer. In mei verschijnen in rap tempo de overige voorjaarslibellen zoals variabele waterjuffer, azuurwaterjuffer, vuurjuffer, platbuik, viervlek, glassnijder, vroege glazenmaker, de gewone oeverlibel en grote roodoogjuffer. Bijzonder is dat de voor deze streek zeldzame gevlekte witsnuitlibel elk jaar in het kleine plasje bij Huys te Warmont verschijnt. 

De grote keizerlibel verschijnt in de regel pas begin juni, ook dit jaar was hij er in de eerste week van juni samen met de tot voorkort nog zeldzame Zuidelijke keizerlibel, die duidelijk van de klimaatverandering profiteert. 

Kleuren van de Rododendron vanaf eind mei

Nu zijn rododendrons geen oorspronkelijke natuur, maar geïmporteerde parkstruiken, inclusief de invasieve rododendron-cicade. De bloemen geven tussen eind mei en half juni het park wel prachtige kleuren en er zijn best veel insecten die zich erop thuis voelen en vogels die die insecten graag eten.

De rode beuk van winter tot zomer

Het is misschien wel een van de mooiste bomen in het park van Huys te Warmont, die kolossale rode beuk. In de winter zie je alleen de dikke kale stam en zijtakken. Aan het eind van de maand maart verschijnen dan de eerste rode bladeren. Vervolgens zie je de kleur zich ontwikkelen van fel rood tot heel donker bruin. 

Rietvogels in mei

Vooral in mei zie je (en hoor je!) veel rietvogels. Ik fotografeerde ze vooral op de Strengen en op Koudenhoorn, waar er veel broeden en hun jongen verzorgen met voer dat vooral uit rupsen en libellen bestaat. Natuurlijk overal heel veel rietzangers, maar op de Strengen ook een aantal bosrietzangers en kleine karekieten naast een enkele rietgors.

 

TechnischE gegevens

De meeste landschapsfoto's heb ik gemaakt met een Nikon D610 met een standaard-zoomlens 24-85 mm op een statief. De meeste met vast diafragma en ISO en afstandsbediening.

De tele-foto's van vogels en libellen met een Nikon D7500 en een Tamron 150-600 mm  lens, voor zover mogelijk met 1/1000 en een diafragma f/8 tenzij de ISO daardoor onacceptabel hoog werd. Maar de D7500 kan veel hebben. 

De nabewerking met het oude LightRoom 6.0 programma (D7500-foto's omgezet naar DNG-formaat). Foto's vaak enigszins gecropt en regelmatig veranderd in een 4:3 verhouding wanneer 3:2 te breed leek. Behalve wat kleine correcties in belichting, kleurtemperatuur of contrast geen grote wijzigingen aangebracht.

N.B. Alle foto's zijn mijn eigendom en mogen alleen met mijn toestemming verder gebruikt worden.