Een zomerdag in april

April doet wat hij wil

Na gigantische regenbuien met harde wind, afgewisseld door prachtige momenten met zonneschijn bij zo’n graad of tien, zat vandaag de temperatuur behoorlijk in de lift. Het was al snel twintig graden en het zou bijna vijfentwintig graden worden. Wat onwennig stap ik zonder jas op de fiets, op mijn hoofd een petje en geen muts. Het lijkt wel zomer.

Ik fiets door Warmond over de weg die zo smal is dat auto’s geen fietsers kunnen passeren, maar ik ben altijd bang dat ze het toch een keer gaan proberen. Even later zet ik mijn fiets op de parkeerplaats van Huys te Warmond op slot en loop het park in. In het voorjaar van twee jaar geleden zag je en hoorde je heel veel boomklevers vlakbij de parkeerplaats, maar ze zijn er dit jaar niet of nog niet.

Geen appelvinken

Dan loop ik maar door naar de plek met de prachtige bijzondere bomen en het plasje waar in de zomer veel libellen zitten. De laatste weken worden hier veel appelvinken waargenomen. Een paar weken geleden heb ik met veel geduld een exemplaar (niet al te best) op de foto gekregen. Ik loop meer dan een half uur te zoeken of ik ze deze keer weer aantref. Dan realiseer ik me plotseling dat ik zo niet van de natuur wil genieten.

Ik zet die appelvinken maar even uit mijn hoofd. Die fixatie op wat je wil zien, gaat altijd ten koste van tijd die je veel beter kan gebruiken voor allerlei ongeplande ervaringen. In plaats van urenlang geen appelvinken te zien, ben ik eens goed gaan kijken en luisteren naar alles wat ik wel tegenkwam en dat was zeker niet weinig.

Puur genieten

In de eerste plaats geniet ik op deze plek van de prachtige bijzondere bomen met hun bijzondere vormen, zoals grote taxusbomen met krom gegroeide stammen, watercipressen en meer. In elk jaargetijde en bij elke weertype zien ze er anders uit. Het lijkt nu wel zomer, maar toch is het nog echt voorjaar. Heel veel bomen zijn nog nauwelijks uitgelopen en het prille groen dat je wel ziet, is nog heel licht.

Vogels in alle maten

Veel echte zomervogels moeten nog komen. Zo hoorde ik nog geen enkele zwartkop, maar je hoort heel veel tjiftjaffen, roodborstjes, vinken. koolmezen, pimpelmezen en overal luidruchtige grote bonte spechten.  Ergens in het park zie ik er meer dan tien rusteloos rondjes achter elkaar aan vliegen. Zoals gewoonlijk hoor ik af en toe een groene specht, maar zie hem niet.

Boven in de bomen zijn blauwe reigers in de weer met takken voor hun nesten. Natuurlijk dragen halsbandparkieten hun partij bij aan het vogelconcert. Altijd sta ik weer verbaasd over de hoeveelheid geluid die een van de kleinste vogeltjes van het bos, het winterkoninkje, kan voortbrengen. In het water zwemmen wilde eenden, meerkoeten en futen.

Futennest in het park

Vlinders

De insectenwereld komt gelukkig snel op gang. Hier en daar vliegen dikke hommels (de koninginnen wellicht) en er zijn overal vlinders: citroenvlinder, dagpauwoog en het bonte zandoogje. Wellicht ook nog andere insecten, maar ik heb er niet op gelet. Het duurt nog tot in mei voordat ik hier op libellenjacht kan.

Na een paar uur kijken, luisteren en af en toe een foto maken, kom ik thuis. Het was prachtig. Ik ga niet schrijven over wat ik niet gezien heb.

____

 

De ondergang van Kristian Hadeland

Karl Ove Knausgård, Nattskolen, Forlaget Oktober, 2023

Het moest er toch weer eens van komen. Laatst kocht ik op het vliegveld van Bergen (Noorwegen) het laatste boek van Knausgård. Met 485 pagina’s een van de dunste boeken die ik van hem gelezen heb. Het boek bestaat uit vier delen, waarvan het eerste het langste is. In dit deel zien we hoe de jonge fotografie-student  Kristian Hadeland (die Londen op een fotografie-opleiding zit) niet alleen worstelt met het vinden van vorm en inhoud van zijn fotografische ambities, maar ook van de manier waarop hij met zijn familie en vrienden omgaat. In die zin sluit het aan bij deel 5 van Min Kamp waar de jonge Knausgård na allerlei mislukkingen langzaam succes begint te krijgen als schrijver (zie ook hier).

Aan het begin van het boek is Kristian tijdens de kerstdagen voor de laatste keer bij zijn ouders in Noorwegen. We maken mee hoe zijn zus een zelfmoordpoging doet en hij besluit zijn ouders (omdat zij hem – niet ten onrechte – narcistisch genoemd hebben) nooit meer te willen zien. Terwijl zijn ouders nog in het ziekenhuis bij zijn zus zijn, reist hij zonder iets te zeggen terug naar Londen,  nadat hij nog een fotoserie van het lege huis (inclusief het zelfmoord-bed) heeft gemaakt.

Kristian heeft maar één ambitie, een topfotograaf worden. Tenslotte lukt hem dat door een combinatie van hard werken en een aantal toevalligheden. Voor zijn ambitie moet alles wijken. Het zou geen boek van Knausgård zijn als er niet ook heel duidelijke filosofische lijnen in zouden zitten.

Een van de belangrijkste lijnen wordt gegeven door de Faust-legende zoals uitgewerkt in het toneelstuk van Marlowe, een tijdsgenoot van Shakespeare. In het boek wordt dit toneelstuk uitgevoerd door een theatergroep, waarvan Kristian de regisseur en een aantal van haar naaste contacten leert kennen.  Dr. Faustus is een briljante individualistische wetenschapper, maar is niet tevreden met alle kennis die hij uit alle disciplines zoals logica, medicijnen en rechten kan vergaren. Om toegang te krijgen tot magische kennis en vaardigheden tekent hij in zijn eigen bloed een contract met Mephistopheles waarmee hij vierentwintig  jaar over onbeperkte kennis en succes zal beschikken in ruil voor zijn ziel. Als de vierentwintig jaar voorbij zijn, zal zijn ziel eeuwig in de hel branden. In het toneelstuk strijden duistere krachten tegen het goede en de duistere krachten winnen tenslotte.

Ook in dit laatste boek van Knausgård gaat het in de eerste plaats om die duistere krachten. In die zin is het een voortzetting van de Morgenstjern-triologie. Ook daar zagen we hoe duistere krachten het winnen, bijvoorbeeld in de verschrikkelijke passages over de rituele moord bij Svartediket, zonder dat wij precies begrijpen wat er aan de hand is. In het derde deel van deze trilogie denkt de detective Geir de duivel zelf te ontdekken op een video van de vermoorde leden van de hard-metal band. In het begin van Nattskolen gaat het over een van de eerste foto’s ter wereld, gemaakt door Daguerre met een extreem lange sluitertijd. De gebouwen staan er scherp op, maar alle bewegende mensen zijn verdwenen. Toch staat er minstens één persoon op. Kristians Nederlandse kennis (Hans) vraagt of hij weet wie dat is en geeft zelf meteen het antwoord: “En svart skygge. Hvem kan det være? … Det er djevelen” (“een zwarte schaduw. Wie kan dat zijn? … Dat is de duivel”). Ook hier is een direct verband met het toneelstuk van Marlowe. Tijdens één van eerste voorstellingen in Londen hebben mensen gezien, hoe de duivel zelf op het podium verscheen. Knausgård hield zich in de Morgenstern-trilogie uitgebreid bezig met duivel, hel en verdoemenis. Hier is dat niet anders. Knausgårds hel bevindt zich niet buiten de wereld. Maar onze wereld ís de hel.

Het leven van Kristian Hadeland heeft vanzelfsprekend paralellen met de ontwikkeling van Faustus. Kristians alchemie is de fotografie. In het eerste deel lukt het hem zijn hoge ambitie te verwezenlijken: hij ontwikkelt zich tot top-fotograaf. Daarvoor moet al het andere wijken. De manier waarop hij met zijn familie, vrienden, vriendinnen en andere contacten omgaat is bot en gevoelloos. Erg eerlijk en open is hij niet en de meeste van zijn problemen heeft hij zelf veroorzaakt. Hij lost ze niet op maar hij gaat ze uit de weg met halve waarheden en leugens tegen anderen en vooral tegen zichzelf.

Het boek bevat prachtige beschrijvingen van de ontwikkeling van Kristian en zijn foto-kunst. Als hij het idee opvat van een serie over ‘de steigers van het leven’, waarin skeletten centraal staan, steelt hij uit de afvalbak van een asiel een dode kat, die hij zo lang probeert te koken totdat alleen het skelet over blijft. Ondanks dagenlang ondragelijke stank in zijn appartement lukt het hem niet. Dan besluit hij de nog niet helemaal uit elkaar gevallen kat te fotograferen. Die foto’s betekenen een doorbraak in zijn carrière. Het is ook een doorbraak in de manier waarop hij tegen artistiek succes aan kijkt. Als je te veel je wil aan het kunstwerk wil opleggen, wordt het niks. Soms moet je uitgaan van wat toevallig ontstaat.

Een centrale rol in het verhaal speelt een incident wanneer hij een aansteker leent aan een dakloze. Deze probeert de aansteker te stelen en in de ruzie die daarop volgt, valt de dakloze tegen een muur en is dood. Als hij in de krant herkenbare beelden ziet van zichzelf, genomen door een bewakingscamera dichtbij de dakloze, meldt hij zich niet bij de politie, maar wordt een paar dagen later op school door de politie voor een verhoor gehaald en verblijft in een cel, totdat hij te horen krijgt niet meer verdacht te zijn. Kristians panische gedachten in de cel worden fantastisch goed beschreven. Zoals wel vaker in Knausgårds boeken, gebeurt er veel meer in de hoofden van de mensen dan in de werkelijkheid. En wat er in de werkelijkheid gebeurt, is niet altijd duidelijk.

De jaren tussen Kristians verblijf aan de foto-school in Londen en zijn doorbraak als een wereldberoemde fotograaf worden in het boek niet beschreven. Als het verhaal weer verder gaat, is hij in New York op een overzichtstentoonstelling van zijn verzamelde werk van meer dan 20 jaar, inclusief een schokkende serie van dode mensen die hij in de houding van levende mensen gefotografeerd heeft en zijn jeugdwerk zoals de het zelfmoord-bed van zijn zus en de gekookte kat.  Hier begint de eerste fase van zijn ondergang. Een belangrijk onderdeel van zijn werk is een indringende fotoserie over het leven van daklozen. Op de tentoonstelling laat hij een container aanstekers bij deze fotoserie plaatsen. Alleen hij kent de geschiedenis daarachter. Als hij inn een zaal van het tentoonstellingsgebouw voor een groot publiek over zijn werk geïnterviewd wordt, vertelt hij iets te duidelijk wat hem als twintigjarige  tijdens de ruzie met de dakloze overkomen is. Nog dezelfde dag staat het internet vol met verhalen over ‘moordenaar Kristian’ en het aantal tekst-meldingen op zijn telefoon is niet meer te tellen. Onhandig houdt hij vol dat hij iets anders heeft gezegd dan mensen gehoord hebben. Niet veel pagina’s verder in het boek zijn alle al afgesproken tentoonstellingen afgezegd en heeft hij met vrijwel iedereen in de kunstwereld alle contact verbroken.

In het laatste deel van het boek stort ook zijn persoonlijke leven volledig in elkaar en treft hem nog een grotere ramp dan het eind van zijn fotografie-carrière. Tot hier vond ik het een fantastisch boek met een enorme spanning en met een veel grotere vaart dan ik van Knausgård gewend was in zijn eerdere boeken: een echte page-turner. In zijn eerdere boeken leek er een tweedeling te bestaan tussen de vele gebeurtenissen en de essays met filosofische reflecties. Hier is het meer een voortdurend spannende en boeiende eenheid. Maar het lijkt alsof hij er zich in de laatste honderd pagina’s iets te gemakkelijk van af heeft gemaakt. De lezer verwacht natuurlijk een parallel met de Faustus-legende. Na 24 jaar zal Faustus branden in de hel. De volledige ineenstorting van Kristians leven is ook precies na 24 jaar, maar het verhaal is veel te recht-toe-recht-aan de diepe afgrond in zonder de dubbelzinnigheden en dubbele bodems die ik van Knausgård had verwacht.

De literatuurcriticus Manuel Emanuelsen beschrijft dit heel goed:

"Påfallende, da, at det først er når Knausgård begynner å få hastverk selv og vil gi sin Faust-variant en skikkelig avslutning, at det delvis går skeis. I den siste delen av romanen, der vi følger Kristian mot hans endelige dom, går det merkbart fort – for fort til at det fester seg hos leseren. Vi merker at forfatteren har bestemt seg for hvordan det skal gå til slutt, og har glemt å bry seg om vi – til tross for at vi alle er enige om at fortelleren er en kødd – vil være med ham til bunns. Denne siste delen forblir dessverre mer idé enn roman, den virker villet og svikter nettopp der resten av romanen lykkes, i å trekke oss inn, med og ned."

Emanuelsen refereert hier aan de artistieke ontwikkeling van Kristian, die moet leren dat een foto die een sterk idee wil uitdrukken geen sterke foto is. De foto zelf moet sterk zijn. En als de kunstenaar te veel zijn wil aan een kunstwerk wil opleggen, wordt het kunstwerk er niet beter van.

___

Marius Emmanuelsen: Nattskolen, Karl Ove Knausgårds London-roman om diabolsk kunst, tar hans morgenstjerne-prosjekt til nye høyder. https://www.vinduet.no/kritikk/kok-den-katta-nattskolen-av-karl-ove-knausgaard-anmeldt-av-marius-emanuelsen/ 

Naschrift

Het is een heel rijk verhaal, zoals gebruikelijk bij Knausgård, met heel veel verwijzingen naar bijvoorbeeld filosofie, religie, occulte stromingen, literatuur, alchemie en de geschiedenis van de fotografie. Daardoor bevat het veel meer dan ik als relatief ongeletterde lezer kan bevatten. In de bovengenoemde bespreking van de Noorse criticus worden allerlei verbanden gelegd, niet alleen met verschillende Faust-opvattingen, zowel het oude Duitse boek uit 1587 als de Faust bij Marlowe en later een heel andere Faust bij Goethe. Daarbij passeren ook een aantal theologische kwesties de revue, inclusief protestantse parodieën over de katholieke cultuur van wonderen en heiligen. Ook verwijst Emmanuelsen naar bijvoorbeeld de gebroeders Karamasov van Dostojevski. Omdat ik veel van die achtergronden niet goed ken, zal ik veel gemist hebben, maar een boek moet ook te lezen zijn zonder honderd andere boeken te moeten lezen. Dat heb ik gedaan en het viel – afgezien van het slot – zeker niet tegen.

___

 

 

 

Schaap en vogel

Het is heel moeilijk een interessante vogelfoto te maken (Zie ook deze blog). Toch lukt het me af en toe om er iets leuks van te maken, bijvoorbeeld vogels in combinatie met schapen.

De gele kwikstaart hierboven beschouw ik als één van mijn beste vogelfoto’s. Ook leuk zijn de eksters die op schapen gaan zitten of de reigers die tussen de schapen staan. Het leuke van de relatie vogel-schaap is dat er geen enkel echt direct contact bestaat afgezien van de interesse van vogels in de vliegen op schapenstront of in restjes van schapenvoer.

Het totale wederzijdse desinteresse is goed te zien in de twee onderstaande foto’s van reiger en schaap.

 

 

 

Mopper-conto

Mopperen

Soms zeggen ze tegen mij: je wordt echt zo’n oude mopperkont. Vreselijk zoals jij altijd over dezelfde dingen moppert. Nu klopt het wel dat ik redelijk oud aan het worden ben. Vroeger mopperden mijn grootouders en ouders ook over van alles. Dat hoort er een beetje bij. Nu ben ik aan de beurt. Waarom zou ik het niet mogen? Toegegeven, het is niet leuk voor je omgeving. Dat was het vroeger ook niet. Het is misschien beter om het mopperen niet te veel uit de hand te laten lopen. Daarom dit stukje dat even als uitlaatklep kan fungeren. De zaken die hier de revue passeren, zijn geen wereldproblemen. Thema’s als de opmars van autocratische leiders en de oorlogen in de Oekraïne of Gaza zijn te ernstig voor gezellig mopperen en vind je hier dus niet.

Irritatie-top-tien van een mopperkont

  1. Mobieltjes
    Iedereen staart op zijn mobiel. Niemand kijkt of luistert naar (mensen in) zijn directe omgeving.
  2. Elektrische fiets
    De elektrische fiets heeft het verkeer volledig in de war gestuurd. Het is onoverzichtelijker en gevaarlijker geworden. Fietsen is minder leuk dan vroeger.
  3. Consumptiedwang bij Albert Heijn
    De scanner schreeuwt voortdurend tegen mij ‘Je mist bonus’ en verleidt me meer te kopen. Bij de aanbiedingen van ‘twee voor de prijs van één’ kan ik eventueel de tweede portie thuis gewoon weggooien. En dit bij de winkel die zich een leider in ‘duurzaamheid’ noemt!
  4. Kapitaalvernietigende innovatie
    Mijn computer van tien jaar geleden staat nog op mijn kamer en kan in principe alles nog. De office-suite van toen kan nog alles wat ik normaal nodig heb. Toch moest ik een nieuwe kopen om de processortijd en geheugen verslindende nieuwe programma’s op te kunnen draaien. Idem dito met mobiele telefoons, smart-TV’s etc.
  5. Eindeloze terugkoppeling
    Koop je iets op internet, dan start je een lange serie berichten met de onderwerpen: dank voor je bestelling, we gaan het zo vesturen, we hebben het verstuurd, het is onderweg, het is er bijna, het is afgeleverd, hoe hebben wij het gedaan?, hoe tevreden ben je met het product? en wellicht nog meer. Zelfs bij het verzenden van een simpel pakje via Post NL of DHL ontstaan dit soort series en soms mag je dan ook gratis aan een of andere prijsvraag meedoen. Ik mopper: ‘laat mij met rust’.
  6. Politiek correcte gender-terminologie
    In de trein mag ‘Dames en Heren’ blijkbaar niet meer. Ik mopper: “of ik een dame of een heer ben (of geen van beiden), bepaal ik zelf wel. Misschien wel allebei en dan word ik twee keer begroet!”.
  7. De afschaffing van de u-vorm
    Ik erger me nog regelmatig aan het gevoel dat er te weinig afstand wordt genomen in brieven die de jij-vorm hanteren. Een brief over de uitkering van extra pensioen door een verzekeringsmaatschappij begint met “Je ontvangt van ons een lijfrente-uitkering”. Waarom? Waarom niet gewoon “U ontvangt ….”. Het zijn mijn vrienden niet. Banken en verzekeringen zijn een noodzakelijk kwaad, nooit vrienden.
  8. De Nederlandse taal
    Dit is altijd een mopperpunt van bejaarden geweest. Ik mopper mee. Het zijn eigenlijk drie problemen: de vervuiling van de taal met allerlei leenwoorden uit het Engels waarvoor meestal ook uitstekende Nederlandse woorden bestaan. Slordigheden in de grammatica, vooral onjuiste geslachten bij verwijzingen (dat bij de-woorden, etc.). En ten derde: het gebruik van Engels als voertaal in Nederlandse winkels en restaurants. Vooral in Amsterdam lukt het de obers vaak niet je in het Nederlands te woord te staan.
  9. Overvolle fietsenstallingen
    Er zijn tegenwoordig prachtige fietsenstallingen vlakbij het station, met duizenden plaatsen. Toch zijn ze vaak erg vol. In dat geval zijn er alleen nog plaatsen op de boven-rijen vrij. Je moet je fiets daar dan op tillen. Op mijn leeftijd wordt dat niet gemakkelijker. Straks moet ik met de bus naar het station omdat ik mijn fiets niet meer kan stallen.
  10. Geen rust op zondag
    Zondagsrust was altijd gekoppeld aan geloof en kerken. Dat is jammer, want er zijn goede niet religieuze redenen om één dag tot een rustdag zonder economische activiteiten te maken. Ik mopper dus regelmatig over de drukte in winkelstraten op zondag. Ik verlang niet terug naar de macht van de kerk, wel naar die rust van toen.

______

In Memoriam Koning Nabaca

Koning Nabaca en Meneer van Dale

Daar zaten we dan in het scheikundelokaal van het Marnix College te Ede. Anno 1965. Natuurlijk vonden wij het prachtig als meneer Rommerts een lucifer afstreek bij het door elektrolyse van water verkregen hoog explosieve mengsel van waterstof en zuurstof. Maar het was niet alleen maar dolle pret. Het ging ook om serieuze scheikunde met als een belangrijk onderdeel redox-reacties. Om te weten hoe graag metalen hun elektroden aan bij voorbeeld zuurstof afgaven (bijvoorbeeld 2Fe + 3O2= 2Fe2O3), moest je wel iets weten over “de spanningsreeks der metalen”: een reeks van zeer onedel tot zeer edel. Je zou verwachten dat we tijdens een proefwerk die reeks mochten opzoeken. Niets daarvan: die kenden we uit het hoofd: K, Na, Ba, Ca …. tot en met Au en Pt, de metalen die je met geen mogelijkheid kon oxideren. Ik ken ze nog door het ezelsbruggetje dat erbij hoorde: “Koning NaBaCa Mag Al Zijn Cromme Mannen Ferder NieTin Loodwater Coken. Hij gaat Angstvallig AutoPetten”.

Minstens de eerste drie regels van het periodiek systeem kenden wij ook zeker uit mijn hoofd. Natuurlijk hing daarvan ook een tabel in het scheikundelokaal maar we hadden die al zo vaak gezien dat we die ook zonder voorbeeld en zonder ezelsbruggetje konden opschrijven. Ik kan het nog steeds:  (1) H, He, (2) Li, Be, B, C, N, O, F, Ne, (3)Na, Mg, Al, Si, P, S, Cl, Ar.

Voor veel vakken moesten wij veel uit het hoofd leren, jaartallen voor geschiedenis, allerlei feiten voor aardrijkskunde en voor de vijf vreemde talen (Engels, Frans, Duits, Grieks, Latijn) honderden woorden naast al die moeilijk verbuigingen en vervoegingen en natuurlijk heel veel kennis van wiskunde en natuurkunde. Ook hier werd er niets opgezocht tijdens proefwerken. Ook hier speelden ezelsbruggetjes een rol, zoals Meneer van Dale wacht op antwoord (voor de bewerkingsvolgorde van wiskundige operaties) of ‘t Kofschip voor de spelling met d of t van verleden tijden en deelwoorden.

Woordenboek of vertaalapp

Ik ga niet zeggen dat vroeger alles beter was, maar het is nu wel anders geworden. Waar we vroeger over heel veel parate kennis beschikten, is nu het recept: “Dat zoeken we op.” Ik vermoed dat daardoor Koning Nabaca wel een langzame dood gestorven is. Daar is natuurlijk niets mis mee. Als je even iets snel kunt opzoeken voor een scheikundesom, neemt dat wel iets meer tijd dan wanneer je het al weet. Maar voor het leren van talen is het wel een probleem. Een jaar of tien geleden hadden wij Russische kennissen op bezoek die geen woord Engels of Duits spraken. Met een Russisch woordenboek in de hand liep ik door Amsterdam, maar het contact bleef erg beperkt.

Vier jaar geleden waren wij in Hongarije. Aan het leren van de onmogelijk moeilijke Hongaarse taal was ik niet toegekomen, maar sinds dat bezoek aan Amsterdam was er wel wat veranderd. Ik praatte gewoon Nederlands tegen mijn telefoon, die dat binnen seconden in Hongaars omzette. De kwaliteit daarvan leek goed, want  onze Hongaarse gastheer leek alles te begrijpen. Natuurlijk kon ik niets controleren. Ik moest maar op die software van Google vertrouwen.

De vier fases

Ook op andere gebieden zien wij die ontwikkeling  in vier fases (1) kennis in je eigen hoofd (eventueel ondersteund door ezelsbruggetjes), (2) het opzoeken van informatie in boeken en (3) later vooral op internet, maar zelf het probleem daarmee oplossen  en (4) de oplossing van het probleem volledig delegeren naar software (als of niet op basis van geavanceerde kunstmatige intelligentie).

fase 1

Als vijftienjarige natuurliefhebber leerde ik stap voor stap alle gewone en later een aantal bijzondere vogels herkennen op basis van vorm, kleuren, gedrag en nog veel meer. We leerden vooral van elkaar. Ook waren (en zijn er nog steeds) ezelsbruggetjes in omloop voor de herkenning van vogels. De manier waarop de snavels van wulpen en kluten gebogen is leren we van “Een wulp kijkt naar zijn gulp, de kluut naar zijn snuut.

Om zijn geluid wordt een grasmus wel krasmus genoemd. Een roek draagt een broek.  Het liedje van een fitis begint altijd vol energie om dan heel slap te eindigen. Dat wordt mooi beschreven met “Vandaag is het mooi weer, maar morgen wordt het weer niiiiiks”.

fase 2 en fase 3

Als we twijfelden aan de juiste naam van een vogel (was het nu een zanglijster of een grote lijster?), dan kwamen de lijvige vogelboeken uit onze tassen, fase 2 in de ontwikkeling. Vooral de gids van Peterson, in het Nederlands vertaald door de heer Kist, was onze autoriteit. Kijk even in de Kist, heette dat dan. In die gids staan de belangrijkste kenmerken op goede plaatjes aangegeven en die plaatjes worden door heldere teksten toegelicht. Maar toch is dan niet alles even duidelijk. Neem de volgende tekst: “een luid, herhaald twink, wiet en tsjwit en in de vlucht een onderdrukt juup. Zang een korte, heftige cascade van een tiental tonen, eindigende in een zwierig tjoe-ie-o …..”. Omdat ik de zang van de vink goed ken, herken ik dit wel, maar het is een heel onbeholpen omschrijving. Een grote vooruitgang zijn daarom vogelboeken als telefoon-app, waar al die informatie van de Kist ook op staat, plus geluiden die je gewoon even kan afspelen. We zijn dan bij stap 3: de apps helpen je om informatie te verzamelen. Maar het probleem (“welke vogel is dit?”) los je met die informatie zelf op.

Fase 4: we weten niets, we doen niets

De zelfkijkende vogelkijker

Maar stap 4 verovert de wereld, ook die van de vogelaar. Laatst kwam ik tijdens een wandeling een vrouw tegen. Zij schepte op over een indrukwekkende lijst waarneming van die ochtend. Zij baseerde die lijst vooral op de vogelnamen, die de app Merlin haar ingefluisterd had. Gewoon het mobieltje naar het bos wijzen en dan komen de namen op het scherm. Ik had toch even behoefte om het verhaal van die vrouw te corrigeren. Ik zei: “Sorry, u heeft die vogels echt niet allemaal gehoord. Uw telefoon heeft ze gehoord.”  Ze leek licht geïrriteerd over mijn opmerking.

Toch lijkt mij het onderscheid van wezenlijk belang. Op het moment dat we van fase 3 (even snel informatie op internet zoeken) naar fase 4 (een algoritme ons probleem laten oplossen) gaan, schakelen we onszelf eigenlijk uit. Wij zijn niet meer nodig. Wij worden een totale buitenstaander en onze ervaring wordt gereduceerd tot het enthousiasme over wat er op het schermpje verschijnt. Svarovski schijnt binnenkort een verrekijker aan te bieden met ingebouwde herkenningssoftware en internet. Je hoeft niet meer te kijken. De kijker doet het zelf wel. De kijker maakt zijn eigenaar overbodig.

Maar er gebeurt meer. Terwijl we in fase 3 nog levendige discussies hadden met collega’s, die het niet steeds eens waren over onze keuzes maar wel nuttige informatie inbrachten, communiceren we in fase 4 vooral met onze apps. Het is dezelfde wereld als in de trein van Leiden naar Amsterdam waar niemand met elkaar praat en iedereen met naar zijn mobieltje kijkt en luistert en iedereen tegen zijn mobieltje kletst, geen wereld waar ik blij van word.

Het zelfdenkende fototoestel
Deze wereldberoemde foto van Bill Brandt had de camera waarschijnlijk lelijk gevonden

Ook in de fotografie zie je hier een razendsnelle ontwikkeling. Er was een tijd waarin we zelf wisten hoe we onze camera moesten instellen, zelfs zonder lichtmeters. Automatische belichting en autofocus hebben het leven van de fotograaf een stuk gemakkelijker gemaakt. In principe is die nog steeds de baas. Maar eenmaal in fase 4 aangekomen gaat de camera zelf bedenken wat een mooie compositie is en past kleuren en tonen aan het onderwerp aan. Veel mobiele telefoons maken met opzet luchten blauwer en zonsondergangen roder, omdat dat mooier is. Ook hier: de camera probeert de fotograaf uit te schakelen. Bill Brandt had zijn prachtige zwartwit-foto’s met zo’n moderne camera moeilijk kunnen maken met al die veel te zwarte schaduwen. De camera had dat lelijk gevonden.

Ik ga hier geen opstel schrijven over de (reële) gevaren AI, maar ik beperk mij tot het thema plezier en voldoening. Op het moment dat wij te veel delegeren aan AI-algoritmes, verliezen we het contact met de wereld en daardoor met onszelf en de medemens: we weten niets, we zien niets, we horen niets, we beslissen niets, we ervaren bijna niets. Ik kies ervoor zelf vreemde talen te spreken (voor zover dat lukt)  en zelf vogels te leren herkennen. Achter die AI-gestuurde apps aan lopen, is gewoon niet leuk.

PS: eerder schreef ik het volgende stukje over dit onderwerp.

____

Noot: Veel van de in dit stuk genoemde apps zijn vaak best nuttig, vooral als instrument om van te leren. Als je Merlin gebruikt om jezelf in vogelgeluiden te trainen, is daar natuurlijk niets op tegen als je daardoor dichter bij je doel komt: zelf die geluiden herkennen. Zonder de ObsIdentify app, had ik nooit ongeveer 25 libellensoorten kunnen onderscheiden. Maar op het moment dat ik die app niet meer nodig heb en op het gezicht een variabele waterjuffer probleemloos van een watersnuffel kan onderscheiden, is er iets wezenlijks aan mijn wereld toegevoegd. En voor de vreemde talen is er vaak geen praktisch alternatief. Maar het echte plezier van vreemde talen leren, is ze zelf te gebruiken in praktische situaties. Dat plezier geeft de Google-app je nooit. De verregaande automatisering van camera’s is in orde zolang je begrijpt wat die camera doet en zolang je zelf af en toe voor andere instellingen kiest om de foto te maken die je jezelf hebt voorgesteld. Zolang apps de gebruiker helpen zichzelf te ontwikkelen, is het OK. Als de app de gebruiker overbodig maakt, wordt het een probleem, tenminste voor mij.

____