Aardsterren, eekhoorns en vogels op Voorne

Op de vijfde dag van de schepping had God best veel te doen:
“God liet het water wemelen van levende wezens, en boven de aarde liet Hij vogels vliegen. En God zegende hen, opdat de vogels en de vissen talrijk zouden worden.”

Dat is hem best goed gelukt, zeker als je bedenkt dat hij het allemaal op één dag voor elkaar moest krijgen. Toch is het ene vogeltje beter gelukt dan het andere, esthetisch gezien tenminste. Volgens mij verdienen de volgende (niet al te zeldzame) vogeltjes wat kleuren betreft een plaats in de top vier: het ijsvogeltje, de roodborsttapuit, het puttertje en het baardmannetje. Jammer voor de meerkoet. Die is talrijk, maar mooi? Op Voorne hebben wij  ze gezien, die kleurrijke top vier!

Met zwaar geschut

Op deze mooie zonnige zondag hebben we met twee groepen van vier mensen, allen leden van de Vogelwerkgroep Leiden, door de duinen en over de slikken van Voorne  gewandeld en daarbij hebben we genoten van de resultaten van die vijfde dag.

Bij het Quakjeswater

Daar stonden we dan met zijn twee maal vieren op de parkeerplaats bij het Quakjeswater op het Zuidwesten van Voorne. Wij liepen naar het observatiepunt aan het water. Een mooie grote grote zilverreiger (niet kleine, want die kenmerken had hij niet) zat fotografievriendelijk in de zon. Niet ver daarvandaan zwommen zwarte zwanen. Er werd geopperd dat zij een nest zouden hebben in november. Het leek mij sterk, maar het zou het gevolg kunnen zijn van een genetisch ingebouwde jetlag van 6 maanden. Dat kan je wel hebben met dieren van het Zuidelijk halfrond, werd er gezegd. Er was niet zoveel te zien, maar één vogelaar uit een der groepen (Stan?) ontwaarde op een halve kilometer afstand een dodaarsje. Je moet het maar kunnen.

Judasoren

We wandelden een rondje om het Quakjeswater en door de omliggende bosjes. Ergens zagen we leuke staartmeesjes.  Waar we puttertjes zagen, kan ik mij niet meer herinneren, maar we hebben er wel een gezien.

We zagen niet alleen vogels. Af en toe raakten we gevaarlijk ver van onze centrale missie als vogelwerkgroep, maar leuk was het wel. Interessant waren de Judasoren, leuke (eetbare) paddenstoelen, die als oren aan de boomstam hangen. De naam verwijst naar Judas, die zich na het verraad van Jezus aan een vlier ophangen zou hebben. Zo komt in dit verslag naast het Oude ook het Nieuwe Testament aan bod.

Niet lang hierna zagen we een mooie rode eekhoorn boven in een boom. Hij had het druk met het eten van rozenbottels. Daar blijken ze dus van te houden.  Het zijn dan misschien geen vogels, maar een beetje vliegen kunnen ze wel, van boom tot boom. De discussie in de twee groepen concentreerde zich nog even op vliegende zoogdieren, inclusief het vliegend hert, wat echter een kever bleek te zijn.

Aardster

Even later zagen we een prachtige aardster. Marianne liet zien hoe een grote hoeveelheid sporen uit het bolvormige reservoirtje bovenop deze rare paddenstoel gelanceerd wordt als je er even op drukt. Ik kreeg een paar duizend sporen in mijn neus door het experiment.

Zieke buizerd

Niet lang voordat we weer bij onze parkeerplaats kwamen, zagen we een buizerd van heel dichtbij. Hij zat in het bos en had niet echt de energie om ver weg te vliegen. Het beest was niet gezond, zo te zien. Vogelgriep?

Even later verlieten wij de Zuidkant van dit eiland en reden met een groot aantal auto’s naar Oostvoorne en verder naar het groene strand.

Baardmannetje

Prachtige rietvelden overal. In de zomer moet het hier wemelen van karekieten, rietzangers en rietgorzen, maar ook nu was het er de moeite waard.

Vanaf het mooie pad door dit gebied zagen wij schitterende baardmannetjes. Alleen dit al was de reis waard geweest. Ook zagen we ergens de roodborsttapuit.

Het laatste gebied dat wij met een bezoek vereerden, was het voormalige autostrand vlakbij de Slikken van Voorne. Ik kwam hier al in de vroege jaren tachtig regelmatig, maar wat is het er veranderd!

Natura 2000-gebied Slikken van Voorne

De slikken raken steeds meer begroeid. Hier en daar zie je duinvorming. Omdat de slikken zelf verboden terrein zijn, staan en zwemmen de vogels vrij ver weg. Gelukkig had ik een telescoop bij me. Je hoorde de wulpen en als je goed keek, zag je ze ook, samen met scholeksters, tureluurs, zilverplevieren en een enkele bonte strandloper en  drieteen. In het water zwommen veel wintertalingen maar ook prachtige pijlstaarten, helaas wel vrij ver weg. Heel ver weg zat een ijsvogeltje. Je moest wel heel goede ogen hebben om hem te ontdekken, maar Ron Ousen heeft die blijkbaar. Daarmee konden we de top vier in ieder geval noteren voor deze dag.

De laatste badgasten?

De zon kwam steeds dichter bij de horizon, zoals dat in november rond een uur of vier wel vaker gebeurt. We liepen nog even een heel klein stukje de duinen in en kwamen bij een mooi uitzichtpunt. Mooie gekleurde luchten, prachtige slikken en waterplassen waarin de nog blauwe lucht en verlichte wolken reflecteerden. Het was mooi geweest. Naar huis.

Herfstlucht boven de slikken van Voorne

 

_______

Route rond Quakjeswater
Groene strand (rechtsboven) en Slikken van Voorne (linksonder)

We waren hier wel eerder met de vogelwerkgroep. Zie het verslag uit 2017.

P.S.


Ik heb niet naar volledigheid gestreefd. Ik heb ook geen lijst van waarnemingen gemaakt. Er ontbreekt best wel wat, zoals hier en daar een lepelaar, mantelmeeuw of een torenvalk. Ik heb opgeschreven wat ik mij herinnerde.

P.S. 2

In werkelijkheid duurde het ontstaan van de vogelsoorten wel iets langer dan die ene dag uit het mooie scheppingsverhaal. Het is tegenwoordig onomstreden dat vogels tot een brede groep van dinosauriërs behoren. In 1861 werd een fossiel van een archaeopteryx ontdekt, één van de eerste vogels die 150 miljoen haar geleden, in de periode van het Krijt, leefden, naast allerlei andere dieren uit de dinosauriër-families. Aan het eind van het Krijt stierven de meeste van deze dieren uit. Vogels en krokodillen bleven bestaan. Al onze vogels behoren tot de zogenaamde Neornithes, die rond 120 miljoen jaar geleden ontstonden dus nog ruim voor het grote uitsterven van 65 miljoen jaar geleden. Een aantal soorten heeft die ramp blijkbaar overleefd. De 'vijfde scheppingsdag' (als we ons tot de vogels beperken) heeft tientallen miljoenen jaren geduurd vanaf het moment dat de eerste dinosauriër een vogel werd. 

R.

Zo begon het ….

Vandaag

Vandaag heb ik mij per 31 december dit jaar uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel, meer dan 30 jaar na mijn inschrijving.

Het begin van mijn adviesbureau

Rotterdam, Elmshorn

Meer dan 30 jaar geleden, op 1 juni 1990 schreef ik mij in onder de naam Dr. Reinier de Man Adviesburau voor Mileubeleid. Ik was al enige tijd actief als zelfstandig adviseur, eerst naast mijn werk aan de Erasmus-Universiteit. Op 22 mei 1987 was ik, tot mijn eigen verbazing, gepromoveerd in de sociale wetenschappen. Om de drukkosten van mijn proefschrift te betalen werkte ik voor Reinhard Ueberhorst, een politiek adviseur uit Elmshorn bij Hamburg, aan een project over nucleaire veiligheid. Het resultaat bestond uit lijvige rapporten over “Sicherheitsphilosophien” als input in interessante discussies met kernenergie-experts uit de wereld van voor- en tegenstanders van kernenergie.

Rapport Nr. 2 in de reeks

Intussen begon ik met mijn eigen winkeltje, eerst onder de naam Environmental Management. Er woedde op dat moment een discussie over de vormgeving van milieumanagement in bedrijven en, geheel in de stijl van mijn Duitse werk, schreef ik een analyse van de toenmalige situatie. Ik zette een advertentie in het milieublaadje van de werkgeversorganisatie VNO-NCW met aanwijzingen hoe mijn rapport Interne Milieuzorg in Bedrijven – de stand van de Nederlandse Discussie te bestellen was. Ik verkocht een dertigtal exemplaren. Op het kaft van het rapport stond dat het nr. 2 was uit een reeks van vijf rapporten. Ik vond dat overtuigender staan. Nr. 1 had ik nog niet geschreven (en zou ik nooit schrijven) en na nr. 2 kwam er niets meer. Wel kreeg ik enkele bestellingen binnen, die ik helaas moest afwijzen. Met dit rapport had mijn toegang verschaft tot de Nederlandse beleidsdiscussie en ik werd enkele malen voor het houden van lezingen uitgenodigd. Vanaf dat moment volgde ik in mijn advieswerk twee sporen: het Duitse advieswerk over kernenergie en later over de “Chemiepolitik” en mijn bijdrage aan de ontwikkeling van milieumanagement en later ketenbeheer in Nederland.

Adviseren vanuit ons flatje

Tot 1989 combineerde ik mijn advieswerk met mijn baan in Rotterdam. Op een bepaald moment ging dat niet meer. Ik voerde een gecompliceerd project voor SGS uit waarvoor ik alle Europese vestigingen moest bezoeken. Op een bepaald moment zat ik in het vliegtuig uit Barcelona op weg naar een mondeling tentamen dat ik in Rotterdam moest afnemen. Eenmaal in Rotterdam aangekomen, kon ik me niet meer precies herinneren waar dat tentamen in Godsnaam over ging. De week daarop nam ik ontslag. Ik had niet lang daarvoor een vaste aanstelling gekregen. Die was voor mij een extra reden om snel weg te wezen. De rest van mijn leven aan die universitaire instelling? Ik zou nog liever dood gaan.

Adviesbureau aan de Morssingel

Vanaf dat moment werkte ik thuis van achter een heel breed antiek bureau. Ik had een tweede telefoontoestel gekocht – ons eerste toestel met druktoetsen – en een redelijk compact kopieerapparaat. Ook de fax – werkend met dikke rollen thermisch papier- kon natuurlijk niet ontbreken. Mijn eerste antwoordapparaat stond op de vensterbank. Ik herinner me dat dit aanleiding was tot grote irritatie. Petra zei dat het zo langzamerhand ons huis niet meer was met al die apparaten. Links van mijn bureau stond een Olivetti PC (met groen scherm), met Intel 8086 processor, gekocht in 1986 voor bijna tienduizend gulden. Tekstverwerking ging met Word Perfect en er stonden naast de PC een naaldenprinter en één van de eerste modellen HP Inkjets. Op dezelfde kamer

kopieerapparaat, naaldenprinter, inkjet-printer, Olivetti PC, fax

stond Petra’s PC, een iets nieuwere Philips (met oranje scherm), die ook al kleine diskettes kon lezen. Ik was trots op mijn 1200 baud modem (bijna iedereen had nog 300 baud!), waarmee ik hier en daar file kon downloaden. Ik had op een bepaald moment een CompuServe- abonnement, waarmee ik overal ter wereld een primitieve vorm van e-mail kon gebruiken. We speelden vaak een leuk spelletje op de PC: digger.

Duitsland en Nederland

De opdrachtenportefeuille was nog niet erg goed gevuld. Ik werkte nog veel voor het Duitse bureau op het gebied van nucleaire veiligheid en ik verwierf redelijk wat naamsbekendheid met een column in de bladen Milieumagazine en Nieuwe Beta. In de Nederlandse bladen schreef ik ook regelmatig over ontwikkelingen in Duitsland. Inmiddels was ik betrokken geraakt bij discussies over het Duitse chemiebeleid en werkte aan een project dat Ueberhorst in opdracht van de stad Frankfurt uitvoerde.

Ons eerste kind kwam eraan. Ons huis was niet meer geschikt voor een gezin én een kantoor. We hadden toen kunnen proberen een huis te kopen met kantoorruimte, maar dat leek te riskant. Ik ging op zoek naar kantoorruimte in Leiden en vond een prachtige ruimte aan de Kloksteeg, boven Burgersdijk en Niermans. Vrijwel gelijktijdig met het tekenen van het huurcontract registreerde ik mijn bedrijf bij de Kamer van Koophandel. Ueberhorst had grote bezwaren aangetekend tegen de naam Environmental Management – te platvloers of zo. Ik registreerde mij op 1 juni mede op zijn advies als Adviesbureau voor Milieubeleid. Op dat moment klopte dat ook wel, want ik hield mij vrij weinig met management bezig.

Een kantoor, een kind en weinig inkomsten

Op 4 juni betrok ik mijn nieuwe kantoor op de Kloksteeg. Het echte avontuur kon beginnen: zelfstandig ondernemer met weinig werk en een kind in aantocht. Ik ging driftig door met columns schrijven in Milieumagazine, alleen in 1991 al zeven stuks, in 1992 zes. Ik was actief in de Vereniging voor Milieuwetenschappen (VVM). Er was een verzoek van het Ministerie aan VVM om een project uit te voeren met betrekking tot radioactief afval. Ik bood aan dat project uit te voeren. Dat kon als ik mijn bestuursfunctie daar zou neerleggen. Geïnspireerd door het werk dat ik met mijn collega/opdrachtgever uit Elmshorn deed, organiseerde ik een interessant discussieproject en een dik rapport rond 1991. Het beleid is overigens nu nog niet veel verder dan toen.

4 juni 1990: mijn nieuwe kantoor, de secretaressekamer

Erg veel goed betalende opdrachten had ik nog niet, maar ik deed interessant werk. Zo schreef ik samen met een aantal auteurs een cursus voor de Open Universiteit over Milieumanagement. Ik week hier bewust van het geijkte patroon af. Ik ging niet als ‘editor’ de bijdragen van alle deskundigen corrigeren. Ik vroeg de deskundigen mij hun eigen basismateriaal te sturen, op basis waarvan ik hoofdstukken schreef die zij mochten corrigeren. Dat werkte erg goed.

Grote, belangrijke thema’s

In de loop van 1991-1992 begon er meer lijn in mijn werk te komen. Zo’n lijn kan je pas na lange tijd goed onderscheiden. Toen was dat helemaal niet zo duidelijk. Na meer van 30 jaar zie ik de volgende onderling sterk verbonden inhoudelijke lijnen:

[1] Ketenbeheer in Nederland

[2} Stoffstrommanagement in Duitsland

a. Wer ist der Manager?

b. Textil und Chemie

[3] Ronde tafels, Certificering, in het bijzonder papier/hout, katoen/textiel en palmolie

Zie hiervoor de aparte stukjes (in ontwikkeling).

Wat steeds duidelijker werd rond 1992, is dat Duitsland een belangrijk land voor me werd en zou blijven. Heel veel werk in Nederland heb ik nooit gedaan en als ik het deed was het voor internationale organisaties en bedrijven.

 

 

Een mooie ochtend op Koudenhoorn

Het Joppe bij zonsopgang

Al om acht uur fiets ik langs de golfbaan en langs het terrein van Dekker richting Warmond. Het begint net licht te worden en overal hangen flarden mist. Bij Albert Heijn Warmond ga ik bij het marktterrein het bruggetje over naar Koudenhoorn. Koudenhoorn is een stukje Zwanburger polder dat is overgebleven toen het hele middendeel in het begin van de jaren zeventig aan de zandwinning ten prooi viel. Maar de zandwinning werd een mooi water, het Joppe. Er waren toen vergaande plannen om Koudenhoorn te bebouwen maar daar is op tijd een stokje voor gestoken (zie hier voor meer informatie). De helft werd recreatiegebied en op de andere helft werd, zoals dat in Nederland gaat, natuur aangelegd.

Het Joppe

Om kwart over acht kijk ik over het rimpelloze en mistige Joppe uit, terwijl de eerste zonnestralen het water bereiken. Het ligt vol ganzen, vooral grote Canadezen en grauwe ganzen.  In de bomen achter het paviljoen Coazy zitten niet alleen veel duiven, maar ook groepen Koperwieken. Terwijl ik in gedachten verzonken over het Joppe tuur, komt Arthur  aanzetten.

Koperwieken op Koudenhoorn

Ik had al ge-appt dat ik koperwieken in de aanbieding had, maar die zijn inmiddels vertrokken. Ik kon ze niet in die bomen houden helaas. We kunnen aan dit strandje (in de zomer een drukke recreatiebestemming, maar nu uitgestorven) meteen beginnen. We zien geen bijzondere ganzen.  Wel komen er nogal wat smienten overvliegen. We lopen over de steigers aan het Joppe en dan een stukje rechtsaf naar de ingang van het stiltegebied. Wij – twee niet meer piepjonge heren – missen de oren van Stan aan het pad waar hij niet lang geleden de goudhaantjes voor ons hoorde. Nu moeten we het met onze ogen doen. Arthur heeft het geluk dat zijn gezichtsvermogen bij zijn laatste grote beurt goed is opgeknapt. We zien ze dus. Het blijft wel moeilijk ze te fotograferen als ze hoog in de bomen zitten. Waarom zetten ze hier geen comfortabele ligstoelen neer van waaruit we plaatjes kunnen schieten?

Koudenhoorn in de zomer

Dit bos is in de zomer een paradijs voor allerlei zangvogels, inclusief zwartkop, tuinfluiter, fitis, tjiftjaf en zanglijsters. Nu domineert het roodborstje met zijn driftige territoriumafbakening. Ook komen er troepen “lawaaipapegaaien”, dwz. halsbandparkieten, langs. Grote bonte spechten laten zich vaak horen, vooral door hun roep, maar soms door geroffel.  Vanaf een paar honderd meter van het toegangshek loopt het pad lang een prachtig water, waar je regelmatig ijsvogels kunt aantreffen. We kijken in spanning naar de ijsvogelplekjes aan de overkant, maar worden helaas door de inmiddels fel schijnende zon verblind. We lopen maar verder. Aan de linkerkant is nog steeds water, maar rechts beginnen mooie rietvelden. Er schijnen baardmannetjes gesignaleerd te zijn, maar niet door ons deze keer. Het pad maakt aan het eind een lus door de rietvelden. Je bent  dan vlakbij de Strengen en dat is te horen! In de Strengen wordt met veel lawaai een natuurgebied aangelegd. Er was al prachtige natuur, maar dat was een ongeplande ruigte. Wel zag je in die ruigte van alles van blauwborstjes tot haviken, maar desalniettemin was het gebied aan ontwikkeling toe. Zware graafmachines diepen en nieuwe waterplassen uit en de motorzagen verwijderen ongewenste bomen. Wie weet, wordt het wel iets, maar voorlopig is het vooral een, op zijn Leids gezegd, pokken-tering-herrie. Volgens collega-vogelaar Renée zijn de koperwieken van de Strengen daarom naar Koudenhoorn gevlucht. Het zou best kunnen.

Koudenhoorn in de zomer

Ergens aan het pad door het riet haal ik een thermoskan koffie uit mijn rugzak. Ik heb een extra kopje meegenomen en losse suiker. Ik drink suiker in de koffie maar dat doet bijna niemand meer. Arthur wil gewoon suiker: die moeite had ik mij dus kunnen besparen. Ik zeg: “ik had er niet op gerekend, want alleen stokoude mensen gebruiken nog suiker in hun koffie.” Deze uitspraak wordt niet in dank afgenomen.

Net op het moment dat we tot de conclusie komen dat er niets te zien is, zit er een troepje leuke staartmezen in de boom. Arthurs Canon ratelt als een mitrailleur.  Niet veel later komt de eerste ijsvogel langsflitsen. Het blijft indrukwekkend: indrukwekkende kleuren, prachtige kaarsrechte vlucht over het water. Het lukt mij niet om deze dag foto’s van de ijsvogel te maken. Arthur heeft iets meer geluk, maar het lukt mij niet de juiste plek te zien en dan is hij weer weg. Nog één keer legt hij het me heel goed uit: daar links van het berkje bij die plant met rode blaadjes en dan 75 cm omhoog. Ja, nu zie ik het en nu klinkt mijn Nikon als een iets ander merk mitrailleur. Als we de oogst bekijken, is het duidelijk dat we allebei veel foto’s hebben van het zelfde blaadje in de mooie kleur ijsvogel-bruin.

Hier is regelmatige de ijsvogel te zien

Als we na de lus door het rietveld weer op de terugweg langs het brede water lopen, komt de ijsvogel nog twee keer met grote snelheid langs. Het licht wordt iets gunstiger, maar de overkant is nog steeds in de schaduw. Regelmatig komen wij geïnteresseerde wandelaars tegen, die behoorlijk onder de indruk zijn van onze imposante telelenzen en camera’s en vragen welke jachttrofeeën we  kunnen rapporteren. Niet zo veel eigenlijk, afgezien van een staartmees, een roodborstje, een tjiftjaf en een blauw vlekje dat een ijsvogel moet voorstellen. Eén van die wandelaars, een vrouw uit Warmond, vertelt ons zonder enige schaamte dat de ijsvogel gewoon in het water bij hun tuin zit. Ze laat bewijsmateriaal op haar telefoon zien. Het is oneerlijk verdeeld op deze wereld.

Niet ver van het toegangshek maak ik nog leuke foto’s van een boomkruiper. Prachtig, dat lange kromme snaveltje en dat gedrongen lijfje. Hier en daar vliegen nog goudhaantjes en hoor je een grote bonte specht. Het is mooi geweest. Bij het Joppe zijn niet meer zoveel vogels als een paar uur daarvoor. Wel zitten  de vaste gasten op de palen bij de boeien die het  zwemgebied afbakenen.  We gaan naar huis.

 

Die avond lees ik op WhatsApp dat wij een witkop-staartmees gezien zouden hebben. Ik kan me daar niets van herinneren. Nee, we hadden hem die dag niet gezien, maar hij stond wel op de foto. Bij het bewerken van de foto’s kwam hij tevoorschijn. Soms weet je niet wat je ziet.

___________

 

 

 

 

 

Kleine vakantie

Bijna alles is klein deze keer. Het huisje (één kamer) is zo klein dat je van de eettafel zo in bed kunt rollen. Wij bevinden ons in een plaats met drie letters (Epe) en het gezelschap is ook niet groot: twee personen.

Ja, de bomen zijn zo hoog dat je geen idee hebt wat voor kleine vogeltjes er van kruin tot kruin vliegen. En het bos is groot. Lange statige lanen met eiken of beuken er langs worden afgewisseld door romantische slingerpaadjes, door paardenhoeven omgeploegde ruiterwegen en kaarsrechte betonstroken waar de geëlektrificeerde overjarige Nederlander overheen suist, zijn/haar blik gefixeerd op het LCD-schermpje dat aan het te hoge stuur is bevestigd.

Daar lopen we dan. De bossen zijn mooier dan we ons van vorige bezoeken herinnerden. Vooral de hoge dennen zijn mooi. Zij hebben het voordeel dat de meeste takken bovenaan zitten en niet zo’n donker ondoordringbaar bos vormen als die sombere sparren. Bij sparren zie je soms door het bos de bomen niet meer. Herfst is overal een mooi jaargetijde, maar zeker hier. De kleuren zijn nog volop in ontwikkeling maar hier en daar kan je al genieten van sterke contrasten tussen gele beuken tegen de achtergrond van donkergroene dennenbossen en paarsbruine heidevelden.

De mooie berkenstammen zorgen voor mooie contrasten en een ritme in het landschap wanneer er tientallen op een rijtje staan. Onderaan die bomen schieten de paddenstoelen met grote vaart uit de grond. Even krijgen we een glimp te zien van het wonderlijke leven dat zich in de diepe duisternis afspeelt: prachtig felgekleurde vliegenzwammen, andere amanieten en een grote verzameling bruine en kleurloze zwammen die uit dode boomstronken groeien, zoals sponszwammen.

In de verte lacht een specht. Het zou een zwarte specht kunnen zijn. Die zitten hier zeker, maar hij laat zich niet zien en we horen ook geen geroffel. Hoog over de bomen vliegen zwermen lijsterachtigen, waarschijnlijk kramsvogels maar ze blijven te ver weg. Er vliegen regelmatig vinken en af en toe een groepje puttertjes. Overal hoor je de bonte specht en af en toe zie je er een langs een stammetje klimmen en dan weer wegvliegen.

De merels vliegen regelmatig door de lagere regionen van het bos. Het hadden er veel meer kunnen zijn als het usutu-virus niet zo onder de populatie had huisgehouden.

Als we nu niets doen, doet het Covid-virus iets dergelijks met de mensenpopulatie, maar we doen wel iets, dat wil zeggen: we doen steeds minder. Geen gezellig terrasje op de helft van onze wandeling naar de Renderklippen of de Dellen, maar op een door de toeristenindustrie ter beschikking gesteld bankje een kopje koffie uit een thermoskannetje en daarbij een goed belegde boterham. Er komt een gezelschap langs waarvan één wandelaar vrij slecht ter been is. Als we hem een deel van ons bankje aanbieden, reageert hij bijna verontwaardigd: “Dan kan ik de voorgeschreven afstand niet aanhouden!”. “Sorry – even vergeten”. Even later verlaten wij het bankje en kan er volgens de regels op gezeten worden.

Wij lopen terug naar ons piepkleine huisje. Daar schenken we een bokbiertje in en koken boerenkool met worst. Herfst 2020.

Vogels op de foto

Toen ik laatst met enige trots mijn foto van een sneeuwgors aan Petra liet zien, vroeg ze of ik dat grijsbruine musje bedoelde. Zij vond het niet interessant. En daar had ze gelijk in. Een saai plaatje met wat bruine, grijze en witte tinten. Wel een leuk kopje. Maar zoveel leuker dan een huismus?

Sneeuwgors in Poelgeest (© Reinier de Man)

Natuurlijk wordt het beestje wel interessant als je weet dat het misschien helemaal uit IJsland hierheen is gevlogen en nu zaadjes zoekt op een wandelpaadje in de randstad. Maar dat maakt het nog geen mooie foto. Ja de foto is scherp en het beestje staat er goed op, maar het is geen mooie foto.

Vogelaars zijn eigenlijk gewoon verzamelaars. Vogelen is iets gezonder dan postzegels verzamelen maar in principe hetzelfde. Een postzegelverzamelaar verlangt ernaar die ene zeldzame postzegel van 1½ cent uit 1890 in zijn bezit te krijgen. Vogelaars denken iets groots verricht te hebben als ze een bijzondere jager-soort bij de vuurtoren van Texel hebben zien vliegen. Je kan zo’n waarneming gewoon op een lijst aantekenen, maar nog mooier is een foto. Bij een willekeurige vogelhut klink het geratel van de Nikons en de Canons en daartussendoor het oeh en aah van de vogelfotografen en af en toe: “Nu heb ik hem mooi!” of “Shit, mijn sluitertijd stond te lang en nu is-ie toch niet helemaal scherp!”.

Ik ken vogelfotografen die heel mooie en zelfs adembenemende kunstzinnige vogelprenten maken, met wonderlijke kleurpatronen en een prachtige weergave van beweging. Maar veel foto’s die ik voorbij zie komen, zijn net zo oninteressant als de postzegelalbums. De vogels staan er op en soms zijn het heel zeldzame exemplaren.

Voor een fotograaf doet de zeldzaamheid van het beestje (of het plantje) er absoluut niets toe, eigenlijk ook niet of het “mooi” is. Als een vogel mooi is, is dat hooguit de verdienste van de “Schepper”, als er zo iemand mocht bestaan. Maar of een foto mooi is, dat hangt van zijn schepper af en die bestaat zeker: de fotograaf.

De dirigent van het Joppe (© Reinier de Man)

Bekijk zelf maar wat je hier van vindt. Ik fotografeerde een aalscholver  aan het “Joppe”, een diepe waterplas hier vlakbij. Hij zit op een paaltje tussen twee drijvende boeien die het zwemgedeelte daar afgrenzen. De aalscholver is niets bijzonders. Er vliegen hier honderden. De boeien zijn van goedkoop plastic gemaakt. Maar is het een mooie foto? Ik vind van wel. Een kennis van mij leverde mij een mooie titel: “de dirigent van het Joppe”.

Fantastische vogelfoto’s vind je op de site van Adri de Groot.

In een eerdere blog schreef ik over mijn belevenissen in een vogelhut met vogelfotografen.

____