Het stinkende bos

Paddenstoelen zijn soms heel mooi gekleurd en gevormd. Toch hebben ze iets onaangenaams. Het zijn de zichtbare verschijningsvormen van onzichtbaar in de onderwereld levende wezens, de schimmels. Maar leven ze eigenlijk wel, deze organismen die vaak niets anders doen dan wat van levende wezens over is op te ruimen zodat hun bestanddelen weer in de grote stofkringlopen worden opgenomen? Sommige schimmels zijn onmisbaar in de stofwisseling van levende wezens. Veel bomen kunnen zonder de samenwerking met schimmels niet overleven. Maar er zijn ook schimmels die geen samenwerking zoeken maar de bomen genadeloos aanvallen totdat die het loodje leggen. Vervolgens ruimen ze deze dode bomen vakkundig op. 

Heksen, duivels en rottend vlees

Het is niet toevallig dat paddenstoelen vaak in verband worden gebracht met wezens uit de sprookjeswereld of met duistere kanten van geloof en bijgeloof. De grote kringen van paddenstoelen zoals bijvoorbeeld nevelzwammen worden heksenkringen genoemd. Veel paddenstoelen zien er in een vroeg stadium als een bol uit. De hele paddenstoel zit hier goed verpakt in totdat zie met grote kracht bovenuit deze bol schiet en dan in korte tijd zijn uiteindelijke lengte bereikt. Deze bollen lijken wel wat op eieren. Ze worden meestal hekseneieren of duivelseieren genoemd. De in ons land algemene grote stinkzwam begint als zo’n mooi duivelsei. Zodra dit ei uitkomt, begint het vreselijk te stinken naar rot vlees.

Over die duivelseieren bestonden in de afgelopen eeuwen de vreemdste verhalen. Zij zouden bijvoorbeeld groeien uit de lijkjes van overleden weeskinderen en daarom naar rot vlees ruiken. In een verhaal uit Friesland gaat het om een vrouw die steelt (‘haar handen zitten los’). Als straf krijgt zij een baby die een hand mist. Zij bindt de arm van de baby af met een doek. Als dan de baby sterft, begraaft zij het kind met de doek nog om de arm. Dan groeit de arm van het baby-lijkje steeds weer boven de grond uit. De arm is verrot en daarom komt er een vreselijke lucht vanaf. Volgens dit verhaal is zo de stinkzwam ontstaan. 

Zo zijn er honderden verhalen waarin paddenstoelen in verband worden gebracht met allerlei elementen uit de wereld van kabouters, heksen, trollen en duiveltjes, maar zeker vanaf de zeventiende eeuw was er steeds meer oprechte wetenschappelijke belangstelling voor de natuur, inclusief paddenstoelen. 

Dr. Junius geeft de stinkzwam een naam

De medicus, dichter en filosoof Dr. Hadrianus Junius (Adriaen de Jong) publiceerde in 1564 een uitvoerige beschrijving van de grote stinkzwam van duivelsei tot en met volgroeide ‘Phallus’. De benaming phallus lijkt van hem en niet van de latere Linnaeus te stammen. In de Latijnse tekst van 1564 wordt expliciet gerefereerd aan ‘de eikel van het mannelijk lid’ en het feit dat het bij openbarsten van het ei overblijvende omhulsel ‘de aanblik van een scrotum nabootst’. Junius had er wel problemen mee dat er geen paddenstoelachtige hoed op de steel zit en vraagt zich af of dit wel een paddenstoel is. Merkwaardig is dat hij niet eenvoudig zegt dat de paddenstoel op een mannelijk lid lijkt, maar de keuze voor het woord phallus baseert op de gebruiken tijdens de Dionysische processies in het oude Griekenland: “Deze naam is ingegeven door de gelijkenis met het voorwerp van leer of vijgenhout dat men in het heidendom placht mee te voeren tijdens de viering van heilige mysteriën – rituelen die bekendstonden als Phallagogia, waarbij het bijgeloof de Phallus en de Ithyphallus vereerde.” Dr. de Jong kon dus eenvoudig over gebruiken in het oude Griekenland schrijven en hoefde daarbij het mannelijk lid niet direct bij zijn naam te noemen. 

Plaatjes uit het geschrift van Junius

Ergens schrijft Junius: “Overigens, of onze Phallus onder de klasse der zwammen moet worden opgenomen, zou ik niet als zeker en uitgemaakt durven bepalen, daar ik geen oordeel wil uitspreken
voor dat van anderen die daarvan meer verstand hebben”. Dat onze geleerde uit de zestiende eeuw niet wist of dit nu echt wel een paddenstoel was, kunnen wij hem niet kwalijk nemen. Om iets van paddenstoelen – schimmels dus eigenlijk – te begrijpen, moet je de sporen kunnen onderzoeken. Het zou nog honderd jaar duren voordat Anthonie van Leeuwenhoek een microscoop ontwikkelde met een vergroting van 200x. Maar zelfs die vergroting is niet genoeg om individuele sporen te kunnen zien. Daarvoor is toch zeker 400x nodig.  Junius zag de draden waaraan de stinkzwam (of het duivelsei) vastzit nog als een soort wortels. Hij schrijft over het ‘ei’: 

“… …. bevindt zich een kleine, witte, ronde massa die qua uiterlijk en witheid doet denken aan een handbal of een bolgewas; daaronder bevindt zich een gespleten streng of dubbele vezel die als wortel dient en waarmee de plant (naar ik vermoed) sap opzuigt.”

Schimmeldraden waren vóór de tweede helft van de 17e eeuw nog niet bekend (Anthonie van Leeuwenhoek rond 1675 en Robert Hooke 1665).

Dank voor Stank

Iets meer dan driehonderd jaar na het verhaal van Junius publiceert de aartsvader van de ‘natuursport’ Eli Heimans in De Levende Natuur van juli 1898 een wonderlijk verhaal over de Stinkzwam met de titel ‘Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant’. Uit het verhaal blijkt dat de stinkzwam nog tamelijk onbekend was in die tijd. In het artikel schrijft Heimans: “… de plant is vrij zeldzaam”, wat waarschijnlijk ook aan het eind van de negentiende eeuw niet klopte. Heimans beschrijft het tafereel van gasten van de uitspanning ‘De Spoolderberg’ (die nog steeds als Uitspanning ‘Het Engelse Werk’ bestaat) die niet blij waren met de stank van zijn vondst: 

“Ik maakte zonder erg de plantenbus open, om mijn merkwaardige vondst eens te laten bewonderen, en vertoonde de zwam; maar daar had je ‘t gaande. ‘Er uit met dat ding! Gooi weg! Menschen, kinderen, wat een stank!’ Allen knepen de neus dicht. Ik moest de kamer uit met mijn vondst; al toonde ik aan, dat de plant nog frisch was; en al beweerde ik ook, dat de stank geen werkelijke stank was, doch slechts een wonderbaarlijke nabootsing van de aaslucht, waardoor de aaskevers, die de
sporen moeten verspreiden, worden aangelokt… het
hielp niet.”

Waardering van de gasten van de uitspanning kreeg hij niet. Hij besloot zijn mooie vondst maar per Van Gend en Loos aan zijn vriend Thijsse te zenden. Die was er niet echt blij mee zoals uit zijn dankbetuiging bleek: 

“De volgende dag had ik bericht van Thijsse met dankbetuiging voor mijn welwillendheid, om hem iets te laten zien en ruiken, wat hij nooit gezien of geroken had, een dankbetuiging, vervat in de volgende bewoordingen: ‘Wat bezielt je toch, om mij zoo iets in huis te sturen; mijn vrouw en kinderen vlogen de kamer uit, toen ik ‘t kistje open maakte. De zwam was nog heelemaal gaaf, maar ik heb hem terstond een halve meter diep in de grond begraven met het kistje er bij. Ik ben nog misselijk. Als je weer zoo iets hebt, houdt je ‘t maar in Zwolle, of zet het zelf op spiritus.’ Ik heb zeker niet noodig te zeggen, dat Stinkzwam, de Hollandsche naam voor deze paddestoel, een zeer toepasselijke naam is.”

Stank als natuurwonder

Eli Heimans citeert bovenstaand verhaal nog eens een paar jaar later in zijn publicatie uit 1906: Wandelen en waarnemen, schetsen uit het leven van planten en dieren. Hoofdstuk 20 is helemaal aan de stinkzwam gewijd. Heimans raadt ons aan om niet meteen weg te lopen als we die misselijk makende stank ruiken, maar juist op onderzoek uit te gaan. Als we de afkeer van de stank overwinnen, wordt onze kennis van de natuur alleen maar rijker. 

“Neen, loop eens niet door, waarde wandelaar. Blijf staan op de plaats, waar u de stank het sterkst, het onverdragelijkst lijkt; doe dat een enkelen keer ter wille van de uitbreiding van uw kennis der natuur, die juist daar een merkwaardigheid rijker kan worden.”

Iets verder in het hoofdstuk schrijft hij: 

“En het malle van de geschiedenis is, dat ge onwillekeurig ruiken gaat, opzettelijk ruiken. Met genoegen nu nog wel niet, maar ook niet meer met die walging van zooeven. De afkeer vermindert opeens zoo sterk, denk ik, omdat wij door de wetenschap, dat dit vreemde voorwerp het ‘m doet, gerustgesteld zijn. Er ligt geen doode hond te rotten, geen lijk te midden van nog viezer onguurheden. We hebben hier, dat zegt ge u zelf, zonder woorden misschien, met een kunststank te doen, met een natuurwonder”.

 

Inheemse en invasieve stinkerds

Inmiddels is het herfst 2026 en de grote stinkzwam is weer hier en daar te ruiken en als je dan kijkt zie je de phallus impudicus trots omhoog gericht staan te stinken met de onvermijdelijke vliegen op zijn eikel. Als je geluk hebt, zie je dan nog mooie duivelseieren in de buurt, maar dat had ik nog niet bij deze paddenstoel.

Meer geluk had ik bij een sterk verwante paddenstoel die weliswaar geen overeenkomsten heeft met het mannelijk lid, maar wel lekker kan stinken, de fraaie inktviszwam, een stinkzwam die weer als duivelsei begint, maar als die openbarst komt er geen rechte steel uit maar een aantal armen zodat hij sprekend op een inktvis lijkt. Niet ver van mijn inheemse grote stinkzwam stond een paar dagen geleden het bos vol met duivelseieren en inktviszwammen, een fraai gezicht. Het is een invasieve soort uit Australië die zich langzaam maar zeker door Nederland verspreidt. In ieder geval voor het oog een aanwinst.

Inkviszwam. Links een duivelsei dat net uitkomt

Noot

Een eerder verhaal over schimmels en paddenstoelen schreef ik een paar jaar geleden: https://blog2.rdeman.nl/dood-en-verderf-een-langdradig-verhaal/

Nog iets eerder schreef ik over een paddenstoelenwandeling bij Huys te Warmont: https://blog2.rdeman.nl/paddenstoelen-in-oktober/

____

 

Geraadpleegde literatuur

Hadrianus Junius, het originele Latijnse werk uit 1564 (PHALLI EX FVNGORVM GENERE IN HOLLANDIÆ fabuletis paſsim crefcentis descriptio, HADRIANO IVNIO Medico auctore, 1564) en grote gedeelten hiervan overgenomen in hoofdstuk 15 van zijn grotere publicatie Batavia uit 1588:   Hadrianus Junius, Batavia. Franciscus Raphelengius, Leiden / Plantijn, Antwerpen 1588. Ik heb vooral (uitstekende!) vertalingen door Google Translate gebruikt. Daarnaast is er een groot deel van het werk uit 1564 vertaald door een zekere Dr. A.H. Garrer voor het blad Levende Natuur van november 1906. De werken van Junius zijn via Google books en andere bronnen op internet te vinden. 

M. Greshoff, ‘Een natuurhistorisch Document der 16de eeuw’,  De Levende Natuur, November 1906.  Op dit artikel volgt de vertaling van een groot deel van het boek van Junius uit 1564 door Dr. A.H. Garrer. Het artikel zegt over de weglating van kleine gedeeelten: “Hem danken
dus de lezers van De Levende Natuur dat zij eene getrouwe overzetting (echter met weglating van eenige niet voor dit tijdschrift geschikte zinsneden) dezer allereerste beschrijving van Phallus voor zich zien, verlucht met de afbeeldingen van den stinkzwam, die Dr. H. Junius liet ontwerpen door den beroemden schilder Maerten van Heemskerck
(1498-1574)… “. Het lijkt alsof een directe verwijzing naar het mannelijk geslachtsorgaan het tijdschrift iets te ver vond gaan.

Eli Heimans, ‘Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant’, in De Levende Natuur, juli 1898

Eli Heimans, Wandelen en waarnemen, schetsen uit het leven van planten en dieren, 1906

Volksverhalenbank van de Lage Landen, ‘Hoe ‘t de Stjonkswam der kommen is’, een verhaal uit Friesland. Te vinden op https://www.verhalenbank.nl/items/show/14634

 

______________

 

 

 

Hersengymnastiek

Als je ouder wordt, is het in conditie houden van je lichaam (vooral niet elektrisch fietsen!) en natuurlijk van je hersenen een eerste zorg. Wat het  laatste betreft, doe ik wel de goede dingen, geloof ik. Een artikel in de New York Times adviseerde drie soorten activiteiten: muziek, talen en puzzels. Daarnaast is ook veel beweging goed voor het op gang houden van de hersenen. Toen ik, nu alweer zes jaar geleden, een gelukkig licht herseninfarct kreeg, adviseerden mensen mij meteen aan fysiotherapie te gaan doen. Ik deed iets beters. Ik ging mijn hersenen opnieuw trainen viool te spelen. Veel vaardigheden waren verloren gegaan, maar kwamen alweer snel terug en werden beter! Ook met het advies talen te bestuderen zat het wel goed. Ik heb de uiterst ingewikkelde Poolse grammatica doorgeworsteld en ik heb Harry Potter in het Pools gelezen, niet de eenvoudigste teksten die er bestaan. Ook heb ik dikke boeken in het Noors gelezen, een taal waarin mijn woordenschat veel beter is dan in het Engels. 

Zoete relaties en bittere strijd

Onlangs hebben Petra en ik een nieuwe vreemde hobby ontwikkeld: op Netflix naar Koreaanse series kijken, niet de bekende Koreaans vechtfilms maar romantische komedies waarin mooie jonge vrouwen en (vaak onbetrouwbare) machtsbeluste mannen uit belangrijke industriële families een rol spelen. Ze zijn een mengsel van honingzoete relaties, achterdocht, vuil machtsspel en pijnlijke misverstanden. Als er na veel afleveringen eindelijk een relatie lijkt te ontstaan en de eerste kus in de lucht hangt, gaan dit soort series over op tergend langzame slow-motion beelden, waarin de lippen van man en vrouw zich met een maximale snelheid van 1 mm per 20 seconden naar elkaar toe bewegen. Op de achtergrond klink dan een aan de Koreaanse smaak aangepaste Hollywood-muziek, vaak in een vrolijk ritme van de Weense wals.

Zo keken wij met veel plezier naar de serie Crash-landing on you, waarin een vrouw tijdens een para-gliding vlucht op Noord-Koreaans gebied terecht komt en waarin zich een relatie ontwikkelt tussen deze vrouw een een Noord-Koreaanse militair. Op de achtergrond spelen natuurlijk weer de haat-en-nijd-scènes in de machtige familie van de in Noord Korea gelande vrouw. 

De gereïncarneerde hofdame in het moderne Seoul

Nu kijken wij naar de recente serie My royal nemesis, het onwaarschijnlijke verhaal van hofdame Kang Dan-Shim uit het oude Joseon-koninkrijk, die incarneert in het lichaam van actrice Shin Seo-ri in de huidige tijd. Het verhaal in het heden heeft grote gelijkenissen met wat zich driehonderd jaar eerder in Joseon heeft afgespeeld. Alleen is het Koninkrijk Joseon vervangen door de Tycoons van de Koreaanse zakenwereld: de zogenaamde Chaebols, door machtige families beheerste industriële conglomeraten. Centraal in deze serie staat de haatliefde-verhouding tussen Shin Seo-Ri en Cha Se-gye uit een machtige Chaebol. De verhoudingen in dit verhaal lijken natuurlijk op Kang Dan-Shim’s relaties in het Koninklijk huis een paar honderd jaar daarvoor. De door zware conflicten getekende relaties binnen het Koninkrijk en later binnen de Chaebol krijgen natuurlijk ruim aandacht en de relatie tussen Shin Seo-ri  en Cha-Segye is niet alleen rozengeur en maneschijn, hoewel hier ook af en toe plaats wordt ingeruimd voor honingzoete achtergrondmuziek en tergend langzame erotische slow-motion. 

De Koreaanse taal

한 글 Hangul: een gemakkelijk schrift

Natuurlijk raak ik bij het zien van zulke series geïntrigeerd door de vreemde taal die erin gesproken en geschreven wordt. Alleen heel af en toe kan je een Engels woord herkennen, zoals keibeul ka voor kabelbaan, cable car, maar meestal maak je er niets van. Ik had me ook al lang afgevraagd hoe dat Koreaanse schrift eigenlijk werkt. Was het een vereenvoudigde versie van Japans of Chinees? Het lijkt er wel een beetje op, maar het is toch een heel eenvoudig fonetisch schrift, waarbij elke lettergreep in een hokje wordt geplaatst. Alle tekens zijn puur fonetisch en, afhankelijk of ze horizontaal of verticaal geschreven worden, komen ze naast of onder elkaar te staan. Een lange tijd gebruikte het Koreaans de gecompliceerde Chinese tekens, die echter voor het volk te moeilijk te leren waren. De koning van Joseon gaf in de vijftiende eeuw persoonlijk opdracht om een fonetisch schrift te ontwikkelen, zie hier. Het nieuwe schrift werd in 1446 beschreven in een document met de mooie titel De juiste klanken voor onderwijs van het volk. Vanzelfsprekend kwam er fel verzet van de elite, bijvoorbeeld de confucianistische geleerden, die niet blij waren dat nu ook het gewone volk kon lezen. Tenslotte is dit zogenaamde Hangul-schrift (als alternatief voor het vroegere op chinese tekens gebaseerde Hanja-schrift) algemeen geaccepteerd tot de dag van vandaag. Een populair gezegde luidt: “Een wijs man kan de letters leren voordat de ochtend voorbij is; zelfs een domme man kan ze in tien dagen leren.”  Dat klopt ook wel. Het schrift is heel eenvoudig.

Lastige klanken

Voor een niet-Koreaan is het lastiger om de bijbehorende klanken te leren omdat die nogal verschillen van onze klanken en vaak tussen de ons bekende klanken liggen. Voor alle Koreaanse letter is er een vastgelegde transcriptie in ons alfabet. Een met vrij open lippen uitgesproken o, schrijf je als eo en ㅓ in Hangul. Een kortere met bijna gesloten lippen uitgesproken o schrijf je als ㅗ in Hangul. Een net iets andere meer als oe klinkende klank schrijf je als ㅜ in Hangul en noteer je alfabetisch als u.

Koreaans kan je zonder problemen volledig in ons alfabet schrijven, maar dat doen ze daar niet, dus wil je het kunnen lezen, dan moet je de tekens wel kunnen ontcijferen, maar dat is kinderlijk eenvoudig. De hoofdpersonen in My Royal Nemesis zijn 신 서 리 en 차 세 계, eenvoudig te lezen als je de tekens kent. De eerste lettergreep is bijvoorbeeld ㅅ = S ㅣ= I  ㄴ = N, samen SIN, de tweede lettergreep is ㅅ = S ㅓ = EO, samen SEO en de derde ㄹ = R ㅣ= I, samen RI. De drie lettergrepen samen geven de naam van de eerste hoofdpersoon: 신 서 리 = SIN SEO RI . 

Rare grammatica

Het schrift is dus kinderlijk eenvoudig en kan je in een paar dagen leren. Maar hoe zit het met de grammatica? Moeilijker dan een Slavische taal kan die niet zijn en dat is die ook niet, wel voor ons heel ongewoon (zie tekst hieronder). Of ik ooit serieuze studie van deze taal ga maken en prachtige Koreaanse romans kan gaan lezen, betwijfel ik. Het lastigste lijken mij de vele schakeringen in mate van beleefdheid en formeel taalgebruik. Er bestaat zelfs een formele en informele vorm voor het woord ik. 

Alweer een vreemde hobby erbij.

Interessante grammatica 

De grammatica is relatief eenvoudig maar wel vreemd voor ons. Geen drie geslachten en zes naamvallen zoals het Pools. Geen werkwoorden met allerlei verschillende declinaties voor werkwoorden met andere klinkers in de stam of perfectieve vormen. Niets van dat alles, maar wel de eerste taal die ik gezien heb met een uitgang voor een woord als onderwerp. Je zou zeggen dat dat totaal onnodig is want de woordvolgorde staat volledig vast: onderwerp-lijdend voorwerp-gezegde, zoiets als de ik rijst eet. Toch hebben zowel het woord ik  (na) als rijst (bab)  een uitgang: na-neun bab-eul meogneunda (나는밥을먹는다) is de hele vertaling. De helft van deze zin bestaat uit uitgangspartikels (vet gedrukt). Het onderwerp na (ik) krijgt hier de uitgang neun en het lijdend voorwerp bab (rijst) de uitgang eul. Het werkwoord meog (eten) krijgt de uitgang neunda voor de tegenwoordige tijd.

Er zijn heel veel partikels in deze taal, bijvoorbeeld voor het bepalen van plaats en tijd, die je achter een woord kunt plaatsen, een beetje zoals de Finse uitgangen lla, lta, ssa, sta, etc. Op straat in het Koreaans is geoli eseo 거리에서  (geoli + eseo), in het Fins kadulla (katu + lla): dezelfde constructie. 

Het werkwoord is vergeleken met Slavische talen, Duits of Frans kinderlijk eenvoudig.Wat het weer een beetje ingewikkelder maakt, is dat elke werkwoordsvervoeging, afhankelijk van de sociale afstand tussen spreker en toegesprokene, naast de neutrale vorm nog drie extra varianten kent voor (1) heel informeel, (2) een beetje informeel en (3) heel formeel. ). In die drie gradaties van beleefdheid gebruik je andere uitgangen en bijvoorbeeld een ander woord voor 'ik'. In de drie gevallen wordt 'ik eet' bijvoorbeeld (1) naneun meog-eo (나는 먹어) , (2) joneun (formeel 'ik') mog-eo yo (저는먹어요)  en (3) joneun meogseub nida (저는 먹습니다)   in plaats van in neutrale boekentaal  naneun meogneunda (나는 먹는다). Het zegt veel over het soort samenleving waarin de taal wordt gesproken. 

Voor drie tijden (tegenwoordig, verleden, toekomend) en vier beleefdheidsgraden (neutraal, informeel laag, informeel hoog en formeel) heb je totaal 3x4 = 12 uitgangen met hier en daar een kleine verandering als de stam op een bepaalde letter eindigt. Dit is veel kleiner dan het Frans met zijn vele tijden en werkwoorden met verschillende stammen (bijvoorbeeld op -er, ir, -evoir, etc. Daar moet je tientallen uitgangen kennen. In het Koreaans valt dat mee.

____

 

Voorjaar 2026 bij Warmond

Hetzelfde steeds anders

In de herfst heb ik de ontwikkeling van het park van Huys te Warmont tussen zomer en winter door regelmatige foto-excursies nauwkeurig vastgelegd (zie ook hier). Het resultaat is een fotoalbum dat laat zien hoe de insecten verdwijnen, mooie herfstkleuren ontstaan, de paddenstoelen verschijnen en de bladeren afvallen. Ik ben nu bezig de omgekeerde ontwikkeling, van winter naar zomer dus, vast te leggen. Daarbij heb ik het werkterrein iets uitgebreid met regelmatige foto-expedities naar de Strengen en Koudenhoorn, de kleine eilandjes in het Joppe (zie hier).

Maart: kale bomen en de eerste blaadjes

Begin maart is er nog weinig te zien van het voorjaar, behalve de mooie bloemen van groot hoefblad die altijd vóór de bladeren verschijnen.

Langzaam verschijnen steeds meer katjes (waarvan de hommels profiteren]  en lopen de eerste bladeren uit. Overwinterende vlinders zoals de kleine vos zie je dan al vliegen. De eerste voorjaarsbloemen zoals het speenkruid en hondsdraf zie je bloeien, evenals bosanemonen en narcissen.

April: het voorjaar barst los

In April komt het voorjaar pas goed op gang.  Steeds meer vogels zingen in de bomen. Futen en meerkoeten bouwen hun nesten op het water. Steeds meer bijen, hommels, zweefvliegen en vlinders verschijnen. In de bomen bouwen reigers en lepelaars hun nesten. Fel gekleurde rode beuken contrasteren met het tere groen van andere bomen. 

Libellen verschijnen in mei

Dit jaar verschenen de eerste libellen op 25 april (zie ook hier). Zoals gewoonlijk is het lantaarntje de eerste waterjuffer. In mei verschijnen in rap tempo de overige voorjaarslibellen zoals variabele waterjuffer, azuurwaterjuffer, vuurjuffer, platbuik, viervlek, glassnijder, vroege glazenmaker, de gewone oeverlibel en grote roodoogjuffer. Bijzonder is dat de voor deze streek zeldzame gevlekte witsnuitlibel elk jaar in het kleine plasje bij Huys te Warmont verschijnt. 

De grote keizerlibel verschijnt in de regel pas begin juni, ook dit jaar was hij er in de eerste week van juni samen met de tot voorkort nog zeldzame Zuidelijke keizerlibel, die duidelijk van de klimaatverandering profiteert. 

Kleuren van de Rododendron vanaf eind mei

Nu zijn rododendrons geen oorspronkelijke natuur, maar geïmporteerde parkstruiken, inclusief de invasieve rododendron-cicade. De bloemen geven tussen eind mei en half juni het park wel prachtige kleuren en er zijn best veel insecten die zich erop thuis voelen en vogels die die insecten graag eten.

De rode beuk van winter tot zomer

Het is misschien wel een van de mooiste bomen in het park van Huys te Warmont, die kolossale rode beuk. In de winter zie je alleen de dikke kale stam en zijtakken. Aan het eind van de maand maart verschijnen dan de eerste rode bladeren. Vervolgens zie je de kleur zich ontwikkelen van fel rood tot heel donker bruin. 

Rietvogels in mei

Vooral in mei zie je (en hoor je!) veel rietvogels. Ik fotografeerde ze vooral op de Strengen en op Koudenhoorn, waar er veel broeden en hun jongen verzorgen met voer dat vooral uit rupsen en libellen bestaat. Natuurlijk overal heel veel rietzangers, maar op de Strengen ook een aantal bosrietzangers en kleine karekieten naast een enkele rietgors.

 

TechnischE gegevens

De meeste landschapsfoto's heb ik gemaakt met een Nikon D610 met een standaard-zoomlens 24-85 mm op een statief. De meeste met vast diafragma en ISO en afstandsbediening.

De tele-foto's van vogels en libellen met een Nikon D7500 en een Tamron 150-600 mm  lens, voor zover mogelijk met 1/1000 en een diafragma f/8 tenzij de ISO daardoor onacceptabel hoog werd. Maar de D7500 kan veel hebben. 

De nabewerking met het oude LightRoom 6.0 programma (D7500-foto's omgezet naar DNG-formaat). Foto's vaak enigszins gecropt en regelmatig veranderd in een 4:3 verhouding wanneer 3:2 te breed leek. Behalve wat kleine correcties in belichting, kleurtemperatuur of contrast geen grote wijzigingen aangebracht.

N.B. Alle foto's zijn mijn eigendom en mogen alleen met mijn toestemming verder gebruikt worden.


Het eind van de D7100

Ik had er wel op gerekend dat mijn eerste serieuze digitale camera het een keer zou begeven na meer dan 100.000 sluiterbewegingen. Maar het was niet de sluiter die het begaf maar de software en de menu’s hielden er gewoon om onverklaarbare redenen mee op. Hij fotografeerde nog wel, maar je kon de foto’s niet bekijken op het toestel. Hij leek nu wel op een ouderwets fototoestel waarbij je de foto’s pas zag als ze van de fotowinkel kwamen. Hij heeft het 12½ jaar volgehouden. Had wel iets meer gekund, maar reparatie was niet meer de moeite waard. Hieronder een paar plaatjes van de verschillende jaren: 2014 op de eerste regel en 2026 op de laatste. Het zijn fotografisch niet allemaal hoogtepunten, maar ze geven wel een goede indruk van het leven in de laatste jaren. Ouders, die nog leven, vakanties in Schotland, Frankrijk en andere landen, het leven van onze kinderen en hun partners, corona-pandemie, vogels, libellen en last but not least de kleinkinderen in Noorwegen en Valkenburg.

De laatste foto uit deze camera is een versleten dagpauwoog, bijna net zo versleten als de camera zelf.

 

Het begin van de D7500

De tijd heeft niet stilgestaan. De D7500, die ik net al vervangende DX-camera heb gekocht, kan weer veel meer, heeft een kantelbaar scherm en kan draadloos foto’s overbrengen met snapbridge. Allemaal heel mooi, maar toch is een fototoestel meestal het minst belangrijke element van fotografie. Met mijn Nikon uit de late zestiger jaren kon je minstens even mooie foto’s maken en soms kan je met een heel eenvoudig mobieltje de mooiste foto’s maken. Ogen en hersenen zijn belangrijker dan camera’s.

De D7500 is eigenlijk alweer ouderwets. Binnenkort wordt er geen enkele spiegelreflex meer geproduceerd en zijn alle camera’s spiegelloos. Bij Nikon gaat het binnenkort alleen nog maar over de camera’s in de Z-serie. Wil je daar de beste resultaten mee bereiken, dan kan je er ook maar het best speciale lenzen met een Z-vatting bij kopen. Ik ben blij dat ik nog een aantal jaren met mijn grote lenzenverzameling kan fotograferen: op mijn D610 met vrijwel alle  lenzen sinds 1977, met of zonder eigen lensmotor. Op de D7500 bijna alle lenzen met of zonder eigen motor, met uitzondering van AI-lenzen. Gelukkig zijn al mijn oudere lenzen AF-D-lenzen, die prima met de D7500 samenwerken. Maar ik zal ze weinig gebruiken, want ik heb handigere lenzen: met eigen focusmotor en stabilisatie.  

Eén innovatie bij de D7500 gooit wat roet in het eten: het file-formaat voor NEF-bestanden is gewijzigd, zodat mijn oude LightRoom ze niet meer kan lezen. Even omzetten in DNG-bestanden lost het probleem op zodat ik geen duur Photoshop- en LightRoom-abonnement hoef te nemen  met al die toeters en bellen die ik vrijwel nooit zal gebruiken. 

Noot: vergelijking van camera’s

Mijn Nikon D7500 is een kleine verbetering ten opzichte van mijn oude D7100. De DxO-score is omhoog gegaan van 83 naar 86. De score van mijn full-frame D610 is nog een stuk hoger: 94. Wil je nog een betere kwaliteit dan scoort de D850 van €2700 nog een stuk beter: 100. Je hoeft daarvoor nog geen dure Z-camera te kopen zoals de Z8 van rond de €4000 of de Z7II van rond de €2500, allebei een DxO-score van 100. Een goede D610 (occasion) koop je al voor onder de €500.  Ga je toch voor een Z-camera met een Z-lens, dan ben je een stuk duurder uit. Een Z-zoomlens 28-75 mm kost meer dan €1000. Samen met en Z7II heb je een mooi startpakket voor ongeveer €3500. Ik ga maar even door met mijn D610 met de 24-85 mm zoom (nieuw voor rond €500 te krijgen). 

_____

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een tragedie in de Provence

In de jaren zestig

In de eerste gymnasiumklassen van het Edese Marnix College haalde ik goede cijfers voor mijn lievelingstaal Frans. Maar van Mythologie begreep ik niets, vooral omdat ik dacht dat die te begrijpen zou zijn. Absurde verhalen over noodlot, wraak, bedrog, oorlog en incest pasten niet in mijn denkraam. Het gevolg was een onvoldoende voor mythologie en honderden guldens schade voor mijn moeder  die nu mijn schoolboeken moest betalen. Door mijn onvoldoende voldeed ik niet meer aan de voorwaarden voor een boekenbeurs.

Bijna 65 jaar later heb ik weer eens mijn goede beheersing van het Frans gecombineerd met mijn rampzalige gebrek aan mythologische kennis.

Met Magnan naar de Provence

Via Scrabble naar Magnan

Al zo’n vijftien jaar speel ik scrabble in het Frans met Hélène in Marseille. Ik heb haar ontmoet op de app Wordfeud, maar nog nooit gezien. Een paar jaar geleden vroeg ik haar welk Frans boek zij mij zou aanbevelen. Van haar moest ik een boek van Pierre Magnan lezen, volgens haar de ‘Brassens van de literatuur’. Het door haar gesuggereerde  ‘Les secrets de Laviolette’, drie wonderlijke verhalen uit het leven van Comissaire Laviolette,  zette  ik op mijn Kindle e-reader.  Ik vond het eerste raadselachtige verhaal (‘Le fanal’) prachtig, maar het meest genoot ik nog van het derde verhaal (‘L’Arbre’) dat in de ruige eenzaamheid en de harde samenleving van de hoge Provence speelt. Het is een schitterend verhaal waarin een mysterieuze grote eik centraal staat en waarin een zonderlinge man met een jachthoorn  een belangrijke rol speelt.

Ik merkte meteen dat het Frans van Magnan eens stuk moeilijker was dan ik gewend was bij bijvoorbeeld de detectives van Fred Vargas, die ik allemaal gelezen had. Magnan heeft een waanzinnig uitgebreide woordenschat en gebruikt ook veel verouderde woorden en uitdrukkingen. Toen ik  mijn scrabble-vriendin schreef dat dit nu niet bepaald literatuur was die je een buitenlander zou aanraden, gaf ze me gelijk: “Niet geschikt voor buitenlanders maar wel voor zo’n superintelligente buitenlander als jij”. Daarna las ik het boek extra gemotiveerd meteen uit. Niet veel later waagde ik me aan een echte Laviolette-detective: ‘La parme convient à Laviolette’, een prachtig verhaal over moord en doodslag in en tussen de dorpen hoog in de Provence. Centraal in dit verhaal staat de dood van een varkensslachter. 

De eerste Laviolette-roman

NB: de volgende tekst bevat belangrijke aanwijzingen over de plot van het boek.  

Echt niets voor mij

Onlangs dacht ik maar weer eens een Frans boek te gaan lezen. Ik bestelde een pocket-uitgave van het eerste boek waarmee Pierre Magnan en Laviolette beroemd zouden worden: ‘Le Sang des Atrides’ (Prix Quai d’Orfèvres, 1978). De titel had mij natuurlijk moeten waarschuwen. Ingewikkelde paralellen tussen een Grieks drama en een complexe detective-roman zijn natuurlijk niets voor mij. Ik ben er toch maar aan begonnen.

Moorden in de Provence met een Bretonse katapult

De eerste hoofdstukken kon ik lezen, als ik maar bijna twintig woorden per pagina opzocht om de eerste reeks moorden in de stad Digne te kunnen begrijpen. Jonge mannen zijn het slachtoffer. Geleidelijk komt Laviolette erachter dat ze met door water rondgeslepen stenen (‘galets’) uit de langs Digne stromende rivier, de Bléone, zijn vermoord, met een soort katapult. Als Laviolette toevallig op de TV ziet hoe in Bretagne iemand een ouderwetse katapult (‘lance-pierre’ of ‘fronde’) gebruikt om bij een uit de hand gelopen demonstratie een etalageruit in diggelen te schieten, gaat hij in Digne op zoek naar inwoners met een Bretonse achtergrond. Dan ontdekt hij dat bij alle slachtoffers spullen werden gevonden die bij de winkel van Irène de Térénez in Digne waren gekocht. Térénez is een Bretonse naam, maar Irène heette voor haar huwelijk Irène de Champclos. Dan begrijpt Laviolette dat de moorden met de Bretonse katapult met de oude Provençaalse familie De Champclos verbonden zijn.

De familie De Champclos – de Atriden van het boek

In de roman van Magnan zien we hoe Laviolette en de ‘juge’ Chabrand steeds meer te weten komen over deze oude aristocratische familie die, als de Atriden in de Griekse tragedie, tot ondergang gedoemd is. In een oud huis ergens op een hooggelegen plek in de stad woont de stokoude weduwe Adélaïde de Champclos. Zij is het onbetwistbare hoofd van de familie. Haar kleindochter Irène woont in ‘Popocatepetl’, een wonderlijk ooit door een uit Mexico teruggekeerde emigrant gebouwd huis, dat vol met rare ruimtes, gangen, zolders en andere merkwaardigheden zit. Er zit zelfs een klein theatertje in.

Tenslotte komen Laviolette en Chabrand erachter dat de dader Goulven Toussaint is, de onechte door de familie verstoten zoon van Balthazar de Champclos (de vader van Irène), de halfbroer van Irène dus.  Tijdens zijn moorden verkleedt Goulven zich als een schooljongen uit de jaren twintig. Dan ziet hij eruit als de jongen die vijftig jaar geleden door de familie De Champclos publiekelijk is bespot en vernederd. Goulven is als het ware in die tijd blijven steken. Hij wil zich wreken voor het onrecht dat hem toen door de familie is aangedaan. Hij is er, vijftig jaar later, op uit de familie De Champclos maximaal te beschadigen, onder meer door de jonge mannen te vermoorden die met zijn halfzus naar bed gaan. Ook iedereen die te veel weet van zijn moordtochten moet sterven. Zo vermoordt hij zijn grootmoeder Adelaïde omdat zij met de verrekijker vanuit haar hoge huis in Digne te veel gezien heeft.

Laviolette en de waarheid van Popocatepetl

Om achter de identiteit, de motieven en de methoden van de moordenaar te komen moest Laviolette begrijpen welke rol dat rare Mexicaanse huis ‘Popocatepetl’ speelde. Ik had de nodige problemen dit goed te begrijpen omdat ik een aantal technische details in het Frans niet begreep, vooral wanneer Magnan de ingenieuze constructies voor geavanceerd voyeurisme in het huis beschrijft: bijzondere spiegels waardoor je wel aan de achterkant kant kijken (een zogenaamde ‘judas’) en die beelden van een persoon in een andere ruimte projecteren dan waar  de persoon zich dan in werkelijkheid bevindt. Van deze constructies maakt Goulven uitgebreid gebruik om de gehate familie maximaal te verwarren en te intimideren.

Het verhaal wordt nog ingewikkelder als Magnan  Clémence (de invalide dochter van Irène), Marie-Aimée (die samen met Clémence het geheim van de spiegel ontdekt) en een dienstmeisje (dat een belangrijke schakel is in de communicatie binnen het huis) ten tonele voert. Deze personen leveren Laviolette alle informatie waarmee hij tenslotte de mysteries achter de tragedie kan begrijpen. Ik ga dat hier allemaal niet proberen samen te vatten. 

Niet alleen de spiegelconstructie is in deze roman een manier om mensen te bespieden. Ook de verrekijker die de oude weduwe De Champclos op de straten en huizen van Digne richt, heeft deze functie. De verrekijker als symbool van een oude aristocratische familie die iedereen in de gaten (en onder de duim!) houdt.

Het einde van de tragedie

Tegen het einde van het boek lezen we ook over de seksuele toenadering tussen de rechter Chabrand en Irène, zodat deze het volgende slachtoffer dreigt te worden. We zijn getuige van een tocht langs de rivier waarbij Goulven probeert de rechter met zijn steenwerper te vermoorden.

Toch sterft in de slotscène niet Chabrand, maar Goulven. Hij breekt na een val bij een brug over de rivier zijn rug en sterft. Daarmee eindigt de tragedie. 

Daarmee eindigde ook mijn literaire krachttoer, het ontcijferen van dit boek in onleesbaar moeilijk Frans en met een heel complexe structuur van meerdere lagen. Het is zo’n boek dat bijna over alles gaat. Het is een detective, maar ook een verhandeling over de wrede verhoudingen tussen aristocratie en gepeupel in een Franse provinciestad tot en met een vrije uitwerking van de Griekse Orestes-tragedie met zijn zware thema’s als bloedwraak en de onontkoombaarheid van het noodlot.  Toen ik mijn Scrabble-vriendin vertelde dat het mij toch min of meer gelukt was dit moeilijke maar mooie boek te doorgronden, maar daaraan toevoegde dat het wel hard werken geweest was, schreef zij in de Wordfeud-app: “Certes mais, quelle poésie !”

Goed in Frans – slecht in mythologie

Er zijn heel veel parallellen met de Griekse tragedie van Orestes. Goulven is Orestes, Adelaïde de Champclos is Klytaimnestra en Irène zou Elektra zijn. Ik heb het maar niet allemaal proberen te begrijpen. Er is niet veel veranderd in de laatste 65 jaar. Ik ben vrij goed in Frans, maar mythologie is nog steeds niet mijn sterkste vak.

De boeken

Pierre Magnan, Le Sang des Atrides, Gallimard 1977 (recente herdruk). Interessant is dat de Duitse vertaling de naam heeft “Das Zimmer hinter dem Spiegel” en zo meer refereert aan de concrete gebeurtenissen in het wonderlijke huis dan aan de abstracte mythologische achtergronden.

Pierre Magnan, Les Secrets de Laviolette, Denoël 1992 (trois novelles: Le Fanal, Guernica, L’Arbre), gelezen op Kindle.

Pierre Magnan, Le Parme convient à Laviolette,  Denoël 2000, herdruk Gallimard 2001, gelezen op Kindle.

Pierre Magnan, La Commissaire dans la Truffière, 1979, heruitgave Gallimard 1998 [ga ik binnenkort lezen]

Woordenboek

Om dit boek te kunnen lezen heb ik een heel handig verklarend woordenboek, een app op mijn telefoon gebruikt, met de eenvoudige naam Dictionnaire Français (Gratis, op Google Play Store te vinden en off-line te gebruiken). De teksten in deze app zijn gebaseerd op de app “wiktionary” die nog veel meer talen bevat. Het geeft niet alleen de betekenis van ontelbare Franse woorden, maar bevat referenties aan het gebruik ervan in de Franse literatuur. Bij het opzoeken van de door Magnan gebruikte verouderde woorden, vind ik veel referenties naar literatuur in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. 

 

Tijdrovende AI

Na het lezen van het boek miste ik wel hier en daar een schakel in het verhaal en ik wist niet van alle gebeurtenissen hun precieze betekenis. Op zoek naar antwoorden heb ik heel wat vragen aan Google AI gesteld. Verrassend snel kreeg ik complete in foutloos Nederlands gestelde antwoorden. Maar meer dan eens gedroeg Google zich als een leerling die maar wat zegt tijdens een proefwerk omdat hij het boek niet gelezen heeft. Zo plaatste hij de verkeerde mensen in de verkeerde huizen (Irène woonde opeens in het zelfde huis als haar grootmoeder), een dochter werd en onrechte als zuster aangeduid en het werd helemaal gek toen Laviolette opeens in het huis 'Popocatepetl' scheen te wonen. Wel leuk is dat AI dan zonder problemen zijn fouten erkent en je bedankt voor de correcties. Om de precieze familierelaties en de plaatsen van handeling uit te zoeken heeft AI me nauwelijks geholpen maar door foute antwoorden vooral in de war gebracht . Wel heb ik essentiële informatie over de bijzondere spiegel in het huis van Irène pas via Google AI kunnen vinden.

___