Naar Hoge Veluwe, Biesbos en Schier (1965-1966)

Bij de NJN

In het schooljaar 1964-1965 was ik 16 jaar. Ik had in de vierde klas van het gymnasium moeten zitten, maar ik was om verschillende vreemde redenen in de derde klas blijven zitten en deed het jaar dus over. Dat had ook voordelen. Ik had zeeën van tijd en ik zat in de klas met twee NJNers, Eric Gerding en Aart Noordam. Zij maakten mij enthousiast voor het lidmaatschap van de NJN afdeling Wageningen en vroegen mij een keer mee te gaan op excursie naar de Hoge Veluwe. Ik vond het fantastisch: leuke mensen, prachtige natuur, vrijheid en avontuur.

Op excursie

Mijn impressie van de Blauwe Kamer

In het schooljaar 1965-1966 werd ik lid van afdeling Wageningen en daarmee ook van district 9 (DIX) van de NJN. Vanaf dat moment ging ik elk weekend mee op excursie, soms wel zowel op zaterdag als op zondag en daarna maakten Aart en ik nog onze privé-tochten door de natuur. Ik had van mijn spaargeld een kijker gekocht. Later kocht ik ook een paar prachtige lieslaarzen, waarmee je honderden meters het Veluwemeer in kon lopen zonder nat te worden (zie ook label HEKA hieronder). Wij fietsten zelfs met die dingen aan. Ik ben dat schooljaar wel meer dan 23x op excursie geweest.

 

Vogels langs de Knardijk

De nadruk daarbij was op vogels, vooral watervogels in de Blauwe Kamer, in de Rijnuiterwaarden en langs de Knardijk. Een hoogtepunt was het HEKA (herfstkamp), van 31 oktober tot 3 november 1965. Ik herinner me de lange fietstochten langs de Knardijk naar het toen nog rudimentaire Lelystad – een paar huizen voor de werknemers van de Zuiderzeewerken en een simpele kantine: kantine Lelystad van E.J. Splinter. Op weg naar Lelystad aten we onze dik gesneden boterhammen op. Frits Boerwinkel had een literblik appelmoes bij zich. Ik was onder de indruk van de manier waarop hij dat ding met een zakmes opensneed. Vervolgens belegden wij onze boterhammen daarmee, terwijl wij ondertussen over het water naar langs vliegende vogels speurden.

Ik herinner mij de gigantische hoeveelheden watervogels. In mijn notities uit die tijd lees ik: 400 wintertalingen, 88 krakeenden, 600 pijlstaarten (met een vraagteken daarbij) en 800 slobeenden. Ook wordt er melding gemaakt van 200 graspiepers, 5 kepen en 10 kneutjes elders die dag. Ook fietsten en wandelden wij langs het Veluwemeer ten Noordoosten van Harderwijk in de buurt van Hulshorst (strand Hoophuizen). Op 1 november zouden wij bij Hoophuizen 2000 pijlstaarten en 1500 slobeenden gezien hebben. Zou dat werkelijk zo geweest zijn? Of waren we gewoon 15- tot 17-jarige opscheppers? Iets verderop deden we de waarneming van ons leven: 500 krooneenden bij een mooie ondergaande zon. We zijn de volgende ochtend nog eens gaan kijken en toen dreven er nog zeker 450 volgens mijn aantekeningen. Ook stond daar een eenzame flamingo in het water! Toen nog bijzonderder dan nu, denk ik.

Mijn aantekeningen van december 1965 (Knardijk etc.)

Verdwaald in de Biesbos (1966)

Een ander hoogtepunt was het PAKA (paaskamp) van 1966 (vanaf 10 april). Op 12 april roeiden we van het haventje van Drimmelen via de sloot van St. Jan naar de Turfzakken en de Visplaat. Het was nog een behoorlijk ruig gebied en de tochten door de kreken waren, vooral ook door het wisselende tij, heel avontuurlijk. Ik lees in mijn aantekeningen van die dag:

 

Labels van HEKA 1965 (blokfluit) en PAKA 1966 (lieslaarzen)

“Na een eind Amer weer naar de overkant een gat in. Hier bij donker worden verdwaald in de wildernis. Vele kreken onbevaarbaar. Bij opkomend tij tegen de stroom terug naar de goede weg. Succesvolle tocht naar het gat van St. Jan. Over de Spijkerboor op de Oostkil, ’t laatste eind stroom mee. … … 22.15 thuis in het kamp.” Waar dat kamp precies was, weet ik allang niet meer. Mijn aantekeningen leveren overigens uitsluitend informatie over de vogels en helemaal niet over de mensen die bij mij in de roeiboot zaten. Foto’s maakte ik in die tijd nog niet.

Eenzaam insectenonderzoek

Nog voordat ik bij de NJN kwam, had ik een belangstelling voor insecten, vooral loopkevers ontwikkeld. Dat was meer mijn privé-project. Ik had in het bos vlakbij huis, de Sysselt, conservenblikken (voorzien van gaatjes voor waterafvoer) ingegraven en die controleerde ik regelmatig op gevangen kevers. Soms zaten er vrij veel kevers in (heel veel van de zeer algemene soort Pterostichus niger, maar ook andere die maar moeilijk te determineren waren) en soms heel weinig. Ik ben toen uit de krant allemaal gegevens gaan verzamelen over temperatuur, luchtdruk, regenval, etc. Ik vermoede bepaalde verbanden tussen deze gegevens en mijn keveractiviteit. Toen ik dat aan een van mijn mede-NJNers vertelde, zei hij: “je moet dat in ons afdelingsorgaan De Kemphaan publiceren”. Mijn antwoord was duidelijk: “Zolang ik wetenschappelijk nog niets bewezen heb, publiceer ik ook niets.”

De nadruk lag bij mij steeds meer op vogels. Vogels, vooral grote vogels in de herfst en winter, hebben het voordeel dat ze goed zichtbaar en goed herkenbaar zijn, in tegenstelling tot die rotinsecten, waar je met een vergrootglas naar de aanwezigheid van een of twee stipjes naast de inplanting van de voelspriet of iets dergelijks moet speuren.

ZOKA Schier I 1966

 

Het ZOKA-programma 1966 (klik op figuur)

Toch heb ik nog één poging gewaagd de wonderen van de insectenwereld te ontsluiten. Ik had mij opgegeven voor het ZOKA Schier I (“gespecialiseerd op insecten”) van 15 tot 25 juli 1966. Ik er op een gammele brommer naar toe. Onderweg had ik een paar keer technische problemen. Ik overnachtte bij een kennis van mijn moeder in Groningen en de volgende dag voer ik uit Zoutkamp naar Schiermonnikoog. Tot 1969 vertrok daar de boot. Pas toen de Lauwerszee was afgesloten, werd Lauwersoog de vertrekhaven.

 

Broscus cephalotes
Broscus Cephalotus (https://no.wikipedia.org/wiki/Sandgravere#/media/File:Broscus_cephalotes_oberseite.jpeg

Van het kamp zelf herinner ik me niet zo heel veel. Kevers determineren was best moeilijk. Mijn aantekeningen vermelden dat ‘Broscus cephalotes’ er algemeen was, inderdaad een vrij normaal beestje in kustgebieden. Ik herinner me dat ik met enige jaloezie keek naar fotografen in het bezit van dure spiegelreflexen, tussenringen en wellicht ook macro-objectieven die die kleine rotbeestjes in de duinen fotografeerden.

Ik herinner me ook dat ik me wat vreemd voelde in deze NJN-cultuur met zijn eigen woorden en uitdrukkingen zoals ‘ritselen’ (even gaan pissen), ‘tijgeren’ (naar de ‘tijger’, de buiten-WC, gaan), ‘preu’ (stamppot), ‘wagensmeer’ (appelstroop), ‘technicolor’ (vruchtenhagel) en ‘hupsen’ (volksdansen). Nu was ik, geloof ik, geen groot liefhebber van ‘hupsen’.

Image result for wees wijs met de waddenzee

Op 18 juli gingen we naar de tentoonstelling “Wees Wijs met de Waddenzee”. Er waren in die tijd nogal rampzalige plannen voor een vaste oeververbinding met Ameland en er bestond de (gegronde) vrees dat dit de eerste stap kon zijn naar de inpoldering van de Waddenzee. Waarschijnlijk op de terugweg van het ZOKA deelden wij folders uit op de boot en gingen wij met toeristen in gesprek. Ik herinner me dat ik geschokt was door reacties als “Als de hoge heren in Den Haag het van plan zijn, dan heeft het helemaal geen zin om te protesteren. Die luisteren toch niet en drijven hun zin door”. Wij waren het hier helemaal niet mee eens en zetten ons actief in voor het behoud van de Waddenzee.

De Vereniging tot Behoud van de Waddenzee was in die tijd net opgericht (in 1965 op initiatief van een 16-jarige natuurliefhebber) en in 1971 maakte de regering bekend de Waddenzee te willen behouden. Ik zelf werd in 1966 lid van ‘Natuurmonumenten’ en in 2016 kreeg ik een lepeltje toegestuurd omdat ik 50 jaar lid was.

In het bestuur

In het schooljaar 1966-1967 werd ik nog actiever als lid van het NJN-bestuur afdeling Wageningen, waar ik verantwoordelijk werd voor het afdelingsorgaan ‘De Kemphaan’, maar daarover heb ik al in een ander blog geschreven.

P.S. over NJN-taal

Op https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/5491/hupsen-met-de-njn.html  vind ik:

"(Voorbeeld van een zin uit het verslag van een Four (bevoorrader): ‘Een aantal klunzen uit Labla kreeg last van slingertijger na het eten van bedorven bekklem, daardoor ontstond er een tekort aan tijgerfilm. De technicolor was al op.' Vertaling: Een aantal beginners van de afdeling Laren-Blaricum kreeg last van diarree na het eten van bedorven pindakaas, daardoor ontstond er een tekort aan wc-papier. De gekleurde hagelslag was al op.)"

Naar (Noord) Ierland

Eerste poging mislukt

Oorspronkelijk zouden wij op maandag 16 juli naar Dublin vliegen en dan een rondreis maken via Donegal, Connemara en County Clare met een paar nachten in Dublin als besluit. Het heeft niet zo mogen zijn. Petra brak haar pols op de donderdag voor de vakantie en werd geopereerd op de dinsdag daarna. Door dit ongeluk en door familieomstandigheden moesten wij de geplande vakantie afzeggen.

Toch naar Ierland

Begin augustus zijn we dan toch nog naar Ierland gegaan. Twee weken naar uitsluitend het Noorden, zowel naar de Republiek (Donegal) als naar het Britse Noord Ierland. Ik had rustige plekken geboekt (B&B’s en hostels) die ik grotendeels al kende. Geen enkele verrassing. Ik wist wat we konden verwachten: vriendelijk mensen, mooie uitzichten over de zee en genoeg pubs voor een pint Guinness of fish & chips. We hadden een auto gehuurd. Ik was de enige chauffeur, want Petra’s pols moest nog herstellen. We zijn een heel aantal dagen in hostels verbleven, waar we zelf konden koken. Ik was de enige kok. Zelfde verhaal.

RM3_9126.jpg
Het kiezelstrand bij Scraig (Arranmore)

Voor foto’s zie mijn foto-site.

Blogs over onze Ierse vakantie 2018

Hier geen letterlijk verslag van onze vakantie, maar een viertal verhaaltjes die de sfeer goed weergeven.

 

Golven zonder wind – zeeziek in Ierland

Boottochtjes

Petra op weg naar Inishbofin (1988)

Geen vakantie zonder speciale uitjes. Zo’n uitje is het bezoek aan een museum, het beklimmen van een berg (al dan niet gecombineerd met het overnachten in een berghut), meerijden met een stoomtrein die langzamer rijdt dan een fiets of natuurlijk een boottochtje. Nu hebben we al heel wat boottochtjes meegemaakt vooral ook omdat wij van kust, zee en eilanden houden inclusief de natuur die daarbij hoort. Een van de eerste gezamenlijke tochtjes (en de eerste keer dat ik meemaakte dat Petra zeeziek werd) die ik mij herinner was aan de Ierse Westkust (1988) naar Inishbofin.

Nu zijn dat soort boottochtjes niet alleen maar leuk, soms zijn ze ronduit vervelend, zoals die keer (1996)  dat we over een wilde zee naar de Lofoten voeren. Misselijker dan toen ben ik nooit geweest. Mijn evenwichtsorgaan wist het verschil tussen boven, onder, links en rechts niet meer en mijn maaginhoud kon ik niet meer binnenhouden.  Een paar jaar later, ook in Noorwegen, ging het iets beter tijdens een walvis-safari omdat we pillen hadden genomen, waarvan we wel voortdurend in slaap vielen.

IMG_6714.JPG
Bij Mingulay (2014)

In het meer recente verleden maakten we een prachtige boottocht van Castlebay op Barra (Outer Hebrides, Schotland) naar het verlaten eiland Mingulay. Er was een behoorlijke deining en na een prachtige tocht vlak langs hoge rotswanden met nestelende zeevogels trok Petra toch behoorlijk wit weg. Op het verlaten eiland konden we even bijkomen voordat we weer terugvoeren.

Twee jaar later maakten we een mooie boottocht op de Shetlands naar het vogeleiland Noss. Voorzover ik me kan herinneren een fantastische tocht met veel vogels en verder geen problemen (zie https://rdeman.nl/photos/picture.php?/10801/category/shetork2016 en verder, inloggen vereist).

RM2_4290_20.jpg
Op de ‘Ruby May’ bij Noss (2016)

Arranmore

Op deze vakantie in Donegal  gaan we er optimistisch vanuit dat problemen in het verleden geen enkele garantie zijn voor problemen in de toekomst. Alweer zijn we op een eiland aan de Westkust van Ierland: Arranmore. De eigenaar van onze Bed & Breakfast, Jim Muldowney, heeft een boot en biedt verschillende tochtjes aan. Voordat we die avond (9 augustus) het eiland verlaten, gaan we mee op zo’n tocht. Van de haven aan de Oostkant van het eiland varen we naar Burtonport op het vaste land. Na lang wachten op een medepassagier die eerst bij de verkeerde haven stond, maken we een tocht langs de eilandjes tussen Arranmore en Burtonport (zie https://rdeman.nl/photos/picture.php?/15066/category/Ierland-2018 en verder, inloggen vereist).

RM3_9146.jpg
Ooit was hier industrie en handel

Er was hier indertijd een bloeiende visindustrie en de eilandjes zoals Inishcoo en Rutland waren belangrijk voor de handel. Op Inishcoo woonden in 1861 47 mensen. Tegenwoordig zijn er een paar vakantiehuizen. Jim vertelt in groot detail over het leven op deze eilandjes en geeft toelichting bij de huizen en ruïnes waar we  langs varen. Dan varen we met hogere snelheid weer naar Arranmore en volgen een groot stuk de Oostkust tot aan het uiterste Noorden en nog een stukje richting vuurtoren. We zien nu van de zeekant het kiezelstrand bij Scraig, waar ik de dag daarvoor nog was (zie deze pagina voor een foto). Als de golven het strand op rollen, maakt het strand een ratelend geluid van de rollende kiezelstenen. Naarmate we dichterbij de Noordpunt komen, wordt de deining heftiger. We varen langs hoge ‘cliffs’ en zien de Noordse stormvogels op de rotsen zitten en langs de rotsen vliegen.

RM3_9185.jpg
Tussen de rotsen door …

We varen tenslotte tussen twee rotsen door en de boot begint nu behoorlijk te rollen. Petra wordt zeeziek en gaat, zoals zij het zelf uitdrukt, met haar hoofd over de reling “de vissen voeren”.  Er is niets tegen te doen behalve wachten tot het weer over is. Als we weer een stuk naar het Zuiden zijn gevaren, wordt de boot weer rustiger. Petra is blij dat het voorbij is.  Ik zeg dat we de volgende keer pilletjes moeten nemen tegen zeeziekte.

Slieve League

Vier dagen later neem ik het initiatief voor boottochtje nr. 2: onderlangs de ‘cliffs’ van Slieve League. De folders en de websites lokken ons met foto’s en video’s van dolfijnen die met de boot meezwemmen.  Misschien toch leuk om eens mee te maken. We reserveren een tochtje vanaf de haven van Teelin. Ik zeg dat het misschien goed is om pilletjes tegen zeeziekte te kopen, maar dat lijkt niet nodig, want het is windstil. We varen van de haven een stuk langs de Zuidkust van Donegal en dan in Noordwestelijke richting naar Slieve League. Er is inderdaad geen wind, maar de deining is aanzienlijk. Die deining (‘swell’) wordt niet door de plaatselijke wind veroorzaakt maar komt van honderden kilometers ver over de oceaan aanzetten. Ook nu heeft Petra weinig plezier meer. De zeeziekte slaat weer toe.

RM3_9267.jpg
Slieve League met wachttoren

Eigenlijk was er behalve uitzicht op de rotsen en de Mortello towers (torens gebouwd door de Britten tegen een mogelijke aanval van de Fransen in het begin van de 19e eeuw) niets te zien. De dolfijnen blijven weg. Veel heeft deze boottocht niet opgeleverd afgezien van het inzicht dat er geen wind nodig is voor hoge golven op de oceaan.

Meer blogs over onze Ierse vakantie 2018

Shaun en Frank

Hostels

Wij houden van hostels. Dat wil niet zeggen dat hostels alleen maar leuk of aangenaam zijn. Je moet ook tegen onvermijdelijke verschrikkingen opgewassen zijn. Om met dat laatste maar te beginnen: stel je voor een slecht onderhouden badkamer (lekkende leidingen, rottende plinten, bij de douche een slecht werkend elektrisch boilertje) met in de hoek een WC en voor de WC een matje van een ondefinieerbare textielsoort, totaal versleten en goor. Welkom in Berneray hostel, een van de meest idyllische hostels van Schotland, gelegen op de Outer Hebrides.

IMG_6494.JPG
Berneray hostel

Het bestaat uit twee eeuwenoude traditionele gebouwtjes: een meter dikke muren van natuursteen met mooie rieten daken. Het wordt beheerd door de Gatliff Foundation. Dat beheren bestaat vooral uit het ophangen van briefjes waarop staat dat alle gasten alles zelf moeten doen, inclusief het schoonmaken, wat dus meestal niet gebeurt. Ik ben er twee keer geweest: in 2014 met Petra, reizend met openbaar vervoer over de Hebriden; in 2017 op de fiets tijdens een grote rondrit door Noord en West Schotland. Het is niet alleen een fantastische plek, maar je komt hier allerlei interessante mensen tegen. Ik heb goede herinneringen aan lekker koken in de herbergkeuken, gesprekken bij de open haard (waarboven de kleren te drogen hingen) en groepsspelletjes met alle gasten. Om een mogelijk misverstand uit de weg te ruimen: zulke herbergen zijn geen jeugdherbergen, ook al worden ze soms nog wel zo genoemd. Ik ben er wandelaars van 80 tegengekomen, fietsers tussen de 20 en de 75 en hele gezinnen. Ik sprak er met een manager die zich tot toneelspeler had laten omscholen, met een gespecialiseerde Engelse doedelzakbouwer, met een vrijwel onverstaanbare Franse leraar Engels en met vage jongeren, die zelf nog niet zo goed wisten wat ze deden. Als je over voldoende weerstand tegen badkamer-bacteriën beschikt, is het hier echt de moeite waard.

Ierse hostels

Maar ik heb het hier niet over Schotland, maar over Ierland. Ik had goede herinneringen aan hostels die ik tijdens eerdere tochten door Ierland had bezocht. Het lukt gelukkig om op korte termijn hier ook dit jaar nog een aantal overnachtingen in privé-kamers te boeken. Beide hostels bevinden zich in het Zuidwesten van de provincie Donegal en bevinden zich hemelsbreed maar op 11 km van elkaar. Toch lijken deze hostels (en vooral hun eigenaren Shaun en Frank) in niets op elkaar.

Shaun

2013: A Pot of Tea

Ik ontmoette Shaun McCloskey voor het eerst op 11 juli 2013. Ik kwam die dag met de fiets uit Dungloe via Ardara, 71 km door de heuvels. In Ardara ging ik nog even naar Nancy’s pub, waar ik al tijdens mijn eerste Ierse reis in 1975 was geweest.

Shaun McCloskey
Shaun McCloskey (https://helpstay.com/stays/farm-hand#overview)

In Nancy’s sloeg ik twee cola achterover en praatte nog even met de barman, de zoon van Margaret, die in 1975 achter de bar stond. Ik schreef in mijn dagboekje: “De weg naar Derrylehan is pittig: Glengesh-pas . Alleen maar lopen. Het is heet, zo’n 27°C. Na de pas gaat het voornamelijk naar beneden. Om 19:15 bij het hostel. Vriendelijke man (Shaun) zet een pot thee voor me. In tijden niet zo van thee genoten.”

2018

Wij komen dit jaar van Arranmore. Vanaf Dungloe is het precies dezelfde route als in 2013, maar nu comfortabel met een Honda Jazz over de Glengesh-pas. Af en toe terugschakelen en gas geven, dat is alles. Als we bij het hostel aankomen, herken ik het vriendelijke gezicht van Shaun en ik geloof dat hij zich ook mij herinnert. Shaun is (nog steeds) een energieke en vriendelijke man met gevoel voor humor. Hij maakt meestal een vrolijke indruk en moet vaak hard lachen, ook om wat hij zelf zegt.

Ongedwongen chaos

Hij wijst ons een prachtige kamer met eigen badkamer. Dan gaan we naar de keuken en koken een eenvoudige maaltijd. Het was mij de vorige keer niet zo opgevallen, maar wat is het een chaos! Er staan drie grote gasfornuizen, waarvan de helft van de pitten nauwelijks werkt. Er zijn grote hoeveelheden slechte pannen met kromgetrokken bodems.

RM3_9201.jpg

Er is ook een grote verzameling broodroosters en waterkokers.   Maar ook een wasmachine, wasdroger en een elektrische frietpan ontbreken niet. Voor de gasten staan tientallen messen, vorken, lepels, blikopeners, borden, kopjes en kommetjes ter beschikking. Er is een hele kast vol theepotten en zeker vier soorten koffiezetapparaten. Zoals gebruikelijk in zulke hostels, kan je ook je eigen spullen in kasten en koelkasten opbergen. Om de eigenaar van spullen aan te geven zijn er merkstiften, die het natuurlijk geen van alle echt doen. En dan is er een aantal kastjes waarop “private” staat, de eigen kastjes van de eigenaar, die we niet mogen gebruiken. Op verschillende kastjes staan grappige teksten zoals “wie ontbijt op bed wil hebben, moet in de keuken gaan slapen”. Ergens in een hoek liggen grote stapels folders over toeristische attracties, concerten en dergelijke. Er zijn zoveel exemplaren van dezelfde (waarschijnlijk gedeeltelijk verouderde) folders dat de dikke stapels half omgevallen over diverse stoelen en tafels verspreid liggen. Dit alles straalt in ieder geval een ongedwongen sfeer uit.

Dansen tussen de fornuizen

Op maandag kook ik wat uitgebreider dan meestal in dit soort hostels. Er zijn in principe pannen en pitten genoeg. Het wordt rundvlees met champignons en broccoli met kaassaus. Normaal gesproken is dat geen probleem, maar wie tijdens mijn kookpogingen in de keuken was geweest, had mij horen vloeken, zuchten en heen en weer springen tussen een drietal fornuizen, terwijl dan weer de vlammen te warm waren, dan weer uitgingen, terwijl pannen omvielen waarbij olie in de vlam verbrandde, enzovoort. Het resultaat kon er nog wel mee door.

Wonen in je eigen hostel

Als we ‘s ochtends in de keuken zijn om te ontbijten, komt daar opeens Shaun in zijn kamerjas uit de badkamer. Blijkbaar woont Shaun in zijn eigen hostel. Zoiets heb ik nog niet eerder meegemaakt: een hostel-eigenaar die in zijn eigen hostel woont. Vandaar ook die kastjes met “private” erop. Het is ons niet helemaal duidelijk hoe de verhoudingen liggen, maar Shaun ontbijt en dineert elke dag met een Duitse vrouw die ook in het hostel verblijft samen met een jongere Duitse vrouw (haar dochter?) die af en toe in het kantoortje werkt en de keuken schoonmaakt. Op een bepaald moment vertrekt de Duitse vrouw weer, waarschijnlijk naar Duitsland. We komen er niet achter hoe het zit. Later horen we van Frank, de eigenaar van het volgende hostel, dat Shaun bezig is een huis te verbouwen. Dat zou kunnen verklaren dat hij tijdelijk in zijn eigen hostel woonde.

 

Frank

RM3_9211.jpg
Slieve League

Na vijf nachten in het hostel van Derrylehan verhuisden wij naar Malinbeg. Derrylehan ligt iets ten Zuiden van de gigantische cliffs van Slieve League, Malinbeg net iets ten Noorden.

2016: There is more to life than Facebook

Marketingmythe Ierland

In 2016 nam ik deel aan een bijeenkomst voor managers over duurzame landbouw in Dublin en een excursie naar een Ierse vleesboer. Het bezoek aan deze boer was voor mij een teleurstelling. Erg duurzaam leek het allemaal niet. Het idyllische Ierse platteland – gelukkige boeren met gelukkige koeien in de ongerepte natuur – leek een mooie marketingmythe te zijn (zie ook mijn blog uit 2016). Het werd mij ook tijdens deze excursie weer duidelijk dat managers nog niet over de meest elementaire kennis beschikken om te kunnen begrijpen wat ze zien. Geen enkele manager zag dat er bij de boerderij geen andere vogels dan een paar spreeuwen en kraaien te zien waren. De leuterverhalen over ‘duurzame ontwikkeling’ gingen erin als koek. Ik was blij dat ik nog een paar dagen voor mezelf had.

Aan het einde van de wereld

De volgende dag reed ik, via een tussenstop in Monaghan, met een huurautootje naar Donegal, waar ik een kamer had gereserveerd in het hostel van Malinbeg, niet ver van Glencolmcille. Ik kwam daar in de vroege middag van 14 april aan en moest nog even wachten totdat ik naar binnen mocht.

DSC_9814_47.jpg
Malinbeg hostel

Ik wandelde vlakbij het schitterend gelegen hostel langs de kust door weiden vol schapen, met uitzicht op de zee waar Jan van Genten vlogen. Ik was meteen verliefd op deze plek aan het einde van de wereld. Toen ik weer bij het hostel was, wees de eigenaar, Frank, mij mijn eenvoudige kamer en liet de keuken en de gerieflijke lounge zien: mooie banken, een open haardvuur en op de schoorsteenmantel de spreuk “There is more to life than Facebook”.

Dat was niet zomaar een spreuk, maar een uiting van Franks diepe afkeer van de dominante internet- en wifi-cultuur. In Malinbeg hostel is er daarom geen Wifi en het bevindt zich buiten het bereik van mobiele telefoon. Ik had het er helemaal naar mijn zin. Dit was een plek waar je eindelijk onbereikbaar kon zijn. Waar kan dat nog?

Depressing countryside
RM3_9398.jpg
“Beautiful? … I don’t see it.”

De volgende dag maakte ik een autotochtje in de omgeving. Ik kon moeilijk lopen, omdat ik in Dublin met grote vaart tegen een lantaarnpaal was gelopen toen ik naar een taxi probeerde te wuiven. Ik ben toen hard gevallen met als gevolg een pijnlijk  been en een gescheurd pak. Gelukkig kon ik nog wel autorijden. Ik heb een grote voorliefde voor plaatsen aan het einde van de wereld zoals het hostel in Malinbeg of het verlaten dorpje An Port ten Noordoosten van Glencolmcille. Ik reed naar het einde van de weg. Een klein haventje, een woeste rotskust met schuimende golven, een kiezelstrand, wind en meeuwen. Ik was enthousiast dat ik deze idiote plek aan mijn verzameling van onmogelijke plekken kon toevoegen. Enthousiast vertelde ik mijn ontdekking aan Frank. Maar Frank werd er niet warm of koud van. “Do you think Port is beautiful? I don’t see it. I rather find it a depressing place. I do not like it at all.” Ik vroeg mij af of hij het meende of dat het een soort humor was die ik nog niet helemaal begreep.

2018: Hotel People

RM2_0075_15.jpg
Malinbeg – de zitkamer

Iets meer dan twee jaar later komen Petra en ik weer in Malinbeg aan. Het is er nog steeds even mooi. Frank leidt ons naar een schitterende tweepersoonskamer met eigen WC en douche. “The bridal suite”, zegt hij. Na de overweldigende chaos van Derrylehan, is de lounge van Malinbeg een verademing. Hier heersen orde en vooral rust. Het bordje “There is more to life than facebook” staat nog op de schoorsteenmantel. Iets later maakt Frank het vuur aan. Af en toe krijg je de indruk dat Frank een oude zeurpiet geworden is, maar dat valt allemaal wel mee. Achter zijn gemopper zit een fijn gevoel voor humor. Er komen nieuwe gasten binnen. Zij vragen aan Frank waarom er geen handdoeken op de kamers hangen. Frank begint te klagen over de grote toeloop van “hotel people”, mensen die gewend zijn aan bed & breakfasts en hotels. “These hotel people don’t know anymore what a hostel is and more or less try to force us to become a hotel.  They expect us to provide towels or even to make breakfast, but they hardly use the hostel kitchen anymore, …. …Terrible, terrible, these hotel people”. Als de nieuwe gasten nog een keer zeuren, zorgt Frank toch voor handdoeken. Gratis. In de mooie lounge praten we over van alles, niet alleen met andere gasten en Frank, maar ook met een van zijn schoondochters, die hier op vakantie is. Frank vertelt over zijn reizen naar het buitenland. Hij gaat graag naar New York. Als ik vraag of hij het daar naar zijn zin heeft, zegt hij: “I like it very much in New York. It has one great advantage: there are no sheep! No sheep: fantastic!”.

DSC_9804_45.jpg
Not in New York!