Wat zie ik?

 

Vrolijk consumeren

Op 28 juni maakte ik deze foto van de Leidse binnenstad, gonzend van vrolijke consumptie op tientallen terrassen. De zon scheen uitbundig en de plezierbootjes voeren over de Oude en de Nieuwe Rijn. Het geroezemoes van de terrasbevolking werd regelmatig overstemd door de doffe bastonen uit de luidsprekers op de vaartuigen. De foto is een getrouwe – geluidloze – weergave van dit moment. Er is niks mis mee. Hij is zelfs best goed: mooie rechte en kromme lijnen, mooi licht, mooie kleuren. Maar ik zie meer dan de camera. 

Rustig is mooier

Als ik dit beeld zie, denk ik er meteen aan, hoe mooi Leiden kan zijn als het er niet druk is, als de straten op een herfstige zondagochtend vrijwel leeg zijn: als ik geniet van de serene rust op het moment dat de winkels nog dicht zijn en de studenten hun roes nog aan het uitslapen zijn.

Wie zit hier niet?

Bij dit beeld denk ik ook aan al die mensen die hier niet zitten, die nauwelijks geld hebben om hun huur te betalen of een behoorlijke maaltijd op tafel te zetten, die  het wel uit hun hoofd laten om cappuccino’s of pilsjes van vier euro te gaan drinken in de zomerzon. 

Schijn bedriegt

Ik probeer me ook voor te stellen hoe wij over een jaar of tien naar dit beeld zullen kijken. In een sombere bui denk ik aan het volgende onderschrift: “Op deze foto zie je hoe we nog in 2024 uitbundig aan het consumeren waren. We waren nog blij dat we heelhuids door de Corona-tunnel waren gekomen en gaven daarna nog eens extra gas. Natuurlijk dachten we wel over de risico’s van politieke ontwikkelingen in Amerika, Rusland en Europa, maar we dronken onze ongerustheid weg met nog een paar dure pilsjes. Toch merkten  we dat het menens was toen Trump voor de tweede keer in het Witte Huis ging wonen, toen in heel Europa de rechtsradicalen de nationale regeringen gingen vormen en tenslotte de meerderheid in het Europese parlement kregen, toen de ondersteuning voor de Oekraïne tot nul terugliep en toen het duidelijk werd dat Poetin niet bij de Oekraïne zou stoppen. Het zag er nog zo vrolijk uit. Schijn bedriegt.”

Gewoon last van somberheid?

 

 

 

 

 

Fietsen over de Hebriden

Nog één keer Schotland

Zeven jaar geleden fietste ik bijna 1500 km door Schotland, beginnend in Glasgow en met een grote boog via de Outer Hebrides en de Schotse Noordkust naar Edinburgh. Een prachtige tocht, waarvan ik delen nog wel eens wilde overdoen. Toen kwam Corona en ik werd getroffen door een (gelukkig kleine) herseninfarct (beide 2020). De mooie hostels waren sinds 2020 een tijd lang wegens Corona gesloten, maar fietsen ging eigenlijk best goed nog. Na vijf fietstochten in Polen (2018-2023; voor de laatste tocht zie hier) wilde ik toch nog één keer naar het mooiste deel van mijn tocht uit 2017: de Hebridean Way over de Outer Hebrides, van Vatersay tot aan de Butt of Lewis, een bescheiden afstand met vooral bescheiden heuvels, met uitzondering van een paar pittige trajecten op Harris. 

Barra en South Uist

De heenreis met fiets, boot en trein tot Castlebay op Barry duurde bijna drie dagen. Voor de derde keer in tien jaar overnachtte ik in het mooi gelegen Dunard hostel met uitzicht over het water en de veerboot naar Oban, die daar een nacht blijft liggen tot de volgende overtocht. Ik bleef nog een extra nacht in Castlebay om nog even naar het met Barra verbonden eilandje Vatersay te fietsen, het officiële begin van de Hebridean Way. Prachtige witte stranden, groenblauwe zee en donkere wolken die over de toppen van de groene heuvels hingen. 

Omdat er geen plaats meer was op latere boten, moest ik de volgende ochtend om vier uur opstaan om de verbinding Ardmhòr-Eriskay van 7:00 uur te halen. Dat had wel het voordeel dat ik vroeg bij het Gatliff-hostel van Howmore aankwam en nog veel tijd had de prachtige omgeving te verkennen, het mooie kerkhof ernaast en de kreek die daar door de ‘machair’ naar zee stroomt. 

Berneray

De volgende dag naar Berneray was met 90 km de langste etappe, maar hij was absoluut niet moeilijk. Nog redelijk vroeg kwam ik daar aan. Het was er, net als de vorige keren, erg gezellig met fietsers en wandelaars van alle leeftijden en alle nationaliteiten: van upper-class Britse jongeren, tot redelijk bejaarde Belgen en een aardige Duitse vrouw, die de Hebridean way wandelend in haar eentje aflegde. De volgende dag maakte ik een mooie wandeling over de heuvels en langs het strand en genoot, net als tien jaar eerder met Petra, van de prachtige kleuren (zie hier).

De tocht naar het prachtig afgelegen hostel van Rèinigeadal (niet gelegen op de officiële Hebridean Way, dus erg rustig) was minder dan 60 km, maar verder het zwaarste traject van de hele tocht. Vanaf Tarbert eerst heel sterk stijgen naar de top van de hoofdweg en dan vandaar heel sterk dalen en nog een keer stijgen en dalen. Het was vooral lopend de fiets de heuvel op duwen, maar ik had de tijd. Het was in Rèinigeadal (Rhenigadale) weer prachtig als de vorige keren (meer hier). In het hostel overnachtte slechts één andere gast en buiten stond een sympathieke Duitser met zijn tentje. 

Lewis

Na dit laatste Gatliff-hostel fietste ik naar Callanish. Eerst moest ik weer even naar de hoofdweg: anderhalf uur fietsen over 7 km, wandelen dus. Daarna werden de wegen gemakkelijker en de hoge bergen verdwenen naarmate ik verder Lewis in reed. In Callanish, vlak bij de beroemde ‘standing stones’ had ik  een luxe ‘camping pod’ gehuurd, eigenlijk veel te duur, maar prachtig ingericht en met een prachtig uitzicht: groepen van zo’n tien dolfijnen kon je vanuit mijn raam het water uit zien springen. 

Van Callanish fietste ik helemaal naar het Noorden. Ik had in Cross – niet zo ver van de Noordpunt van het eiland – dezelfde B&B gereserveerd als tien jaar geleden. Ik werd hartelijk ontvangen. Fijn om hier weer eens te zijn (meer hier). De volgende dag fietste ik naar de vuurtoren – het officiële eind van de Hebridean Way – en wandelde nog langs het strand niet ver van mijn B&B.  De volgende dag fietste ik – het eerste stuk met windkracht 5 tegenwind – naar Stornoway (tegenwoordig Steòrnabhagh) en daar nam ik de boot naar Ullapool, waar ik een mooi hotel gereserveerd had, waar je ook redelijk kon eten.

Nog even highlands

Het laatste stukje fietsen in Schotland ging van Ullapool naar Bonar Bridge, vlakbij het station Ardgay aan de spoorlijn naar Inverness. Vanaf Ullapool fietste ik, net als zeven jaar daarvoor, de Schotse hooglanden in naar Elphin, maar deze keer sloeg ik niet linksaf naar het Noorden maar rechtsaf naar het Oosten. Niet ver van Elphin overnachtte ik in het ‘motel’ van Altnacealgach, dat zo in de VS had kunnen staan: iedere kamer zijn eigen voordeur aan de straat, met uitzicht op een mooi meer. Aan de picknicktafels voor het motel zat niemand. Te koud. 

De volgende dag fietste ik met gemak verder naar het Oosten, een gemakkelijke dalende route, die de River Oykel (uitmondend in de Kyle of Sutherland) volgt. Ik was veel te vroeg in Bonar Bridge waar mijn hotel nog niet geopend was.

De volgende dag begon de grote treinreis vanaf het vlakbij gelegen stationnetje van Ardgay naar Newcastle, IJmuiden en Leiden met nog een overnachting in een B&B in Edinburgh. De terugreis was weer lang. Op 5 juni om 10:54 uit Ardgay. Op 7 juni om 13:40 thuis. Het was een mooie tocht.

 

Alle stukjes over deze tocht

___________

 

De jeugd van tegenwoordig

De rijpere jeugd

Tijdens mijn fietstochten door Schotland en Ierland heb ik regelmatig in jeugdherbergen overnacht. Dat is relatief goedkoop (tegenwoordig rond £30-40 in de UK), handig en vaak gezellig. Je hebt altijd beschikking over een goed geoutilleerde keuken zodat je niet veroordeeld wordt tot eenzame, ongezellige en dure maaltijden in een restaurant. Soms kan je een eigen kamer krijgen, maar vaak slaap je ook op een zaal met wel tien andere bezoekers. Vroeger waren dat streng gescheiden mannen- en vrouwenzalen. Tegenwoordig zijn ze meestal gemengd. Erg veel last van anderen heb ik meestal niet. Na een dag fietsen slaap ik meteen in en word niet afgeleid door de degene die boven mij in het stapelbed slaapt of door de mooie jonge meiden tegenover mijn bed. Ik slaap wel.  

Snurken boven de batterijen

Als ik vertel dat ik van jeugdherbergen gebruik maak, is de verbaasde reactie soms: maar die zijn toch voor de jeugd? Ik antwoord dan dat ze nog steeds voor de jeugd zijn. Maar er is één ding de laatste decennia veranderd. De jeugd is ouder geworden. Tijdens mijn fietstochten in 2017 en 2024 was soms de helft van de gasten op mijn slaapzaal boven de zestig. Dat kwam ook een beetje door het seizoen. Aan het eind van mei en in het begin van juni  gaan veel gepensioneerden, die niet aan officiële vakantietijden gebonden zijn, op pad. Daar zijn veel wandelaars en fietsers bij, een belangrijke doelgroep van de jeugdherbergen. Omdat niet alle kniegewrichten en beenspieren bij deze doelgroep nog in optima forma zijn, laat veel van deze oudere jeugd zich bij het fietsen elektrisch ondersteunen. Toen ik dit jaar in het Dunard-hostel op Barra  de slaapzaal binnenkwam. vroeg ik mij af wat al die blauwe en rode lampjes onder de onderste bedden te betekenen hadden. Ik had het kunnen weten: het waren de met opladers verbonden batterijen van de elektrische fietsers die erboven sliepen. Dat slapen is niet altijd geruisloos. Hoe ouder de jeugdherberggast, des te luider snurkt hij. Het was er een gezellig geronk daar op Barra. 

De Gatliff-hostels

Op de Outer Hebrides zijn drie jeugdherbergen die door een stichting, de Gafliff trust, worden beheerd. Dit zijn heel bijzondere herbergen: ze zijn niet te reserveren Je mag er niet met een groep van meer dan vier personen komen. Ze zijn vooral bedoeld voor individuele wandelaars en fietsers. Mochten ze vol zijn, dan vinden ze wel een oplossing, tenzij je met de auto komt. De drie hostels, Howmore, Berneray en Rhenigidale zijn prachtig gelegen.

Howmore en Berneray zijn traditionele oude huizen van natuursteen met een rieten dak. Ze zijn relatief goedkoop, £ 20 per nacht, en moeten contant betaald worden. Als de ‘warden’ er niet is, laat je het geld in een ‘honesty box’ achter. Men verwacht dat de gasten de gebouwen zelf schoonhouden. Soms is die verwachting wat te optimistisch. Ik heb de drie Gatliff-hostels nu drie keer bezocht. Het verblijf in deze herbergen is echt vakantie op vele manieren. Niet alleen liggen ze in de prachtigste landschappen, relatief ver van het massatoerisme, maar het verblijf in zo’n hostel is meteen een soort tijdreis, een ontsnapping uit de wereld van internet (geen wifi op die plekken), van online-reserveringen (kan niet) en weer even terug naar het gebruik van ouderwets geld. Deze plekken trekken heel veel interessante mensen aan van verschillende leeftijden (de jeugd tussen 20 en 80) uit verschillende streken. Ik denk terug aan veel interessantste gesprekken en aan spellletjes die we in Berneray met alle gasten hebben gespeeld. 

Al mijn stukjes over deze fietstocht

 

Betoverend Berneray

Tien jaar geleden (2014) was dit eilandje een van de mooiste plekken op onze tocht over de Outer Hebrides.  Ook toen overnachtten we in het prachtige hostel in twee gerestaureerde ‘black houses’ met een schitterend uitzicht over de Sound of Harris. Voor de tweede keer overnachtte ik daar in 2017. Nu was ik hier voor de derde keer en werd weer overweldigd door de enorme schoonheid, de prachtige kleuren en de prachtige natuur. In 2014 waren wij er in juli en konden nog meer genieten van de bloemenpracht op de strook achter de duinen vlak aan de kust, de zogenaamde ‘machair’, waar eeuwenlang een rotatie-landbouw werd bedreven waarbij de belangrijkste meststof werd verkregen uit zoutwaterplanten. Dit jaar bloeiden daar nog niet zo veel bloemen. De zee, vooral bij ‘West Beach’, was weer betoverend mooi.

kleurencirkel: rood tegenover blauwgroen

Waar de zeebodem vooral uit helder wit zand bestaat, krijgt de zee een turquoise (groen-blauwe) kleur. De zee filtert vooral het rode licht uit het opvallende zonlicht en  reflecteert de overblijvende kleuren weer naar boven. Je krijgt dan de complementaire kleur van rood, een kleur die uit een mengsel van groen en blauw bestaat (zie ook hier). Wat ook de fysische verklaring is, het verleent de prachtige zandstranden een bijzonder karakter: witte zandstranden, een vooral turquoise zee en door de vaak  iets mistige of regenachtige luchten zijn de verder weg gelegen heuvels vrij onduidelijk en geheimzinnig. 

 

In 2014 maakten wij een lange wandeling langs het mooie strand van Berneray. Het waaide toen hard en er viel veel regen. Ondanks dit weer genoten wij van het bijzondere landschap. Terug in het hostel hadden niet alleen wij kletsnatte kleren. Ook de andere gasten hadden hun natte jassen en broeken aan een speciaal rek gehangen dat via een handige constructie boven de kachel kon worden gehesen. Iemand zamelde toen geld in voor de noodzakelijke brandstof. De kleren werden droog en het was erg gezellig. Niet minder gezellig was het er drie jaar later toen ik daar tijdens een fietstocht verbleef. Met de hostel-gasten met leeftijden tussen 25 en 80 hebben we toen heel leuke gezelschapsspelletjes gespeeld. Er waren heel interessante mensen bij, onder anderen een van de weinige Engelse doedelzakbouwers en iemand anders was op zijn laptop muziek aan het componeren. Ook dit jaar waren er veel interessante en sympathieke mensen van alle leeftijdscategorieën en veel verschillende nationaliteiten.

Sinds 1999 kan je met de auto of de fiets eenvoudig van North Uist over de ’causeway’ naar Berneray rijden. Tot die tijd was het een echt eilandje, dat door zijn isolement zijn karakter goed bewaard heeft. Het ligt nu vast aan het Zuidelijk gelegen North Uist, maar het heeft historisch en cultureel meer bindingen met het Noordelijk gelegen Harris, dat met de veerboot over de Sound of Harris (Berneray – Leverburgh) te bereiken is. 

Het merendeel van de bevolking (138 inwoners in 2011) spreekt nog Gaelic. Het Schotse Gaelic lijkt sterk op de Ierse variant. Dat is niet toevallig, want in de vierde en vijfde eeuw hebben de Ieren die zich in Schotland vestigden hun taal meegebracht, waaruit het Schotse Gaelic ontstaan is.  

Alle stukjes over deze tocht

______

 

 

 

 

 

 

Het sublieme niets in Rèinigeadal

Om in Rèinigeadal te komen moet je op de hoofdweg van Tarbert naar Stornoway een klein weggetje naar beneden naar de baai bij Maraig af rijden en dan een berg over klimmen voordat je weer naar de zee afdaalt. Zo eenvoudig was het niet altijd. Het plaatsje Rèinigeadal (of Rhenigidale)  had tot 1982 geen wegverbinding. Je kon er met de boot komen en er liep een wandelpad naar Tarbert, het ‘postman’s path’, het pad waarlangs de postbode twee of drie keer per week liep om brieven naar het dorp te brengen of brieven af te halen. Die brieven bevatten ook de bestellingen van de dorpsbewoners van spullen die dan later per schip werden geleverd. Het dorp had indertijd geen elektriciteit en één op batterijen werkende  telefoon – Rhenigadale 1 was het nummer.  Via een zender bereikte deze telefoon het telefoonkantoor aan de andere kant van de bergen. Daar zorgden ze dan voor de gewenste verbinding. Regelmatig moesten de batterijen vervangen worden.

Eén van de oude huizen van dit plaatsje is al jaren in gebruik als Hostel en wordt beheerd door de Gatliff trust. Daar tegenover woont de beheerder (‘warden’) en er staan nog een paar huizen, maar het stelt niets voor. Tien jaar geleden kwam ik hier samen met Petra voor het eerst. We hebben toen al van de grote rust genoten. Vanuit het hostel kijk je over een mooie baai, waar een enkel bootje ligt en verder niets gebeurt. Het is er zo stil dat je een gesprek tussen twee mensen op tweehonderd meter afstand woord voor woord kan verstaan, zonder dat zij hun stem hoeven te verheffen. Tien jaar geleden hebben Petra en ik het postman’s path naar Tarbert gelopen. 

In de keuken van het uiterst simpele hostel stond toen een heel simpel radiootje dat een paar zenders kon ontvangen. Op onze eerste avond daar had ik de klassieke zender aangezet en we luisterden naar een prachtige opname van Elgar’s Enigma Veriations. Tegen de achtergrond van de totale rust van deze plek herinner dit als een van de mooiste momenten waarop ik honderd procent van mooie muziek heb kunnen genieten. 

Petra in keuken met radio 2014

Drie jaar later kwam ik er weer en het radiootje stond nog in de keuken. Het deed het prima, ook met de afgebroken antenne die er nu los op stond. Toen ik er dit jaar kwam, leek tot mijn schrik de radio verdwenen. In de inmiddels iets gemoderniseerde keuken stond hij niet meer. Maar gelukkig vond ik het terug in de lounge tegenover de keuken. De antenne was nog steeds afgebroken en stond er los op, maar ook nu kon ik met volle teugen luisteren naar klassieke muziek. Het tweede vioolconcert van Shostakovitch maakte diepe indruk op me, alweer tegen de achtergrond van die complete stilte. 

Het mooie baaitje met de bootjes vlakbij het hostel was nog steeds even mooi. Nu zwommen er in de baai prachtige roodkeelduikers en ik zag er ook nog een kuifaalscholver (‘shag’), in dit deel van de wereld soms nog algemener dan een gewone aalscholver. Even later zwom er iets verder weg ook nog een ijsduiker. Voor het pad van de postbode zijn mijn benen niet stabiel genoeg meer, dus ik heb het maar niet geprobeerd. De vele Jan van Genten van tien jaar geleden zag ik deze keer niet. Ik ben bang dat hier de vogelgriep zijn vernietigende werk had gedaan. Het zal wel even duren voor er weer zo veel in de baai bij het postman’s path van grote hoogte naar vis zullen duiken. 

 

Alle stukjes over deze tocht

_________