Schaap en vogel

Het is heel moeilijk een interessante vogelfoto te maken (Zie ook deze blog). Toch lukt het me af en toe om er iets leuks van te maken, bijvoorbeeld vogels in combinatie met schapen.

De gele kwikstaart hierboven beschouw ik als één van mijn beste vogelfoto’s. Ook leuk zijn de eksters die op schapen gaan zitten of de reigers die tussen de schapen staan. Het leuke van de relatie vogel-schaap is dat er geen enkel echt direct contact bestaat afgezien van de interesse van vogels in de vliegen op schapenstront of in restjes van schapenvoer.

Het totale wederzijdse desinteresse is goed te zien in de twee onderstaande foto’s van reiger en schaap.

 

 

 

Mopper-conto

Mopperen

Soms zeggen ze tegen mij: je wordt echt zo’n oude mopperkont. Vreselijk zoals jij altijd over dezelfde dingen moppert. Nu klopt het wel dat ik redelijk oud aan het worden ben. Vroeger mopperden mijn grootouders en ouders ook over van alles. Dat hoort er een beetje bij. Nu ben ik aan de beurt. Waarom zou ik het niet mogen? Toegegeven, het is niet leuk voor je omgeving. Dat was het vroeger ook niet. Het is misschien beter om het mopperen niet te veel uit de hand te laten lopen. Daarom dit stukje dat even als uitlaatklep kan fungeren. De zaken die hier de revue passeren, zijn geen wereldproblemen. Thema’s als de opmars van autocratische leiders en de oorlogen in de Oekraïne of Gaza zijn te ernstig voor gezellig mopperen en vind je hier dus niet.

Irritatie-top-tien van een mopperkont

  1. Mobieltjes
    Iedereen staart op zijn mobiel. Niemand kijkt of luistert naar (mensen in) zijn directe omgeving.
  2. Elektrische fiets
    De elektrische fiets heeft het verkeer volledig in de war gestuurd. Het is onoverzichtelijker en gevaarlijker geworden. Fietsen is minder leuk dan vroeger.
  3. Consumptiedwang bij Albert Heijn
    De scanner schreeuwt voortdurend tegen mij ‘Je mist bonus’ en verleidt me meer te kopen. Bij de aanbiedingen van ‘twee voor de prijs van één’ kan ik eventueel de tweede portie thuis gewoon weggooien. En dit bij de winkel die zich een leider in ‘duurzaamheid’ noemt!
  4. Kapitaalvernietigende innovatie
    Mijn computer van tien jaar geleden staat nog op mijn kamer en kan in principe alles nog. De office-suite van toen kan nog alles wat ik normaal nodig heb. Toch moest ik een nieuwe kopen om de processortijd en geheugen verslindende nieuwe programma’s op te kunnen draaien. Idem dito met mobiele telefoons, smart-TV’s etc.
  5. Eindeloze terugkoppeling
    Koop je iets op internet, dan start je een lange serie berichten met de onderwerpen: dank voor je bestelling, we gaan het zo vesturen, we hebben het verstuurd, het is onderweg, het is er bijna, het is afgeleverd, hoe hebben wij het gedaan?, hoe tevreden ben je met het product? en wellicht nog meer. Zelfs bij het verzenden van een simpel pakje via Post NL of DHL ontstaan dit soort series en soms mag je dan ook gratis aan een of andere prijsvraag meedoen. Ik mopper: ‘laat mij met rust’.
  6. Politiek correcte gender-terminologie
    In de trein mag ‘Dames en Heren’ blijkbaar niet meer. Ik mopper: “of ik een dame of een heer ben (of geen van beiden), bepaal ik zelf wel. Misschien wel allebei en dan word ik twee keer begroet!”.
  7. De afschaffing van de u-vorm
    Ik erger me nog regelmatig aan het gevoel dat er te weinig afstand wordt genomen in brieven die de jij-vorm hanteren. Een brief over de uitkering van extra pensioen door een verzekeringsmaatschappij begint met “Je ontvangt van ons een lijfrente-uitkering”. Waarom? Waarom niet gewoon “U ontvangt ….”. Het zijn mijn vrienden niet. Banken en verzekeringen zijn een noodzakelijk kwaad, nooit vrienden.
  8. De Nederlandse taal
    Dit is altijd een mopperpunt van bejaarden geweest. Ik mopper mee. Het zijn eigenlijk drie problemen: de vervuiling van de taal met allerlei leenwoorden uit het Engels waarvoor meestal ook uitstekende Nederlandse woorden bestaan. Slordigheden in de grammatica, vooral onjuiste geslachten bij verwijzingen (dat bij de-woorden, etc.). En ten derde: het gebruik van Engels als voertaal in Nederlandse winkels en restaurants. Vooral in Amsterdam lukt het de obers vaak niet je in het Nederlands te woord te staan.
  9. Overvolle fietsenstallingen
    Er zijn tegenwoordig prachtige fietsenstallingen vlakbij het station, met duizenden plaatsen. Toch zijn ze vaak erg vol. In dat geval zijn er alleen nog plaatsen op de boven-rijen vrij. Je moet je fiets daar dan op tillen. Op mijn leeftijd wordt dat niet gemakkelijker. Straks moet ik met de bus naar het station omdat ik mijn fiets niet meer kan stallen.
  10. Geen rust op zondag
    Zondagsrust was altijd gekoppeld aan geloof en kerken. Dat is jammer, want er zijn goede niet religieuze redenen om één dag tot een rustdag zonder economische activiteiten te maken. Ik mopper dus regelmatig over de drukte in winkelstraten op zondag. Ik verlang niet terug naar de macht van de kerk, wel naar die rust van toen.

______

In Memoriam Koning Nabaca

Koning Nabaca en Meneer van Dale

Daar zaten we dan in het scheikundelokaal van het Marnix College te Ede. Anno 1965. Natuurlijk vonden wij het prachtig als meneer Rommerts een lucifer afstreek bij het door elektrolyse van water verkregen hoog explosieve mengsel van waterstof en zuurstof. Maar het was niet alleen maar dolle pret. Het ging ook om serieuze scheikunde met als een belangrijk onderdeel redox-reacties. Om te weten hoe graag metalen hun elektroden aan bij voorbeeld zuurstof afgaven (bijvoorbeeld 2Fe + 3O2= 2Fe2O3), moest je wel iets weten over “de spanningsreeks der metalen”: een reeks van zeer onedel tot zeer edel. Je zou verwachten dat we tijdens een proefwerk die reeks mochten opzoeken. Niets daarvan: die kenden we uit het hoofd: K, Na, Ba, Ca …. tot en met Au en Pt, de metalen die je met geen mogelijkheid kon oxideren. Ik ken ze nog door het ezelsbruggetje dat erbij hoorde: “Koning NaBaCa Mag Al Zijn Cromme Mannen Ferder NieTin Loodwater Coken. Hij gaat Angstvallig AutoPetten”.

Minstens de eerste drie regels van het periodiek systeem kenden wij ook zeker uit mijn hoofd. Natuurlijk hing daarvan ook een tabel in het scheikundelokaal maar we hadden die al zo vaak gezien dat we die ook zonder voorbeeld en zonder ezelsbruggetje konden opschrijven. Ik kan het nog steeds:  (1) H, He, (2) Li, Be, B, C, N, O, F, Ne, (3)Na, Mg, Al, Si, P, S, Cl, Ar.

Voor veel vakken moesten wij veel uit het hoofd leren, jaartallen voor geschiedenis, allerlei feiten voor aardrijkskunde en voor de vijf vreemde talen (Engels, Frans, Duits, Grieks, Latijn) honderden woorden naast al die moeilijk verbuigingen en vervoegingen en natuurlijk heel veel kennis van wiskunde en natuurkunde. Ook hier werd er niets opgezocht tijdens proefwerken. Ook hier speelden ezelsbruggetjes een rol, zoals Meneer van Dale wacht op antwoord (voor de bewerkingsvolgorde van wiskundige operaties) of ‘t Kofschip voor de spelling met d of t van verleden tijden en deelwoorden.

Woordenboek of vertaalapp

Ik ga niet zeggen dat vroeger alles beter was, maar het is nu wel anders geworden. Waar we vroeger over heel veel parate kennis beschikten, is nu het recept: “Dat zoeken we op.” Ik vermoed dat daardoor Koning Nabaca wel een langzame dood gestorven is. Daar is natuurlijk niets mis mee. Als je even iets snel kunt opzoeken voor een scheikundesom, neemt dat wel iets meer tijd dan wanneer je het al weet. Maar voor het leren van talen is het wel een probleem. Een jaar of tien geleden hadden wij Russische kennissen op bezoek die geen woord Engels of Duits spraken. Met een Russisch woordenboek in de hand liep ik door Amsterdam, maar het contact bleef erg beperkt.

Vier jaar geleden waren wij in Hongarije. Aan het leren van de onmogelijk moeilijke Hongaarse taal was ik niet toegekomen, maar sinds dat bezoek aan Amsterdam was er wel wat veranderd. Ik praatte gewoon Nederlands tegen mijn telefoon, die dat binnen seconden in Hongaars omzette. De kwaliteit daarvan leek goed, want  onze Hongaarse gastheer leek alles te begrijpen. Natuurlijk kon ik niets controleren. Ik moest maar op die software van Google vertrouwen.

De vier fases

Ook op andere gebieden zien wij die ontwikkeling  in vier fases (1) kennis in je eigen hoofd (eventueel ondersteund door ezelsbruggetjes), (2) het opzoeken van informatie in boeken en (3) later vooral op internet, maar zelf het probleem daarmee oplossen  en (4) de oplossing van het probleem volledig delegeren naar software (als of niet op basis van geavanceerde kunstmatige intelligentie).

fase 1

Als vijftienjarige natuurliefhebber leerde ik stap voor stap alle gewone en later een aantal bijzondere vogels herkennen op basis van vorm, kleuren, gedrag en nog veel meer. We leerden vooral van elkaar. Ook waren (en zijn er nog steeds) ezelsbruggetjes in omloop voor de herkenning van vogels. De manier waarop de snavels van wulpen en kluten gebogen is leren we van “Een wulp kijkt naar zijn gulp, de kluut naar zijn snuut.

Om zijn geluid wordt een grasmus wel krasmus genoemd. Een roek draagt een broek.  Het liedje van een fitis begint altijd vol energie om dan heel slap te eindigen. Dat wordt mooi beschreven met “Vandaag is het mooi weer, maar morgen wordt het weer niiiiiks”.

fase 2 en fase 3

Als we twijfelden aan de juiste naam van een vogel (was het nu een zanglijster of een grote lijster?), dan kwamen de lijvige vogelboeken uit onze tassen, fase 2 in de ontwikkeling. Vooral de gids van Peterson, in het Nederlands vertaald door de heer Kist, was onze autoriteit. Kijk even in de Kist, heette dat dan. In die gids staan de belangrijkste kenmerken op goede plaatjes aangegeven en die plaatjes worden door heldere teksten toegelicht. Maar toch is dan niet alles even duidelijk. Neem de volgende tekst: “een luid, herhaald twink, wiet en tsjwit en in de vlucht een onderdrukt juup. Zang een korte, heftige cascade van een tiental tonen, eindigende in een zwierig tjoe-ie-o …..”. Omdat ik de zang van de vink goed ken, herken ik dit wel, maar het is een heel onbeholpen omschrijving. Een grote vooruitgang zijn daarom vogelboeken als telefoon-app, waar al die informatie van de Kist ook op staat, plus geluiden die je gewoon even kan afspelen. We zijn dan bij stap 3: de apps helpen je om informatie te verzamelen. Maar het probleem (“welke vogel is dit?”) los je met die informatie zelf op.

Fase 4: we weten niets, we doen niets

De zelfkijkende vogelkijker

Maar stap 4 verovert de wereld, ook die van de vogelaar. Laatst kwam ik tijdens een wandeling een vrouw tegen. Zij schepte op over een indrukwekkende lijst waarneming van die ochtend. Zij baseerde die lijst vooral op de vogelnamen, die de app Merlin haar ingefluisterd had. Gewoon het mobieltje naar het bos wijzen en dan komen de namen op het scherm. Ik had toch even behoefte om het verhaal van die vrouw te corrigeren. Ik zei: “Sorry, u heeft die vogels echt niet allemaal gehoord. Uw telefoon heeft ze gehoord.”  Ze leek licht geïrriteerd over mijn opmerking.

Toch lijkt mij het onderscheid van wezenlijk belang. Op het moment dat we van fase 3 (even snel informatie op internet zoeken) naar fase 4 (een algoritme ons probleem laten oplossen) gaan, schakelen we onszelf eigenlijk uit. Wij zijn niet meer nodig. Wij worden een totale buitenstaander en onze ervaring wordt gereduceerd tot het enthousiasme over wat er op het schermpje verschijnt. Svarovski schijnt binnenkort een verrekijker aan te bieden met ingebouwde herkenningssoftware en internet. Je hoeft niet meer te kijken. De kijker doet het zelf wel. De kijker maakt zijn eigenaar overbodig.

Maar er gebeurt meer. Terwijl we in fase 3 nog levendige discussies hadden met collega’s, die het niet steeds eens waren over onze keuzes maar wel nuttige informatie inbrachten, communiceren we in fase 4 vooral met onze apps. Het is dezelfde wereld als in de trein van Leiden naar Amsterdam waar niemand met elkaar praat en iedereen met naar zijn mobieltje kijkt en luistert en iedereen tegen zijn mobieltje kletst, geen wereld waar ik blij van word.

Het zelfdenkende fototoestel
Deze wereldberoemde foto van Bill Brandt had de camera waarschijnlijk lelijk gevonden

Ook in de fotografie zie je hier een razendsnelle ontwikkeling. Er was een tijd waarin we zelf wisten hoe we onze camera moesten instellen, zelfs zonder lichtmeters. Automatische belichting en autofocus hebben het leven van de fotograaf een stuk gemakkelijker gemaakt. In principe is die nog steeds de baas. Maar eenmaal in fase 4 aangekomen gaat de camera zelf bedenken wat een mooie compositie is en past kleuren en tonen aan het onderwerp aan. Veel mobiele telefoons maken met opzet luchten blauwer en zonsondergangen roder, omdat dat mooier is. Ook hier: de camera probeert de fotograaf uit te schakelen. Bill Brandt had zijn prachtige zwartwit-foto’s met zo’n moderne camera moeilijk kunnen maken met al die veel te zwarte schaduwen. De camera had dat lelijk gevonden.

Ik ga hier geen opstel schrijven over de (reële) gevaren AI, maar ik beperk mij tot het thema plezier en voldoening. Op het moment dat wij te veel delegeren aan AI-algoritmes, verliezen we het contact met de wereld en daardoor met onszelf en de medemens: we weten niets, we zien niets, we horen niets, we beslissen niets, we ervaren bijna niets. Ik kies ervoor zelf vreemde talen te spreken (voor zover dat lukt)  en zelf vogels te leren herkennen. Achter die AI-gestuurde apps aan lopen, is gewoon niet leuk.

PS: eerder schreef ik het volgende stukje over dit onderwerp.

____

Noot: Veel van de in dit stuk genoemde apps zijn vaak best nuttig, vooral als instrument om van te leren. Als je Merlin gebruikt om jezelf in vogelgeluiden te trainen, is daar natuurlijk niets op tegen als je daardoor dichter bij je doel komt: zelf die geluiden herkennen. Zonder de ObsIdentify app, had ik nooit ongeveer 25 libellensoorten kunnen onderscheiden. Maar op het moment dat ik die app niet meer nodig heb en op het gezicht een variabele waterjuffer probleemloos van een watersnuffel kan onderscheiden, is er iets wezenlijks aan mijn wereld toegevoegd. En voor de vreemde talen is er vaak geen praktisch alternatief. Maar het echte plezier van vreemde talen leren, is ze zelf te gebruiken in praktische situaties. Dat plezier geeft de Google-app je nooit. De verregaande automatisering van camera’s is in orde zolang je begrijpt wat die camera doet en zolang je zelf af en toe voor andere instellingen kiest om de foto te maken die je jezelf hebt voorgesteld. Zolang apps de gebruiker helpen zichzelf te ontwikkelen, is het OK. Als de app de gebruiker overbodig maakt, wordt het een probleem, tenminste voor mij.

____

Michael Freeman over fotografie

Vijf boeken lezen

Niet iedereen zou het zo doen, maar in de kerstvakantie las ik achter elkaar vijf (!) prachtige boeken van Michael Freeman over fotografie. Zelf heeft hij als fotograaf van vooraanstaande tijdschriften zoals Time-Life prachtige foto’s voor zijn indrukwekkende reisverslagen gemaakt. Hij kan niet alleen goed fotograferen, maar ook duidelijk maken waarop hij let en welke keuzes hij maakt.

The Photographer’s Eye

Lang vóór deze vakantie las ik al The Photographer’s Eye. De titel benadrukt nog eens dat het om het oog van de fotograaf gaat en niet om mooie camera’s of gadgets. Dit boek behandelt basale zaken als frame-verhoudingen, elementaire opbouw van het beeld uit de samenstellende elementen, plaatsing van het onderwerp, het gebruik van rechte en kromme lijnen en het gebruik van licht en kleur.

Na het behandelen van al deze relatief technische zaken gaat hij in het vijfde hoofdstuk (‘Intent’) op de belangrijke vraag in wat je nu eigenlijk met een foto wilt laten zien en onderscheidt daarbij een aantal uiteenlopende stijlen, waarbij hij nog eens benadrukt dat je van alle door fotografen gebruikte ‘regels’, bijvoorbeeld voor de geometrie van een compositie of de combinatie van kleuren, kunt afwijken als je daar de gewenste resultaten mee behaalt.

Alle in dit boek genoemde thema’s komen in zijn andere boeken weer ter sprake.

Capturing Light

Ik was blij dat ik een mooie tweedehands kopie van het boek Capturing Light op de kop kon tikken. Veel van wat hij daar schrijft was voor mij een eye-opener of een bevestiging van wat ik al vaag aanvoelde maar niet duidelijk kon formuleren. Veel (amateur-)fotografen zijn ervan overtuigd dat je het beste vooral bij laag licht niet te lang voor zonsondergang en niet te lang na zonsopgang kunt fotograferen en dat de zon wel moet schijnen. Het ‘golden hour’ is het eldorado voor de fotograaf. Veel minder geschikt voor de fotografie lijken de volgende situaties: een felle zon hoog in de blauwe lucht, grijs weer en regen. Freeman laat zien dat zulke weertypes misschien wel moeilijker zijn maar toch erg veel mogelijkheden bieden. De hoofdstukken dark grey light, wet grey light en hard light bevatten de mooiste foto’s. Veel aandacht besteedt hij aan licht dat de structuur van oppervlakken zichtbaar maakt (raking light). Natuurlijk komen reflecties en schaduwen aan bod en nog veel meer. Een prachtig inspirerend boek.

Light & Shadow – Color & Tone – Black & White

Licht en schaduw

Onlangs ontdekte ik dat veel van zijn boeken nu voor een schijntje als kindle-uitgave verkrijgbaar zijn, niet zo mooi als de gedrukte uitgaven maar goed te lezen op een kleurenscherm van PC en tablet. De boeken over licht en schaduw en over kleur en toon zijn een welkome verdieping van wat hij al in het eerste en tweede boek iets minder uitvoerig heeft behandeld.

In het boek over licht en schaduw gaat hij uitgebreid op de verschillende gradaties van schaduw in. Hij geeft een verdere uitwerking van het oorspronkelijke voor de zwart-witfotografie rond 1940 door Ansel Adams ontwikkelde systeem van 10 zones. Hij onderscheidt 10 soorten schaduw. Na behandeling van allerlei soorten belichting onderscheidt hij een zevental stijlen. Het leuke is dat hij, anders dan de meeste auteurs over fotografie, regelmatig refereert aan stijlen in de schilderkunst. Zo noemt hij de stijl met een zwarte achtergrond en grote contrasten de Caravaggio-stijl.

Dit boek bevat weer goede argumenten om de camera of Lightroom niet te veel te laten beslissen. Bij automatische instellingen is in regel de gemiddelde belichting alle foto’s een gemiddelde toon (mid-tone), terwijl veel foto’s gemiddeld juist witter of zwarter zouden moeten zijn. Ook leiden die instellingen vaak tot het automatisch oplichten van schaduwen waar dat niets positiefs aan de foto bijdraagt. Als ik vanuit een donkere tunnel fotografeer, dan moet die pikzwart zijn, liever zonder details in het zwart zichtbaar gemaakt. Zo ook met hooglichten: als door een raam fel licht schijnt, dan hoef ik de hooglichten niet zo sterk te reduceren dat ik de bomen achter het raam zie, als ik alleen het licht wil laten zien. Ook automatisch herstel van uitgeknipte hooglichten en schaduwen is niet wat we altijd willen. Maximaal behoud van informatie levert niet altijd de beste foto op.

Kleur en toon

Het boek over kleur en toon benadrukt dat kleuren geen fysische grootheid zijn maar constructies van onze hersenen. Het boek bevat veel informatie die ik zelf de laatste jaren heb verzameld (bijvoorbeeld in het hoofdstuk Color Science) en veel kennis die ook in andere boeken te vinden is, bijvoorbeeld over kleurcontrasten of het gebruik van verwante kleuren. Hij gaat daarbij wel verder dan de meeste anderen. In het hoofdstuk Tangential Pairs gaat hij in op het gebruik van kleurencombinaties die niet tegenover elkaar en ook niet naast elkaar in het kleurenwiel liggen: tamelijk gewaagde combinaties, zoals ook de vierkleurencombinaties die hij behandelt (‘tetraden’).

Zwartwit

Door het boek over zwart-witfotografie heb ik, merkwaardig genoeg, vooral veel over kleuren geleerd. Omdat kleuren als element van de compositie wegvallen, moeten we in een zwart-witfoto de kleurcontrasten vervangen door iets anders. Fysisch even lichte kleuren nemen onze hersenen niet even licht waar: geel lijkt lichter dan paars maar is het niet. In de klassieke zwartwitfotografie kunnen we kleurverschillen met kleurfilters benadrukken. In de digitale zwartwitfotografie kan dat nog veel handiger: de omzetting naar zwart-wit gebeurt nu niet in de camera maar doen we in Lightroom of andere software.  Hierover bevat het boek heel nuttige informatie.

Composition, The Photographer’s Mind

Het boek over compositie bevat veel nuttige informatie over zaken die ook al in de eerste twee boeken aan de orde kwamen

Het is voor een masterclass geschreven en bevat daarom nuttige challenges met voorbeelden van hoe zijn leerlingen die hebben ingevuld.

Het laatste boek in mijn leeslijst is eigenlijk een logische voortzetting van het eerste boek en werd ook in hetzelfde jaar geschreven: the photographer’s mind. Zoals het eerste boek benadrukt dat het in de eerste plaats om het oog van de fotograaf gaat en niet om zijn mooie dure camera, laat Freeman hier zien dat ook het oog nog niet voldoende is. Een goede foto ontstaat in het voorstellingsvermogen (in de ‘mind‘)  van de fotograaf. Nog voor hij afdrukt, ontstaat er in zijn hersenen een beeld van wat hij op de foto wil zien.

Dit boek gaat heel expliciet in op verschillende stijlen. Het eerste hoofdstuk heet hier weer Intent. Wat wil je laten zien, is de belangrijke vraag hier. Dan vraagt Freeman zich in het hoofdstuk Looking Good af, wat is eigenlijk mooi? En moet een foto mooi zijn? Daarbij gaat hij in op wat mensen (in verschillende culturen) mooi vinden en op de klassieke en romantische tradities in de schilderkunst die nog steeds een grote invloed op schoonheidsidealen in de fotografie hebben. Hij bespreekt de traditie van de landschapsschilders in de 18e en de 19e eeuw en laat bijvoorbeeld de technieken zien die toen ontwikkeld werden om het oog vanaf een donkere voorgrond naar details in lichtere gedeelten op de achtergrond te leiden.

Crossing the Brook 1815 Turner http://www.tate.org.uk/art/work/N00497

Hij noemt dit ‘separating the planes by lighting and composition’ en illustreert dit aan de hand van een schilderij van Turner uit 1815. Veel landschapsfotografen bouwen nog direct op deze negentiende-eeuwse traditie voort.

Vervolgens laat hij de ‘schoonheid’ van verwoeste landschappen, ruïnes en sloperijen de revue passeren om te besluiten met schokkende foto’s van honderden schedels van de slachtoffers van de genocide in Cambodia.

Dan vraagt hij zich af wat we met clichés moeten doen, het feit dat iedereen dezelfde foto op dezelfde plek wil maken en de alternatieven daarvoor. Dan gaat hij, uitgebreider dan in het eerste boek, op heel verschillend stijlen in. Onder meer bespreekt hij klassiek evenwicht (classical balance, bouwende op de idealen van de klassieke schilderkunst), rustige stijl (quiet style), minimalisme (minimalism), dramatische stijl (dramatic style) en ontworpen wanorde (engineered disorder) in. Zie het boek voor meer informatie en prachtige foto’s.

En wat heb ik er aan?

Door die boeken te lezen, ben ik niet meteen een topfotograaf geworden. Wel heb ik er wat van geleerd en ben op bepaalde zaken gaan letten waarvan ik me eerder niet zo bewust was. Het is net zoiets als het leren van een muziekinstrument. Ik zal nooit zo goed leren spelen als een topviolist, maar door goed naar goede violisten te luisteren en te kijken (en dan veel te oefenen!), leer ik er nog steeds  iets bij. Elke kleine verbetering is het resultaat van heel hard werken. Dat geldt precies zo voor fotografie. Fantastische foto’s zijn in de regel niet het resultaat van een puur geluk, inspiratie of alleen maar aanleg.

De boeken die ik gelezen heb

1. The Photographer’s Eye, oorspronkelijk 2007 (op papier)
2. Capturing Light – the heart of photography, 2013 (op papier)
3. Michael Freeman’s Photo School: Composition, oorspronkelijk 2012 (kindle)
4. Michael Freeman on Light & Shadow, the ultimate photography masterclass, Ilex 2022 (kindle)
5. Michael Freeman on: Color & Tone – the ultimate photography masterclass, Ilex 2023 (kindle)
6. Black & White Photography, Ilex 2017 (kindle)
7. The Photographer’s Mind – creative thinking for better photos, oorspronkelijk Ilex 2007 (kindle)

 

Aanvullingen 17, 23 januari, 13 februari 2024: boek 8, 9, 10 en 11
The Photographer’s Vision

Na de kerstvakantie las ik nog een boek van Michael Freeman:
The Photographer’s Vision – Understanding and appreciating great photography, oorspronkelijk 2011 (kindle-versie)

Dit boek geeft een goed inzicht in de ontwikkeling van de fotografie, vooral in de twintigste eeuw. Het laat vooral zien hoe fotografie het werk is van fotografen die hun geld moeten verdienen in bepaalde markten voor bepaalde toepassingen. Maar een heel klein segment van de fotografie is fotografie als kunstvorm. Fotografen verdienen hun geld met het maken van portretten, het fotograferen van mode of culinaire thema’s en natuurlijk met reportages over verre landen of oorlogen. Hij laat zien hoe die relatie tussen fotograaf en opdrachtgever niet alleen tussen deze sectoren verschilt maar ook sterk verandert in de tijd. Zeker in de tijd dat kleurentelevisie nog niet bestond of onbetaalbaar duur was, zorgden bladen als Time-Life of Paris Match voor prachtige (of verschrikkelijke) reportages in kleur die je via andere media niet kon zien. De belangrijkste soorten fotografie passeren de revue: landschap, architectuur, portret, journalistiek, natuur, sport, stilleven en mode. Hij behandelt de historische ontwikkeling van de verschillende stijlen in samenhang met de voorkeuren  van de verschillende markten voor foto’s. Hij laat heel indrukwekkende foto’s zien in heel uiteenlopende stijlen.

Het is daarmee ook een boek over de grote veranderingen in de samenleving. Boeiend en aangrijpend zijn de verhalen over fotoreportages op D-day in de Tweede Wereldoorlog en  tijdens gevechten in de Vietnam-oorlog. In het laatste deel van het boek gaat hij in op de vaardigheden van de fotograaf en op compositiestijlen. Ook laat hij zien hoe nog lang voor de uitvinding van Photoshop foto’s vervalst werden: hoe beelden van veldslagen in scène werden gezet, natuurfoto’s in dierentuinen werden gemaakt en hoe afdrukken van handig gecombineerde negatieven werden gemaakt. Het boek is te oud om aandacht te besteden aan AI, maar dat is een voortzetting van een al lange geschiedenis. In de literatuurlijst achterin het boek staan veel boeken die ik nog wel eens in zou willen kijken.

Perfect Exposure

Ook nog maar even het al wat oudere boek Perfect Exposure (2015) voor bijna geen geld gedownload van Amazon. Helaas wel in een heel onhandig niet goed doorzoekbaar digitaal formaat. Het belangrijkste begrip van het boek is key tones: de tinten van de belangrijkste gedeelten van de foto. De belichting moet zo worden gekozen dat deze tinten in orde zijn, in de regel niet te donker en niet te licht. Vaak voldoet een gemiddelde (50%) of, afhankelijk van  het onderwerp, juist iets lichter of donkerder. De kunst is deze key tones goed te hebben zonder dat daardoor hooglichten of schaduwen uitgeknipt worden. Ik leer veel van de voorbeeldfoto’s en de case-studies in het boek. De verhandelingen over het dynamisch bereik van de sensor en de verschillende situaties wanneer het bereik van het beeld kleiner of groter is dan dat van de sensor had ik wel een paar jaar eerder willen lezen, want ik heb al die kennis nu zelf uit verschillende bronnen verzameld. Een belangrijke boodschap van dit boek is dat het belang van een goede belichting tijdens de opname niet mag worden onderschat. Natuurlijk kan er nog veel gecorrigeerd worden in Lightroom, maar een goed begin is ook hier het halve werk. Nog een belangrijke boodschap (niet echt nieuw voor mij, maar wel belangrijk) is dat we niet blindelings moeten vertrouwen op automatische instellingen van camera en software. Ze dwingen ons soms tot gemiddelde instellingen waar we die niet willen.

Get the Photos others Can’t

Dit boek uit 2020 (nu goedkoop op Kindle) is weer een heel ander boek. Het gaat minder over de technische details van het fotograferen en meer over je gedrag als fotograaf, bijvoorbeeld als straatfotograaf. Hoe ga je om met de mensen die je op de foto wilt hebben? Hoe zorg je ervoor dat mensen je niet zien of hoe je relaties ontwikkelt met je ‘slachtoffers’. Ook leuk ideeën over de ontwikkeling van een eigen stijl. Een heel praktisch boek, maar je hebt er weinig aan als je niet al kunt fotograferen. Hij benadert het vak ‘fotograferen’ als een serieuze activiteit waarvoor veel training en geduld nodig is. Een titel van een van de hoofdstukken geeft zijn houding goed weer: “Inspiration is for amateurs.” Een fotograaf moet zoals elke artiest het vak beheersen, niet van toevallige inspiratie afhankelijk zijn.

Fifty Paths to Creative Photography

Hiervoor geldt nog sterker dan voor het vorige boek dat je wel moet kunnen fotograferen voordat je er iets aan hebt. Het boek, oorspronkelijk uit 2016, is als een Kindle-uitgave te lezen, alleen in een niet echt voor dat medium geschikt formaat. Het bevat een schat aan ideeën over hoe je je eigen creatieve stijlen kunt ontwikkelen, natuurlijk geïllustreerd met veel foto’s, gedeeltelijk zijn eigen foto’s en gedeeltelijk foto’s van andere fotografen. Hoe kan je onderwerpen verzinnen die niet al honderd maal door anderen geprobeerd zijn? Hoe kan je je wel door bestaande fotografen laten inspireren? Hoe maak je gebruik van humor, van onverwachte of absurde combinaties. Hoe bouw je verrassingen of raadsels in de foto? Hoe maak je licht of kleur het onderwerp van de foto? En nog veel meer.  Hij laat vooral ook zien hoe je tegen bekrompen regeltjes (‘rule of thirds’, conventionele kleuren, omgang met extreem licht, etc.) kunt ingaan. Tenslotte geeft hij tips voor het ontwikkelen van een eigen stijl. Meerdere malen benadrukt hij dat je, voor het wiel zelf uit te vinden, goed op de hoogte moet zijn over wat anderen vóór jou al bereikt hebben.  De honderden goede ideeën kan ik niet snel onthouden. Ik zou verschillende hoofdstukken nog eens moeten lezen en in de praktijk uit moeten testen.

 

 

______

 

 

 

_____

Het fotojaar 2023

13000 foto’s

Vorig jaar schreef ik een soort jaarverslag van mijn beste foto’s van 2022 en ik vroeg me toen af wat ik geleerd had van de meer dan 12000 foto’s op mijn spiegelreflexen. Dit jaar heb ik bijna het zelfde aantal foto’s gemaakt en er zijn best een paar van gelukt.

Landschappen, libellen en meer

Vorig jaar concludeerde ik dat mijn meeste vogelfoto’s niet echt interessant waren. Die conclusie kan ik dit jaar herhalen. Vogelfotografie is niet een tak van sport waar ik aan verslaafd raak. Ik heb dit jaar dan ook geen enkele interessante vogelfoto gemaakt. Ik ben veel meer geïnteresseerd in de moeilijke kunst van landschapsfotografie en daarnaast houden hebben vooral libellen en paddenstoelen mij beziggehouden. Compleet nieuwe dingen heb ik dit jaar niet geleerd, maar ik ben wel steeds betere (en preciezere) foto’s gaan maken met meer oog voor compositie. Ik heb mij vooral bezig gehouden met perspectief (en daarbij de keuze van de juiste brandpuntsafstand), kleur en met de keuze van de juiste achtergrond.

Stadsfotografie

Ik ben daar jammer genoeg niet vaak aan toe gekomen. Leuke foto’s maakte ik in het begin van het jaar  in Rotterdam. De fotogenieke Erasmusbrug doet het vaak het best in zwart-wit. In de andere foto is het contrast tussen oude pakhuizen op de voorgrond en moderne architectuur op de mistige achtergrond ook een contrast tussen kleur en (bijna) zwart-wit.

Landschappen

De landschappen die we dit jaar tijdens onze vakantie in Denemarken zagen, waren niet spectaculair, maar leverden toch en paar mooie plaatjes op. Hierboven een beeld van de rust bij onze saaie verblijfplaats.

Spectaculairder waren de beelden aan het strand en in de duinen van Schouwen. Prachtig woest herfstweer in november. Hieronder twee plaatjes.

Molens

Ik laat hier twee van mijn molenfoto’s zien. De rechterfoto is best mooi, maar ook een tikkeltje stereotiep. Dit is het soort plaatjes dat mensen mooi vinden, maar ik weet niet zeker of ik het mooi vind.

Bomen

Ook dit jaar ging mijn belangstelling vooral naar bossen en bomen uit.  Mijn foto’s onder mistige omstandigheden werden vaak best wel mooi, maar nog niet perfect. Ik heb veel geëxperimenteerd met fotograferen vanuit het donker naar het licht, soms direct tegen de zon in. Hier een paar voorbeelden. De foto van de zonnestralen door de bomen bij Warmond is op de grens van kitsch, maar toch wel mooi.

Op de ochtend van 30 november bij Huys te Warmont

 

Herfstkleuren leveren altijd goede mogelijkheden op, maar het is niet eenvoudig daar iets van te maken. Hieronder een foto uit november.

Koudenhoorn op 22 november
Mist

Ik ben wat aan het spelen geweest met (extreme) mistfoto’s. Iets om eens op door te gaan. De volgende foto heeft een extreem histogram naar rechts, maar zonder uitgeknipte hooglichten.

Paddenstoelen

Bomenfotografie in het najaar is goed te combineren met paddenstoelen.

De paddenstoelen kwamen dit jaar wat laat op gang, pas vanaf de derde week van oktober met de gebruikelijke bloedsteelmycena’s, zwavelkoppen, amanieten en boleten. Het was regelmatig gaan regenen. Ik ontdekte hoe mooi verzadigd de kleuren zijn in de vochtige natuur. Dit jaar was een voortzetting van waar ik vorig jaar mee was begonnen: vooral opnames vanaf een laag standpunt bij weinig licht, dit jaar iets meer opnames van heel dichtbij.

Libellen

Ik was al langer bezig met libellen. Vanuit fotografisch oogpunt waren de foto’s niet bijzonder, ook al was het een hele kunst om ze vliegend voor de lens te krijgen. Dit jaar heb ik wel mooie libellenfoto’s gemaakt, niet alleen door betere scherpstelling en andere technische zaken, maar vooral door de bewustere keuze van achtergronden.

Patronen in de natuur

Twee foto’s geven een paar interessante details in de natuur weer. De waterdruppeltjes op het spinnenweb vormen bijna abstracte kunst. Ook de verzameling paddenstoelen vormt een mooi patroon. Eén paddenstoeltje lijkt zich uit de groep los te maken.

Wat nu?

Als ik weer eens naar mijn foto’s uit 2023 kijk, dan valt mij op dat de sterke punten vooral in de geometrische compositie (rechte en kromme lijnen, verbinding tussen onderwerpen, etc.) en in het gebruik van licht en kleuren liggen. In de meeste foto’s mis ik de verbinding met markante onderwerpen. Er schijnt wel een mooie lichtplek door de bladeren in het bos, maar in de lichtplek staat meestal niets bijzonders. Het onderwerp is dan het licht, terwijl dat licht juist gebruikt zou kunnen worden om de aandacht te richten op een bijzonder onderwerp. Dat kan een mens, een dier, een paddenstoel of iets  heel anders zijn. Het bootje in Denemarken is van een prachtige eenvoud, maar toch blijft zo’n foto wat kaal. In 2024 zal ik proberen de foto’s iets spannender te maken. In 2023 is het mij gelukt onnodige complexiteit uit te bannen. Die eenvoud is goed, maar er mag wel een verhaal in een foto zitten. Dat ga ik maar eens proberen.

_____