Texel 16

Niets nieuws

Wij houden van Texel. We houden ervan langs de zee bij de slufter, langs de waddendijk of door de duinen te lopen. Wij gaan niet naar Texel omdat we verwachten er veel nieuws tegen te komen. We gaan niet voor bijzondere waarnemingen van zeldzame vogels, wel voor de duizenden wulpen, rotganzen, rosse grutto’s, scholeksters en smienten die je er altijd wel ziet. Ik was er voor de zestiende (als je kortere vogelexcursies niet meerekent) en Petra pas voor de elfde keer .

Drie jaar later. Niet vrolijker.

Precies drie haar geleden, in februari 2022, hadden we hetzelfde huisje als nu gehuurd, de ‘houtsnip’ op het bungalowpark van Prins Hendrik. Ik schreef toe in mijn blog:

"Een stralende lage februarizon scheen recht de mooie woonkamer in. Prachtig weer, einde Coronabeperkingen. Toch geen reden tot uitbundige vrolijkheid. Rusland was de Oekraïne binnengevallen. In onze naïviteit hadden we het niet voor mogelijk gehouden."
Huisje ‘De Houtsnip’

Helaas was er deze keer nog minder reden tot vrolijkheid. In de Verenigde Staten was sinds een maand een president aan de macht die niet van plan is enig tegenwicht tegen Poetin te bieden.  Dat de Amerikanen zo’n volslagen onbetrouwbare oplichter voor de tweede keer tot president zouden kiezen, had ik alweer in mijn naïviteit niet echt voor mogelijk gehouden.

Je kan je niet de hele dag met dit soort onvoorstelbaarheden bezighouden. Je bereikt er niets mee. Dan maar genieten van het moois dat er ondanks alles gelukkig wel te beleven is. 

Huisje aan de vogelboulevard

Rotganzen (Wagejot)

Voor de vierde keer huurden wij een huisje bij Prins Hendrik, prachtig gelegen achter de waddendijk, vlakbij het mooie Utopia. Van daar naar het Zuiden rijdend kom je langs de prachtige binnendijkse vogelgebiedjes aan de zogenaamde vogelboulevard: Wagejot, de IJzeren kaap, Minkewaal, Zandkes, Dijkmanshuizen en Ottersaat niet ver van de havenplaats Oudeschild. Kom je wat later in het seizoen dan kan je hier genieten van grote sterns en lepelaars.

Kluten en wintertalingen bij Wagejot

Deze keer was het er relatief rustig. Het meeste was nog te zien bij Wagejot met honderden kluten en duizenden rotganzen. Maar overal zie je grote groepen scholeksters, erg veel smienten, af en toe een paar bonte strandlopers, brandganzen, grauwe ganzen, wilde eenden, kuifeenden en hier en daar wintertalingen, slobeenden en pijlstaarten. Overal hoorde je de vrolijke roep van tureluurs en hier en daar ook een paar wulpen. Aan de waddenkant zwommen regelmatig eidereenden. Het was niets nieuws, maar fijn om te zien en te horen dat ze er nog zijn. 

Als je op de dijk bij de vogelboulevard loopt, kom je regelmatig enthousiaste vogelaars tegen, de een nog zwaarder met telescopen en telelenzen bewapend dan de ander. Zij zijn vaak op zoek naar zeldzaamheden. Nu zou er iets zitten als de brileider.

Smienten bij Wagejot

Bij de IJzeren Zeekaap stopte een auto met een Pools nummerbord bij me en door het open raampje vroeg een man in het Engels of ik eidereenden had gezien. Dat had ik niet, dus ik schudde ontkennend mijn hoofd. Later begreep ik dat het om die brileider gegaan moet zijn. Hopelijk hebben ze hem toch nog gevonden, maar zeldzame vogels vind ik zelf niet zo interessant. 

Tienduizenden vogels

Geef mij maar de tienduizenden vogels die overdag op het wad foerageren en bij hoog water hun toevlucht zoeken bij een gebied als de Schorren, dat hooguit twintig minuten lopen van Prins Hendrik ligt. Op twee avonden viel hoogwater en zonsondergang vrijwel samen en zijn wij naar het uitkijkpunt over de schorren gelopen. Heen loop je langs Utopia. Daar was deze keer niet zo veel te zien. Ik herinner me van de vorige keer nog wilde zwanen,  kleine zilverreigers en meer pijlstaarten. Deze keer moesten we het doen met veel smienten, rotganzen en scholeksters. Maar op het moment dat je de dijk bij de schorren op loopt, verandert het beeld totaal. De slikken bij de Schorren zitten volgepakt met vlakbij duizenden wulpen en iets verderop waarschijnlijk meer dan tienduizend rosse grutto’s. Er zitten ook wat andere soorten tussen zoals kluten, tureluurs, bonte strandlopers, bergeenden, pijlstaarten en andere eenden. Maar het beeld is niet statisch.

Rosse grutto’s bij de Schorren

Voortdurend vliegen er duizenden vooral rosse grutto’s op en vliegen in steeds veranderende formaties over het wad: soms lijkt zo’n groep een dikke vis, dan rekt die uit tot een lange streep of trekt zich samen tot een grote bol. Veranderen ze plotseling van richting, dan hoor je het luide geruis van hun vleugels. Een onvoorstelbaar mooi schouwspel. Toen het te donker werd om nog veel te zien zijn we over de dijk met uitzicht op het wad teruggelopen. 

Vooral rosse grutto’s (de Schorren)
Rosse grutto's op de wadden

De rosse grutto broedt niet in Nederland, maar is uitsluitend wintergast en doortrekker. Het gaat daarbij om twee ondersoorten. De ondersoort lapponica broedt in Scandinavië en overwintert vooral op de wadden en een klein deel in het Deltagebied. 

In het voorjaar trekt een grote groep van de ondersoort taymyrensis door. Zij komen naar het Waddengebied om op te vetten op hun reis van West Afrika naar Siberië. In de winter bevinden er zich zo'n 65.000 rosse grutto's in Nederland, maar in het late voorjaar kunnen dat er meer dan 180.000 zijn. Wij zagen op de Schorren deze februari-vakantie toch zeker 10.000 exemplaren, een aanzienlijk deel van de Nederlandse winterpopulatie. De West-Afrikaanse exemplaren zullen zeker pas tussen maart en mei aankomen.  Het voedsel op de Waddenzee is onmisbaar als voorbereiding op de lange thuisreis naar de broedgebieden. Uit onderzoek blijkt dat in jaren wanneer het wad minder pieren bevat er minder vogels in de Siberische broedgebieden terugkeren dan in de vette jaren. Door de klimaatverandering zijn die wadpieren nog belangrijker geworden dan ze al waren. Siberië warmt sneller op dan de gematigde streken, waardoor de natuur daar eerder op gang komt, inclusief de ontwikkeling van insecten die een belangrijke voedselbron voor de net uitgebroede vogels vormen. De vogels vliegen daarom eerder naar Siberië terug en hebben iets minder tijd om op te vetten. 

Rosse grutto's kunnen onvoorstelbaar lange stukken vliegen. Een derde populatie (die niet door Nederland trekt) broedt in Alaska en overwintert bij Nieuw Zeeland en Australië (Tasmanië). Een rosse grutto vloog in 2002 in 11 dagen zonder onderbreking van Alaska naar Tasmanië, een afstand van 13.560 km!


meer informatie: Waddenzee sleutel tot succes rosse grutto, NIOZ 2018
De wereld door de ogen van de Rosse Grutto, National Geographic, 2022
Nieuw vliegrecord rosse grutto, Roots magazine 2022
Rosse grutto’s in het voorjaar op Texel (2021)

Vijf wandelingen

Elke keer maken wij op Texel vrijwel precies dezelfde wandelingen (voor een kaartje,  zie hier):

(1) Een wandeling bij de vuurtoren;

(2) Een rondwandeling vanaf Café-Restaurant de Slufter langs  de Slufter naar het strand en dan tot aan de Koog voor een consumptie bij een van de strandrestaurants daar (Bries 20 of Dikke Zeehond). Via de Nederlanden en de Muy terug naar de Slufter;

(3) Een wandeling vanaf de parkeerplaats Turfveld in het bos ten Zuiden van de Koog, door het bos en door de prachtige Bollekamer naar het strand bij Paal 9 (den Hoorn) en grotendeels langs het strand terug alvorens weer een stuk door duin en bos naar de parkeerplaats terug te lopen;

(4) Een wandeling langs de horsmeertjes en door de hoge en brede duinen naar het strand tot aan Paal 9 en dan weer terug naar de Horsmeertjes. Wij konden de weg terug niet goed vinden. Dat was maar goed ook, want onze geplande route bleek te nat en vrijwel onbegaanbaar, hoorden we van mensen die hem wel hadden geprobeerd;

(5) Wandelen bij de Hoge Berg tussen Den Burg en Oudeschild, inclusief de Georgische begraafplaats Loladse.

Muziek, foto’s en mosselen

Wij huren een huisje op Texel om van de actieve rust te genieten. Dat betekent in de praktijk vooral vogels kijken, wandelen en – in combinatie daarmee – fotograferen. Altijd nemen wij muziekinstrumenten mee. Soms spelen we samen, maar Petra gebruikt zo’n korte vakantie vooral om eens extra te kunnen studeren, terwijl ik nog wat naar vogels kijk en fotografeer.

Het is niet de belangrijkste attractie tijdens zo’n week, maar horeca-bezoek hoort er ook bij. De mosselmaaltijd bij Eetcafé De Rog smaakte uitstekend. Het is er gezellig en de bediening is vriendelijk. Natuurlijk bezoeken wij ook de strandtenten met  romantische namen als Paal 9 of Paal 19, waar we ons steeds weer verbazen over de hoge prijzen. Hebben we misschien nog de prijzen van 20 jaar geleden in ons hoofd? 

Brandganzen en de molen van Oost

Eerdere blogs over Texel

Texel, het vogeleiland (2022)

In de Texelse winterzon (2022)

Een mooie relatie (2021)

Zestig jaar vogelen – een korte terugblik (2017)

_____________________

De componist van bomenfoto’s

Bomenworkshop

Het is binnenkort drie jaar geleden dat ik een fotoworkshop bij Ellen Borggreve volgde. Samen met drie andere cursisten leerde ik mooie bomenfoto’s te maken in een schitterend bos op de Veluwe. Nu houd ik niet van de meeste landschapsfotografie – te veel bombastische romantiek en overdreven gevoelens vaak (zie ook hier) – maar de prachtige foto’s van Ellen Borggreve waren mij al jaren geleden opgevallen als een gunstige uitzondering: prachtige composities, gebruik makend van de bijzonderheden van kleuren, licht en vormen, met een nadruk op de relaties tussen de verschillende elementen binnen het frame. Nu is een bos geen studio waar je de bomen naar believen neer kunt zetten en de belichting aan je voorkeuren kunt aanpassen. Onder de bestaande licht- en weersomstandigheden kan je alleen je standpunt bepalen en dan de technische voorwaarden bepalen waaronder je vanuit dat standpunt een mooi beeld kunt vangen. Van haar heb ik het belang van de juiste brandpuntsafstand, hoogte van het statief, groot of klein diafragma, instelling van de witbalans en meer technische instellingen geleerd. Maar allereerst gaat het om het vinden van een standpunt van waaruit je unieke relaties tussen de verschillende elementen in je frame kunt ontdekken. 

Master of the Frame

Kennis opfrissen

Het laatste boek van Ellen Borggreve heet niet voor niets Master of the Frame. Het is de fotograaf die actief het frame kiest en bepaalt hoe hij omgaat met de elementen die hij daarin aantreft. Toen ik dit boek las, werd ik mij meteen bewust van hoe veel van de inhoud ervan ik al tijdens die ene korte workshop had geleerd. De hele benadering kwam mij bekend voor: niet klakkeloos regels volgen of goedkope trucs toepassen, maar heel precies uitvinden met welke middelen het verhaal van de foto het best verteld kan worden. 

Ik kon het boek goed gebruiken om mijn bestaande kennis weer op te frissen, zoals het bewust gebruik van verschillende brandpuntsafstanden om de relaties tussen elementen in de foto te structuren. 

Polarisatiefilters, witbalansen, ‘aspect ratio’ en meer

Maar ik ontdekte toch ook een aantal voor mij nieuwe zaken die echt iets kunnen bijdragen aan de kwaliteit van mijn foto’s, vooral foto’s in het bos. Zo ontdekte ik het gebruik van een circulair polarisatiefilter, niet alleen om de reflectie van water of bladeren te reduceren maar ook om de kleur van andere oppervlakken, zoals een grasveld, sterk te verbeteren. 

Het zijn van die dingen die je eerst een keer goed moet zien en dan zie je ze in het vervolg altijd. Van de mogelijkheden voor het bewust manipuleren van de witbalans was ik mij, voor het lezen van dit boek, niet zo bewust. Mijn eigen naïeve veronderstelling was dat het altijd goed is dichtbij de feitelijke samenstelling van het licht te blijven. Haar foto op pagina 57 van het boek met een naar blauwe tinten verschoven witbalans heeft mij overtuigd en ik kon meteen een van mijn eigen foto’s, genomen in de winter maar toch met een erg zonnige uitstraling, zo verbeteren dat het op de foto weer winter was (zie hieronder: alleen ter illustratie, geen geweldige foto).

Het hoofstuk over de ‘Aspect Ratio’ heeft mij aan het denken gezet. Ik heb vaak de neiging om sterk horizontale landschappen in een wijd frame (16:9) te plaatsen, maar er zijn ook goede argumenten om juist in de andere richting te werken tot en met vierkant (1:1). Ik had er nooit aan gedacht. Het hele boek gaat er eigenlijk over, maar één hoofdstuk in het bijzonder: ‘Composition – Arranging elements within the frame’. Het hoofdstuk laat zien hoe kleine zaken soms een groot verschil maken. Of ik ooit het geduld zal hebben zo consciëntieus en precies te werken, betwijfel ik.

Compositie, evenwicht en soorten licht

Heel leerzaam zijn de verhandelingen over evenwicht in de compositie en over de vraag wat nu eigenlijk een element – afgezien van zijn grootte – zwaar maakt.  De hoofdstukken ‘Depth’, ‘Viewpoint’, ‘Balance’ en ‘Motion’ bevatten behalve nuttige tekst heel goede voorbeelden van wat de auteur bedoelt.  Het hoofdstuk  ‘Light – beyond the ideal’ bevat behalve mooie foto’s veel tekst waarmee ik het roerend eens kan zijn. Het tweede deel van de titel is hier belangrijk. Het is de moeite waard om verder te gaan dan de stereotype voorstellingen over wat ‘mooi’ licht is en ook over wat ‘mooi’ fotografieweer is. Ik erger me zelf altijd aan die amateurfotografen die een foto-afspraak afzeggen als de zon niet schijnt of als het een beetje gaat regenen. 

Een heel eigen benadering

Samenvattend: het is een heel mooi boek met de best mogelijke adviezen van een van de beste landschapsfotografen over hoe je bomen en bossen zou kunnen fotograferen. Het is een heel eigen benadering:  heel puur en in zekere zin extreem. Op geen enkele foto in het boek staat, afgezien van ergens een paar vogels, iets anders dan bomen en wat andere vegetatie en op een paar foto’s ook een stukje strand. In ieder geval kom je er nooit mensen in tegen. Het is zelfs niet de bedoeling dat de kijker zin krijgt om het landschap in te lopen:

"I tend to photograph scenes that leave little or no room for the viewer to become a part of the scene. I like the subjects in the photograph to be like the main characters in a play. I would like to have a viewer to look at it rather than having the viewer imagine he can step into the frame. " Mastering the Frame, p. 71.
Iets voor mij?

Dit is zeker niet altijd mijn benadering. Als ik in het bos een wandelaar met een hond tegenkom, kan die zeker onderdeel van de foto worden. Waarom niet? Maar het geldt ook voor andere ‘vreemde’ elementen: een van bierblikjes overlopende vuilnisbak aan de rand van een bos vertelt ook een mooi (?) verhaal over het echte bos. De in het boek gekozen benadering is bijna overdreven gericht op compositie: een uur rond een paar bomen lopen om dan het juiste gezichtspunt, de juiste brandpuntsafstand en het juiste diafragma te vinden. Het is een benadering tegengesteld aan die van de reportage-fotograaf:  toeval en geluk spelen wel een erg ondergeschikte rol. Van volledig beheerste composities leer ik zeker veel, maar ik hoop dat ik die ervaring ook snel op totaal toevallige fotomomenten in praktijk kan brengen.  Bovendien ben ik niet alleen geïnteresseerd in schoonheid en evenwicht. Ik wil ook foto’s maken die lelijkheid communiceren. En soms mag er ook wel wat humor in zitten.

 

________

 

 

De kleurloze wereld

Een prachtige foto van Bill Brandt

Ik kijk altijd met heel veel plezier naar oude zwart-witfoto’s in de fotomusea van Amsterdam, Rotterdam en den Haag. Twee exposities in Amsterdam hebben diepe indruk op me gemaakt: die van Bill Brandt met vooral foto’s van vlak voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog en die van Saul Leiter met z’n schitterende foto’s (kleur en zwartwit) in het New York van de jaren vijftig. Zelf ben ik opgegroeid in een tijd waarin de zwart-witfoto de norm was: op de voorpagina van kranten en op prentbriefkaarten van onze vakantiebestemmingen stond een zwart-witte wereld. Op die prentbriefkaart van de Ginkelse heide bij Ede stond: “echte foto, nadruk verboden”. Zwart-wit leek het toen keurmerk van echtheid te zijn. Echt nieuws stond in de krant en die was zwart-wit, net zoals de vroegere televisie. Dat lijkt nu vreemd want wat is er nu onechter dan een beeld zonder kleuren?

 

Wat maakt zwart-witfoto’s soms zo boeiend? Een goede zwart-witfoto kan sterker en indrukwekkender zijn dan het zelfde beeld in kleuren  omdat het onnodige kleurinformatie weglaat en zich concentreert op een duidelijk beeld, een duidelijke vorm en een ondubbelzinnige boodschap. Fotografeer ik een bedelaar in een grote stad en achter de bedelaar staat een felrode auto, dan is het gevaar dat het een foto over een rode auto wordt. Het verhaal achter de foto wordt onduidelijk. In zwart-wit kan die foto het verhaal beter vertellen.

Bij Tongue in Noord Schotland in 1976 (Nikon FT2, 50 mm lens)

Tot het eind van de jaren 70 fotografeerde ik vooral in zwart-wit.  Hierboven een foto uit Schotland uit die tijd. Ik ontwikkelde de film zelf en drukte vaak zelf af.

Het probleem van zwart-wit is dat blauw licht en geel licht precies even licht worden op de uiteindelijke foto zodat de contrasten tussen gele wolken blauwe luchten onzichtbaar dreigen te worden. Bijna standaard zette ik, zoals veel mensen, een geelfilter voor de lens om het blauw van de lucht donkerder te maken. Als ik een roodfilter had gehad, was dat een optie geweest voor nog dramatischere effecten. 

Bij de huidige digitale camera’s kan je gewoon in kleuren fotograferen en dan in Lightroom of Photoshop de filters simuleren. Dan is er nog veel meer mogelijk dan vroeger met de analoge camera. Neem bijvoorbeeld de volgende kleurenfoto met op de voorgrond de felgele boeien, iets verderop een rode boei.  Op de achtergrond staat een molen, mooi verlicht door het winterse avondlicht en daarboven een mooie wolkenlucht.

Aan de Zijl. Nikon D610 (full frame), 44 mm, f/11

Hoe kan je hiervan een acceptabele zwart-witfoto maken? Natuurlijk wil je de mooie oplichtende gele boeien goed laten zien en de mooi verlichte molen. Maar dan zijn er nog veel keuzemogelijkheden. (Meer achtergronden op deze pagina https://blog2.rdeman.nl/zwart-witfotografie/)

 

Ik heb ervoor gekozen het geel behoorlijk op te lichten (+62) en het groene gras wat donkerder te maken. Het riet links licht mooi op als je naast geel ook oranje wat versterkt. Het water en de lucht zijn donker door blauw en aqua negatief in te stellen (-54; -17). Rood heb  ik niet al te hoog gezet (+8), want anders zou het verschil tussen de rode boei en de gele boei niet meer zichtbaar geweest zijn. Het resultaat is veel dramatischer dan de oorspronkelijke foto, maar dat is de vrijheid die je nu eenmaal hebt bij het omzetten naar zwart-wit. Zwart-wit staat vaak ver van de werkelijkheid af.

De volgende foto geeft de humor van de totale contactarmoede tussen schaap en reiger aan. Het is een mooie kleurenfoto, maar heeft ook mogelijkheden in zwart-wit. 

Contactarmoede. Nikon D7100 met 600 mm tele, f/6,3

Vooral het mooie tegenlicht geeft mooie contrasten, die misschien nog mooier uitkomen als je de kleur verwijdert. In de onderstaande versie heb ik dat gedaan. De mooi oplichtende gedeelten worden sprekender als je de kleur blauw donkerder maakt. Het water op de achtergrond is nu bijna zwart. 

Hieronder heb ik de foto nog een keer ontwikkeld met juist het blauw lichter en het groen donkerder. Het resultaat is niet aantrekkelijk. Bij de ontwikkeling van zwart-witfoto’s in Lightroom kan bijna alles, maar niet alles is mooi. Tussen de twee foto’s laat ik de Lightroom-instellingen zien.

Deze foto is goed gelukt: donker water en licht gras. Mooi tegenlichteffect.

 

Deze foto is minder aantrekkelijk met het lichte water en het donkere gras

Of deze foto wel een goede kandidaat voor zwart-wit is, is de vraag. In ieder geval heb ik door het maken en bewerken van dit soort foto’s veel geleerd van de kleuren in de natuur. Na deze experimenten kijk ik anders en beter naar de kleuren van gras, bomen en de lucht. 

Een paar recente foto’s

In zwart-wit is het mooie licht op de steiger van Koudenhoorn goed te zien en de mooie structuur van de taxus-bomen bij Huis te Warmont komt mooi uit.  De foto’s uit mistig Rotterdam laten de contrasten mooi zien.

____

 

Inburgering

De smalle waterpest

Een heel algemeen waterplantje in Nederland is de smalle waterpest (Elodea nuttallii). Eigenlijk geen plantje maar een plant met stengels die wel 4 meter lang kunnen worden. De plant komt oorspronkelijk uit Noord Amerika en werd pas rond 1940 voor het eerst in Nederland aangetroffen.

Smalle waterpest

Inmiddels is er bijna geen plek meer in Nederland waar de plant niet voorkomt zoals te zien is op de Verspreidingsatlas Vaatplanten van 
Floron. 

Het is een snelle groeier en kan ervoor zorgen dat hele vijvers en sloten volledig dichtgroeien en kan daarbij andere soorten verdringen en zuurstoftekorten veroorzaken. Daarom staat de smalle waterpest sinds 2017 op de Unielijst Invasieve Exoten. Uit een ‘factsheet’ van de Nederlandse overheid citeer ik:

"Een soort die op de Unielijst staat mag onder andere niet meer worden verhandeld en gehouden in EU-lidstaten. Verder geldt voor lidstaten de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen, te verwijderen, of als dat niet lukt, zodanig te beheersen dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het houden van deze soorten in botanische collecties is alleen mogelijk voor (wetenschappelijk) onderzoek of ex-situ bewaring. Hiervoor moet een vergunning worden aangevraagd bij RVO.nl.
...
Deponeer overtollige planten van deze en andere soorten waterplanten altijd in de gft-container of op de composthoop 0in uw eigen tuin. Gooi waterplanten nooit in openbaar water, omdat de plant zich zal gaan
verspreiden en schade veroorzaken."

Als ik dit lees, moet ik toch een beetje lachen. Een plant die zich al overal in Nederland gevestigd heeft, mag je niet bij het schoonmaken van je aquarium in de sloot kieperen! Wat maakt dat nu uit, dat ene plantje bij de tienduizenden exemplaren die zich al in de directe omgeving bevinden?

De brede waterpest

Explosieve verspreiding

Misschien kunnen we  iets van het broertje van deze plant, of beter van het zusje (want in Europa komen alleen de vrouwelijke planten voor), de brede waterpest, leren. De brede waterpest kwam al eerder uit Noord Amerika naar Nederland aan het eind van de 19e eeuw. In 1842 werd in Schotland een exemplaar gevonden en tien jaar later had de brede waterpest zich al over heel Engeland verspreid en leverde daar de nodige problemen waaraan de plant zijn naam te danken heeft. Ik citeer uit het artikel De Zegetocht van de Waterpest door de heer Bijhouwer  in het blad Levende Natuur uit 1934:

"De plant trok reeds spoedig de aandacht door de verbazingwekkend snelle wijze, waarop ze zich vermeerderde en op nieuwe vindplaatsen de oorspronkelijke vegetatie verdrong. Zoo verstopte zij in 1851 bij Burton-on-Trent, waar ze voor het eerst was waargenomen in 1849, een van de twee stroompjes, waarin de Trent zich daar verdeelt. De Curator van de Cambridge Botanic Garden, die een exemplaar van het nieuwe gewas
van Prof. Babington in 1847 had ontvangen, zette dit het jaar daarop uit in een zijriviertje van de Cham. Vier jaar later was het tot de hoofdrivier doorgedrongen, en blokkeerde deze dermate, dat het water meerdere inches rees; visschen, roeien en zwemmen was uitgesloten, en de scheepvaart
ondervond veel hinder."
Plaatje uit het artikel in Levende Natuur
Uitgeraasd

Ondanks de afwezigheid van een beleid om zulke invasieve exoten te bestrijden, is de plant toch geleidelijk voor iets minder problemen gaan zorgen. Vier jaar na het overzichtsartikel van de heer Bijhouwer over de ‘Zegetocht’ verscheen van zijn hand een kort artikel met de veelzeggende titel De Achteruitgang van de Waterpest. Het artikel laat verschillende hypotheses over de oorzaak de revue passeren, maar concludeert tenslotte:

"De geschiedenis van Elodea zou aanleiding kunnen zijn tot het neerschrijven van plantensociologische hypothesen, doch daar wij liever met beide beenen op den grond blijven staan, is het beter te erkennen, dat het verdwijnen van haar groeikracht ons vooralsnog duister is."

Deze teruggang wordt ook gesignaleerd in In Sloot en Plas van Heimans en Thijsse (1e druk 1895). Ik citeer uit de achtste druk (1950).

Nu zult ge u misschien er over verwonderen, dat men tegenwoordig zo weinig hoort van last door waterpest veroorzaakt. Dat was in mijn jeugd heel anders. Vijf en zestig jaar geleden werd er op school van verteld en ploeterden wij bij het roeien om door de waterpest heen te komen. Maar thans is hij om zo te zeggen uitgeraasd. Zijn overweldigingskracht lijkt uitgeput en tenminste bij ons te lande is hij niet lastiger dan een half dozijn andere waterplanten die sinds vele eeuwen hier thuis zijn.
Zo'n ongewone uitbarsting van levenskracht doet zich ook wel in meer gevallen voor bij de vestiging van planten in een voor hen heel nieuw gebied, al is het dan zelden zo treffend als met die waterpest."
Brede waterpest
Op de rode lijst!

Wie schetst mijn verbazing toen zag dat de Heukels Flora (24e druk) vermeldde dat de brede waterpest als gevoelig op de rode lijst stond? Ik heb de bron er maar eens op nageslagen, de geactualiseerde Rode lijsten flora en fauna in het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 15 oktober 2015. Het blijkt te kloppen. De onoverwinnelijke invasieve exoot uit het eind van de negentiende eeuw blijkt een gewone plant geworden te zijn, die nu zelf het stempel ‘gevoelig’ heeft gekregen. Het was dus, in de woorden van Heimans en Thijsse, een tijdelijke ongewone uitbarsting van levenskracht. 

Op de Floron-verspreidingsatlas lezen we over de deze interessante stap van hinderlijke exoot naar rode-lijstplant het volgende:

"Vanwege de sterke achteruitgang gedurende de tweede helft van de 20e eeuw is Brede waterpest tegenwoordig opgenomen in de Rode Lijst. De achteruitgang is vrij zeker veroorzaakt door verslechtering van de algemene waterkwaliteit."

Ik neem de vrijheid om bij dit ‘vrij zeker’ toch een paar vraagtekens te zetten. De ecosystemen waarin deze plant een plaats heeft verworven, stellen in ieder geval in toenemende grenzen aan de in het begin ‘ongewone uitbarsting van levenskracht’. Dit was mogelijk ook gebeurd als de waterkwaliteit niet omlaag was gegaan. De brede waterpest is geen exoot meer, maar heeft een volwaardige maar bescheiden plaats verworven als inheemse plant in de inheemse structuren, zou je kunnen zeggen. Dat moet bij de smalle waterpest nog gebeuren, lijkt het. 

Ambtenarennatuur en de werkelijkheid

Stel dat we in 1850 een beleid tegen invasieve exoten hadden gehad maar dat er toch een paar takjes waterpest in onze wateren terecht waren gekomen, die zich razendsnel hadden vermeerderd. In dat geval zou het handelen in waterpest en het in het water brengen van deze planten meteen zijn verboden en de overheid zou de verplichting tot tegenmaatregelen hebben gehad. Had dat iets uitgemaakt? Helemaal niets! Het onheil was al geschied. De kanalen waren toen al aan het dichtgroeien en het maakte echt niets meer uit of er hier en daar wat weggehaald werd of dat er een paar aquaria minder in de sloot werden geleegd. Maar het leuke was dat de natuur zelf effectief heeft ingegrepen, goed verwoord door Heimans en Thijsse: ‘de overweldigingskracht was uitgeput’.

De brede waterpest staat inmiddels op de rode lijst, maar op de smalle waterpest zijn nog allerlei beleidsregels voor invasieve exoten van toepassing. Dat zal natuurlijk geen enkel effect hebben. Er is bijna geen plek te vinden waar zich de plant niet bevindt en hier en daar iets weghalen of voorkomen dat iemand een paar aquariumplanten in het water gooit, zal een druppel op een gloeiende plaat zijn.

In de ambtelijke fantasie wordt gedaan of de natuur regelbaar is. Maar helaas: als het hek van de dam is, kan zelfs de beste ambtenaar vrijwel niets meer uitrichten tegen de invasie. In de werkelijke natuur moet de natuur het werk zelf doen. Bij de brede waterpest is dat in een jaar of 60 gelukt. Hoe lang het bij de smalle waterpest zal duren, weten we niet. 

Bij veel invasieve exoten stelt de natuur tenslotte zelf grenzen aan de ‘overweldigingskracht’, bijvoorbeeld door toename van natuurlijke vijanden zoals watervogels die leren rivierkreeften te verorberen of schimmels die de Amerikaanse vogelkers aanvallen. Langzaam maar zeker worden de exoten, als zij uitgeraasd zijn, deel van onze natuur. Ingeburgerde exoten zijn geen exoten meer.

Een paar bronnen

A.P.C. Bijhouwer, De Zegetocht van de waterpest, Levende Natuur, 38e jg., okt. 1933, 188-184

A.P.C. Bijhouwer, De achteruitgang van de waterpest, Levende Natuur, 42e jg., okt. 1937,  186-188

Alle oudere nummers van de Levende Natuur zijn beschikbaar op https://www.dbnl.org/titels/tijdschriften/tijdschrift.php?id=_lev013leve01

E. Heimans, J.P. Thijsse, In Sloot en Plas (8e druk), Ploegsma, Amsterdam 1950: p. 89-95 (waterpest). De eerste druk uit 1895 is te downloaden op https://books.google.nl/books?id=_WOEEy6umvcC&printsec=frontcover&hl=nl&source=gbs_ge_summary_r&cad=0#v=onepage&q&f=false 

Floron, Rode Lijst Vaatplanten 2012, https://www.floron.nl/publicaties/rode-lijst-2012

NVWA, Unielijst invasieve exoten, https://www.nvwa.nl/onderwerpen/invasieve-exoten/unielijst-invasieve-exoten

NVWA, Factsheet Smalle Waterpest, https://www.nvwa.nl/onderwerpen/invasieve-exoten/documenten/plant/planten-in-de-natuur/exoten/risicobeoordelingen/factsheet-smalle-waterpest

Dank

Met dank aan Jeannette Teunissen, die mij op het idee bracht deze blog te schrijven en mij inlichtte over de aanwezigheid van brede waterpest op de rode lijst, wat ik eerst niet geloofde. Ik ben vooral geïnspireerd geraakt door haar verhalen over de schimmels die op invasieve soorten als de Amerikaanse vogelkers te vinden zijn en een bijdrage kunnen leveren aan het in toom houden van zulke exoten. 

Zij is op geen enkele manier verantwoordelijk voor de inhoud van dit verhaal.

Dank ook aan mijn al geruime tijd overleden vader, die mij op 27 november 1959, toen ik in het ziekenhuis van een operatie lag te herstellen, het boek In sloot en plas cadeau gaf, een belangrijke bijdrage aan mijn ontwikkeling als amateur-veldbioloog. Dat ik nog eens uit dit boek zou citeren, had ik niet verwacht. 

P.S.

Nog even een voorbehoud bij dit verhaal: bij snelle lezing ervan zou je kunnen denken, dat ik blij ben met alle invasieve exoten en dat je er niets tegen zou moeten doen. Natuurlijk zie ik in dat veel van die exoten voor problemen en soms grote problemen zorgen. Soms moet je ook maatregelen nemen zoals tegen de muskusrat die onze dijken vernielt. Maar vaak kan je niet echt veel doen en zal je met de indringers moeten leven. Bestrijding is vaak bijna onmogelijk, maar er is een lichtpuntje aan de horizon: soms grijpt de natuur zelf in, zoals uit dit ongelooflijke verhaal over de waterpest blijkt: de exoot die op de rode lijst terecht kwam. 

____

 

 

 

Stilleven

Stilleven

Het stilleven is een belangrijk onderdeel van schilderkunst uit verschillende tijdperken en is ook als thema de fotografie binnengedrongen. In de zeventiende eeuw was een stilleven vooral een exercitie waarbij schilders hun vaardigheden in het weergeven van nuances in stofuitdrukking bij verschillende belichting konden laten zien. Bloemstukken en jachtstukken waren toen populair, maar soms hadden die stillevens een diepere symbolische betekenis zoals bij een ‘memento mori’ met symbolen als schedels, uitgebrande kaarsen en tikkende klokken. 

Ook voor een fotograaf is het een manier om zijn vaardigheid in het omgaan met belichting en het weergeven van verschillende oppervlakken te testen, nog los van de mooie symbolen die hij er ook mee kan uitdrukken. Toen ik in het kader van een fotocursus de opdracht kreeg, een serie stillevens met maximaal drie voorwerpen in wisselende opstelling en met wisselende belichting te maken, ben ik naarstig op zoek gegaan naar drie voorwerpen waarmee ik iets kon. Ik zocht naar glimmende metalen, doorzichtige glazen en ruwe stenen voorwerpen, maar als ik ze bij elkaar legde, zeiden ze mij niets. Mijn mannetjes van kurkentrekkers, glazen potjes en eierdopjes bleven niet meer dan toevallig bij elkaar gelegde troep. 

Gevonden voorwerpen

Op de mooie beeldententoonstelling van Miró in Scheveningen  zag  ik hoe hij vaak van een beperkt aantal op het eerste gezicht niet meteen bij elkaar passende voorwerpen heel sprekende en wonderlijke beelden kon maken. Ik raakte onder de indruk van de manier waarop hij zijn werkwijze beschreef in de documentatie van het museum. Toen hij die beelden maakte, woonde hij op Mallorca en raapte tijdens lange strandwandelingen allerlei voorwerpen op, stukken van oude meubelen, het gereedschap van de schoenmaker en nog veel meer. Dan liet hij ze dagen of weken op de vloer van zijn atelier liggen en keek of hij zag welke voorwerpen bij elkaar hoorden. Zo ontstond een prachtig beeld van een omgekeerde stoel met schoenleesten op de vier poten. Je moet het maar zien. 

 

Natuurlijk beeld ik mij niet in een vergelijkbaar artistiek niveau te kunnen bereiken, maar ik heb er wel iets van geleerd.  Op een tafel in mijn werkkamer liggen al zeker tien jaar de tijdens strandwandelingen opgeraapte voorwerpen. Ik gooi ze niet weg, want ik ben eraan gehecht. Ik koos er drie mooie uit, alle drie met mooie natuurlijke kleuren, maar wel met heel verschillende oppervlakken: een gladde en zware grijze steen, een bruinige zeeslak met mooie gedraaide vormen en een vrij licht gekleurde sterk geribbelde schelp van een oester.

Combinaties

Ik kon er zonder problemen veel combinaties mee maken: sommige met de zware steen onder en daarop eerst de oester en dan de slak. Bij andere ligt de steen juist boven op de oester. Sommige opstellingen zijn niet erg stabiel, maar ze blijven staan zonder gebruik van lijm of plakband. Mijn eerste poging was met kunstlicht, maar ik was niet tevreden over het beperkte spectrum met veel te veel geel. Ik besloot daglicht te gebruiken, maar toen plotseling de zon ging schijnen, zag ik dat ik zachter licht nodig had en zeker geen scherpe schaduwen. Ik verplaatste de opstelling naar een raam op het Noorden, zodat ik bij het zachte noorderlicht, in de traditie van de Nederlandse schilders uit de gouden eeuw, beelden met een mooie zachte schaduw kon maken met een goede maar niet overdreven nadruk op de oppervlaktestructuren door het zachte strijklicht van links.

De achtergrondkleur

Als achtergrond gebruikte ik dik donkerrood gekleurd karton dat ik toevallig had liggen. Het geeft mooi stemmige beelden, maar ik vroeg me wel afof het er niet beter uitgezien had met een achtergrond in een andere kleur. Ik heb even een paar testfoto’s gemaakt. 

Blauw is wel mooi, maar niet echt mooier dan donkerrood. Groen en wit lijken helemaal niet goed, maar de zwarte achtergrond vind ik wel mooi. Misschien hier nog eens verder mee werken.

Maar als je je vooral op de vormen en de structuur van de oppervlakten wilt concentreren, dan lijkt een zwart-witfoto geen slechte keuze. De kleur leidt dan alleen maar af.

Zie ook deze blogs:

Eenvoudige foto’s 

Landschapsfoto’s 

Technische details

Bovenstaande fotocollage heb ik met Microsoft Publisher gemaakt door hier vijf foto’s van de juiste afmeting in te plakken.  Het resultaat is een foto van 70x50cm die in een grote Ikea-lijst past. 

Alle foto’s heb ik gemaakt met een Nikon D610 full-frame camera.
Instelling met diafragma voorkeuze f/16 en ISO 200. 24-85 mm zoom objectief op rond 70 mm. Zacht daglicht door het raam van links, resulterende sluitertijden van rond 1/3 seconde. Opname op statief met IR afstandsbediening.

Nabewerking met LightRoom, vooral kleine correcties in de belichting en kleurtemperatuur naast het uitsnijden in de gewenste formaten.