Het stinkende bos

Paddenstoelen zijn soms heel mooi gekleurd en gevormd. Toch hebben ze iets onaangenaams. Het zijn de zichtbare verschijningsvormen van onzichtbaar in de onderwereld levende wezens, de schimmels. Maar leven ze eigenlijk wel, deze organismen die vaak niets anders doen dan wat van levende wezens over is op te ruimen zodat hun bestanddelen weer in de grote stofkringlopen worden opgenomen? Sommige schimmels zijn onmisbaar in de stofwisseling van levende wezens. Veel bomen kunnen zonder de samenwerking met schimmels niet overleven. Maar er zijn ook schimmels die geen samenwerking zoeken maar de bomen genadeloos aanvallen totdat die het loodje leggen. Vervolgens ruimen ze deze dode bomen vakkundig op. 

Heksen, duivels en rottend vlees

Het is niet toevallig dat paddenstoelen vaak in verband worden gebracht met wezens uit de sprookjeswereld of met duistere kanten van geloof en bijgeloof. De grote kringen van paddenstoelen zoals bijvoorbeeld nevelzwammen worden heksenkringen genoemd. Veel paddenstoelen zien er in een vroeg stadium als een bol uit. De hele paddenstoel zit hier goed verpakt in totdat zie met grote kracht bovenuit deze bol schiet en dan in korte tijd zijn uiteindelijke lengte bereikt. Deze bollen lijken wel wat op eieren. Ze worden meestal hekseneieren of duivelseieren genoemd. De in ons land algemene grote stinkzwam begint als zo’n mooi duivelsei. Zodra dit ei uitkomt, begint het vreselijk te stinken naar rot vlees.

Over die duivelseieren bestonden in de afgelopen eeuwen de vreemdste verhalen. Zij zouden bijvoorbeeld groeien uit de lijkjes van overleden weeskinderen en daarom naar rot vlees ruiken. In een verhaal uit Friesland gaat het om een vrouw die steelt (‘haar handen zitten los’). Als straf krijgt zij een baby die een hand mist. Zij bindt de arm van de baby af met een doek. Als dan de baby sterft, begraaft zij het kind met de doek nog om de arm. Dan groeit de arm van het baby-lijkje steeds weer boven de grond uit. De arm is verrot en daarom komt er een vreselijke lucht vanaf. Volgens dit verhaal is zo de stinkzwam ontstaan. 

Zo zijn er honderden verhalen waarin paddenstoelen in verband worden gebracht met allerlei elementen uit de wereld van kabouters, heksen, trollen en duiveltjes, maar zeker vanaf de zeventiende eeuw was er steeds meer oprechte wetenschappelijke belangstelling voor de natuur, inclusief paddenstoelen. 

Dr. Junius geeft de stinkzwam een naam

De medicus, dichter en filosoof Dr. Hadrianus Junius (Adriaen de Jong) publiceerde in 1564 een uitvoerige beschrijving van de grote stinkzwam van duivelsei tot en met volgroeide ‘Phallus’. De benaming phallus lijkt van hem en niet van de latere Linnaeus te stammen. In de Latijnse tekst van 1564 wordt expliciet gerefereerd aan ‘de eikel van het mannelijk lid’ en het feit dat het bij openbarsten van het ei overblijvende omhulsel ‘de aanblik van een scrotum nabootst’. Junius had er wel problemen mee dat er geen paddenstoelachtige hoed op de steel zit en vraagt zich af of dit wel een paddenstoel is. Merkwaardig is dat hij niet eenvoudig zegt dat de paddenstoel op een mannelijk lid lijkt, maar de keuze voor het woord phallus baseert op de gebruiken tijdens de Dionysische processies in het oude Griekenland: “Deze naam is ingegeven door de gelijkenis met het voorwerp van leer of vijgenhout dat men in het heidendom placht mee te voeren tijdens de viering van heilige mysteriën – rituelen die bekendstonden als Phallagogia, waarbij het bijgeloof de Phallus en de Ithyphallus vereerde.” Dr. de Jong kon dus eenvoudig over gebruiken in het oude Griekenland schrijven en hoefde daarbij het mannelijk lid niet direct bij zijn naam te noemen. 

Plaatjes uit het geschrift van Junius

Ergens schrijft Junius: “Overigens, of onze Phallus onder de klasse der zwammen moet worden opgenomen, zou ik niet als zeker en uitgemaakt durven bepalen, daar ik geen oordeel wil uitspreken
voor dat van anderen die daarvan meer verstand hebben”. Dat onze geleerde uit de zestiende eeuw niet wist of dit nu echt wel een paddenstoel was, kunnen wij hem niet kwalijk nemen. Om iets van paddenstoelen – schimmels dus eigenlijk – te begrijpen, moet je de sporen kunnen onderzoeken. Het zou nog honderd jaar duren voordat Anthonie van Leeuwenhoek een microscoop ontwikkelde met een vergroting van 200x. Maar zelfs die vergroting is niet genoeg om individuele sporen te kunnen zien. Daarvoor is toch zeker 400x nodig.  Junius zag de draden waaraan de stinkzwam (of het duivelsei) vastzit nog als een soort wortels. Hij schrijft over het ‘ei’: 

“… …. bevindt zich een kleine, witte, ronde massa die qua uiterlijk en witheid doet denken aan een handbal of een bolgewas; daaronder bevindt zich een gespleten streng of dubbele vezel die als wortel dient en waarmee de plant (naar ik vermoed) sap opzuigt.”

Schimmeldraden waren vóór de tweede helft van de 17e eeuw nog niet bekend (Anthonie van Leeuwenhoek rond 1675 en Robert Hooke 1665).

Dank voor Stank

Iets meer dan driehonderd jaar na het verhaal van Junius publiceert de aartsvader van de ‘natuursport’ Eli Heimans in De Levende Natuur van juli 1898 een wonderlijk verhaal over de Stinkzwam met de titel ‘Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant’. Uit het verhaal blijkt dat de stinkzwam nog tamelijk onbekend was in die tijd. In het artikel schrijft Heimans: “… de plant is vrij zeldzaam”, wat waarschijnlijk ook aan het eind van de negentiende eeuw niet klopte. Heimans beschrijft het tafereel van gasten van de uitspanning ‘De Spoolderberg’ die nog steeds als Uitspanning ‘Het Engelse Werk’ bestaat) die niet blij waren met de stank van zijn vondst: 

“Ik maakte zonder erg de plantenbus open, om mijn merkwaardige vondst eens te laten bewonderen, en vertoonde de zwam; maar daar had je ‘t gaande. ‘Er uit met dat ding! Gooi weg! Menschen, kinderen, wat een stank!’ Allen knepen de neus dicht. Ik moest de kamer uit met mijn vondst; al toonde ik aan, dat de plant nog frisch was; en al beweerde ik ook, dat de stank geen werkelijke stank was, doch slechts een wonderbaarlijke nabootsing van de aaslucht, waardoor de aaskevers, die de
sporen moeten verspreiden, worden aangelokt… het
hielp niet.”

Waardering van de gasten van de uitspanning kreeg hij niet. Hij besloot zijn mooie vondst maar per Van Gend en Loos aan zijn vriend Thijsse te zenden. Die was er niet echt blij mee zoals uit zijn dankbetuiging bleek: 

“De volgende dag had ik bericht van Thijsse met dankbetuiging voor mijn welwillendheid, om hem iets te laten zien en ruiken, wat hij nooit gezien of geroken had, een dankbetuiging, vervat in de volgende bewoordingen: ‘Wat bezielt je toch, om mij zoo iets in huis te sturen; mijn vrouw en kinderen vlogen de kamer uit, toen ik ‘t kistje open maakte. De zwam was nog heelemaal gaaf, maar ik heb hem terstond een halve meter diep in de grond begraven met het kistje er bij. Ik ben nog misselijk. Als je weer zoo iets hebt, houdt je ‘t maar in Zwolle, of zet het zelf op spiritus.’ Ik heb zeker niet noodig te zeggen, dat Stinkzwam, de Hollandsche naam voor deze paddestoel, een zeer toepasselijke naam is.”

Stank als natuurwonder

Eli Heimans citeert bovenstaand verhaal nog eens een paar jaar later in zijn publicatie uit 1906: Wandelen en waarnemen, schetsen uit het leven van planten en dieren. Hoofdstuk 20 is helemaal aan de stinkzwam gewijd. Heimans raadt ons aan om niet meteen weg te lopen als we die misselijk makende stank ruiken, maar juist op onderzoek uit te gaan. Als we de afkeer van de stank overwinnen, wordt onze kennis van de natuur alleen maar rijker. 

“Neen, loop eens niet door, waarde wandelaar. Blijf staan op de plaats, waar u de stank het sterkst, het onverdragelijkst lijkt; doe dat een enkelen keer ter wille van de uitbreiding van uw kennis der natuur, die juist daar een merkwaardigheid rijker kan worden.”

Iets verder in het hoofdstuk schrijft hij: 

“En het malle van de geschiedenis is, dat ge onwillekeurig ruiken gaat, opzettelijk ruiken. Met genoegen nu nog wel niet, maar ook niet meer met die walging van zooeven. De afkeer vermindert opeens zoo sterk, denk ik, omdat wij door de wetenschap, dat dit vreemde voorwerp het ‘m doet, gerustgesteld zijn. Er ligt geen doode hond te rotten, geen lijk te midden van nog viezer onguurheden. We hebben hier, dat zegt ge u zelf, zonder woorden misschien, met een kunststank te doen, met een natuurwonder”.

 

Inheemse en invasieve stinkerds

Inmiddels is het herfst 2026 en de grote stinkzwam is weer hier en daar te ruiken en als je dan kijkt zie je de phallus impudicus trots omhoog gericht staan te stinken met de onvermijdelijke vliegen op zijn eikel. Als je geluk hebt, zie je dan nog mooie duivelseieren in de buurt, maar dat had ik nog niet bij deze paddenstoel.

Meer geluk had ik bij een sterk verwante paddenstoel die weliswaar geen overeenkomsten heeft met het mannelijk lid, maar wel lekker kan stinken, de fraaie inktviszwam, een stinkzwam die weer als duivelsei begint, maar als die openbarst komt er geen rechte steel uit maar een aantal armen zodat hij sprekend op een inktvis lijkt. Niet ver van mijn inheemse grote stinkzwam stond een paar dagen geleden het bos vol met duivelseieren en inktviszwammen, een fraai gezicht. Het is een invasieve soort uit Australië die zich langzaam maar zeker door Nederland verspreidt. In ieder geval voor het oog een aanwinst.

Inkviszwam. Links een duivelsei dat net uitkomt

____

 

 

Geraadpleegde literatuur

Hadrianus Junius, het originele Latijnse werk uit 1564 (PHALLI EX FVNGORVM GENERE IN HOLLANDIÆ fabuletis paſsim crefcentis descriptio, HADRIANO IVNIO Medico auctore, 1564) en grote gedeelten hiervan overgenomen in hoofdstuk 15 van zijn grotere publicatie Batavia uit 1588:   Hadrianus Junius, Batavia. Franciscus Raphelengius, Leiden / Plantijn, Antwerpen 1588. Ik heb vooral (uitstekende!) vertalingen door Google Translate gebruikt. Daarnaast is er een groot deel van het werk uit 1564 vertaald door een zekere Dr. A.H. Garrer voor het blad Levende Natuur van november 1906. De werken van Junius zijn via Google books en andere bronnen op internet te vinden. 

M. Greshoff, ‘Een natuurhistorisch Document der 16de eeuw’,  De Levende Natuur, November 1906.  Op dit artikel volgt de vertaling van een groot deel van het boek van Junius uit 1564 door Dr. A.H. Garrer. Het artikel zegt over de weglating van kleine gedeeelten: “Hem danken
dus de lezers van De Levende Natuur dat zij eene getrouwe overzetting (echter met weglating van eenige niet voor dit tijdschrift geschikte zinsneden) dezer allereerste beschrijving van Phallus voor zich zien, verlucht met de afbeeldingen van den stinkzwam, die Dr. H. Junius liet ontwerpen door den beroemden schilder Maerten van Heemskerck
(1498-1574)… “. Het lijkt alsof een directe verwijzing naar het mannelijk geslachtsorgaan het tijdschrift iets te ver vond gaan.

Eli Heimans, ‘Na een onweder in een park, en een zonderlinge plant’, in De Levende Natuur, juli 1898

Eli Heimans, Wandelen en waarnemen, schetsen uit het leven van planten en dieren, 1906

Volksverhalenbank van de Lage Landen, ‘Hoe ‘t de Stjonkswam der kommen is’, een verhaal uit Friesland. Te vinden op https://www.verhalenbank.nl/items/show/14634

 

______________

 

 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *