Wulpen tellen

Slaapplaatstelling

Op een avond op het eind van februari heb ik Petra verleid om een keer mee te gaan met wulpen tellen in de Munnikenpolder. We staan er ruim een half uur voor zonsondergang. Het is vervelend koud. Petra helpt me eerst even de grutto’s te tellen. Er staan er al honderd in het water. Bij het late middaglicht zonder telescoop kan ik de  IJslandse niet van de gewone soort onderscheiden. Ik probeer het ook maar niet. Er zitten hier en daar groepjes scholeksters en er vliegen af en toe wat kieviten. Eerst landen er een paar wulpen niet ver van de scholeksters en grutto’s. Een tijdje gebeurt er niet veel. Dan opeens wordt het menens. Iets voor zonsondergang vallen er groepen van honderd of meer wulpen uit de lucht.

Op een bepaald moment komt er al een tweede groep als ik de eerste nog niet genoteerd heb. Snel gaat de teller van 300 naar 600 naar 1000 en meer. Ik reken het niet eens meer uit. Ik kijk thuis wel naar mijn notities. Het blijft een bijzondere ervaring: gigantische hoeveelheden wulpen dwarrelen naar beneden. Een collega vogelaar helpt ons nog met de registratie van de aanvliegende wulpenwolken. In de plas neemt het vriendelijke wulpengeluid voortdurend toe in sterkte. Op de achtergrond maakt het verkeer voortdurend dezelfde geluiden: autobanden op beton, ronkende vrachtwagens, optrekkende motorfietsen en af en toe een sirene van hulpdiensten. De rode verlichting van het benzinestation wordt steeds beter zichtbaar tegen de steeds donkerdere lucht. Van de molens in de polder blijven tenslotte alleen silhouetten over, waar af en toe zwermen wulpen langs vliegen. Iets na zonsondergang – er zijn misschien 20 minuten voorbij sinds de eerste zwerm – wordt alles rustig met uitzondering van het verkeerslawaai van de A4.  Eindresultaat 100 grutto’s, 1650 wulpen (topresultaat), 160 scholeksters en 85 kieviten. Kemphanen waren er ook deze avond niet bij. Die komen misschien nog.

Twee groepen wulpen

Voordat ik vorig jaar met de slaapplaatstelling begon, kende ik grote troepen wulpen alleen van Texel. In de winter zag ik duizenden wulpen bij de Schorren en bij de verschillende plasjes achter de hoge waddendijk, bijvoorbeeld bij Dijkmanshuizen.

Tijdens de slaapplaatsentelling tellen we wulpen die een tussenlanding maken op hun reis van hun overwinteringsgebied (Zuidwest Europa, Engeland) naar hun broedgebied in Duitsland, Skandinavië en Rusland. Een enkele wulp gaat in Nederland broeden, maar dat zijn er helaas niet veel meer, totaal niet veel meer dan 4000 paren. Oorspronkelijk broedden de Nederlandse wulpen in heide- en duingebieden, maar daar zijn ze weggetrokken richting landbouwgronden, waar ze nu sterk bedreigd worden door de effecten van intensivering van de landbouw.

 

 

Een kleine terugblik: 1904

Samen met de andere weidevogels kievit, grutto, scholekster, tureluur, kluut en kemphaan vormt de wulp het zevental van de ‘gewone’ Nederlandse weidevogels.  In het ‘Vogeljaar’ (1904) schrijf de bekende Jac. P. Thijsse:

"De lucht is vol van leeuwerikenzang en 't riet weergalmt van rietzangers en karekieten. Maar boven alles uit klinkt het geroep en gejodel van de kleine steltloopers, van kievit en tureluur, grutto en scholekster.  Voeg hierbij nog de wulp, de kemphaan en de kluit, dan hebt ge een zevental vogels van den eersten rang, vogels, die ieder Nederlander behoort te kennen, want zij bevolken niet alleen onze weilanden in de polders, maar ook in de duinen en op de hooge hei moet gij ze ontmoeten: overal waar maar uitgestrekte, vochtige plekken in hun levensonderhoud kunnen voorzien."

Uit: Het Vogeljaar (1904)

Helaas klopt het door de oude Thijsse geschilderde beeld niet meer helemaal. Die uitgestrekte vochtige plekken zijn zeldzaam geworden en in veel  weilanden en polders klinkt het ‘gejodel’ niet meer. Dat is natuurlijk de trieste achtergrond van onze tel-expedities.  Eens was de wulp een uiterst algemene vogel en stond bij menigeen als lekker wild op het menu.

Een kleine terugblik: 1800

Het is in dit verband wel eens leuk om de eerste serieuze vogelgids van Nederland te raadplegen: de Nederlandsche Vogelen van honderd jaar vóór de uitgave van het Vogeljaar. De eerste pagina van de tekst van het verhaal over de wulp heb ik hieronder weergegeven. In dit rond de wisseling tussen de 18e en 19e eeuw uitgegeven werk wordt de wulp een ‘graeuwe wulp’ genoemd met de niet helemaal juiste naam Numerius major.  De juiste naam is Numerius arquata. Merkwaardig genoeg gebruikt een belangrijke bron van dit vogelboek, het in het Latijn geschreven De Avibus van Gesneri uit 1551 (!) wel de juiste naam. In de tweede alinea van het onderstaande verhaal maakt Nozeman het wel heel bont, als hij in een voetnoot bij de Kievitverwige Wulp naar de  zwarte Ibis verwijst in hetzelfde De Avibus. Een Ibis is nooit een wulp geweest, ook niet in 1800. Met de ‘kleinste der drie soorten’ bedoelt hij zeker de regenwulp, toen blijkbaar ook slijkwulp genoemd.

Noot: de tekening in het peperdure boek van Nozeman & Sepp is ronduit slecht. Een App als Obsidentify twijfelt tussen ‘grutto’en  ‘beflijster’. Beter gaat het bij die oude prent van Gesneri: daar geeft de App ‘wulp’ met een kans van 96%.

Op de volgende bladzijde, hieronder niet weergegeven, staat onder ‘AENTEKENINGEN’ nog het volgende vermeld:  “Van der Wulpen vleesch wordt by sommigen zeer veel werks gemaekt, en men moet het, zeker, onder het smakelykst wild gevogelte tellen, wanneer de vogels niet boven het jaer oud zyn”. Goed om te weten: geen oude wulpen serveren!

Eerste pagina van: GRAEUWE WULP in Nozeman en Sepp, Nederlandsche Vogelen (1770-1829)

Aen onze Riviermonden, op de slyken van 't Bergsche Veld; langs onze stranden, en op onze Eilanden, doch nergens, mynes weetens, meer dan op het Koegras (omstreeks de Helder,) op Wieringen, en aen de Wieringer waerdt, ontmoet men deeze Vogelen. lk kenne van dezelve drie onderscheidene soorten, waer van 'er twee in grootte elkanderen omtrent evenaeren, hoewel zy zeer aenmerklyk de eene van de andere in koleursel van gevederte verschillende zyn; en waer van de derde merklyk kleiner dan deeze twee van gestalte is, koomende anders deeze kleinste in koleuren nae genoeg over een met den gewoonen of Graeuwen Wulp, van welken de nevenstaende Plaet de afbeelding geeft.

De Kleinste der drie soorten van WULPEN is de SCOLOPAX, Phaeopus, van LINNÆUS ... , en de FALCATOR, Numenius minor van KLEIN. Sommigen geeven aen deeze soort den naem van Slykwulp, ofschoon zy niet meerder dan de twee grootere soorten aen de Slyken, Plaeten en Ondiepten gehecht is. De zeldzaemst voorkoomende van de drie is de Bruin-Groene of Kievitverwige Wulp; van den welken wy hierom, als van een' min bekenden Vogel, eene afzonderlyke Plaet en Beschryving zullen geeven; besluitende ik, dat hy, schoon een zeldzaemer, echter zoowel als de anderen een Vaderlandsch voorwerp is, omdat hy ter zelfder tyden, in het voorjaer, in den zomer, en in den herfst, met en onder de graeuwe Wulpen vliegende, en aen de slyken en stranden huishoudende, gevonden wordt.

Alle drie de soorten zyn naementlyk meest bepaeld aen deeze ondiepe plaetsen; als op en in dewelken zy gewoon zyn gereedelyk genoeg het leevens onderhoud te vinden. 
Zy aezen op de Pieren en andere zee-insekten, op kleine Wulken en Aliekruiken, en op allerleye dungeschelpte Mosseltjens en Schelpvisschen, van de welken de ZUIDER-ZEE, inzonderheid, eene zeer ruime voorraed oplevert.

Geraeken de Wulpen, by storm en hooge vloeden, meer binnenslands, dan lyden zy, aen de moerassen, dobben, en slootkanten geen gebrek; Want de Waterslekken, Bloedzuigers, Kikvorschen, en allerlye gewormte, welken zy aldaer aentreffen, strekken hun tot voedsel; waerop zy nogtans zoo niet verlekkerd worden , dat zy vergeeten, de buijen voor hun gunstiger bedaerende, wêer buiten af te trekken, om aen de slyken der riviermonden en by de zeekanten hun verblyf te gaen houden. Eens heb ik ze, by harden wind, in verbaezende menigte samengeschoold aengetroffen aen de schier nooit bezochte Dobben midden in dat breeduitgestrekte Duin achter Schorel; en zy koomen, in zulke zelfde ge!eegenheden, meermae!en in eenig aental op de landen van de Wieringerwaerdt en Zype. Ook vindt men hen, doch schaerscher , by ruuw weeder en in den herfst, tot in het hart' van Zuid-Holland. Hunne aftocht naer binnenslands heeft, misschien, de aenleiding gegeeven tot het houden van deeze Vogelen voor eene soort van Onwêer- of Storm-Wyzers; even gelyk ook de samenrchooling van de Zee-Meeuwen binnen in onze polderen voor een' voorbode wordt aengezien van harden Wind en sleght weeder.

Wonderlyk welgeschikt is het gestel der WULPEN naer hunnen verordenden Leevensstaet. Zy zyn niet alleenlyk eene soort van STELTLOOPERS, bekwaem om zonder hinder genoegzaem te kunnen waeden, ten einde van onder het water op kleine diepten hun aes te loopen ophae!en; maer hunne Nebben zyn ook sterk en zeer lang, en als eene zeissen voorwaerts over geboogen, opdat zy des te gemaklyker den door het water toegeslagen grond zouden kunnen openbreeken, en alzoo alle soort van aes, die kort onder des gronds oppervlakte zit opgeschoolen, van daer mogen haelen. Zij zun in dit geval by hetgeen de vermaerde en eveneens gebekte IBIS vogelen zijn in Egypten. Zeer vaerdig weeten zy , by versch-opgeworpen hoopjens, de Pieren, en de kleine, luchtbellen uitgeevende, ronde gaetjens op de Slyken en Banken, de schelpvischjens te betrappen. Dit uitgeeven naementlyk van luchtbelletjens weeten zy een teken te zyn, dat 'er leevend aes voor hun onder de oppervlakte schuilt, waerom zy 'er (blyven ze ongestoord) niet van daen zullen vliegen, voor en al eer zy tot in de verblyfkamer zelf van 't diertje doorgedrongen zyn, waer toe de sterkte en lengte hun' kromgeboogen bek hun wonder wel te stade komt.

Op de stranden ook blykt hunne vaerdigheid, by 't omhaelen van aengespoelde Wierhoopen en andere flabben; onder dewelken zeer dikwils eene menigte van Zeepissebedden gewoon is zig op te houden: Deezen zyn mede een geliefd aes voor onze Wulpen: Maer zoodrae worden die veelpotige insekten niet gestoord en ontbloot, of zy weeten, halfspringende en in bochten en draeijen voortspoedende, zig in zeer korten tyd t'zoek te maeken: Dan, de Wulpen weeten met genoegzaeme snelheid toetepikken, en 'er een goed gedeelte van te verslinden.

Een paar bronnen

Nederlandsche vogelen van Nozeman en Sepp, op https://www.kb.nl/ontdekken-bewonderen/topstukken/nederlandsche-vogelen#toc-bekijk-nederlandsche-vogelen-online

Conrad Gessner, Historiæ  animalium, rond 1551, hieruit Liber III – De Avibus: https://www.biodiversitylibrary.org/bibliography/125499

Jac. P. Thijsse. Het vogeljaar(1904)
Nederlandsche vogels in hun leven geschetst, de weidevogels op https://www.dbnl.org/tekst/thij015voge01_01/thij015voge01_01_0016.php

SOVON, Wulp – verspreiding en trends, https://stats.sovon.nl/stats/soort/5410

De wulp beter beschermen met geactualiseerde kennis, Vogelbescherming 20 juni 2021, https://www.vogelbescherming.nl/actueel/bericht/de-wulp-beter-beschermen-met-geactualiseerde-kennis

Factsheet Wulp, https://www.vogelbescherming.nl/docs/0423ffa4-3c01-4067-a261-408d46663187.pdf?_ga=2.8085746.1781668092.1623654047-491902239.1596535754

Curlew conservation, RSPB, https://www.rspb.org.uk/birds-and-wildlife/wildlife-guides/bird-a-z/curlew/conservation/

Eerdere blogs:

Campinghaan en wulpenslurf april 2022

Voor donker naar bed februari 2022

Vogelvrije duinen

Excursie naar Ganzenhoek (11 februari 2023)

Rond een uur of negen rijd ik het parkeerterreintje tegenover het Fletcher-hotel Duinoord op. Er staan zeker al 50 auto’s, voornamelijk voor hondentransport van het rijtjeshuis in Voorschoten of de villa in Wassenaar naar de Ganzenhoek. In deze waterleidingduinen kunnen de troeteldieren hun ontlasting kwijt en tot vervelens toe achter een balletje aan rennen dat de baasjes met speciaal gereedschap over het duinpad laten stuiteren. Terwijl nieuwe honden worden aangevoerd worden de honden van een uur geleden alweer ingeladen. Dan komen er twee auto’s aan helemaal volgeladen met vogelaars van de KNNV vogelwerkgroep Leiden,  hierheen gelokt met verhalen over kuifmezen, glanskopmezen, zeldzame vinken en bijzondere eenden.

Nauwelijks vogels

Met z’n elven lopen we het mooie gebied in. Regelmatig staan we stil om de zeldzaamheden een kans te geven zich aan ons te laten zien, maar dat doen ze niet. We moeten tevreden zijn met heel wat koolmezen, een paar pimpelmezen en vinken. Heel in de verte lijkt een troep kramsvogels langs te vliegen. In het water zien we naast meerkoeten, kuifeenden en een paar wilde eenden wel een dodaarsje, maar geen grote zaagbekken of bijzondere futensoorten. In het bos wordt wel een goudhaantje gezien, maar daar blijft het bij. Ver in de lucht vliegen de onvermijdelijke aalscholvers en blauwe reigers. Leuk is de buizerd die nog even in een boomtop gaat zitten. Daar moeten we dan mee doen.

Af en toe spreken we hondenbezitters aan op hun niet aangelijnde honden. Sommige reageren sympathiek. Anderen mompelen iets als: “Ja, dat weet ik dat het hier niet mag”, en lopen onverschillig door zonder verdere reactie, misschien maar goed ook, want je zou niet willen dat ze zo’n pitbull op je afsturen.

Het lijkt wel of de vogels uitgestorven zijn. Heel af en toe hoor je een vaag piepgeluid hoog in de boom. Niemand weet dan wat het is, behalve de app van Arthur die via een microfoon op zijn mobieltje naar vogelgeluiden luistert en dan op het schermpje toont wat hij hoort. Af en toe verschijnt er ‘goudhaantje’, maar vaker nog ‘zwarte kraai’ op zijn schermpje. Eigenlijk ook wel rustig. Ik  ben wel op vogelexcursies geweest waarbij de rust systematisch werd verstoord door spannende soorten, achtereenvolgens wordt er geroepen: “groenpootruiter”, “geoorde fuut”, “zomertaling”, “kleine zilverreiger”. Om gek van te worden. Dat is geen ontspanning. Dat is stress. Daar hadden we nu zeker geen last van.

Geen stress!

Ook geen stress tijdens de ingelaste koffiepauze in ‘Duinoord’. Niets was bijzonder. De iets te koude appeltaart stak in niets uit boven wat er in duizenden andere gelegenheden wordt geserveerd. En de koffie was niet te sterk en zeker niet te warm. 

Na nog een klein ommetje aan de andere kant van ‘Duinoord’ (waar we wel in de verte een ree ontwaren en leuke kleine mosjes en paddenstoeltjes op de grond zien, maar geen enkele vogel van betekenis), gaat ieder weer naar zijn vervoermiddel. Tegelijkertijd worden er veel Bello’s, Maxen, Bobby’s, Bonnies (en hoe al die beesten ook mogen heten) ingeladen op weg naar een rustige zaterdagmiddag thuis.

____

 

Ulvene fra Evighetens Skog

De wolven uit het bos der eeuwigheid

Denne teksten på norsk

Grote thema’s

Voor mijn verjaardag kreeg ik van Hans het laatste boek van Knausgård, dat zijn titel ontleent aan een wat ooit de Russische dichteres Tsvetaeva (1892-1941). schreef:

Uansett hvor mye du mater ulven, vil den alltid se mot skogen. Vi er alle ulver fra evighetens skog (Hoeveel je een wolf ook te eten geeft, hij zal altijd naar het bos blijven kijken. Wij zijn allemaal wolven uit het bos der eeuwigheid). 

Dit citaat verwijst al naar een van de grote inhoudelijke thema’s van het boek: het wezen van leven en dood, het verlangen naar en mogelijkheden van onsterfelijkheid en wederopstanding. De grote thema’s sluiten naadloos aan op de thema’s van Min Kamp en Morgenstjernen. Min Kamp begint met de zinnen:

“For hjertet er livet enkelt: det slår så lenge det kan. Så stopper det. Før eller siden, en eller annen dag, opphører denne stampende bevegelsen av seg selv, og blodet begynner å renne mot kroppens laveste punkt, hvor det samler seg i en liten kulp, synlig fra utsiden som et mørkt og bløtlig felt på den stadig hvitere huden, alt mens temperaturen synker, lemmene stivner og tarmene tømmes.” (“Voor het hart is het leven eenvoudig: het klopt zolang het kan. Dan houdt het op. Vroeg of laat, op een of andere dag, houdt deze bonzende beweging vanzelf op en begint het bloed naar het laagste punt van het lichaam te stromen, waar het zich verzamelt in een kleine plas, van buitenaf zichtbaar als een donkere en zachte plek op de steeds witter wordende huid, terwijl de temperatuur daalt, de ledematen verstijven en de darmen leeglopen.”). 

Terwijl de dood van zijn vader in Min Kamp nog een relatief eenvoudig definitief proces is, ontstaan er in de volgende boeken toch complicaties. In Morgenstjernen vlucht de dood van de mens weg, zo erg zijn de verschrikkingen uit de Openbaring van Johannes. Niemand kan meer sterven. In dit laatste boek gaat het toch in de eerste plaats over het leven en over de dood als een eigenschap van de gewelddadige natuur, waar we ons tegen moeten verdedigen: “Vi lar drepe oss!” (“We laten ons vermoorden!”). 

 

Twee delen

Maar het boek zou geen Knausgård zijn als het niet uit duizenden tot in detail uitgewerkte gesprekken en kleine gebeurtenissen zou bestaan. Het boek bestaat uit twee delen. Het eerste deel speelt ten tijde van de kernramp in Tsjernobyl in Noorwegen. Het tweede deel speelt zich in Rusland af tot op dezelfde dagen als het verhaal van Morgenstjernen.

De hoofdpersoon in het eerste deel is Syvert. Hij komt net uit dienst en moet weer een normaal leven proberen op te bouwen. De stijl lijkt wel wat op Min Kamp waar we Knausgård als adolescent meemaken. Hier zien we Syvert, zijn broertje en zijn moeder naast allerlei vrij oppervlakkige contacten met vrienden op de sportclub en in het café. Deel 1 zou goed gebruikt kunnen worden door historici die in het leven van de jaren 80 geïnteresseerd zijn. Er gebeurt niet zo veel, maar er wordt veel gekletst, gefeest en versierd. Dat zou, afgezien van de mooie beschrijving van de relaties tussen Syvert, zijn moeder en zijn broertje, niet zo interessant geweest zijn als Syvert niet een doos liefdesbrieven in het Russisch aan zijn een paar jaar daarvoor bij een ongeluk omgekomen vader had gevonden. Hij laat de brieven vertalen door de schrijver Krag, die geen betaling verlangt. Alleen moet hij beloven het boek Misdaad en Straf van Dostojevski te lezen, een boek dat hij kort tevoren  had gekregen van de dominee bij wie hij zich uit de kerk had laten uitschrijven.

Uit de brieven van Asja komt een hopeloze intense relatie zonder toekomst naar voren. Je vermoedt bij het lezen van de laatste brief al dat Asja zwanger was van Syverts vader. Syverts moeder is ernstig ziek en hij moet een vakantiebaan zoeken om voor geld te zorgen. De enige baan die hij kan vinden is helpen bij een begrafenisondernemer. Het werk wordt weer met de nodige Knausgård-details beschreven.

In het tweede deel komen we Syvert weer tegen, gelukkig getrouwd met de vriendin waar hij in deel 1 verliefd op werd. Hij is nu zelf begrafenisondernemer. Hij heeft inmiddels de heimelijke vriendin van zijn vader opgespoord en een brief naar Rusland gestuurd. Asja leeft niet meer, wel haar dochter, die inderdaad Syverts halfzuster blijkt te zijn.

Het leven en de dood

Voor in het boek staat een citaat uit de Openbaring van Johannes, een ander citaat dan in Morgenstjernen. Daar ging het erom dat zelfs de dood geen uitweg meer biedt uit het lijden van de mens. Hier wordt het eind van de dood als een verlossing gezien.

“Hij zal alle tranen van hun ogen afvegen. En de dood zal er niet meer zijn. Niemand zal nog verdrietig zijn, treuren of pijn hebben. Want de eerste dingen zijn voorbij.”

Het tweede deel van dit boek bevat lange verhandelingen over leven en dood in de vorm van gedachten en projecten van Alevtina en haar vriendin Vasilisa.

Alevtina

Wij kijken terug op een eerder fase van het leven van Alevtina, waarin ze biologiestudent was en aan een doctoraalproject zou beginnen. Alevtina raakt geïnteresseerd in de manier waarop schimmels lange netwerken tussen bomen onderhouden. Die netwerken omspannen meerdere bomen. Voor de bomen heeft dat een voordeel dat ze van meer schimmels profiteren en voor de schimmels geldt hetzelfde. Zij begint te fantaseren over de mogelijkheid dat de verbindingen tussen alle bomen via de verschillende schimmels een soort neuraal netwerk vormen en dat het bos misschien wel een groot organisme vormt met een soort bewustzijn en levend in een totaal andere tijdsdimensie dan de mens. Hoewel ze als natuurwetenschapper eigenlijk niets moet hebben van zulke dwaze theorieën, begint ze die fantasieën wel steeds serieuzer te nemen. Ze bemachtigt een mooie studieplek op een instituut aan de Witte Zee waar ze aan een dissertatie zou kunnen werken. Als ze daar een paar dagen heeft doorgebracht, vindt ze in het bos in de buurt hallucinogene paddenstoelen, die ze als experiment opeet. Ze fantaseert daarbij nog dat die paddenstoelen een deel van het neurale netwerk van het bos zijn en dat ze zo nog directer contact met het bos kan krijgen. Net op het moment dat ze denkt dat ze geen enkele werking lijken te hebben krijgt ze een zware aanval van kotsneigingen en hallucinaties. Je kan het wel aan Knausgård overlaten zoiets te beschrijven. Ze overleeft dit, maar dit is niet alleen het einde van haar verblijf op het onderzoeksstation Belomorskaia, maar ook van haar biologieloopbaan.

Vasilisa

Haar vriendin Vasilisa is een heel ander type, geen natuurwetenschapper, zij schrijft gedichten en is vooral geïnteresseerd in literatuur, godsdienst en geschiedenis. Zij wil een een stuk over de geschiedenis van de onsterfelijkheid en van de opvattingen daarover publiceren. Een eerste versie hiervan maakt deel uit van het boek. In die zin lijkt het op het essay dat Egil in Morgenstjernen schrijft. Het hoofstuk van Vasilisa heet Evighetsulvene, de eeuwigheidswolven. Het bevat de centrale thema’s die in de boektitel tot uitdrukking komen. Het is een  nogal rommelig verhaal  met allerlei verwijzingen naar literatuur (vooral Tsvjetajeva,  Rilke en Tolstoi) en naar allerlei experimenten met levensduurverlenging, verjonging tot en met pogingen de dood volledig uit te bannen. Het klopt wat ze tegen Alevtina zegt: ” .. det er … som et … langt essay som går hit og dit som det lyster. Litt som en hund. Den svinser og svanser og snuser på alt som dukker opp i dens vei.” (“het is … als een … lang essay dat dan hier dan daar gaat waar het maar zin in heeft. Een beetje zoals een hond. Die kwispelt  en snuffelt aan alles wat op zijn pad verschijnt”).

Een centrale figuur is de bibliothecaris van het Rumantsjev-museum in Moskou aan het eind van de 19e eeuw, die door Tolstoi vooral bewonderd werd om zijn ascetische levenswijze: Fjodorov. Deze Fjodorov heeft een plan ontwikkeld met als doel de opstanding van iedereen die ooit gestorven is: “vi må gjenopplive alle mennesker som noensinne har levd. Det er vår oppgave og vår plikt. … … … vi må overvinne døden og utrydde den.” (“we moeten alle mensen die ooit geleefd hebben laten herleven. Dat is onze taak en plicht. … … … we moeten de dood overwinnen en hem uitroeien)”. De plannen van Fjodorov worden uitvoerig besproken in het essay van Vasilisa. Praktische problemen als ruimtegebrek op aarde worden van de hand gewezen. We zullen eenvoudig andere planeten gaan bevolken met de onbeperkte reismogelijkheden die er zullen zijn. Ook zal het mogelijk zijn in de baan van de aarde in te grijpen en zo door het hele heelal te zwerven.

Het essay vervolgt met amusante verhalen over demonstraties in Moskou tegen de dood met spandoeken als “NEE TEGEN DE DOOD” en “OUDERDOM IS EEN ZIEKTE” en allerlei experimenten met levensduurverlenging door bloedtransfusies en het in leven proberen te houden van afgehakte hondenkoppen tot en met pogingen tot hersentransplantaties. De geschiedenis van de onsterfelijkheid beweegt zich inmiddels steeds meer weg van de religieuze sfeer (opstanding van Christus, het laatste oordeel, etc.) in de richting van de wetenschap. De kerk heeft steeds minder over het eeuwige leven te zeggen, de biologie en de medische wetenschap steeds meer. Verder in het hoofdstuk leggen we nog een bezoek af aan een gebouw waar in grote tanks lijken met hun hoofd naar beneden in een vloeistof van -250 graden hangen, 6 lijken per tank, wachtend op hun wederopstanding. 

De ontknoping

Alevtina bezoekt met haar oude vader (die net 80 geworden is en haar echte vader niet is) het graf van haar moeder. Daar geeft hij haar de brief die Syvert al een tijd daarvoor naar haar inmiddels overleden moeder had gestuurd. Na lang aarzelen stelt zij hem voor om elkaar in Moskou te ontmoeten. Er volgt een ongemakkelijke ontmoeting, die zij na drie kwartier plotseling beëindigt. Tenslotte vindt er toch nog een tweede ontmoeting plaats waar ze allebei behoorlijk dronken worden en waar toch iets meer communicatie tot stand komt. Het verhaal gaat nu vooral over de intensiteit van hun familieband via hun overleden vader.

Ze spreken af dat ze elkaar later in Noorwegen opnieuw zullen zien. Inmiddels staat de morgenster weer hoog aan de hemel en is het weer net zo onaangenaam warm als in Morgenstjernen. Ook gebeuren er weer allerlei onverklaarbare dingen. Voordat hij naar huis vliegt, wordt hij opgebeld door zijn bedrijf: er is geen werk, er overlijdt niemand meer.

Het lezen waard?

Bijna 800 pagina’s lezen. Was het de moeite waard? Voor het leren van Noors in ieder geval wel. Ik had er een luisterboek bij gekocht, waardoor mijn uitspraak van het Noors ook beter geworden is. Maar inhoudelijk?

Natuurlijk is de typische Knausgård-stijl ook hier fantastisch: de precisie van de dialogen, de beschrijving van details in de gedachten van de hoofdpersonen en kleine dingen in hun omgeving. De meeste details lijken toch niet overbodig. De relatie tussen Syvert en zijn broertje is prachtig uitgewerkt. Toch wordt het soms vermoeiend als hij de lege gesprekken tussen Syvert en iemand in het vliegtuig of ergens in een café in detail weergeeft. Mensen zijn beleefd, maar er gebeurt niets. Levensecht en oersaai.

Interessant zijn de gedachten van de twee belangrijkste vrouwen in dit boek: van de doctoraalstudent biologie Alevtina en haar vriendin Vasilisa.  Hier worden de centrale thema’s rond leven, dood en onsterfelijkheid mooi uitgewerkt zonder tot vaste conclusies te komen, behalve dan dat we zien dat onsterfelijkheid van de religie en mystiek naar de concrete biologie is verhuisd. Maar wat betekent dat eigenlijk?

Ik vind dit boek minder geslaagd dan Morgenstjernen. Ten eerste gebeurt er in het eerste deel vrijwel niets en wordt er niets gedaan met het thema Tsjernobyl, behalve dat Syvert zich af en toe afvraagt wat radioactiviteit dan wel is. De enige echte verbinding met Rusland zijn de reizen van zijn vader (wat deed hij daar?) en de heimelijke verhouding met Asja. Ten tweede is er aan het eind van een echte ontknoping geen sprake: een ongemakkelijk gesprek en een afspraak naar Noorwegen te komen terwijl die rare ster weer schijnt en er weer niemand dood lijkt te gaan.  Ten derde voegt de verschijning van die morgenster niets toe aan wat er al in Morgenstjernen staat. Ten vierde denk ik dat je met het thema onsterfelijkheid wel iets meer zou kunnen doen. Ik denk aan de uitzichtloosheid en zinloosheid van een leven zonder dood.

Na bijna 800 pagina’s ben ik niet echt tevreden. Hij schijnt nog een afsluiting in voorbereiding te hebben. Het wordt dus een trilogie. Afwachten dan maar hoeveel pagina’s het zullen zijn.

 

Naschrift op 7 februari 2023: 
met eeuwig leven geen toekomst!

Gisteren bezochten wij het theatrale concert van But What About met de titel About Time. De Tijd werd gespeeld door de 'performer' Sofie Kramer die in een drie kwartier durende voorstelling allerlei ideeën, theorieën en verhalen over het voetlicht brengt en daarbij de muziek professioneel verstoort. Bij de voorstelling moest ik denken aan het hier besproken boek van Knausgård, vooral aan het lange essay van Vasilisa en de discussies daarover met haar vriendin Alevtina: "Tanken er at evigheten har begynt. Det er det som har forandret seg. Framtiden har forsvunnet og evigheten har begynt (p. 465). ("De gedachte is dat de eeuwigheid begonnen is. Dat is wat er veranderd is. De toekomst is verdwenen en de eeuwigheid is begonnen"). Deze gedachten sluiten naadloos aan op Vasilisa's gedachten over onsterfelijkheid. Op het moment dat iedereen onsterfelijk is, verdwijnt de tijd en daarmee de toekomst. Met het eeuwige leven hebben we geen toekomst meer, lijkt de centrale boodschap te zijn. Tijdens het concert gisteren werden vanzelfsprekend ook dit soort thema's door De Tijd aangeroerd. Tijd, onsterfelijkheid, laatste oordeel, etc.

___

 

 

Ulvene fra Evighetens Skog

Dette er en rask oversettelse fra den nederlandske originalen og kan inneholde flere feil i ordvalg og grammatikk. Norsk er ikke mitt morsmål.

Reinier

Store temaer

Til bursdagen min ga Hans meg den siste bøken av Knausgård. Dens tittel er basert på setningene skrevet av den russiske dikteren Tsvetajeva (1892-1941):

“Uansett hvor mye du mater ulven, vil den alltid se mot skogen. Vi er alle ulver fra evighetens skog.”

Denne siteringen viser til ett av de store temaene i bokens innhold: livens og dødens vesen og lengsel etter og muligheter for udødelighet og oppstandelse fra døden, temaer som er en umiddelbar fortsettelse av Min Kamp og Morgenstjernen. Min Kamp begynner med:

“For hjertet er livet enkelt: det slår så lenge det kan. Så stopper det. Før eller siden, en eller annen dag, opphører denne stampende bevegelsen av seg selv, og blodet begynner å renne mot kroppens laveste punkt, hvor det samler seg i en liten kulp, synlig fra utsiden som et mørkt og bløtlig felt på den stadig hvitere huden, alt mens temperaturen synker, lemmene stivner og tarmene tømmes.”

Mens farens død i Min Kamp er forestilt som en relativt enkel og definitiv prosess, utvikler seg komplikasjoner i de følgende bøkene. I Morgenstjernen flykter døden fra menneskeheten: så forferdelige er grusomhetene fra Johannes Åpenbaringer. Ingen kan dø lenger. I den siste boka handler det derimot først og fremst om livet. Døden er fremstilt som egenskap ved den voldsomme naturen vi må forsvare oss mot. “Vi lar drepe oss!

To Deler

Men boken ville ikke vært en Knausgård, hvis den ikke hadde inneholdt tusenvis av detaljerte samtaler og små tilsynelatende uviktige hendelser. Boka består av to deler. Den første delen spilles under dagene av atomulykken i Tsjernobyl. Den andre delen spilles i Rusland i vår tid til og med dagene av Morgenstjern-historien.

Hovedpersonen i første del er Syvert. Etter sin militærtjeneste kommer han hjem og må prøve å bygge opp et normalt liv igjen. Stilen ligner passasjene i Min Kamp hvor vi var vitne til Knausgård i hans tidligere liv. Her ser vi Syvert, broren og moren hans, i tillegg til mange overfladiske kontakter med venner på fotballtrening og i kafeen. Del 1 kunne godt brukes av historikere som er interessert i samfunnet i 1980-tallet. Egentlig skjer det ikke mye, men det er mye prating, festing og flørting. Bortsett fra den vakre beskrivelsen av forholdene mellom Syvert, moren og broren, hadde de kapitlene ikke vært særlig interessante, hvis Syvert ikke hadde funnet en eske med kjærlighetsbrev på russisk til faren sin, som døde i en ulykke noen år tidligere. Han lar dem oversette av forfatteren Krag som ikke krever betaling. Han må bare love å lese Dostojevskijs Forbrytelse og Straff. Brevene fra den russiske kjæresten Asja avslører et håpløst intenst forhold uten framtid. Når du leser det siste brevet, mistenker du allerede at Asja var gravid med faren til Syvert.

Moren til Syvert er alvorlig syk og han må finne seg sommerjobb for å skaffe penger. Han finner ikke en annen jobb enn å hjelpe til i et begravelsesbyrå. Arbeidet er beskrevet med de vanlige Knausgård-detaljene.

I andre del møter vi Syvert igjen, lykkelig gift med Lisa, jenta han var forelsket i i bokens første del. Nå driver han sitt eget begravelsesbyrå. I mellomtiden har han sporet opp sin fars hemmelige kjæresten Asja og har skrevet et brev til henne. Asja har allerede dødd, men datteren Alevtina, som faktisk viser seg å være halvsøstera hans, er i live.

Liv og død

Teksten fra Johannes Åpenbaring Knausgård siterer foran i boken er helt annerledes enn teksten han bruker i Morgenstjernen. Da var budskapet at selv døden ikke ga noen mulighet til å flykte fra menneskelig lidelse. Sitat i denne boka interpreterer heller dødens forsvinning som forløsning:

“Han skal tørke bort hver tåre fra deres øyne,
og døden skal ikke være mer,
heller ikke sorg eller skrik eller smerte.
For de som en gan var, er borte.”

Denne bokens andre del inneholder lange avhandlinger om liv og død i form av tanker og prosjekter til Alevtina og venninnen hennes Vasilisa.

Alevtina

Vi ser tilbake på en tidligere fase i Alevtinas liv, der hun var biologistudent og skulle starte på et prosjekt i forbindelse med doktorgradsstudiet hennes. Hun blir interessert i måten sopp danner lange nettverk mellom trær, som spenner over flere trær. Fordelen for sopp er at de profitterer på næringsstoffer fra flere trær og for trær gjelder det samme. Alevtina utvikler fantasier at soppene danner et slags nevralt nettverk mellom trærne. Kanskje skogen kan oppfattes som en veldig stor selvbevisst organisme som lever i en helt annen tidsdimensjon.

Vanligvis tar hun som naturvitenskaplig utdannet person slike fantasier ikke på alvor. Likevel fortsetter hun tankene i denne retningen og finner en god studieplass på et Instituut ved Hvitehavet for å jobbe med doktoravhandlingen sin. Etter å ha tilbrakt noen dager på instituttet, oppdager hun hallusinogene sopp i den nærliggende skogen. Som eksperiment spiser hun disse soppene, mens hun fantaserer at soppene er skogens nevrale nettverk og at hun på denne måten kan få umiddelbar kontakt med skogen. Akkurat når hun tror de ikke ser ut til å ha noen effekt, får hun et alvorlig anfall av oppkast og hallusinasjoner. Man kan overlate til Knausgård å beskrive noe slikt. Hun overlever, men dette er ikke bare slutten på oppholdet ved forskningsstasjonen Belomorskaia, men også på biologikarrieren hennes.

Vasilisa

Venninnen hennes Vasilisa er helt annerledes, ikke en naturvitenskaplig forsker. Hun skriver dikt og er hovedsaklig interessert i litteratur, religion og historie. Hun prøver å publisere et essay om udødelighetens historie og om skiftende syn på den. Essayets første version er et kapittel i denne boken, som har en lignende funksjon på Egils essay i Morgenstjernen. Kapitlet, Evighetsulvene, inneholder de sentrale temaene som er uttrykt i boktittelen.

Kapitlet er temmelig ustrukturert med alle slags referanser til litteratur (spesielt Tsvjetajeva, Rilke og Tolstoj) og til mange eksperimenter med livsforlengelse, foryngelse og forsøk på fullstendig utrydding av døden. Det hun sier til Alevtina stemmer: ” .. det er … som et … langt essay som går hit og dit som det lyster. Litt som en hund. Den svinser og svanser og snuser på alt som dukker opp i dens vei.”

En sentral person er bibliotekaren ved Rumachev-museet i Moskva på slutten av 1800-tallet, som Tolstoi fremfor alt beundret for sin asketiske livsstil: Fjodorov. Denne Fjodorov hadde utviklet en plan for oppstandelsen til alle som noen gang har dødd: «vi må gjenopplive alle mennesker som noen gang har levd. Det er vår oppgave og vår plikt. … … … vi må overvinne døden og utrydde den.” Fjodorovs planer diskuteres i detalj i Vasilisas essay. Fjodorov ser ikke noen praktiske problemer som mangel på plass på jorden: vi vil ganske enkelt befolke andre planeter med de grenseløse reisemulighetene i framtida. Da ville det også være mulig å endre jordens bane og dermed streife rundt i hele universet.

Essayet fortsetter med morsomme historier om demonstrasjoner i Moskva mot døden med bannere som «NEI TIL DØDEN» og «ALDER ER EN SYKDOM» og om alle slags eksperimenter med å forlenge levetiden gjennom blodoverføringer og forsøk å holde avkuttede hundehoder i live til og med forsøk på hjernetransplantasjoner. Udødelighetens historie beveger seg stadig bort fra den religiøse sfæren (Kristi oppstandelse, den siste dommen osv.) i retning av vitenskap. Kirken har mindre og mindre å si om evig liv, biologi og medisin mer og mer. Senere i kapitlet besøker vi en bygning hvor flere lik henger hodet ned i en væske på -250 grad i store tanker, 6 lik per tank, og venter på oppstandelsen sin.

Oppløsningen

Sammen med sin gamle far (som nettopp har fylt 80 år, og ikke er hennes biologiske far) besøker Alevtina morens grav. Der gir han henne brevet som Syvert hadde sendt for lenge siden til hennes mor. Etter en lang nøling foreslår hun å møtes i Moskva. Det oppstår et vanskelig møte, som hun plutselig avslutter etter 45 minutter. Neste dag blir de enige om å møtes igjen. Da blir de begge blir ganske fulle og det etableres litt mer kommunikasjon. Fra nå handler historien først og fremst om det sterke familiebåndet deres gjennom deres døde far.

De blir enige om å møtes senere i Norge. Igjen står morgenstjernen høyt på himmelen og været er like ubehagelig varmt som i Morgenstjernen. Igjen skjer alle slags uforklarlige ting. Før Syvert reiser hjem, ringer hans begravelsebyrået ham: det er ikke noe arbeid, ingen dør lenger.

Verdt å lese?

Jeg leste 800 sider på norsk. Var det verdt det? Ja, til å lære norsk var det utvilsomt et effektivt bidrag, også fordi jeg hadde også skaffet meg en lydbok for å forbedre uttalen min. Men innholdet?

Selvsagt er den typiske Knausgård-stilen også her fantastisk: presisjonen i dialogene, beskrivelsen av detaljer i tankene til hovedpersonene og småting i deres miljø. De fleste detaljene virker uansett ikke overflødige. Forholdet mellom Syvert og lillebroren er veldig vakkert utarbeidet. Likevel blir det noen ganger slitsomt når han detaljerer de tomme samtalene mellom Syvert og noen på flyet eller et sted på en kafé. Folk er høflige, men ingenting skjer. Naturtro og kjedelig.

Særlig interessante er tankene til de to viktigste kvinnene i denne boken: Alevtina, doktorgradsstudent i biologi, og venninnen dikteren Vasilisa. De sentrale temaene liv, død og udødelighet er pent utdypet uten å komme til sikre konklusjoner, bortsett fra at vi ser hvordan det udødelighetstemaet har beveget seg fra religion og mystikk til konkret biologi. Men hva betyr det egentlig?

Jeg synes denne boka er mindre vellykket enn Morgenstjernen. For det første skjer det nesten ingenting i første del og nesten ingenting gjøres med Tsjernobyl-temaet, bortsett fra at Syvert av og til lurer på hva radioaktivitet er. Den eneste virkelige forbindelsen med Russland er farens reiser (hva gjorde han der?) og den hemmelige affæren med Asja. For det andre finnes det ingen klar oppløsning på slutten: en vanskelig samtale og en avtale om å komme til Norge mens den rare stjernen skinner igjen og ingen ser ut til å dø. For det tredje tilfører utseendet til den morgenstjernen ingenting til det som allerede ble skrevet i Morgenstjernen. For det fjerde synes jeg man kan gjøre litt mer med temaet udødelighet. Jeg tenker på håpløsheten og meningsløsheten i et liv uten død.

Etter nesten 800 sider er jeg ikke helt fornøyd. Han ser ut til å ha en ny bok under forberedelse. Så det blir en trilogi. Bare vent og se hvor mange sider Knausgård trenger da.

 

 

Etterskrift 7. februar 2023: 
med evig liv ingen framtid!

I går besøkte vi teaterkonserten av But What About med tittelen About Time. 'Tiden' ble spilt av 'performer' Sofie Kramer, som presenterer alle slags ideer, teorier og historier i en 45-minutters forestilling, og dermed profesjonelt forstyrrer musikken. Forestillingen fikk meg til å tenke på boka av Knausgård som jeg har omtalt her, spesielt på det lange essayet av Vasilisa og diskusjonene om det med venninnen Alevtina: "Tanken er at evigheten har begynt. Det er det som har forandret seg. Framtiden har forsvunnet og evigheten har begynt" (s. 465). Disse tankene kobles sømløst sammen med Vasilisas idéer om udødelighet. Øyeblikket alle er udødelige, tiden forsvinner og med det framtiden. Med evig liv har vi ikke lenger framtid, ser ut til å være det sentrale budskapet. Under konserten i går ble denne typen temaer selvfølgelig også berørt av 'Tiden'. Tid, udødelighet, sist dom osv.

___

Schaatsen

Afscheid

Daar liggen ze dan, die mooie oude lage noren, in een vitrine van de Leidse kringloopwinkel. Datum 22 december 2022. Tien minuten voor deze foto had ik ze ingeleverd. Ze liggen voor € 10 te koop. Ik overweeg nog om ze terug te kopen. Ook Petra vindt dit geen goed idee. Ik kan eigenlijk niet meer schaatsen en pogingen daartoe zouden zeker wel gevaarlijk maar misschien niet leuk zijn. De laatste keer dat ik langer dan een kilometer geschaatst had, was in februari 2012, meer dan elf jaar geleden. Toen ik bijna twee jaar geleden nog even op het slootje bij het huis een baantje reed, kon ik het eigenlijk niet meer. Einde verhaal.

De laatste keer – 14 februari 2021

Onder leiding van de glazenwasser

Ik was nooit een goede schaatser. Ik had wel schaatsen in de late jaren 50, van die houten lage noren die je onder moest binden, maar schaatsen kon ik niet. Nu waren er ook nauwelijks schaatsmogelijkheden waar wij woonden bij bos en heide. Een klein stukje het bos in vanaf de Ginkelse Heide was er wel een heel klein plasje, de Heideblom, en als dat in de winter dichtvroor, kon je daar wel schaatsen. Dan was het er ook behoorlijk druk. De hele jeugd van de omgeving draaide daar kleine rondjes. Dat mocht van de glazenwasser, die spontaan de leiding op zich had genomen, maar in één richting. Hij eiste absolute gehoorzaamheid, ook als hij je een bezem gaf om de sneeuw van de baan te vegen. De plas was zo klein dat de bochten er niet zonder ‘beentje over’ gereden konden worden. Nu kon ik geen beentje over zodat veel van mijn rondjes in de bosgrond aan de rand van de plas eindigden, terwijl inmiddels de leren riempjes van mijn houten schaatsen zo waren verschoven dat mijn schaatsen hoeken van bijna 45 graden met mijn schoenzolen maakten.

Er waren ten Zuiden van Ede wel schaatsmogelijkheden. Sommige klasgenoten fietsten wel naar de bevroren uiterwaarden van de Rijn maar vaak was schaatsen daar niet ongevaarlijk door de wisselende waterstanden. Ik heb het nooit geprobeerd.

Of ik tijdens mijn studietijd tussen 1968 en 1977 in Utrecht en Groningen ooit geschaatst heb, weet ik niet.

Molen- en grachtentochten in de jaren 80 en 90

Vanaf 1978 woonde ik in Leiden. Ik kan me prachtige schaatstochten door de stad herinneren. Alle grachten waren dan dichtgevroren en je kon gewoon onder de meeste bruggen doorschaatsen.

Molentochten

Het toppunt van schaatsplezier waren de molentochten die ik vanaf de vroege jaren 80 tot de late jaren 90 regelmatig gereden heb, vanaf rond 1985 met Petra.

1981

De eerste molentocht waarvan ik foto’s bezit was in 1981 samen met Willem Raadsveld en mijn broer Huibert. Hier rijd ik op mooie lage noren, terwijl Huibert een wat hoger model bezat. Ik kan mij herinneren dat het bij hem uren duurde voor de pijn in zijn voeten afnam.

1987

Met Petra heb ik diverse molentochten gereden. Hieronder foto’s van de molentocht op 1 februari 1987. We reden 30 km, wat ook op de medailles te lezen is. Petra op kunstschaatsen met witte laarsjes en ik op mijn lage noren.

1997

Op de medaille van één laatste tochten staat de datum 1 januari 1997. Petra had mij met de kinderen naar Rijpwetering gereden en daarna ben ik alleen verder geschaatst.

Er stond een akelige oostelijke wind. Ik kon eigenlijk nog steeds niet schaatsen. Onderweg wees mij een collega erop dat ik het gewicht te veel naar voren legde (zoals bij skiën) en dat ik het beter meer naar mijn hakken kon verplaatsen. Ik was hem dankbaar, want sindsdien ging het veel beter.

Tamelijk uitgeput kwam ik naar huis (hoe weet ik niet meer) of eigenlijk naar de buren waar Petra al op bezoek was.

Medailles van Molentochten tussen 1986 en 1997

Niet veel later reden Petra en ik de lange afstand van de molentocht: 50 km, best een lange afstand voor iemand die niet goed kon schaatsen en ook best lang voor een tocht op kunstschaatsen!

 

Voor Petra zou dit al bijna het einde van haar schaatscarrière zijn, want in december 2002, toen ze met de kinderen wilde gaan schaatsen, brak ze haar pols al voordat ze een meter op de schaatsbaan van de IJsclub Warmond had geschaatst.

Op de ijsbaan van Warmond

Vanaf 1992 woonden we in de Merenwijk op de grens met Warmond. Niet ver van ons huis lag – en ligt nog steeds – de baan van de Warmondse IJsclub. In de jaren 90 en in het begin van deze eeuw vroor die baan nog regelmatig dicht en kon je er leuk schaatsen. Het komt de laatste tijd nauwelijks meer voor. Hier een paar foto’s van de jaren 2008 tot 2013,

Verschillende tochten

Medailles van Weerribbentocht en Plassentocht

Een geweldige toerschaatser ben ik nooit geworden. Toch heb ik behalve de Molentochten af en toe een andere tocht geschaatst. Eén keer ben ik met mijn zuster Hanneke ergens bij de Wieden gaan schaatsen. Het was snijdende Oostenwind. Aan het eind van de tocht werd ik verstijfd van kou over het ijs geblazen en kon nauwelijks remmen. Ik heb er geen foto’s van. Ik weet nog dat ik door sneeuwstormen door de polders naar huis ben gereden.

Een van de eerste tochten waarvan ik plaatjes heb is een volgende keer in de kop van Overijssel, de Weerribbentocht in 1994.

Het duurde best lang voordat ik weer eens zo’n lange tocht maakte: in 2009 de Plassentocht bij Kortenhoef en in 2012 de Wiedentocht vanaf St. Jansklooster. Ik  naderde de leeftijd van 64 jaar. Daarna heb ik eigenlijk nooit meer geschaatst. Toen ik vorig jaar nog een paar honderd meter op het slootje bij ons huis probeerde te schaatsen, kon ik het eigenlijk niet meer. Het was voorbij.

__________