Natuuraanleg
Er is in Nederland de laatste jaren zoveel mooie natuur aangelegd dat je er bijna niet aan toe komt alle nieuwe gebieden goed te bestuderen. Hier is weer een weiland onder water gezet, daar worden klimaatvriendelijke waterbuffers aangelegd en niet ver daarvandaan prijken nieuwe oeverzwaluwwanden, zwaluwenhotels en ijsvogeloevers. En dan komen de vogels in groten getale. Zo ook bij het duizend hectare grote plan Tureluur ontwikkeld in de jaren 1990 als compensatie voor de verloren gegane buitendijkse natuur bij de Oosterschelde (meer over de ontwikkelingen in het delta-gebied in deze blog).
Waarnemingskolonne
In een kolonneformatie die wel wat aan een rouwstoet doet denken, maar wel wat vrolijker, reden de leden van de vogelwerkgroep Leiden van de KNNV langs dit vogelparadijs: een paar honderd meter rijden, telescopen uit de auto, statieven uitschuiven, telescopen plaatsen, het gebied afzoeken naar bijzonderheden en dan enthousiast de bevindingen rondbazuinen: driehonderd wulpen! Zesentwintig lepelaars! Tweeduizend goudplevieren, tweeëndertig bontbekplevieren! Een zilverplevier! Wilde zwanen waar kleine zwanen tussen lijken te zitten! Vier strandleeuweriken! Toch wel tientallen grutto’s niet ver van de meer dan zestig kluten! Ik zie pijlstaarten tussen die grote mantelmeeuw en de smienten! En zo gaat het een tijdje door tot de volgende paar honderd meter rijden inclusief het ritueel van telescopen afbreken en later weer opbouwen.

Tijdens dit soort excursies met de voortdurende autoritjes en kortademige waarnemingshoogtepunten heb ik nooit het gevoel echt in de natuur de zijn. Heel ouderwets denk ik bij natuur aan buiten zijn, wandelen, van geuren en kleuren genieten, moe worden van fysieke inspanning en zintuigelijke indrukken. Maar voor wie veel soorten op een dag wil zien, is dit wel de aangewezen methode. We reden nog langs een punt waar de uiterst zeldzame grijze wouw te zien zou zijn. Er stonden nog meer vogelaars, vol verlangen naar de waarneming van hun leven, maar hij kwam niet.
Grijze zeldzaamheid
Ettelijk kleine zilverreigers, smienten, pijlstaarten, kieviten, kolganzen en zwarte ruiters later (en na een kop dikke snert van € 8,50 waar de lepel in bleef staan) reden we er nog maar eens langs de plek van de grijze zeldzaamheid.
En ja hoor, daar kwam hij aanvliegen, een prachtig getekende vrij kleine vogel die in niets op een wouw lijkt. Hij vloog door een valleitje tussen de weg en de duinen heen en weer en ging nog even in een boom zitten, terwijl de lag winterzon zijn mooi getekende kop en vleugels helder verlichtte.

Het was een schitterend gezicht, maar ik kon er niet blij van worden. Eerder bekroop mij een intens droevig gevoel. Deze vogel, die vooral in Azië thuis schijnt te horen en heel kleine gebiedjes in Spanje en Portugal bewoont, vliegt hier in zijn eentje heen en weer. De eerste soortgenoot zou best eens tweeduizend kilometer hiervandaan kunnen zitten. Eenzamer kan niet. Als hij slim is, vindt hij de weg wel terug, maar hij is waarschijnlijk dom. Anders zat hij hier niet. Er is geen toekomst voor onze grijze zeldzaamheid. We horen hem helemaal niet hier te zien.
Goede reis!
Het mooie van natuur vind ik de samenhang tussen alle levensvormen, zoals de aanwezigheid van zwarte sterns op basis van de aanwezigheid van kranswieren, de vlinderpracht op bloemen, die alleen kunnen groeien waar de bodem bepaalde zout- of calciumgehaltes heeft, de samenhang tussen de ondergrondse netwerken van schimmels en het wel- en wee van het bos daarboven. Maar zo’n grijze wouw, is dat natuur? Natuurlijk niet, gewoon een zeldzaam misverstand. Zo’n dier heeft nog geen relaties met de dominante levensvormen bij ons. Pas als die zich (door klimaatverandering misschien) als exoot gaat uitbreiden, dan mogen we hem tot onze natuur rekenen. Ik hoop dat onze eenzame vogel toch genoeg verstand of instinct heeft de weg naar huis te vinden. Goede reis!






Toen ik in oktober op paddenstoelenjacht ging bij het Huys te Warmont vroegen veel mensen of ik de rode met witte stippen al had. Natuurlijk had ik die wel, maar het is niet echt een bijzondere paddenstoel en hij garandeert zeker geen geslaagde foto. Van de duizenden paddenstoelenfoto’s laat ik er hier maar één zien, die ik vooral geslaagd vind door de mooie lichtval.



































Toen het boek in 1948 opnieuw werd uitgegeven, waren de eenzame heidevelden waarop het leven van Kruiden-Marie zich afspeelde, al grotendeels verdwenen. Heimans schrijft in het voorwoord - Thijsse was inmiddels overleden - over de grote veranderingen in de vijftig jaren na de eerste druk.
"Geen ander van de Nederlandse landschappen heeft in .... (de afgelopen) 50 jaren zo schrikbarend geleden door ontginning als de heide. ... ... Moge de vernieuwde uitgave van dit boekje bijdragen tot het inzicht, dat de laatste nog goede resten van onze Nederlandse heiden als een uiterst kostbaar en precair nationaal bezit dienen te worden beschouwd en daarom tegen iedere verdere aantasting moeten worden gevrijwaard door ons aller toewijding en opofferingsgezindheid."



