Het jaar 2022 is nog niet eens voorbij. Toch heb ik al 16000 foto’s gemaakt, waarvan 12000 op de spiegelreflexen en de rest op mijn telefoon en een compactcamera. Dat zijn er ongeveer 45 per dag. Ellen Borggreve gaf in haar laatste nieuwsbrief de suggestie om je tien beste foto’s van het jaar uit te zoeken en je dan af te vragen waarom je ze goed vindt, zonder ze met het werk van anderen of met je eigen werk uit andere jaren te vergelijken. Ik heb er hier twaalf uitgezocht, niet stuk voor stuk meesterwerken, maar toch zeker mooie foto’s, onderverdeeld naar meerdere categorieën.
Vogels
Ik heb duizenden vogelfoto’s gemaakt. Vaak mooie vogels, maar mooie foto’s? Meestal niet. Deze vier vind ik wel geslaagd. De oude en de jonge lepelaar lopen gezellig langs het water waarbij de oude zijn kuif en zijn snavel indrukwekkend laat zien. Leuk is dat je het roodborstje niet helemaal ziet, maar wel het draadje spuug in zijn bek. De foto van de boomkruiper heeft humor, wat in veel vogelfoto’s helaas ontbreekt. Het baardmannetje is gewoon ontzettend mooi, meer een verdienste van de schepping dan van de fotograaf.
Insecten
Ik zou hier duizenden insecten kunnen laten zien, maar met hetzelfde probleem als bij de vogels: vooral interessant voor insectenliefhebbers, maar als foto’s niet echt bijzonder. Hier dan maar twee.
De schaatsenrijders zijn vooral mooi door het interessante patroon van insect en schaduw. Je moet even kijken om te zien hoe het zit. De aanvliegende libelle is natuurlijk een technisch hoogstandje, maar het resultaat is toch mooi.
Paddenstoelen
Toen ik in oktober op paddenstoelenjacht ging bij het Huys te Warmont vroegen veel mensen of ik de rode met witte stippen al had. Natuurlijk had ik die wel, maar het is niet echt een bijzondere paddenstoel en hij garandeert zeker geen geslaagde foto. Van de duizenden paddenstoelenfoto’s laat ik er hier maar één zien, die ik vooral geslaagd vind door de mooie lichtval.
Landschappen
Landschappen kunnen heel mooi zijn, maar maak er maar eens een mooie foto van. Het is vooral een geduldwerk: een goed standpunt vinden, de juiste lichtomstandigheden en dan de keuze van de brandpuntsafstand, de instelling van de kleurtemperatuur nog los van de keuze van ISO, sluitertijd en diafragma. Ik heb dit jaar wel iets geleerd en ben een beetje geduldiger geworden. Het landschap met zonnebloemen in Frankrijk is wel vrij traditioneel volgens de regels maar geeft toch wel goed de sfeer daar weer. De foto daarnaast bij Huys te Warmont in de mist vind ik mooi, maar misschien kan die nog wel beter. In de foto’s daaronder speel ik met de mogelijkheden van een bescheiden en minder bescheiden groothoek. Altijd moeilijk, maar soms is het resultaat best leuk.
Tijdens een cursus van Ellen Borggreve in het Speulderbos heb ik veel geleerd en heb ik nieuwe inspiratie opgedaan voor het fotograferen van bomen en bossen. Hiervan de laatste foto.
En wat leer ik hiervan?
Wat is er (in mijn smaak) nu goed aan deze foto’s en wat kan beter in de toekomst? Het is niet moeilijk te zien dat ik vooral naar esthetische harmonie zoek in kleuren en lijnen. Soms lukt dat erg goed zoals op de laatste foto hierboven. Er gebeurt heel weinig op mijn foto’s. Dat is het gevolg van mijn focus, maar er zou best iets meer mogen gebeuren op mijn foto’s in 2023. Verder kan ik het beste gaan perfectioneren wat ik al doe, maar daarvoor zal ik nog meer ervaring moeten opbouwen met het spelen met standpunten, keuze van brandpuntsafstand en vooral ook kleuren: zowel in de camera-instellingen als in LightRoom en eventueel Photoshop.
Ruslands speciale operatie zorgt voor veel ellende niet alleen voor de mensen in de Oekraïne maar zeker ook voor Russische soldaten die zonder opleiding en zonder wapens voor hun vaderland mogen gaan sterven. Dan valt de last die wij ervan hebben natuurlijk wel mee.
In oktober gebruikten wij ongeveer de helft van vorig jaar, in november een derde!
De gigantisch gestegen gasprijzen dwingen ons eindelijk eens wat zuiniger met energie om te gaan. Het goede nieuws is dat het helemaal niet zo moeilijk is om gas te besparen en het is nog goed voor het klimaat ook. Een paar graden lagere kamertemperatuur doet wonderen. Zelf gebruikten wij in oktober de helft van vorig jaar oktober, niet alleen doordat het een zachte oktober was, maar ook omdat we de thermostaat op 18 gezet hebben. In november gebruikten wij een derde van het jaar daarvoor. Wij zijn niet de enigen.
Toevoeging februari 2023: in januari 2023 gebruikten wij minder dan 50% van het gemiddelde gebruik van tussenwoningen, zelfs minder dan het normverbruik voor flats: 96 m3. Enige maatregel: thermostaat op 18 en alleen de woonkamer verwarmen tot een uur of 10 's avonds.
20 graden kamertemperatuur: burgerrecht?
Heel Nederland is tientallen procent minder gaan gebruiken. Wat dat betreft mogen we Poetin een heel klein beetje dankbaar zijn. Hoge gasprijzen zijn een voorwaarde voor klimaatvriendelijk gebruik. Ongemerkt zijn wij de laatste decennia zo gewend geraakt aan kamertemperaturen van minimaal 20 graden dat het lijkt of dit een soort burgerrecht is: in de winter is het binnenshuis 20 graden. Onzin natuurlijk. Het heeft even zo geleken, maar het is vroeger meestal anders geweest en het is niet gegarandeerd in de toekomst. In ieder geval is de tijd van goedkoop gas – de hoofdoorzaak van de massale energieverspilling – voorbij, iets eerder dan we hadden voorzien.
De kolentijd
Tot de ontdekking van grote gasvoorraden in Nederland stookte bijna iedereen op kolen. Een enkele welgestelde burger had een olietank in de tuin ingegraven en had een centrale verwarming op oliestook. Het gros van de bevolking had een kolenkachel in de woonkamer en misschien nog een tweede kachel in de keuken of nog een derde in de zitkamer. Bijna niemand verwarmde slaapkamers of gangen.
Een advertentie uit de Telegraaf van 1929 voor kachels naast een advertentie voor Jaeger ‘ondergoederen’
Groningen
In de vroege vijftiger jaren woonden wij in een bovenwoning in Groningen. We hadden daar een eenvoudige potkachel staan. In voorjaar van 1952 was het erg koud en mijn moeder vroeg zich af of ze het met de ingekochte voorraad kolen wel zouden redden. Ik citeer uit één van de zeldzame brieven van haar uit die tijd. Ze schreef aan haar zuster:
“Al heet het hier lente, toch giert er sinds enige dagen een ijskoude wind en heeft het vandaag de hele dag gesneeuwd en er ligt dan ook een dik pak sneeuw. Jij vindt dat misschien doodgewoon maar ons valt het bitter tegen, het voorjaar begon zo mooi, er was zelfs zo’n warme dag dat de kinderen al zonder jas buiten speelden, maar allen de volgende dag snipverkouden waren. Bovendien liggen er nog maar een paar kitjes kolen in het kolenhok terwijl onze begroting eigenlijk geen nieuwe kolenrekening toelaat.”
Ede
Toen wij in 1954 naar Ede verhuisden, kwam de Groningse kachel in de keuken te staan en voor de woonkamer werd een grote luxe Juncker & Ruh (zie plaatje) aangeschaft, prachtig roodbruin geëmailleerd met een hoog stookvermogen, nodig om bijna de hele benedenetage van warmte te voorzien. Of de kachel in de keuken altijd brandde, weet ik niet meer. Kolenkachels kan je natuurlijk niet snel even aan en uit zetten. Als het koud werd in oktober dan werd de kachel aangemaakt (met wat kranten of hout en petroleum) en in maart ging hij weer uit. ‘s Nachts gloeide de kachel een beetje door en in de ochtend werd de kachel weer opgerakeld en werd de asla geleegd.
Zo’n mooie Juncker & Ruh hadden wij. Nu tweedehands te koop.
Als jongen van rond 8 jaar mocht ik ‘s ochtends vroeg de kolenkit gaan vullen in het kolenhok. Of ik de kit in de kachel mocht legen, betwijfel ik. Het kolenhok werd aan het eind van de zomer of in de herfst weer bijgevuld. Ik herinner me dat we ‘nootjes 3’ of ‘nootjes 4’ antraciet bestelden. Dan kwamen er sterke mannen met zwarte handen en zwarte gezichten met zware zakken op hun rug de tuin in lopen. Kolen gingen per mud, 100 liter. Zo’n mud woog wel 50 kilo. Het regelen van de kachel ging met schuifjes die je open of dicht kon zetten en een onmisbaar hulpmiddel bij het onderhoud van het kolenvuur was een pook, die altijd bij de kachel hing. Kolenkachels hadden soms rare kuren, waarvan het spontaan ‘ploffen’ een bekende was. Kolendampvergiftiging was minder onschuldig.
In onze zitkamer stond vanaf een bepaald moment een petroleumkachel.
Zestig graden
Merkwaardig genoeg rekenden wij thuis de temperatuur in graden Fahrenheit. Dat was al lang niet meer gebruikelijk. Toen de ‘meester’ op school vroeg hoe warm het bij ons thuis was, stak ik meteen mijn vinger omhoog en zei ‘zestig en soms wel een zeventig’. Er volgde een lachsalvo. Inderdaad was zestig onze norm voor de verwarming overdag. Dat is 15½ graad. Daarmee zijn weinig mensen tegenwoordig tevreden. Toch zijn wij niet van de kou omgekomen. Wel droegen wij vaak dikke truien. Als we ‘s avonds gezellig in de enige verwarmde kamer zaten naar de radio te luisteren, kon het wel eens bijna 70 graden (21 graden Celsius) worden, maar dat was een hoge uitzondering en dan zaten we te puffen van de hitte.
Aan het gas
In 1959 werd een gigantische gasvoorraad in Slochteren gevonden. Het duurde nog geen tien jaar voordat iedereen op aardgas was overgestapt. Het gasnet werd gemoderniseerd en uitgebouwd. Alle tot dan nog op stadsgas werkende toestellen werden gratis omgebouwd. In 1960 verhuisden wij van ons grote vrijstaande huis op de Arnhemse weg naar een rijtjeshuis op de Nieuwe Kazernelaan. Of wij in het grote huis al aardgas hadden, weet ik niet. Wel herinner ik mij dat er ‘meneren’ kwamen om ons ETNA gasfornuis om te bouwen, dat wil zeggen om andere branders te plaatsen. Op oudejaarsavond 1963 zat heel Nederland (wij ook) aan de radio gekluisterd om naar Wim Kan te luisteren. Zijn conference heette toen “12 miljoen oliebollen op aardgas“.
Onze kat gerieflijk bij de gashaard (1967)
Misschien heeft de kolenkachel er nog even gestaan, maar in ieder geval kregen wij op de Nieuwe Kazernelaan al snel een moderne gaskachel in de woonkamer. De petroleumkachel kreeg een plaatsje op Augusts kamer. Naast die kachel stond een vat met petroleum dat je af en toe moest bijvullen uit een groot vat dat buiten bij de keuken stond. Niet veel later kregen Huibert en ik een op aardgas werkende gevelkachel, een kachel zonder schoorsteen aangesloten op een gat in de gevel. Toch herinner ik mij dat we, als het koud was, met z’n drieën (Huibert, Hanneke en ik) in de woonkamer huiswerk zaten te maken, één aan de secretaire van mijn moeder en twee aan de eettafel. August zat boven bij zijn petroleumkachel. Centrale verwarming hebben wij nooit gehad.
En nu?
Dit is zo’n vijfenvijftig jaar geleden. Aan al die nostalgie naar gezellige kolenkachels en ijskoude kamers hebben we natuurlijk nu niet veel. Maar misschien is het toch goed om eraan herinnerd te worden dat wij niet van de kou zijn doodgegaan bij onze zestig graden (15½ graad Celsius). Een verlaging van de kamertemperatuur van een paar graden is een gigantische bijdrage aan energiebesparing. Een overheid die serieus inzet op duurzaamheid en niet afhankelijk wil zijn van Poetins en Oliesjeiks moet niet in de eerste plaats energierekeningen gaan subsidiëren maar toch eens gaan nadenken over de verlaging van BTW op dikke truien en het aanbieden van gratis breicursussen. Een woonkamer hoeft natuurlijk niet heel warm te zijn zolang de bewoners het maar warm hebben.
In september rende ik als een gek achter de libellen aan. In oktober lag ik languit op de grond om paddenstoelen te fotograferen, objecten die je meer tijd geven om de ideale positie te kiezen en om bij gebruik van een statief heel lange sluitertijden te kiezen. De ontwikkeling heeft zich nog even doorgezet. Het onderwerp is alleen veel groter geworden: bomen. Je hoeft daardoor minder dan bij paddenstoelen over de grond hoeft te kruipen. Ook bomen bewegen niet. Dat wil zeggen: ze blijven op dezelfde plaats staan, maar hun takken en bladeren kunnen wel onrustig in de wind heen en weer bewegen, zodat je toch wel moet oppassen met te lange sluitertijden als het waait.
Landschapsfotografie
In 2020 volgde ik een cursus digitale fotografie bij Harry Otto in Leiden. Eén van de eerste opdrachten luidde: maak een presentatie die laat zien wat voor soort fotografie je aanspreekt en illustreer het met het werk van goed fotografen. Ik ging op zoek naar landschapsfotografen. Het was vooral een grote teleurstelling. Wat een bombastische en sentimentele troep kwam ik tegen: eindeloze landschappen met sprookjesachtige sterrenluchten, brandende vuren, fotografisch bevroren watervallen en ergens in die landschappen magisch oplichtende mannen en vrouwen met hun blik op oneindig. Nee, dat wilde ik niet. Toch vond ik een paar fotografen door wie ik me wel graag zou laten inspireren: fotografen die natuurlijke schoonheid laten zien zonder hopeloos te overdrijven: mooie vormen, kleurcombinaties en lijnen. Op de eerste slide van mijn presentatie liet ik drie foto’s zien door drie heel verschillende fotografen: Charlie Waite, Guy Tal en Ellen Borggreve.
De eerste dia van mijn presentatie uit 2020
Ellen Borggreve: workshop ‘beyond the basics’
Ik volgde al een paar jaren de ‘news letter’ van Ellen Borggreve, die vooral sublieme foto’s van bomen en bossen maakt. In het kader van mijn blog over ‘mooi weer’ (de overmaat zon die niet alleen voor de natuur maar ook voor fotografen rampzalig is) had ik even contact met haar omdat ik daarin haar ‘news letter’ wilde citeren. Van het een kwam het ander en ik gaf mij op voor de workshop voor gevorderden (‘beyond the basics’) op 10 november.
Oude taxusbomen bij Huys te Warmont
Vóór de workshop oefende ik al wat bij het Huys te Warmont, waar de grote taxusbomen mijn lievelingsobject werden. Ik had wel mijn twijfels, niet alleen over de forse kosten van deze workshop maar ook vroeg ik mij af of gevorderd niet té gevorderd zou zijn. En ik vroeg mij af wat voor soort mensen dit soort workshops trekken, vooral hoogbejaarden met te veel geld of vooral romantische ‘tree huggers’? Het was een sprong in het duister.
Middelmatigheid op de Veluwe
In de middag van 9 november reed ik richting Amsterdam, Amersfoort en verder naar Garderen op de Veluwe. Behalve een koffertje met kleren had ik mijn full frame Nikon met een standaardzoom en een teleobjectief bij me en natuurlijk een goed statief en wat hulpmiddelen zoals circulaire polarisatiefilters en reservebatterijen.
Het Fletcherhotel vlakbij Garderen muntte uit door middelmatigheid. Niets was echt slecht, niets was ook bijzonder goed: behalve pils geen behoorlijk bier van de tap, een karakterloos driegangenmenu en een ontbijt met de gebruikelijke veel te lang gebakken spekrepen bij het sponzige roerei. Er was toch een voordeel: door de gemiddelde leeftijd van de gasten kon ik mij weer even jong voelen.
Fotograferen in het Speulderbos
Iets na half acht was ik bij de afgesproken parkeerplaats, de start van de wandelroute ‘de Duintjes’. Al mijn twijfels over de deelnemers leken ongegrond. Er waren behalve mijzelf drie heel gemotiveerde deelnemers (twee mannen en één vrouw), die niet alleen over uitstekende dure camera’s beschikten maar ook over veel kennis en ervaring. Misschien was het niveau een beetje aan de hoge kant voor mij, maar in ieder geval ging er geen tijd verloren aan discussies over ISO-waarden, scherptediepte, lensopeningen en sluitertijden. Het ging in deze workshop bijna uitsluitend over compositie. Alle technische onderwerpen waren daarvan een afgeleide.
In het Speulderbos (1/25, f/14, 24 mm, ISO 400, full frame)
Het Speulderbos en de daar liggende ‘duinen’ zijn een eldorado voor boom- en bosfotografen. Het landschap is op veel plekken heuvelachtig. Er staan de prachtigste oude beuken met hun interessante kromgegroeide stammen en takken. Dan wordt het weer afgewisseld met een donker bos van kaarsrechte sequoia’s.
Compositieles
Het ging in de les vooral om het opbouwen van een mooie compositie zonder te veel verwarrende complexiteit. Vragen die aan de orde kwamen, waren bijvoorbeeld: Gaat het in jouw foto vooral om één boom of om een groep bomen in hun onderlinge samenhang? Welke boom beschouw jij als ‘hoofdpersoon’, welke bomen als ondersteunende ‘personages’? Welk standpunt moet je kiezen om te laten zien, wat je wilt laten zien: hoog of laag, dichtbij of veraf, etc. ? Ik merkte dat ik zulke vragen nog bijna nooit expliciet had gesteld, laat staan beantwoord.
les in het bos
Op het moment dat je er een duidelijk antwoord op kunt geven, komt de vraag naar de technische realisering: wat voor soort objectief (standaard, groothoek of tele?), welke oriëntatie (portret, landschap of eventueel zelfs vierkant) en een hele reeks parameters zoals kleurtemperatuur, sluitertijd, handmatige of automatische scherpstelling, diafragma en scherptediepte. Ik leerde vooral het belang van de objectiefkeuze: groothoek om elementen los te maken, tele om elementen te verbinden. Ik had het nog nooit zo gezien: telelenzen zijn niet alleen onmisbaar om wat ver is dichtbij te brengen (bijvoorbeeld in de vogelfotografie), maar ook om verder weg van een onderwerp te kunnen gaan staan om het perspectief aan de vereisten van je compositie aan te passen, ook als je er in principe wel heel dichtbij kan komen.
Dansende beuken en kaarsrechte sequoia’s
De suggesties van Ellen Borggreve waren uiterst concreet. Bij haar is fotograferen van bomen en bossen een vak dat ze technisch tot in de puntjes als geen ander beheerst, geen zweverig gedoe. Ik had ook niet anders verwacht. Voorbij het beukenbos in de duinen kwamen we in het donkere sequoiabos. Door het woud van lange rechte stammen heen zag je weer de kromme lijnen van een ‘dansend’ beukenbos in het licht. Ik maakte een paar foto’s en vroeg om commentaar. Dat kreeg ik: ze adviseerde mij de hoogte van mijn camerapositie te veranderen. Ik liep weer terug naar dezelfde plek en maakte de foto’s opnieuw van een andere hoogte. Het zag er meteen veel beter uit.
Dansende beuken door de sequoia’s (1/5, f/18, ISO 400, 85 mm, full frame)
Zo maakte ieder van de deelnemers zijn eigen foto’s van bomen op heuvels, groepjes bomen langs een bospad, imposante wortelstelsels, kaarsrechte stammen en kronkelende takken.
Veel geleerd
Toen wij in de vroege middag weer op de parkeerplaats stonden, wist ik dat ik veel geleerd had. Veel tijd om met de andere deelnemers te praten, was er niet. Daarvoor waren we te hard aan het werk, want goede foto’s maken is hard werken. Ik ben wel benieuwd wat de resultaten van de andere deelnemers zijn, maar ik geloof niet dat er zo’n uitwisseling gepland is. Jammer.
Niet veel later reed ik naar huis. De workshop had niet lang geduurd, maar ik had genoeg geleerd en genoeg inspiratie opgedaan voor maanden lang bomen, bossen en andere landschappen te fotograferen. Dat moet ik vaker doen, direct van een topfotograaf les nemen op een niveau net iets boven mijn macht. Het is dezelfde ervaring als in een te goed orkest spelen. Onmerkbaar stijg je dan boven je eigen normale niveau uit. Daar heb je wat aan.
____
Op deze pagina heb ik nog wat tips voor het maken van bomenfoto’s gezet.
Net als twee jaar geleden gingen we in de herfstvakantie een paar dagen naar Epe. Ook konden we volop genieten van de mooie paddenstoelen in de bossen en op de heide. Ook overnachtten we weer in een piepklein huisje op het bungalowpark en camping van RCN, van het type ‘konijn’. Beschikten wij twee jaar geleden nog over een vierpersoonskonijn, nu moesten we het met de allerkleinste versie voor twee personen doen: het kleinste huisje op het terrein. Het weer was warm, verontrustend warm voor de tijd van het jaar. Terwijl de wereld twee jaar geleden bijna helemaal stil lag door Corona-maatregelen, waren nu de terrassen en cafés gewoon weer open, maar eigenlijk hebben we er niet eens zo veel gebruik van gemaakt. Toch fijn te weten dat het er weer is.
Wandelen tussen de paddenstoelen
Tongerense hei 2020
Tongerense hei 2022
Het is nauwelijks te vermijden, maar de wandelingen (en de foto’s) deze keer leken als twee druppels water op die van de vorige keer: door de Dellen naar de Render Klippen en over de Tongerense hei. Bij de Schaapskooi op de Render Klippen stond een ijskar. De ijscoman verkocht niet alleen prima ijs, maar kon het niet laten ook allerlei stereotype ongevraagde adviezen in de psychologische sfeer te geven. Zo wisten wij weer waar het om gaat in het leven.
Hoewel het herfstvakantie was, liepen er nergens veel mensen. En ook het aantal geëlektrificeerde fietsers op de racebaan door het bos viel mee. Veel vogels zagen we niet. Dat had zeker met het weer te maken. Bij kouder weer was er zeker meer vogeltrek geweest. Met veel plezier maakte ik weer de ene paddenstoelenfoto na de andere.
vliegenzwam
???
kleverig koraalzwammetje
sombere honingzwam
Ik weet er nog niet zo veel van, maar naarmate ik meer van die organismes te weten kom, des te meer opent zich een totaal wonderlijke ondergrondse en bovengrondse wereld van schimmels die met bomen samenwerken (zoals de vliegenzwam met berken en andere b0men), andere (zoals de sombere honingzwam) die eerst als relatief onschuldige parasiet op die bomen leven, maar dan genadeloos tot de aanval over kunnen gaan om de boom om zeep te helpen en vervolgens totaal af te breken. En dan zijn er nog paddenstoelen die zich uitsluitend bezig houden met het opruimen van dood organisch materiaal (zoals het koraalzwammetje op de foto).
Drie wandelingen: A. Dellen en Render Klippen; B: Tongerense Heide; C: Dellen en HaelbergAan de rand van de Tongerense hei
Meer dennen dan hei
Onze wandelingen in Epe gingen vooral door het bos met af en toe een stukje heide daartussen, zie bovenstaande figuur. Nu liggen de hei van de Render Klippen en de Tongerense hei als geïsoleerde elementen in het grote Epense bos. Hieronder een paar foto’s.
Op de Renderklippen
Renderklippen, niet ver van de schaapskooi
Een heitje bij de Dellen
Vanaf de Haelberg
Dat is wel eens anders geweest. Hieronder is de historische ontwikkeling in 9 kaarten weergegeven. Aan het eind van de 19e eeuw zien we uitgestrekte heidevelden en hier en daar een stuk bos. In het begin van de twintigste eeuw neemt het bosoppervlak in een strook ten Noorden van Epe iets toe, maar de heidevelden daarachter blijven immens. Dat is ten zien op de kaarten van 1920 en 1935, maar dan wordt het grootste deel van de heide beplant met uitgestrekte bossen van vooral op nette rijtjes geplante sparren, dennen en lariksen. Wat in 1940 nog van de heide over was gebleven, is er vandaag ook grotendeels nog: de hei bij de Render Klippen ten Noorden van Epe (wandeling A) en de Tongerense hei ten Zuid Westen (wandeling B).
Heide is een oud cultuurlandschap (zie ook deze blog). Eeuwen lang maakten de Nederlandse heidevelden deel uit van een landbouwsysteem waarbij afgeplagde heide vermengd met stalmest de basis vormden van het bemestingssysteem. Een deel van de mest was afkomstig van schapen die op de heide werden gehouden. Dit systeem van landbouw kwam spoedig tot een einde toen aan het begin van de twintigste eeuw grootschalige kunstmestproductie mogelijk werd nadat in 1910 Fritz Haber een methode gevonden had om stikstof uit de lucht in ammoniak om te zetten. Heide was vanaf die tijd geen noodzakelijk onderdeel meer van het landbouwsysteem op de zandgronden. Het is niet toevallig dat wij de heide snel zien verdwijnen op de kaartjes tussen 1920 en 1940.
Hei en Dennen
Het boekje Hei en Dennen door de aartsvaders van de Nederlandse natuurbescherming E. Heimans en Jac. P. Thijsse werd voor het eerst in 1897 uitgegeven. Het begint met een mooi verhaal dat op de hei tussen Heino en Raalte in Overijssel speelt. Daar woont in een afgelegen huisje 'Kruiden-Marie', een oude vrouw die uitzonderlijk veel van kruiden weet. Heimans (geboren in 1861) vertelt over zijn ontmoetingen die hij als jonge man met deze vrouw gehad had. Het verhaal speelt dus ergens rond 1880.
Toen het boek in 1948 opnieuw werd uitgegeven, waren de eenzame heidevelden waarop het leven van Kruiden-Marie zich afspeelde, al grotendeels verdwenen. Heimans schrijft in het voorwoord - Thijsse was inmiddels overleden - over de grote veranderingen in de vijftig jaren na de eerste druk.
"Geen ander van de Nederlandse landschappen heeft in .... (de afgelopen) 50 jaren zo schrikbarend geleden door ontginning als de heide. ... ... Moge de vernieuwde uitgave van dit boekje bijdragen tot het inzicht, dat de laatste nog goede resten van onze Nederlandse heiden als een uiterst kostbaar en precair nationaal bezit dienen te worden beschouwd en daarom tegen iedere verdere aantasting moeten worden gevrijwaard door ons aller toewijding en opofferingsgezindheid."
Plaatje hierboven uit de uitgave van 1948: E. Heijmans en Jac. P. Thijsse, Hei en Dennen, Uitgeverij Ploegsma, Amsterdam 1948. Oorspronkelijke uitgave in 1897, beschikbaar op internet: https://www.dbnl.org/tekst/heim004heie01_01/heim004heie01_01_0003.php
Het Oener Koefeest
Maar er is meer dan bos en heide in de buurt van Epe. Deze keer bezochten wij het Koefeest van Oene, een plaatsje net ten Oosten van Epe. Het ademt een beetje de sfeer van drie oktober in Leiden met alle frietttenten, en marktkramen voor vis en allerlei rotzooi. Maar het publiek is anders. Het is vooral de plaatselijke boerenbevolking, die grotendeels mooie Gelderse en Overijsselse dialecten spreekt. Op de markt was een grote oldtimer-show, niet voor auto’s maar voor historische tractoren. Veel kramen op de markt verkochten T-shirts met tractormotieven en miniatuurmodellen van tractoren. Het leven van de boer is een tractorleven.
Marktkraam in Oene
Wat een mooie trekker!
Rond de stokoude tractoren, waarvan de motor nog liep, stonden zoveel boeren dat het me nauwelijks lukte er foto’s van te maken. Traditioneel omvatte dit feest ook een koeienmarkt, maar sinds de mond- en klauwzeeruitbraak van 2001 werd de handel in koeien verboden. Er schijnt nu wel een paardenmarkt te zijn. Oene heeft een Oranjevereniging met de afkorting O.E.N.E.: Oranje En Nederland Eén. Zo’n dorp is het dus.
Als je van Oene nog verder naar het Oosten rijdt, dan kom je bij de IJssel. Na ons vertrek uit Epe reden we naar het Olsterveer, het pontje naar Olst. We genoten daar van onder meer kolganzen, smienten en slobeenden. Einde herfstvakantie, maar echt herfst was het nog steeds niet.
Het was 1958. We woonden in Ede boven op de Paasberg. Met het hele gezin fietsten we over zandpaden bij Planken Wambuis en Mossel en weer terug over de Ginkelse Heide. De zon scheen heerlijk op de heide die al behoorlijk paars aan het worden was. Daar aten we onze meegebrachte boterhammen bij het gezoem van bijen en hommels, terwijl de leeuweriken geen enkel moment hun gezang onderbraken.
Op de Ginkelse Heide (november 2019)
Ede was het heidedorp met als toeristisch hoogtepunt de verkiezing van de heidekoningin die in een paars versierde wagen door de straten werd gereden. De paarse koets van Ede. Toch ging het de jaren daarop niet zo goed met de hei. In plaats van de mooie paarse struikjes groeide er steeds meer onsympathieke grassoorten. De korhoenders, waar wij als NJN-ers nog om vier uur in de ochtend naar gingen kijken, waren na een tijdje verdwenen.
grutto
Niet alleen de mooie heidenatuur verdween in een rap tempo, ook de mooie weidevogels op het land van traditionele boerenbedrijven werden schaars. De intensieve landbouw eiste zijn tol, vooral door het toegenomen gebruik van kunstmest, de drastische verlaging van de grondwaterstanden en – vooral door ruilverkaveling – het verdwijnen van aantrekkelijke landschapselementen zoals eeuwenoude heggen en wallen.
Het conflict tussen boer en natuur spitst zich nu toe op de noodzaak de stikstofbelasting van alle sectoren in Nederland terug te brengen. Als het niet lukt de boerenbedrijven minder stikstofintensief te maken, dan moeten de boeren maar verdwijnen. De boeren hebben niet meer de politieke en maatschappelijke steun van weleer. Het land mag dan vol staan met omgekeerde Nederlandse vlaggen, maar de boeren staan zwaar op verlies. In de wedstrijd natuur tegen boer staat het minstens 1-0, misschien al 3-0. Wie zal het zeggen?
Dat is prachtig! In Nederland kunnen we de natuur weer herstellen, nu we die rotboeren bijna uit ons paradijs verdreven hebben. Maar hoe gaat het dan verder? Laten we er nu eens vanuit gaan dat natuur daar maximaal ontstaat waar de mens zijn invloed tot nul terugbrengt. We laten het land aan zichzelf over: geen landbouw, geen industrie, geen afvalstromen of emissies van elders. Weg met de kunstmatige aanpassing van waterstanden, weg met kunstmest. We laten het land zonder menselijke invloed dichtgroeien en kijken wel wat voor planten en dieren we dan krijgen. Wat we dan krijgen, zal waarschijnlijk op het landschap de vroege middeleeuwen, voor het ontstaan van de landbouw, gaan lijken, misschien wel op het landschap van nog veel eerder, na de laatste ijstijd. Waarschijnlijk ontstaan er tussen de stedelijke gebieden grote beukenbossen en uitgestrekte moerassen, wie weet ook nog bevolkt door wolven, beren en wisenten.
Krijgen we dan onze mooie natuur terug? Hoe gaat het dan met onze paarse heide en met de mooie weidevogels? Het is misschien jammer, maar uitgestrekte heidevelden komen echt nooit meer terug. Hoewel de heide als soort al vóór de vroege middeleeuwen in onze omgeving voorkwam, zijn de uitgestrekte heidevelden (en zandverstuivingen) van veel latere datum. Heidevelden zijn ontstaan als nevenproduct van een vorm van landbouw, die zich op en rond ‘essen’ in een tijd van systematisch mesttekort ontwikkelde. De es werd bemest met een mengsel van stalmest en afgeplagde heide. Daar vond landbouw en veeteelt plaats. Heidevelden rondom de es waren het domein van schapen. De grote onvruchtbare heidevelden waren het gevolg van systematische verarming door eeuwenlange afplagging. De beste manier onze mooie heidevelden in stand te houden, is weer regelmatig op de oude manier af te plaggen. Doe je dit niet, dan verdwijnt de door de mens veroorzaakte onvruchtbaarheid. De huidige stikstofbelasting is niet de belangrijkste oorzaak van het verdwijnen van de heide. Heidevelden kunnen zelfs nog heel wat stikstof hebben, als je ze op de juiste manier onderhoudt. De heide is geen oorspronkelijke natuur, maar een cultuurlandschap van vóór de uitvinding van de kunstmest. Toen die uitgevonden was, had bijna niemand meer behoefte aan heidevelden, behalve dan het leger, waaraan wij het behoud van grote stukken heide te danken hebben.
Nederlandse ‘natuur’ in het Groene Hart
Ook onze mooie grutto’s, kieviten, wulpen, tureluurs en nog veel meer weidevogels zijn geen oorspronkelijke natuur. De Nederlandse weiden waar deze vogels zich eeuwenlang hebben thuis gevoeld zijn door de landbouw geschapen biotopen die oorspronkelijke, maar verdwenen, biotopen hebben kunnen vervangen. Je zou kunnen zeggen dat de natuur in de landbouw gevlucht is. Door de intensivering van de landbouw zijn deze landbouw-biotopen op een schrikbarende manier gekrompen en daarmee de overlevingskansen van grote vogelpopulaties. Terug naar de oorspronkelijke wildernis van vóór de landbouw zou een ramp betekenen, want daarmee ontstaat niet automatisch ruimte voor de weidevogels.
Terug naar de natuur! Dat klinkt goed, maar terug naar welke natuur? Terug naar een oorspronkelijke door landbouw en industrie niet gestoorde wildernis levert ons niet meer op dan een tamelijk saai boslandschap met hier en daar een moeras. We krijgen er de natuur waar we naar verlangen – steekwoorden: heidevelden en grutto’s – nooit mee terug. Het is goed ons te realiseren dat onze ‘natuur’ (in Nederland en West Europa), voor minstens 90% aan landbouw gebonden is. Willen we deze natuur behouden, of terug krijgen, dan is er een rol voor de landbouw weggelegd. In de strijd tussen natuur en landbouw staat het toch niet 1-0. De boeren staan op verlies, maar de natuur ook. Het staat op zijn best 0-0.
Tapuit in de boerennatuur
Het kan 1-1 worden als de boeren weer een positieve rol kunnen spelen in de creatie en het beheer van de natuur zoals ze al eeuwen hebben gedaan, maar dan moet er wel iets grondigs veranderen aan de landbouwsubsidies. Het inkomen van boeren in Nederland (en Europa) bestaat gemiddeld voor de helft uit subsidie. Die subsidie gaat nu nog in het stimuleren van intensieve landbouw ten koste van de natuur. De boer krijgt er de schuld van. De belangrijkste bijdrage van boerenbedrijven in veel gebieden zal ook in de toekomst het scheppen en beheren van onze zogenaamde ‘natuur’ moeten zijn en daarvoor moet hij betaald worden. Dat heeft meer zin dan de boeren uit Nederland en Europa weg te jagen en daar, op basis van een misplaatst romantisch verlangen naar een al meer dan duizend jaar geleden verloren gegane wereld – een verarmde wildernis, geen rijke natuur! – voor in de plaats te creëren. Terug naar de cultuur!
____
PS
Ik worstel al een tijdje met de vraag, wat nu eigenlijk natuur is (in Nederland), zie bijvoorbeeld dit verhaal.
In de intensieve landbouw is de boer vaak de vijand van de biodiversiteit. In oudere, minder intensieve vormen van landbouw draagt de boer juist bij aan het scheppen van biodiversiteit. Neem bijvoorbeeld de traditionele landbouw in Normandië, de combinatie van cider- en melkproductie en het resulterende ‘bocage’-landschap. Ik schreef erover in deze blog.
De stikstofdenkfout: het is ontegenzeggelijk waar dat de te hoge stikstofbelasting van de bodem in Nederland tot het verdwijnen van veel mooie natuur heeft geleid. Het woord ‘stikstof’ vind je tegenwoordig steeds vaker als de helft van het woordpaar ‘stikstof – natuur’. Natuur is mooi en stikstof is slecht voor de natuur. Stikstof is antinatuur. Een toename van stikstof (eigenlijk gaat het niet om stikstof maar om stikstofverbindingen) leidt tot een afname van natuur. De grote denkfout die onmerkbaar in de politiek geslopen is, luidt: afname van stikstof leidt automatisch tot een toename van natuur. Dat is om meerdere redenen een riskante en meestal foute aanname. De ecologische kwaliteit van de bodem hangt van honderden factoren af, niet alleen stikstof. Bovendien kan de afname van stikstof gepaard gaan met maatregelen ten nadele van de natuur zoals het volledig verdwijnen van de landbouwbiotopen waarin de natuur zich thuis voelt.