Libellen in september

Zonder water geen libellen

Om acht uur precies reden Erik en ik van de Merenwijk richting de A4 en verder via het Westland naar Hoek van Holland. Erik had al over de grote libellenrijkdom van dit kleine gebiedje in de Kapittelduinen verteld.

Vochtige duinvalleien en meertjes in duinen zijn ideaal voor libellen. Libellen leven het grootste deel van hun bestaan in het water. Soms leven ze meer dan een jaar als larve in het water totdat ze zo ver ontwikkeld zijn dat ze het water uit klimmen en, bijvoorbeeld hangend aan een rietstengel, uit hun nymfenhuid kruipen. Als ze dan ‘uitgeslopen’ zijn, leven ze nog hooguit een paar weken waarin de belangrijkste opdracht is: paren en eieren leggen. Wij, als libellenliefhebbers en libellenfotografen, zien alleen dat laatste stukje van hun leven als ze acrobatisch over en langs het water vliegen, al of niet in mooie tandemformaties en af en toe aan bij een plant langs de kant een kleine rustpauze inlassen.

Om iets voor negenen liepen wij het pad naar die mooie duinvallei in, maar wat wij zagen had weinig met boven geschilderde idylle te maken. De droge grond kraakte onder onze voeten en de toppen van de rietstengels waren geel en bruin verkleurd. De duinplas was gekrompen tot een plas van minder dan drie meter doorsnede. Er waren wel wat insecten te zien zoals hommels, bijen en een enkele vlinder. Naarmate de zon voor meer warmte zorgde, werden het wel meer, maar er zaten nauwelijks libellen tussen.  Leuk was wel dat er een paapje vloog, een vogel die veel insecten nodig heeft om zijn eetlust te bevredigen.

Niet ver van het pad naar het strand zagen we dan eindelijk de eerste libellen. Hier en daar vloog een paardenbijter en aan een rietstrengel hing een pantserjuffer, niet de gebruikelijke houtpantserjuffer maar de zwervende pantserjuffer, eenvoudig te herkennen aan het tweekleurige pterostigma. Een paar honderd meter hiervandaan bij het andere uiteinde van deze opgedroogde duinplas zagen we nog één libel, een heidelibel. Het was geen gewone (bruinrode of steenrode) heidelibel maar een prachtig gele zwervende heidelibel. Misschien niet toevallig dat we hier twee ‘zwervers’ tegenkwamen, die wellicht uit gebiedjes kwamen waar nog wel water is.

Wij vroegen ons af hoe lang het zou kunnen duren voordat het hier weer wemelt van libellen. Alle larven zijn opgedroogd, dood. Volgend jaar maar weer eens kijken, maar eerst even naar een gebied met water.

Duinen met veel water: veel libellen

bruine winterjuffer

Wij reden naar het Solleveld bij Monster, een prachtig duingebied van Dunea. Waterleidingduinen zijn een garantie voor water. En water is een garantie voor libellen. Dat bleek ook deze keer te kloppen. Al in de buurt van het toegangshek naar het gebied vloog de ene na de andere heidelibel over het pad en ze zaten bij bosjes op hekken en paaltjes. De soortenrijkdom hield niet over, maar het waren er veel, naast heidelibellen vooral heel veel paardenbijters. Waar het pad een stukje door het bos loopt, zagen we vooral veel houtpantserjuffers, maar ook een bruine winterjuffer. Het interessante van deze juffer is (lezen we in de onvolprezen KNNV-libellengids) dat deze als imago overwintert en dus het hele jaar waargenomen kan worden.

Eigenlijk leuker dan de libellen waren de vlinders zoals de kleine parelmoervlinder, de distelvlinder, kleine vuurvlinder en de blauwtjes (Icarusblauwtje, bruin blauwtje).

 

De vogels die we zagen waren niet zo bijzonder, natuurlijk de natuurverwoestende aalscholvers en af en toe een buizerd. Het leukste was nog een sperwer die vrij dicht langs ons vloog.

De in ruime mate aanwezige paardenbijters waren vanaf dit moment vooral fotografie-object. Het zijn heel fotogenieke grote, mooi gekleurde libellen. Hun manier van vliegen is boeiend. Af en toe staan ze bijna stil in de lucht, soms zie je ze in glijvlucht met bewegingsloze vleugels en soms maken ze in volle vaart scherpe hoeken, waarbij krachten van meer dan 4g op de libel kunnen werken. Het fotograferen van paardenbijters in de lucht is een hele uitdaging en ook deze middag heeft dit voor veel mislukte foto’s gezorgd. Gelukkig bleven ze ook regelmatig even op een rietstengel of een boomtakje zitten, wat mooie plaatjes opleverde. Tandems van heidelibellen waren ondertussen hard bezig met eieren leggen.

paardenbijter
Topprestaties in de lucht

Nu leven libellen maar een kort deel van hun bestaan als een vliegend insect, maar ze kunnen beter vliegen dan de meeste insecten. Dat heeft vooral te maken met de manier waarop de vliegspieren georganiseerd zijn. Bij de meeste insecten, zoals bijen, worden de vleugels indirect bewogen door een vervorming van het borststuk: het rugschild wordt naar beneden geduwd, waardoor de vleugels omhoog gaan. In dat geval zijn voor- en achtervleugels met elkaar verbonden en bewegen dus gelijktijdig. Bij de libellen is dit heel anders: elke vleugel heeft zijn eigen spier. Voor- en achtervleugels bewegen niet gelijktijdig maar zijn ten opzichte van elkaar uit fase. Het relatief grote borststuk van een libel is grotendeels gevuld met vliegspieren. Bij veel insecten worden de vliegspieren ook gebruikt voor de beweging van poten. Tijdens het vliegen worden deze pootbewegingen uitgeschakeld. Dat is bij libellen niet het geval zodat ze tijdens het vliegen de poten kunnen gebruiken om prooien te vangen.

Na een uurtje paardenbijters fotograferen aan het water waar ik eerder een keer een  roerdomp van dichtbij zag en op een latere excursie van zijn tuba-klanken mocht genieten, liepen we verder de plas om. Het verhaal werd saai: paardenbijter, heidelibel, houtpantserjuffer ad infinitum. Een man met kinderen vroeg geïnteresseerd of we nog wat bijzonders hadden gezien. Ik beantwoord deze vraag zoals altijd ook nu bevestigend, maar leg dan wel uit dat we weliswaar geen bijzondere soorten op de lijst hebben staan, wél een bijzonder gebied en een bijzonder mooie natuur, ook al bestond die dan vandaag uit 10.000 paardenbijters en 20.000 heidelibellen. Ik bood man en kinderen een stroopwafel aan. Even later kwam zijn vrouw met nog meer kinderen erbij staan en was het pak gauw leeg.

Het was een mooie dag.

____

Literatuur

Ik vond een collegedictaat door Struyve Tim van het college in het kader van ‘Morfologie van invertrebraten’ van Prof. dr. M. Vinex: De morfologische aanpassingen aan het vliegen bij de libel. Heel specialistisch en gedetailleerd.

Meer toegankelijke informatie in: Veldgids Libellen, KNNV/Vlinderstichting 1997, 8e druk 2016.

Een lijstje van ‘mijn’ soorten (met mijn eigen foto’s) houd ik hier bij.

Absurde schepselen en een nieuwe verslaving

Libellenparing

Als je de natuur bestudeert en je kijkt naar al die vreemde details, dan kom je al  snel tot de conclusie dat er óf helemaal geen schepper bestaan heeft of dat hij licht bezopen was toen hij daar aan het scheppen was.

Secundair geslachtsorgaan

Vroege glazenmaker verplaatst sperma

Neem bijvoorbeeld de paring van libellen. In de natuur is paring meestal geen teder en liefdevol gebeuren. Ook bij libellen  kan ik me niet voorstellen dat ze er veel plezier aan beleven. Het mannetje heeft aan het einde van zijn lange libellenlijf een soort ‘tang’ waarmee hij het vrouwtje in haar ‘nek’ grijpt en niet meer loslaat, waarna zij als ‘tandem’ verder vliegen, het mannetje voorop.

Het mannetje produceert, zoals de meeste dieren, zijn sperma onder aan zijn lijf, maar voor het geslachtsorgaan is daar geen plaats meer, want daar zit het gereedschap om zijn partner mee in de nek te grijpen.

Paringswiel: lantaarntjes

Dat is nu bij het mannetje naar boven verplaatst, niet ver van zijn kop. Het mannetje pompt regelmatig zijn sperma naar dit zogenaamde secundaire geslachtsorgaan.  Een collega libellenverslaafde wees mij erop dat hij dit vaak in de lucht doet. Je ziet hem dan driftig zijn achterlichaam op en neer bewegen (zie foto).

Het vrouwtje, in de houdgreep van het mannetje, buigt nu haar lange lijf in de richting van het secundaire geslachtsorgaan om toegang te krijgen tot het spermavoorraadje van meneer, die wel even snel uit het uiteinde van zijn vriendin het overgebleven sperma van concurrerende mannetjes verwijdert. Van die lui moet hij niets hebben.

Paring van bruinrode heidelibellen

Copula en tandem

Op het moment dat het vrouwtje zich met het secundaire orgaan van het mannetje verbonden heeft, ontstaat de ‘copula’, het beroemde libellenwiel. Libellenparen zie je vaak aan een rietstengel hangen. Soms vliegen ze gezellig (?) samen door de lucht.

Oeverlibel heeft net een ei in het water gelegd en vliegt verder

Vaak willen de mannetjes voorkomen dat er nog meer heren willen paren en houden het vrouwtje in de greep totdat de met zijn sperma bevruchte eieren gelegd zijn. De eieren worden dan in tandemvlucht afgezet, zoals bij veel ‘juffers’ gebeurt, maar bij andere libellen (zoals de oeverlibel) strooit  het vrouwtje vaak in haar eentje eieren op het wateroppervlak uit. Soms zorgt het mannetje ervoor dat dit wel in zijn territorium gebeurt.

Een tandem bruinrode heidelibellen legt eieren in het water van een plasje bij Warmond

Libellenverslaving

Toen het voorjaar een beetje op zijn einde liep en er iets minder vogels te fotograferen waren, nam mijn belangstelling voor bijen, vlinders, vliegen en libellen toe. Ik plaatste wat libellenfoto’s op mijn natuur-appgroep. Ik kreeg veel positief commentaar, maar ook een waarschuwing: “Pas maar op Reinier, libellen zijn verslavend!” Prima, ik kon er wel een verslaving bij hebben en nu, drie weken later ren ik steeds vaker met mijn fotoapparatuur achter de libellen aan en ik begin steeds meer namen te kennen van al die ‘echte’ libellen en ‘juffers’.

Libellen in de vlucht

Natuurlijk kan ik ze hangend aan een rietstengel mooi met een macrolens fotograferen, maar de meest tijdrovende verslaving is libellen in de vlucht vastleggen. Dat kan alleen met een telelens en een hoop tijd. Sommige libellen zijn zo vriendelijk af en toe even in de lucht stil te hangen, maar dan wel razend snel onder een onberekenbare hoek verder te flitsen.

Studie van vliegende vroege glazenmakers

Nog moeilijker is het om de aanvliegende libelle recht van voren te fotograferen, maar als het lukt, worden het mooie plaatjes, die associaties met gevaarlijke bommenwerpers en ander oorlogstuig oproepen. Alweer een tijdje geleden (september 2020)  maakte ik een mooie foto van een paardenbijter en dit jaar waren het de vroege glazenmakers.

Paardenbijter

Toch maar zittend

Maar soms krijg je een lamme arm van het uren lang met de telelens volgen van vliegende libellen en dan zijn ze gewoon, hangend aan een rietstengel of zittend op de grond zeker zo mooi en minder vermoeiend voor de fotograaf.

P.S.

De werkelijkheid is nog wel iets gecompliceerder en genuanceerder dan in deze blog weergegeven. Er zijn grote verschillen tussen verschillende libellen, in de eerste plaats tussen de 'echte libellen' en de 'juffers', maar ook tussen soorten binnen deze hoofdgroepen. Heel goede informatie is te vinden in Veldgids Libellen, uitgegeven door KNNV in samenwerking met de Vlinderstichting 1997, 8e druk 2016. Het in bovenstaand verhaal genoemde 'in de nek' is eigenlijk 'achter de kop' bij echte libellen en 'aan het halsschild' bij juffers. De 'tang' in mijn verhaal wordt officieel met 'onderst(e) achterlijfaanhangsel(s)' aangeduid, zie hiervoor de literatuur.

Meer over libellen heb ik op deze pagina geschreven.

Een noot voor fotografen

Libellen in de vlucht
Heidlibel in de vlucht

Als je weinig tijd hebt, kan je dit beter geen libellen in de vlucht fotograferen. Wil je het toch proberen, dan een paar tips op basis van mijn ervaringen:

  1. Fotografeer met een behoorlijke telelens. Ik gebruik een telezoom die tot 600 mm gaat op een full-frame (Nikon D-610) of crop-camera (Nikon D-7100). Meestal gebruik ik de lens ingesteld op 350 mm, want anders is het moeilijk de libelle in beeld te krijgen. Beeldvullende opnames zijn vrijwel onmogelijk en ik moet behoorlijk bijsnijden achteraf (‘croppen’).
  2. Werk met de M-stand op 1/1000 f/8 (met stabilisatie) bij mooi weer of een iets opener lens bij minder mooi weer. Dat natuurlijk met auto-ISO. Op mijn full-frame kan ik vrij hoge ISO-waarden tot over de 2400 accepteren en toch goed kleuren behouden. 1/800 lukt soms ook wel. Wil je de vleugels er scherp op, dan heb je twee tegenstrijdige eisen. Je wilt een korte sluitertijd om de beweging van de libel en zijn vleugels te ‘bevriezen’ en je wilt veel scherptediepte (hoog diafragmagetal) om de vleugels over hele breedte scherpt te krjgen (als de libel evenwijdig aan de camera vliegt tenminste; als de libel op de camera af vliegt dan heb je minder scherptediepte nodig voor de vleugels). Dit vereist in de regel zo’n hoge ISO dat de kwaliteit sterk achteruit gaat. Gedeeltelijk onscherpe vleugels zijn daarom meestal niet te vermijden. 
  3. Werk in de regel met één scherpstelpunt. Is de achtergrond een egale lucht, dan kan het ook wel met 9 punten. Stel scherp op de kop.
  4. Probeer de libelle vast te leggen als hij even stil staat in de lucht. Bij paardenbijters, glazenmakers en heidelibellen lukt dat meestal wel. Bij oeverlibellen gaat het eigenlijk bijna nooit.

Meer over de instelling van de camera hier

Libellen determineren met foto’s

Vaak is een foto handig bij het determineren van libellen.

  1. Foto’s kunnen het beste met een redelijk lang macro-objectief of een telelens worden gemaakt, gewoon van libellen zittend op planten of op de grond.
  2. Voor het determineren van juffers is het beste een foto schuin van boven, zodat zowel de tekening van het borststuk als de tekening van de achterlijfsegmenten zichtbaar is.
  3. Voor het determineren van heidelibellen is het handig een foto recht van voren te hebben. Op die manier kan de steenrode heidelibel van de bruinrode heidelibel worden onderscheiden (met ‘hangsnor’, zonder ‘hangsnor’)

 

 

Dan maar viool

Het lijkt wel ruzie

Meer dan blokfluitles zat er in mijn jeugd niet in. Daar hadden mijn broer en ik nog geluk mee, want mijn moeder had de met geld van mijn oma gekochte fluiten in de zak van Sinterklaas gestopt en in het bijgesloten gedicht werden (zonder overleg met mijn vader) de lessen aangekondigd. Groepsles bij de privé-muziekschool van het echtpaar Geitenbeek. Met drie of vier leeftijdsgenoten zaten we aan een langwerpige tafel,  ieder een klein tafellessenaartje voor zich en daarop kleine langwerpige muziekboekjes. Aan het hoofd van de tafel mevrouw Geitenbeek, die om de haveklap “Het lijkt wel ruzie” over de kakofonie heen gilde en het terloops over haar opkomende hoofdpijn had. Eigenlijk konden Huibert en ik het best goed, maar ook toen waren we al ongelooflijk eigenwijs. Wij weigerden bijvoorbeeld uit een bundeltje “Ländler”, Oostenrijkse of Duitse volksliedjes, te spelen. Dat was geen serieuze muziek.

Op zoek naar een echt instrument

Toen ik op het gymnasium zat, ruilde ik de sopraanblokfluit voor een altblokfluit in en moest even leren dezelfde grepen voor andere noten te gebruiken. Veel moeite kostte me dat niet. Ik studeerde een sonate van Händel in die een klasgenoot dan op de piano begeleidde. Ook kocht ik 45-toerenplaatjes van de reeks “Spiel mit”.

Toen ik een paar jaar later in Utrecht ging studeren, kreeg ik sterk de behoefte om een ‘echt’ instrument te gaan spelen. Frans Brüggen vertelde op een concert in 1968 dat blokfluit een bijzonder moeilijk instrument was en eigenlijk niet geschikt voor de muzikale ontwikkeling van amateurs. Je kan er bijna geen dynamiek me realiseren, bijvoorbeeld. Ik was het daarmee eens en ik wilde iets anders. Waarschijnlijk nog in het eerste jaar van mijn studie trok ik de stoute schoenen aan en maakte een afspraak bij de muziekschool, die zich niet ver van de domtoren bevond.

Vindt u viool mooi?

Ik meldde bij de receptie en werd de kamer van een mevrouw (M) binnengelaten. Misschien was  zij de directeur (directrice in die tijd).

M: U heeft een afspraak met ons gemaakt. Wat kunnen we voor u doen?

R: Ik heb tijdens mijn lagere schooltijd blokfluit leren spelen en ben daar op de middelbare school mee doorgegaan, maar het instrument bevalt me niet. Ik wil wel eens een serieuzer instrument met meer mogelijkheden gaan bespelen.

M: Ja, dat kan ik me wel voorstellen. Waar had u aan gedacht?

R: Omdat ik al een blaasinstrument bespeel, had ik weer aan een blaasinstrument gedacht.

M: Welk instrument bezit u dan?

R: Naast mijn blokfluit bezit ik geen instrument en veel geld heb ik ook niet om er een aan te schaffen. Ik heb gehoord dat je ook instrumenten op de muziekschool kunt lenen of huren. Ik zou graag klarinet gaan spelen. Heeft de Utrechtse muziekschool een klarinet te huur?

M: Ik moet u helaas teleurstellen. De paar instrumenten die wij nog bezitten – sorry dat ik het zo zeg – zijn gewoon brandhout. Ik zou niemand aanraden daarop te gaan spelen! U zegt dat u geen instrument bezit. Maar is er dan geen enkel instrument in de familie dat u kunt gebruiken.

R: Tja, die zijn er eigenlijk niet, behalve violen dan, die zijn er wel.

M: Heeft u er dan niet aan gedacht viool te gaan spelen?

R: Dat kan toch helemaal niet! Daar moet je toch op heel jonge leeftijd mee beginnen.

M: Het is niet gemakkelijk, maar het kan best. Dan wil ik u toch één vraag stellen. Vindt u viool een mooi instrument?

R: Zonder meer! Ik vind viool misschien wel het mooiste instrument dat er bestaat. Sonates van Mozart en Beethoven: dat is mijn lievelingsmuziek.

M: Waarom probeert u het dan niet?

Na nog wat heen-en-weergepraat kwamen er formulieren op tafel. Ik vulde het instrument ‘viool’ in het verklaarde mij akkoord met de financiële voorwaarden.

Violen met tranen

Maar een viool had ik nog niet. De viool van mijn in het concentratiekamp omgekomen grootvader lag nog onder het bed van mijn Oma. Geen sprake van dat ik dat bijna heilige instrument zou mogen hebben. Bovendien dacht de familie dat het heel veel waard was, een echte Maggini. Er was in de verre familie nog ergens een viool, die mijn moeder met heel veel moeite voor mij te pakken kreeg. Ook deze viool was met emotionele geschiedenissen uit de Tweede Wereldoorlog verbonden en er vloeiden tranen voordat mijn moeder hem meekreeg.

Ben Lansdorp en Jaap Hillen

Een paar weken later kreeg ik een uitnodiging van vioolleraar Ben Lansdorp en tweede violist uit het Utrechts Symfonieorkest. Met de nodige scepsis begon deze aardige man aan onze wekelijkse lessen. Na een jaar moest ik voor een soort examentje voorspelen op de muziekschool. Meneer Lansdorp was niet ontevreden: hij noemde mij een ‘witte raaf’ en in het getuigschrift van de muziekschool stond: ‘gezien de korte tijd die Reinier les heeft, een heel behoorlijk resultaat.’

In die tijd zong ik al in het USKO, Utrechts Studenten Koor en Orkest onder leiding van Jaap Hillen. Na twee jaar vioolles verwisselde ik mijn plaats in het koor met een plaats achteraan de tweede violen. Jaap Hillen kwam ik in de vroege jaren 80 weer tegen als dirigent van het HBG, Haags Barok Gezelschap, waarin in ik samen met Petra tot zijn dood in het jaar 2008 speelde.

Nog steeds speel ik met plezier viool en de laatste jaren steeds meer. Zie onder meer deze blog. 

Noot

De 'Maggini' van mijn Opa bleek een zwaar beschadigde kopie te zijn, niet veel waard dus. De viool van de andere familie heb ik op straat in Utrecht kapot laten vallen(!), maar vioolbouwer Stam in Utrecht vond deze niet het repareren waard. Wel was hij geïnteresseerd in het mooie 'kopje'. Ik ben toen op de viool van mijn Opa gaan spelen totdat een van mijn volgende vioolleraren (Irene den Herder) hem niet geschikt vond en mij min of meer dwong een wat moderner en luider instrument van haar over te nemen.

Twee verhalen

Verhalen

Leerlingen van Mimi Mitchell brachten afgelopen zondag (19 juni 2022) op een voorspeelmiddag een of meerdere stukken ten gehore: voor viool alleen of viool met andere instrumenten als klavecimbel, viola da gamba en blokfluit.

Een muziekstuk is een verhaal tussen twee stiltes. Muziek uitvoeren  is dat verhaal vertellen. Je moet het in de juiste volgorde op een goede manier vertellen. Muziek gaat altijd ergens heen, soms naar een duidelijke conclusie. Soms laat muziek je in verwarring achter. Op deze middag was mijn belangrijkste stuk een solo-fantasie van Telemann, een stuk waarin in korte tijd totaal verschillende emoties tot uitdrukking komen.

Het eerste verhaal

Maar voordat ik mijn viool het verhaal van Telemann liet vertellen, vertelde ik zelf een kort verhaal in woorden. Hier eerst een korte versie van wat ik verteld heb.

“Voor mij is dit vanmiddag een heel bijzondere uitvoering. Ik weet zeker dat het voor iedereen een bijzonder moment is. Iets meer dan twee jaar geleden in maart bracht de eerste Corona-golf het land tot stilstand. Dat had ook voor de muziek ernstige gevolgen. Niets ging meer zoals wij gewend waren. Geplande uitvoeringen konden niet doorgaan. Bang voor besmetting zegden mensen hun muzieklessen af of besloten muzieklessen via internet voort te zetten. Ensembles konden niet meer repeteren, laat staan nieuwe stukken instuderen. Beroepsmusici hadden geen werk meer. Voor veel amateurs viel een belangrijk deel van hun sociale leven in duigen.

Voor mij persoonlijk kwam hier nog iets vervelends bij. Toen ik half maart met Petra een wandeling naar Warmond maakte, merkte ik opeens dat ik moeite had rechtdoor te lopen. Ik raakte steeds van het wandelpad af. Ik had mijn benen niet meer helemaal onder controle. Na een reeks standaardonderzoeken in het ziekenhuis wist ik het: ik had een CVA, een herseninfarct, gehad. Met een stapel pillen stond ik een paar uur later weer op straat.

Ik had geluk gehad, want de gevolgen van het infarct vielen mee. Wel schrok ik ervan dat ik grote problemen had met viool spelen. Die dag had ik, zonder dat ik het door had, de stok aan de verkeerde kant van de kam gezet. Mijn eerste gedachte was: ik zal nooit meer viool kunnen spelen. Maar die conclusie wenste ik niet te accepteren. Door de telefoon vertelde ik Mimi het verhaal en ik vroeg haar of zij mij les zou willen geven met het doel de stok weer onder controle te krijgen. Ik was heel blij dat zij dit wilde. Het kon alleen niet in Amsterdam, want na mijn CVA kon ik voorlopig niet meer auto rijden en ik had geen zin om in het openbaar vervoer Coronavirussen in te ademen. Vanaf dat moment had ik elke week 20 minuten vioolles via skype. Mijn streek knapte snel op. Alles was nu op de rechterarm en rechterhand gericht. De linkerhand had even geen aandacht. Na 20 minuten skype-les was ik in de regel zo uitgeput dat ik uren kon slapen. De vioolles hielp mij blijkbaar om de teloorgegane verbindingen in mijn hersenen opnieuw aan te leggen en dat is vermoeiend. Er gebeurde daardoor ook iets leuks: na dit herstel was mijn streek beter dan ooit tevoren. Oude fouten waren met de kapotte cellen verdwenen.

Gelukkig was ik na verloop van tijd weer in staat om naar Amsterdam te rijden en had ik – op gepaste afstand – weer gewoon ouderwets les en weer steeds langer. Ik had vanaf dat moment elke week minstens een uur les. Viool had nu mijn volledige aandacht. Daarbij speelde Telemann een belangrijke rol. De solo-fantasieën zijn heel mooie muziek, maar we gebruikten ze vooral als heel mooie maar verdomd moeilijke etudes, niet alleen voor de rechterhand, vooral ook voor een stabiele en secure linkerhand met al die dubbelgrepen en overgangen tussen lage en hoge snaren. Ook Mimi moest ze serieus gaan studeren. Vlak voor mijn vioolles stuurde ze vaak een e-mail met de vraag: welk deel moet ik deze week studeren?

Langzaam werden die fantasieën wel iets meer dan etudes. Ik zal er nu één voor jullie spelen. Het is fantasie nr. 7 in Es. Natuurlijk zal ik de nodige fouten maken, maar ik ben heel blij dat ik na deze tegenslag van twee en een half jaar geleden het stuk hier mag voordragen, wat zonder het geduld en de goede lessen van Mimi nooit gelukt zou zijn."

Het tweede verhaal

De fantasie is een prachtig verhaal. Het begint met een teder en tikkeltje melancholiek Dolce, dat ik heel rustig probeer te spelen. Het daarop volgende allegro is vrolijk en vol energie, maar ik speel het niet te snel. Het daarop volgend Largo (nu in c-klein) is een juweeltje vol met mooie contrasten en diepe emoties. Het maakt schitterend gebruik van de verschillende karakters van de vier snaren. Ik vind het altijd jammer als ik met de lage c aan het einde kom. Ik zou dit stuk nog wel 20 minuten door willen spelen, maar het daarop volgende spetterende presto vol grote sprongen tussen laagste en hoogste noten is toch een mooi slot van deze fantasie.

 

____

Polen 2022 – fietsen in de lente

Elk jaar ga ik in het late voorjaar een week of iets meer ergens fietsen. De laatste jaren in Engeland, Schotland, Ierland, Duitsland, Frankrijk en regelmatig in Polen. Polen is grotendeels vlak en er zijn uitstekende fietsroutes. Weer een keer naar Polen, ook om te oefenen met Pools, een van de moeilijkste talen ter wereld, een rare hobby van me.

In de trein naar Skoczów

Op 23 mei vertrok ik naar het verre beginpunt van mijn laatste fietstocht: Wisła een klein plaatsje vlakbij het drielandenpunten Tsjechië, Slowakije, Polen iets voorbij het begin van de rivier met dezelfde naam, de langste rivier van Polen waar de belangrijke steden Kraków, Warszawa, Toruń en Gdańsk aan liggen. Het was wel twee dagen reizen met een overnachting in Zielona Góra, niet ver van Duitsland. De reis liep niet zonder problemen, zie hier voor meer informatie.

Niet ver van Wisła

In Wisła ben je nog in de bergen, het is een wintersportplaatsje in de Beskiden, een deel van de Karpaten. Hiervandaan fiets ik rustig stroomafwaarts en laat de bergen achter mij. Langs de rustige groene (en natte) fietspaden is het een lenteconcert, niet alleen van merels, zanglijsters en zwartkoppen, maar ook prachtige luid zingende nachtegalen. Al snel buigt de route meer naar het Oosten en na een overnachting in een deprimerend kuuroord, waar veel leeftijdsgenoten minder gezond lijken dan ik, rijd ik vlak langs de gebouwtjes van Auschwitz waar miljoenen Joden zijn vermoord. Ik rijd maar snel door.

Grote karekiet

Ik geniet van de ruimte. Over gerieflijke fietspaden gaat het honderden kilometers vlak langs de Wisła. Overal zingen de vogels, in de lucht de ononderbroken zang van de leeuweriken, aan het water niet alleen rietzangers maar ook regelmatig een grote karekiet. Hier zijn ze gewoon zonder dat er een leger vogelaars en vogelfotografen de rust verstoort.

Kraków

Na een paar dagen fietsen kom ik door Kraków, een prachtige stad, helaas nogal gedomineerd door stedentrips met goedkope vluchten. Ik fiets maar snel door naar het Oosten. De rivier wordt langzaam breder. Tussen de dijken ligt veel land dat af en toe overstroomt. In de rivier liggen hier en daar zandbanken. Overal de bekende rietvogels, maar ook hier weer heel veel grauwe klauwieren en af en toe een gele kwikstaart. Prachtig zijn de zwarte ooievaars die op een strandje langs de rivier staan.

Een klein stukje fiets ik nog langs een grote zijrivier van de Wisła, de Dunajec. Mooie gierpontjes zorgen voor verbinding met de overkant. Erg veel fietsers zie ik niet op deze mooie fietsroute. Op zondag waren er wel drie per uur. Door de week zie je alleen een plaatselijke boer op een roestige fiets met een zak aardappelen achterop.

Pontje over de Dunajec

Het is een vrij contactarme vakantie. In de hotels en agroturystyka’s waar ik vaak de enige gast ben en hele appartementen tot mijn beschikking heb, zijn er weinig gespreksmogelijkheden. Toch praat ik regelmatig met de gastheer of gastvrouw en soms ook in winkels. Mijn Pools is nu zo goed dat ik ook versta wat ze terugzeggen. In mijn hotelkamer kijk ik vooral naar TVP2, het net met continue soaps in het Pools. Met ondersteuning van Poolse ondertiteling begrijp ik veel.

Ook op deze tocht kan ik genieten van de uitbundige Roomse cultuur met zijn honderden beelden aan de kant van de weg, protserige kerken en kerkhoven die op een stilstaand bloemencorso lijken.

In Szczucin eindigt de mooi aangegeven fietsroute. Ik heb geen zin om daarna op eigen gelegenheid de rivier te blijven volgen. Daarom rijd ik niet verder dan Sandomierz, waar ik de Green Velo route, de langste fietsroute van Polen, waarvan ik de meeste stukken al gefietst heb de vorige jaren, in Westelijke richting nam. Sandomierz is een prachtige stad, ook wel eens leuk na al die boerendorpen met alleen kerken en tractoren.

Hier kom ik in een heel ander landschap dan de groene weiden langs de Wisła. Je bent hier in de provincie Święty Krzyż, letterlijk ‘Heilig Kruis’, dat voornamelijk uit vrij lage oude bergen bestaat: het hoogste punt is 612 meter. Hier moet ik wel meer klimmen en dalen, maar het is goed te doen. De tocht gaat door glooiende velden en door dichte bossen, een mooie afwisseling na al die rivierlandschappen.

Bijna aan het eind van mijn tocht kom ik nog door Kielce, de hoofdstad van de provincie. Het is best een aardige stad inclusief Rynek (marktplein), mooie kerken en standbeelden. Na Kielce begint het landschap Belgische trekjes te krijgen, rommelig met te grote huizen volgebouwde straten, lelijk en gezellig. Vanaf mijn laatste overnachtingsplaats niet ver daar vandaan, fiets ik ‘s morgens vroeg naar het station van de plaats Końskie, het eindpunt van de 2000 km lange Green Veloroute en het beginpunt van mijn terugreis.

Over de terugreis doe ik weer twee hele dagen. Ondanks allerlei problemen met uitgevallen treinen ben ik precies op tijd op zaterdag weer in Leiden. Op zondag is het Pinksteren.

De route (718 km)

______

Meer foto’s op  mijn fotosite, inloggen met id=gast pw=opbezoek

Meer over fietsen in Polen op deze pagina

Een noot over de Oekraïne

Tijdens mijn fietstocht woedde de schandelijke oorlog van Rusland tegen de Oekraïne in alle hevigheid. Er waren mensen die vroegen of het niet te gevaarlijk was naar Polen te gaan in deze tijd. Ik dacht van niet. De kans dat de vijandelijkheden zich tot Polen zouden uitbreiden leek miniem en als dat zou gebeuren, zou heel Europa en niet alleen Polen onveilig zijn. In Polen merkte ik iets meer van het conflict dan in Nederland: in  hotels en agroturystyka's zag je vrij veel mensen uit de Oekraïne, vaak met luxe auto's en mooie spullen zoals de modernste kinderwagentjes, maar ze zullen wel niet op vakantie geweest zijn. Aangrijpend waren de Oekraïense kinderen die in het hotel Zabawa uit volle borst met een youtube-filmpje Oekraïense volksliederen meezongen, plechtig met een hand op het hart, vals maar met volle overtuiging. Ook zaten de treinen richting het Westen vol met Oekraïners, sommige dronken in de restauratiewagen. Geen vrolijk gezelschap. 

______