Dan maar viool

Het lijkt wel ruzie

Meer dan blokfluitles zat er in mijn jeugd niet in. Daar hadden mijn broer en ik nog geluk mee, want mijn moeder had de met geld van mijn oma gekochte fluiten in de zak van Sinterklaas gestopt en in het bijgesloten gedicht werden (zonder overleg met mijn vader) de lessen aangekondigd. Groepsles bij de privé-muziekschool van het echtpaar Geitenbeek. Met drie of vier leeftijdsgenoten zaten we aan een langwerpige tafel,  ieder een klein tafellessenaartje voor zich en daarop kleine langwerpige muziekboekjes. Aan het hoofd van de tafel mevrouw Geitenbeek, die om de haveklap “Het lijkt wel ruzie” over de kakofonie heen gilde en het terloops over haar opkomende hoofdpijn had. Eigenlijk konden Huibert en ik het best goed, maar ook toen waren we al ongelooflijk eigenwijs. Wij weigerden bijvoorbeeld uit een bundeltje “Ländler”, Oostenrijkse of Duitse volksliedjes, te spelen. Dat was geen serieuze muziek.

Op zoek naar een echt instrument

Toen ik op het gymnasium zat, ruilde ik de sopraanblokfluit voor een altblokfluit in en moest even leren dezelfde grepen voor andere noten te gebruiken. Veel moeite kostte me dat niet. Ik studeerde een sonate van Händel in die een klasgenoot dan op de piano begeleidde. Ook kocht ik 45-toerenplaatjes van de reeks “Spiel mit”.

Toen ik een paar jaar later in Utrecht ging studeren, kreeg ik sterk de behoefte om een ‘echt’ instrument te gaan spelen. Frans Brüggen vertelde op een concert in 1968 dat blokfluit een bijzonder moeilijk instrument was en eigenlijk niet geschikt voor de muzikale ontwikkeling van amateurs. Je kan er bijna geen dynamiek me realiseren, bijvoorbeeld. Ik was het daarmee eens en ik wilde iets anders. Waarschijnlijk nog in het eerste jaar van mijn studie trok ik de stoute schoenen aan en maakte een afspraak bij de muziekschool, die zich niet ver van de domtoren bevond.

Vindt u viool mooi?

Ik meldde bij de receptie en werd de kamer van een mevrouw (M) binnengelaten. Misschien was  zij de directeur (directrice in die tijd).

M: U heeft een afspraak met ons gemaakt. Wat kunnen we voor u doen?

R: Ik heb tijdens mijn lagere schooltijd blokfluit leren spelen en ben daar op de middelbare school mee doorgegaan, maar het instrument bevalt me niet. Ik wil wel eens een serieuzer instrument met meer mogelijkheden gaan bespelen.

M: Ja, dat kan ik me wel voorstellen. Waar had u aan gedacht?

R: Omdat ik al een blaasinstrument bespeel, had ik weer aan een blaasinstrument gedacht.

M: Welk instrument bezit u dan?

R: Naast mijn blokfluit bezit ik geen instrument en veel geld heb ik ook niet om er een aan te schaffen. Ik heb gehoord dat je ook instrumenten op de muziekschool kunt lenen of huren. Ik zou graag klarinet gaan spelen. Heeft de Utrechtse muziekschool een klarinet te huur?

M: Ik moet u helaas teleurstellen. De paar instrumenten die wij nog bezitten – sorry dat ik het zo zeg – zijn gewoon brandhout. Ik zou niemand aanraden daarop te gaan spelen! U zegt dat u geen instrument bezit. Maar is er dan geen enkel instrument in de familie dat u kunt gebruiken.

R: Tja, die zijn er eigenlijk niet, behalve violen dan, die zijn er wel.

M: Heeft u er dan niet aan gedacht viool te gaan spelen?

R: Dat kan toch helemaal niet! Daar moet je toch op heel jonge leeftijd mee beginnen.

M: Het is niet gemakkelijk, maar het kan best. Dan wil ik u toch één vraag stellen. Vindt u viool een mooi instrument?

R: Zonder meer! Ik vind viool misschien wel het mooiste instrument dat er bestaat. Sonates van Mozart en Beethoven: dat is mijn lievelingsmuziek.

M: Waarom probeert u het dan niet?

Na nog wat heen-en-weergepraat kwamen er formulieren op tafel. Ik vulde het instrument ‘viool’ in het verklaarde mij akkoord met de financiële voorwaarden.

Violen met tranen

Maar een viool had ik nog niet. De viool van mijn in het concentratiekamp omgekomen grootvader lag nog onder het bed van mijn Oma. Geen sprake van dat ik dat bijna heilige instrument zou mogen hebben. Bovendien dacht de familie dat het heel veel waard was, een echte Maggini. Er was in de verre familie nog ergens een viool, die mijn moeder met heel veel moeite voor mij te pakken kreeg. Ook deze viool was met emotionele geschiedenissen uit de Tweede Wereldoorlog verbonden en er vloeiden tranen voordat mijn moeder hem meekreeg.

Ben Lansdorp en Jaap Hillen

Een paar weken later kreeg ik een uitnodiging van vioolleraar Ben Lansdorp en tweede violist uit het Utrechts Symfonieorkest. Met de nodige scepsis begon deze aardige man aan onze wekelijkse lessen. Na een jaar moest ik voor een soort examentje voorspelen op de muziekschool. Meneer Lansdorp was niet ontevreden: hij noemde mij een ‘witte raaf’ en in het getuigschrift van de muziekschool stond: ‘gezien de korte tijd die Reinier les heeft, een heel behoorlijk resultaat.’

In die tijd zong ik al in het USKO, Utrechts Studenten Koor en Orkest onder leiding van Jaap Hillen. Na twee jaar vioolles verwisselde ik mijn plaats in het koor met een plaats achteraan de tweede violen. Jaap Hillen kwam ik in de vroege jaren 80 weer tegen als dirigent van het HBG, Haags Barok Gezelschap, waarin in ik samen met Petra tot zijn dood in het jaar 2008 speelde.

Nog steeds speel ik met plezier viool en de laatste jaren steeds meer. Zie onder meer deze blog. 

Noot

De 'Maggini' van mijn Opa bleek een zwaar beschadigde kopie te zijn, niet veel waard dus. De viool van de andere familie heb ik op straat in Utrecht kapot laten vallen(!), maar vioolbouwer Stam in Utrecht vond deze niet het repareren waard. Wel was hij geïnteresseerd in het mooie 'kopje'. Ik ben toen op de viool van mijn Opa gaan spelen totdat een van mijn volgende vioolleraren (Irene den Herder) hem niet geschikt vond en mij min of meer dwong een wat moderner en luider instrument van haar over te nemen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *