Treinvervangend fietsvervoer

Reizen met het openbaar vervoer is niet altijd een pretje. Internationaal reizen kan nog vervelender zijn en als je ook nog een fiets bij je hebt is het soms zenuwslopend. Ik was dus internationaal met de fiets onderweg van Nederland naar Polen en terug. Het is allemaal gelukt, maar vraag niet hoe. Soms vallen er treinen uit en als je geluk hebt, zorgen ze voor treinvervangend busvervoer, maar daar heb je als fietser helemaal niets aan. Hier een paar enerverende ervaringen.

Over de Duits-Poolse grens (23 mei 2022)

Het leek allemaal zo goed te gaan. Ik had een fietsplaats in de internationale trein naar Berlijn en een kaartje voor regionaal vervoer naar Frankfurt aan de Oder. Daar kwam ik ruim op tijd aan om de stoptrein naar Zielona Góra te halen. Maar die reed pas vanaf Rzepin in Polen. Er was een bus, maar niet voor mij. Dan maar fietsen! Op de GPS van mijn telefoon had ik het station van Rzepin ingetypt. Met grote snelheid rijd ik lang files voor stoplichten wachtende auto’s, race de brug over de Oder over en ben ik Polen. Dan gaat het over niet ongevaarlijke regionale wegen en het is nog heuvelachtig ook. Ik heb uitgerekend dat ik bijna een gemiddelde van 20 moet halen, de snelheid waar Google maps van uitgaat, maar die ik nooit haal. Hijgend van de inspanning rijd ik de heuvels naar Rzepin over. In Rzepin rijd ik een rare woonwijk door en ben toch gelukkig dichtbij het station. Ik ben te laat, maar de trein staat er nog! Ik sleep mijn fiets de trein in en het duurt nog meer dan vijf minuten voor die vertrekt. In Zielona Góra fiets ik naar mijn appartement, maar kan de ingang niet vinden en ik snap niet hoe de sleutelcodes werken. Ik bel mevrouw de verhuurder op. Inmiddels heb ik minder dan 5% stroom op mijn telefoon. Die is leeggelopen door de navigatie over de grens. Na nog twee telefoontjes snap ik waar het is en hoe ik binnen moet komen. Mijn telefoon is nu helemaal leeg. Eerst maar eens douchen en dan een goed glas bier!

Naar het begin van de Wisła (24 mei)

De tweede dag gaat een stuk beter. Zonder problemen heb ik de trein naar Katowice, waar ik ruim tijd heb het stoptreintje naar Wisła te nemen. Maar dat ging alleen naar Skoczów, 15 km voor Wisła. Daar was treinvervangend busvervoer. Maar niet voor mij. Het was geen verrassing. Dus ik was al voorbereid op een 15 km lange fietstocht stroomopwaarts langs de rivier om het beginpunt van mijn fietstocht te bereiken. De volgende ochtend doe ik die fietstocht nog eens in omgekeerde richting, bijna twee keer zo snel.

Overstappen in Łódź (3 juni)

Op 3 juni ging dan de grote terugreis beginnen. Ruim op tijd stond ik op het station van Końskie. Op de aangegeven vertrektijd kwam er een werkelijk piepklein treintje aan om mij naar Łódź Widzew te brengen voor mijn aansluitende trein naar Kutno. Alles leek goed te gaan. Het kleine treintje werd steeds voller en mevrouw de conducteur had het druk met kaartjes verkopen aan de mensen die op die stationnetjes instapten. De trein reed al weg van het station Bedoń, niet ver van Łódź, maar kwam plotseling tot stilstand. Met onze trein was niets mis, maar het spoor voor ons bleek door een defecte trein geblokkeerd te zijn. Iedereen uitstappen! Ik maakte een paar snelle berekeningen.

Bij het uitgevallen treintje

Het beste was alweer treinvervangend fietsvervoer. De route op de telefoon ingetypt en daar ging ik weer. Onderweg crashte mijn telefoon en bij het opnieuw opstarten had ik het foute station ingetypt. Ik corrigeerde nog eens, maar weer verkeerd: plotseling stond ik bij een stadion in plaats van een station. Die woorden lijken op elkaar. Ik was te ver gefietst. Met een rotgang terug over slechte wegen. Ik kon mij de luxe niet veroorloven om kuilen heen te rijden. Om drie minuten voordat de trein van Łódź Widzew zou vertrekken stond ik onder aan een betonnen trap naar het perron. Geen lift. Hoe ik het deed weet ik niet, maar ik tilde die zware fiets met bagage en al de trap op. Daar kwam de trein aan en ik zette mijn fiets op de gereserveerde fietsplaats. Alweer goed gegaan, maar leuk is anders. De aansluiting in Kutno naar Rzepin haalde ik en ik was blij toen ik daar in de tuin van een restaurant een goede maaltijd met lekker bier naar binnen kon werken.

Toch nog naar Berlijn (4 juni)

Normaal is de reis van Rzepin naar Berlijn een korte rit. De Eurocity doet er anderhalf uur over, maar er was geen plaats meer in die trein dus ik zou weer met regionaal verkeer gaan reizen. In Rzepin zat ik op tijd in het kleine treintje naar Frankfurt aan de Oder. Dat reed nu zonder problemen. In Frankfurt kreeg ik te horen dan alle treinen op het regionale lijntje naar Berlijn door bussen waren vervangen. Die zouden naar Fürstenwalde rijden. Daar kon ik onmogelijk op tijd zijn: 40 km fietsen, dus uitgesloten. Dan maar naar de service van het Reisezentrum. Eerst dacht de vriendelijk dame aldaar niet dat er een oplossing zou zijn. Ik hield al rekening met het missen van mijn trein in Berlijn, maar plotseling kwam ze toch met een oplossing: met een uiterst langzaam regionaal treintje van Frankfurt naar Königs Wustenhausen en vandaar met S-Bahnen naar Berlin Gesundbrunnen, waar mijn trein naar Amsterdam zou vertrekken. Ik zou nog op tijd aankomen! De reis duurde ongeveer anderhalf uur langer dan mijn geplande reis. Er was één probleem. Het treintje naar Königs W. had geen toilet en ik moest nodig naar de WC. Op het eindstation sprintte ik even het station uit om het daar maar tegen een hek te doen, alvorens met de S-Bahn verder te reizen.

 

Voorjaarslied

Gewoon een paar plaatjes van het voorjaar 2022. De ontwikkelingen in de wereld zijn niet echt om vrolijk van te worden, maar de vogels zingen er vrolijk op los, alsof er niets aan de hand is. Hieronder heel gewone vogeltjes als de merel, de roodborst en de vink.

Maar ook het winterkoninkje kan er wat van. Ongelooflijk wat zo’n klein vogeltje aan stemgeluid kan produceren. Daaronder een tjiftjaf en een groenling.

En nog een groenling en een van de schaarse gele kwikstaarten dit jaar op Texel. Van de nachtegaal heb ik geen foto. Die laat zich niet zo gemakkelijk fotograferen, maar als hij er is, hoor je hem wel heel goed.

 

 

Nachtegaalconcert op een hyacintentapijt

Natuurexcursie van de KNNV Vogelwerkgroep Leiden naar Hyacintenbos en Solleveld op 1 mei 2022

Tekst eerder gepubliceerd als officieel verslag van de Werkgroep

Hyacinten

Om acht uur startte bij het landgoed Ockenburg een mooie natuurexcursie onder leiding van Ron (Ousen) en Marianne met verdere deelnemers Jan, Marian, Anita (introducee), Roelien, Rob en Reinier. Het was nog redelijk fris, maar de zon kwam al snel door. Het was een natuurexcursie met aandacht voor veel meer dan alleen vogels. Bij Ockenburg bloeiden voorzichtig al de eerste rododendrons. Al snel bereikten wij het prachtige hyacintenbos. Wat een schitterende kleuren: hyacintenblauw gemengd met het frisse groen van ontluikende varens en lelietjes van dalen onder een dak van net uitgekomen eikenbladeren.

Natuurlijk hoorden wij de eerste zwartkoppen, winterkoninkjes en merels, maar het gesprek (er werd druk gepraat op deze gezellige excursie!) ging aan het begin van de wandeling vooral over planten, waarbij onder meer eenstijlige en tweestijlige meidoorns, salomonszegel en daslook de revue passeerden. Even vroeg een overvliegende buizerd onze aandacht maar al snel was onze blik weer op de bomen dichtbij gericht, eigenlijk op het werk van een insect. Tussen de prille eikenbladeren hing een prachtige galappel, volgens mijn app veroorzaakt door de aardappelgalwesp. Interessant aan dit insect is de wisseling tussen twee generaties, die achtereenvolgens ‘aardappelgallen’ en ‘wortelgallen’ maken, te ingewikkeld om hier verder op in te gaan.

Hyacinten

Onze zintuigen werden verwend deze ochtend, niet alleen door de overweldigende geuren en kleuren, maar door het prachtige lenteconcert. Natuurlijk zongen er roodborstjes, winterkoninkjes, zwartkoppen, fitissen en tjiftjaffen, maar er was maar één solist, die alle andere zangers genadeloos uit de top tien verdreef: de nachtegaal (zie ook tekst uit 1903 hieronder). Ongelooflijk wat een repertoire! Hij beheerst het hele strijkorkest plus de meeste hout- en koperblazers. Alleen de tuba niet, die moet hij aan de roerdomp overlaten. Af en toe dachten wij even een zanglijster of een boomklever te horen. Mis! Alweer zo’n nachtegaal. Er zijn ergere teleurstellingen.

Thijsse over de nachtegaal in 1903

De nachtegaal heeft door de eeuwen de mens geïnspireerd tot liederen, gedichten en verhalen. Onze oude leermeester Jac. P. Thijsse schreef in 1903 de eerste versie van Het Vogeljaar, waarin beschrijvingen van de meeste bekende vogels te vinden zijn. Aan de nachtegaal besteedt hij bijzonder veel aandacht. Hier een klein fragment van zijn mooie verhaal. Meer dan honderd jaar geleden geschreven, maar volledig herkenbaar.

Wat enkel virtuositeit aangaat, overtreft de nachtegaal alle andere vogels. Hij kan hooger zingen dan een sijsje, lager dan een merel, sneller dan een goudhaantje en tonen voortbrengen die langer dan twee seconden aanhouden, nu eens in ’t allerfijnste pianissimo, dan weer met een forto, waar je van opschrikt. Alleen kan hij niet zooals leeuwerik en tuinfluiter een stuk leveren van langen duur. Wel kan hij uren onafgebroken achtereen zingen, maar dan bestaat zijn lied uit een aantal duidelijk te onderscheiden tiraden van korter of langer duur. Een geoefend oor kan echter bij den leeuwerik dit verschijnsel ook opmerken, bij den tuinfluiter heb ik er nog niets van bespeurd. Veelal, maar 't is geen regel, begint een tirade met tonen, die gelijken op den lokroep ‘wiet’ of de waarschuwingskreet ‘korrr’, dan volgen eenige tonen, die in hoogte weinig verschillen, soms gelijk blijven in tijdsduur en intensiteit, in andere gevallen zeer mooi rekken en zwellen en dan eindigt de strofe meestal met een krachtige figuur, een ‘forschen tjingel’. Ik moet even mijn verontschuldiging aanbieden over de ontoereikendheid en onwaardigheid van mijn beschrijvingen, gij moet echter in 't oog houden, dat ik mij nimmer vermeten zal, te probeeren het nachtegaallied weer te geven, of het geluksgevoel bij het aanhooren ervan te vertolken.

Jac. P. Thijsse, Het vogeljaar. Nederlandsche vogels in hun leven geschetst. W. Versluys, Amsterdam 1913 (tweede druk), p. 216-223. Te downloaden van https://www.dbnl.org/tekst/thij015voge01_01/index.php

We liepen verder door de Van Leydenhof, voortdurend begeleid door het nachtegaal-belcanto, terwijl het ook hier onmogelijk was geen wilde hyacinten te zien.

hindernis

Als snel kwamen we het Solleveld-gebied in door hekjes die niet alleen koeien en herten tegenhouden maar ook voor de obese mens een niet te nemen hindernis moeten zijn. Wij kwamen hierna ook geen dikke mensen meer tegen. We kwamen snel bij de rand van een plek waar de natuur hard bezig is zichzelf te vernietigen. Hier verft de aalscholverstront vanuit de tientallen goed bezette nesten de takken eronder wit. Aan sommige takken van die mooie dennen zit nog een enkele naald, maar hoe lang nog? Wij mochten van dit spektakel genieten: nu geen belcanto maar aalscholver –gerasp, een doordringende lucht van rotte vis en ammoniak en tegen deze achtergrond levendig heen en weer vliegende aalscholvers, soms met een snavel vol nestmateriaal.

 

Na de aalscholverplas duikt het Solleveld-pad weer even het bos in. In dat bos vind je de prachtigste eiken, prachtige eeuwenoude exemplaren die niet alleen omhoog maar vooral ook in de breedte groeien.

Onder de mooie eik

Even zagen we op een uítstekende eikentak een stel parende grote bonte spechten, maar die zochten toch meer privacy. Op de grond zagen wij veel mieren: je zou hier natuurlijk groene spechten verwachten, maar we zagen ze niet. Als je weer het bos uitkomt, het open Solleveld op, is er veel water. Hier hoorden en zagen we niet alleen rietzangers en een grasmus. Ook de waterral en de snor lieten daar van zich horen. Iets voor elven hielden wij een late koffie- of vroege lunchpauze, niet ver van een water met mooie rietvelden.

Hoewel de mist hier al zeker vier uur opgetrokken was, klonk hij dan toch eindelijk, de misthoorn, het enige instrument dat onze nachtegaal niet beheerst. Waar die het vandaan haalt, die roerdomp? Uit zijn tenen? Er zijn allerlei mythes over dat beest. Er zijn zelfs mensen die beweren dat hij dit absurde geluid onder water maakt. Leuk bedacht.

Het ging verder over het prachtige Solleveld. Er waren nogal wat discussie-vogels, vogels met een vraagteken, zoals gekraagde roodstaart?, boompieper? Over twee vogels was geen discussie mogelijk, de Cetti en de koekoek. Wel over de tuinfluiter, waarover dit gesprek plaatsvond. A: “Dit is zo duidelijk een tuinfluiter en geen zwartkop”. B: “Waaraan hoor je dat dan? Ik heb er altijd moeite mee!” A: “De tuinfluiter is sneller en slordiger, terwijl je de zwartkop aan het gave glasheldere liedje herkent”. Even later C: “Ik heb hem in de scoop! Duidelijk een zwartkop!”. A: “….”, zegt niets meer.

We liepen het pad verder en kwamen tenslotte weer aan de overkant van de aalscholverplas, waar we nog een kijkhut met ons bezoek vereerden en daar de ‘fuut’ als waarneming mochten noteren. Op de terugweg naar het Hyacintenbos kwamen we langs een bos met vrijwel uitsluitend dode bomen en we vroegen ons af, of dat ook het werk van onze aalscholvers geweest was. In bos luisterden we naar een tweede uitvoering van het zelfde concert in dezelfde prachtige zaal.
Op het zonnige terras van Kas Ockenburg genoten wij van warme dranken en gebak. We keken nog even naar de planten in de fraaie tuin daarnaast. Het was mooi geweest.

____

Voor een eerdere excursie naar dit gebied klik hier.

Beninger Slikken

Natuur aan het Haringvliet

Ik zou hier ongeveer hetzelfde verhaal kunnen schrijven als veertien dagen geleden: over de door de mens geschapen natuur in  Nederland. Maar dat zou een herhaling van zetten zijn. Toen gingen we met de Vogelwerkgroep naar de Hellegatsplaten, een stuk nieuwe natuur vlakbij het Hellegatsplein aan het Volkerak. Nu gingen we naar de Beninger Slikken aan het Haringvliet. Beide ‘natuurgebieden’ zijn ontstaan op de drooggevallen slikken in de afgedamde inmiddels zoet geworden wateren van de Delta. De verschillen tussen beide gebieden zijn toch groter dan je zou vermoeden. Hier een eerste indruk.

Getijden en zout in de afgesloten delta

De natuur van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse wateren is grotendeels ontstaan als gevolg van de grote veranderingen door de Deltawerken na de watersnoodramp van 1953. Die werken vonden tussen 1954 en 1997 plaats. Voor de natuur zijn de belangrijkste veranderingen natuurlijk het grotendeels verdwijnen van de getijdebeweging en het verdwijnen van zoute en brakke wateren. De natuur is nog lang niet op alle plekken in evenwicht gekomen.

Terwijl vroeger het zoute Noordzeewater vrij de delta in en uitstroomde en zich vermengde met het water van de grote rivieren, is er nu een situatie met heel verschillende regimes ontstaan, met betrekking tot zowel het getijde als het zoutgehalte.

Verschillende Combinaties   

Het Hollandsch Diep en het Haringvliet hebben een heel licht getijde van minder dan 40 cm en zijn volledig zoet. Het Volkerak heeft geen enkel getijde en is sinds de aanleg van de Philipsdam volledig zoet geworden. Een wereld van verschil is de Grevelingen, waar het water zo zout is als op de Noordzee, maar zonder enkel getijde. Op de Oosterschelde zijn zowel zoutgehalte als getij op ouderwets niveau. 
De figuur en de tabel zijn gebaseerd op informatie van Rijkswaterstaat: https://waterinfo.rws.nl/#!/nav/publiek/  Waterhoogte in cm boven of onder NAP. Twee getallen geven 'eb' en 'vloed' aan. 

 

De excursie

rietzanger
Beninger Slikken

Met dertien vogelaars reden wij naar het parkeerterreintje bij dit natuurgebied. Veel details over de vogels zal ik hier niet geven. Een lijst van vogels staat wel in het officiële verslag van de Werkgroep. Zo interessant is zo’n lijst ook weer niet. In zo’n gebied kan je verwachten dat de lijst met Aalscholver begint en, als je geluk hebt, eindigt die niet met Zwarte kraai maar met Zwartkopmeeuw. We hadden geluk.

Het is een mooi open land met brede kreken en daarin mooie droogvallende gedeelten. Het is toch geheel anders dan bij de Hellegatsplaten waar een leger van gevaarlijke heckrunderen de zaak open moet houden. Blijkbaar is hier het beetje getijdebeweging van zo’n 40 cm gecombineerd met variaties in de aanvoer van rivierwater (en de nodige aanvullende beheersmaatregelen) genoeg om hier nog voldoende dynamiek te behouden. Natuurlijk vind je hier de vogels, de planten en de vlinders die bij het landschap horen. Het zou vreemd zijn als je hier geen bruine kiekendieven zag vliegen en nog vreemder als er geen rietzangers en rietgorzen waren.

een kreek in de Beninger Slikken

Dat we nauwelijks blauwborstjes hebben gezien, kwam door de harde wind, maar ze waren er in grote hoeveelheid.  Het was leuk om nog eens goed naar de groenpootruiters op de slikken te kunnen kijken. Ik kende die vogels eigenlijk nog niet goed. We wandelden door een Nederlands ‘natuurgebied’: alles vrijwel perfect in orde, inclusief het handbediende pontje en het mooi aangelegde wandelpad. Maar dat de bouwers van vogelhutten nog steeds niet begrijpen op welke hoogte er kijkgaten voor een telescoop moeten zitten, konden we ook hier weer zien.

Land, water en slikken aan het Haringvliet

Aan de Zuidkant van Voorne en de Hoekse Waard liggen, gescheiden door de rivierarm het Spui (ontstaan toen bij de stormvloed van 2 november 1532 een dijk bij de oude Maas het begaf), twee natuurgebieden op de slikken van het Haringvliet, de Beninger Slikken en de Korendijker Slikken. Het Spui is de scheiding tussen Voorne-Putten en de Hoeksche Waard. Er liggen geen bruggen overheen. Even van de Beninger naar de Korendijker Slikken overwippen kan niet als je geen boot hebt.

Met het Spui is iets geks aan de hand: het is de enige rivier waarvan de loop door de Deltawerken omgekeerd is. Voerde het vroeger rivierwater aan naar het Haringvliet. Nu stroomt er het zoet water door vanaf het Haringvliet naar Oude Maas en Nieuwe Waterweg. 

Een zijrivier van het Spui is de Bernisse, de grens tussen de eilanden Voorne en Putten (hiernaast op een kaart uit 1645 zijn Haringvliet, Bernisse met 't Suydland, Spui en Oude Maas zichtbaar). In de Middeleeuwen was het een belangrijke verbinding tussen de Brielse Maas en het Haringvliet, maar na de Sint-Elizabethvloed van 1421 verzandde de Bernisse en uiteindelijk was scheepsvaart niet meer mogelijk op een ondiepe sloot van een paar meter breed. Maar tussen 1976 en 1979 werd de Bernisse weer uitgegraven en verbreed. Het werd een honderden hectare groot recreatiegebied.

Na de Deltawerken stroomt er door de kreken en over de Slikken aan het Haringvliet zoet water en is er een heel beperkt getijde. Dat kan in de toekomst nog wel iets veranderen. In 2000, nam de toenmalige regering het zogenaamde Kierbesluit, het besluit om de Haringvlietsluizen in beperkte mate open te stellen en zodoende iets meer eb- en vloedbeweging en iets meer zout in het Haringvliet toe te laten. Vanzelfsprekend waren en zijn hier allerlei belangen mee gemoeid, van scheepsvaart, landbouw en zoetwatervoorziening tot natuurbescherming zodat de het bijna 20 jaar duurde voordat voorzichtig aan de uitvoering begonnen werd. Af en toe staat de kier nu open. Het motto is “Lerend Implementeren”. Misschien dat het tenslotte iets voor het getijde in de Beninger en Korendijker Slikken zal betekenen. Maar omdat er afgesproken is dat het Haringvliet ten Oosten van de Spuimonding niet zouter mag worden, kunnen we met zoetwater bij de Slikken blijven rekenen.

Naar Zuidland

Hier was in de 14e eeuw de haven

Na de excursie reden we naar het mooie plaatsje Zuidland, waar we in het mooie historische oude centrum warme dranken en appeltaart met slagroom nuttigden. Wij zaten op een prachtig terras bij een uitspanning  aan de Ring. Waar nu de vijver in de Ring is, lag al in de 14e eeuw de haven aan een vertakking van de Bernisse. Bij de haven ontstond de plaats Zuytland. Het werd een belangrijke handelsplaats, maar heeft nooit stadsrechten gekregen. Als haven aan de verzande Bernisse verloor de plaats zijn betekenis, maar toch bleef het tot de Tweede Wereldoorlog groter dan Spijkenisse dat pas vanaf de jaren vijftig Zuidland snel zou inhalen.

aan de Ring (2016)

____

Natuurlijk vanzelfsprekend

De theezakjes-vraag

Onlangs zette ik weer eens een kopje Pickwick-thee. Ongevraagd wordt je dan lastig gevallen met allerlei vragen over kwesties waarin ik absoluut niet geïnteresseerd ben. “Met welke beroemdheid zou je eens een dag willen optrekken?”. Met geen enkele natuurlijk. Beroemdheden lijken mij vervelende lui. Toch stelde het kopje thee mij laatst een vraag waar ik wel even over na moest denken. “Naar welke dag in je leven zou je een keer in de tijd willen terugreizen?”. Het kan natuurlijk niet, maar het is toch een leuk idee.

Ik wil een dag naar 1958.

Arnhemseweg 53 in 1954

Een woensdagochtend in 1958

Naar school

Ik reis naar 11 juni 1958. Het was woensdag en we hadden school. Ik zat in de vierde klas van de Christelijke Groen van Prinstererschool in Ede aan de Wulplaan 7. De school stond toen bijna aan de rand van Ede. Wij fietsten erheen vanaf de Arnhemseweg . Eerst moesten we het laatste stukje van de berg afzakken tot het kruispunt van de Arnhemseweg en de Grote Straat.

Ede 1958 – van topotijdreis.nl

Die staken we over om via Station Ede-Centrum naar de Waterloweg te komen. Toen was dat een niet al te best verharde verwaarloosde straat met een wegdek van kolengruis. Ergens aan die weg was een fabriek die blikken producten maakte en daarbij als afval ronde stukjes uitgeponst blik produceerde. Scholieren namen dat afval vaak mee naar school en strooiden dan grote hoeveelheden op het schoolplein. Het was dan een kunst om zoveel mogelijk van die leuke metalen schijfjes te bemachtigen.

Vanaf de Waterloweg ging het dan een stukje over de Schaapsweg naar de Nachtegaallaan langs de gasfabriek. Aan het eind van die weg kwam je bij de school aan de Wulplaan, een laag gebouw met één lokaal voor elke klas. In het laatste lokaal gaf de ‘bovenmeester’ les, meester van Asselt, die zo dik was dat hij bijna niet kon lopen, maar dat deed hij dan ook niet. Als hij bij de tweede klas op bezoek ging, startte hij aan het eind van de school zijn brommertje en tufte dan vier lokalen verder. Erg lang heeft hij niet geleefd. Op een bepaald moment hoorden wij op school dat hij overleden was. Het verhaal ging dat hij midden in het gebed aan het ontbijt de laatste adem had uitgeblazen. Maar daar gaat dit opstel niet over.

De kuifleeuwerik

Op die woensdag in juni vertelde meester Stel over zijn grootste hobby, de vogels. Hij vertelde over de bonte spechten in het bos, over het ophangen van nestkasten en over zijn zeldzame ontmoetingen met draaihalzen in het Edese Bos.

Kuifleeuwerik – Foto door chris clark via Pexels

Voor meester Stel was die prachtige natuur in de eerste plaats Schepping, waarin de Here God zijn grootheid liet zien en waarvoor de mens ontzag voor moest hebben. Maar het ging niet alleen om draaihalzen. Het ging ook om heel gewone vogels. Als je daar op de Wulplaan of de Nachtegaallaan op straat keek, dan hipten daar leuke bruine vogeltjes. Ze vielen niet op door felle kleuren. Het leukste aan die vogels was hun vrolijke kuif. Kuifleeuweriken, zei meester Stel. Je zag ze heel vaak.

Naar het bos op een woensdagmiddag in 1958

de Sysselt – in 2019

Die middag hoefden we niet naar school. Het was immers woensdag. Het leukste bos in de omgeving was de Sysselt. Daar kon je leuk fietsen en spelen.

zwarte specht – Foto door Daniil Komov via Pexels

Vooral het ‘Paradijs’ was een leuke plek, met veel grote bomen en kale boomstammen. In het bos kwam je allerlei vogels tegen. Veel vogels kenden we al uit de eigen tuin aan de Arnhemse weg, inclusief alle soorten mezen, goudvinken en gekraagde roodstaarten. In het bos zag je daarnaast niet alleen bonte en groene spechten. Niet al te ver van dat Paradijs was een klein bos met veel oude beukenbomen en daar zaten de zwarte spechten.  Je hoefde er maar heen te gaan en dan waren ze er.

Natuur – geen toeristenattractie

Ik wil nog eens een dag naar 1958 terug om te beleven hoe natuur nog geen toeristenattractie was. Terug naar een tijd waar het bos niet vol stond met informatieborden en kijkhutten. Een tijd waarin nog geen vogelaars met hun 600 mm telelenzen achter de zwarte specht aan holden. Gewoon een bos waar je af en toe een zwarte specht tegenkomt en dan doorloopt of er niets aan de hand is. Terug naar een tijd waar je een kuifleeuwerik op het schoolplein tegenkwam alsof het de normaalste zaak van de wereld was (en dat was het ook).

Vanzelfsprekende natuur

Vanzelfsprekend in 1958

Die natuur in 1958 was niets bijzonders en eigenlijk is natuur nooit iets bijzonders. Het woord ‘natuurlijk’ betekent ‘vanzelfsprekend’. Het woord ‘natuur’ zou  ‘vanzelfsprekendheid’ moeten betekenen. Eigenlijk is dat ook juist. Wat je ook doet, er ontstaat altijd natuur. Onder bepaalde omstandigheden ontstaan er soortenrijke biotopen. Veranderen we de omstandigheden, dan ontstaat er iets anders. Zo verdween de kuifleeuwerik, maar de natuur verdween niet.

In de geest van Spinoza kunnen we zeggen dat de natuur niets anders is dan het geheel van natuurwetten en dat die natuurwetten gelijk zijn aan God. Natuurwetten kunnen wij niet beïnvloeden. In die zin is natuurbescherming ook onzin. Evenmin kan natuur vernietigd worden [zie ook voetnoot].

Terug naar 2022
ontwikkeling kuifleeuwerik (bon SOVON)

In 1958 was die kuifleeuwerik puur natuur. Het was niets bijzonders. Het vogeltje dat zich ooit aan steppeachtige biotopen had aangepast, deed het bijzonder goed in onze moderne stadssteppes, in pas aangelegde wijken met slecht onderhouden straatjes. Daar bij de Wulplaan was de natuur ideaal. Het bestond gelukkig nog niet, maar was er toen waarneming.nl geweest, dan was niemand op het idee gekomen om dat gewone kuifleeuwerikje te melden. Die had je immers overal in dit soort wijken. Dat is  nu wel anders: optimistische schattingen voor de huidige situatie hebben het over minder dan vijf paar Kuifleeuweriken voor heel Nederland.

Ik ben blij dat er niet zo’n beestje bij ons in de straat rondhipt, want dan zouden we ook duizend met telekanonnen bewapende vogelaars kunnen verwachten. Die willen hem dan voor de ‘lijst’ hebben. Met natuur heeft dit allemaal niets te maken. Vroeger behoorde hij tot onze natuur, tot onze vanzelfsprekendheid, nu is het een uitzondering, een herinnering aan vervlogen tijden.

Vanzelfsprekend in 2022
ontwikkeling halsbandparkiet (bron: SOVON)

In  2022 hebben we een heel andere natuur, of je het leuk vindt of niet. Loop maar eens door een willekeurig park in de Randstad en je hoort de natuur in de vorm van de vanzelfsprekende zwermen lawaaiige halsbandparkieten, nog afwezig in 1990 en nu met meer dan 10000 exemplaren. Dat is echte natuur! En wat te denken van de toegenomen aantallen slechtvalken in de grote stad. Puur natuur!

Natuur begint daar, waar het niet meer interessant is waarnemingen door te geven.

Slaapboom voor halsbandparkieten (2021)

__________

Voetnoot

In dit stuk gebruik ik het woord 'natuur' losjes in twee betekenissen. Natuur als het geheel van natuurwetten (de eerste betekenis) is de onveranderlijke eeuwige basis van onze wereld en van het heelal. Er zal in die zin altijd natuur zijn. De natuur zoals wij die kennen is de wereld die op basis van die natuurwetten ontstaan is en steeds verder evolueert. Onze natuur (in die tweede betekenis) is per definitie een momentopname van een veranderende wereld. Als die veranderingen te snel gaan of in de 'verkeerde' richting, kunnen wij bijsturen. Daarvoor hebben we mooie woorden ontwikkeld zoals natuurbescherming, natuurontwikkeling en dikke boeken vol bureaucratisch en semiwetenschappelijk jargon. Over wat 'verkeerd' is, kan je lang discussiëren, maar dat ga ik hier niet doen.