Libellen in september

Zonder water geen libellen

Om acht uur precies reden Erik en ik van de Merenwijk richting de A4 en verder via het Westland naar Hoek van Holland. Erik had al over de grote libellenrijkdom van dit kleine gebiedje in de Kapittelduinen verteld.

Vochtige duinvalleien en meertjes in duinen zijn ideaal voor libellen. Libellen leven het grootste deel van hun bestaan in het water. Soms leven ze meer dan een jaar als larve in het water totdat ze zo ver ontwikkeld zijn dat ze het water uit klimmen en, bijvoorbeeld hangend aan een rietstengel, uit hun nymfenhuid kruipen. Als ze dan ‘uitgeslopen’ zijn, leven ze nog hooguit een paar weken waarin de belangrijkste opdracht is: paren en eieren leggen. Wij, als libellenliefhebbers en libellenfotografen, zien alleen dat laatste stukje van hun leven als ze acrobatisch over en langs het water vliegen, al of niet in mooie tandemformaties en af en toe aan bij een plant langs de kant een kleine rustpauze inlassen.

Om iets voor negenen liepen wij het pad naar die mooie duinvallei in, maar wat wij zagen had weinig met boven geschilderde idylle te maken. De droge grond kraakte onder onze voeten en de toppen van de rietstengels waren geel en bruin verkleurd. De duinplas was gekrompen tot een plas van minder dan drie meter doorsnede. Er waren wel wat insecten te zien zoals hommels, bijen en een enkele vlinder. Naarmate de zon voor meer warmte zorgde, werden het wel meer, maar er zaten nauwelijks libellen tussen.  Leuk was wel dat er een paapje vloog, een vogel die veel insecten nodig heeft om zijn eetlust te bevredigen.

Niet ver van het pad naar het strand zagen we dan eindelijk de eerste libellen. Hier en daar vloog een paardenbijter en aan een rietstrengel hing een pantserjuffer, niet de gebruikelijke houtpantserjuffer maar de zwervende pantserjuffer, eenvoudig te herkennen aan het tweekleurige pterostigma. Een paar honderd meter hiervandaan bij het andere uiteinde van deze opgedroogde duinplas zagen we nog één libel, een heidelibel. Het was geen gewone (bruinrode of steenrode) heidelibel maar een prachtig gele zwervende heidelibel. Misschien niet toevallig dat we hier twee ‘zwervers’ tegenkwamen, die wellicht uit gebiedjes kwamen waar nog wel water is.

Wij vroegen ons af hoe lang het zou kunnen duren voordat het hier weer wemelt van libellen. Alle larven zijn opgedroogd, dood. Volgend jaar maar weer eens kijken, maar eerst even naar een gebied met water.

Duinen met veel water: veel libellen

bruine winterjuffer

Wij reden naar het Solleveld bij Monster, een prachtig duingebied van Dunea. Waterleidingduinen zijn een garantie voor water. En water is een garantie voor libellen. Dat bleek ook deze keer te kloppen. Al in de buurt van het toegangshek naar het gebied vloog de ene na de andere heidelibel over het pad en ze zaten bij bosjes op hekken en paaltjes. De soortenrijkdom hield niet over, maar het waren er veel, naast heidelibellen vooral heel veel paardenbijters. Waar het pad een stukje door het bos loopt, zagen we vooral veel houtpantserjuffers, maar ook een bruine winterjuffer. Het interessante van deze juffer is (lezen we in de onvolprezen KNNV-libellengids) dat deze als imago overwintert en dus het hele jaar waargenomen kan worden.

Eigenlijk leuker dan de libellen waren de vlinders zoals de kleine parelmoervlinder, de distelvlinder, kleine vuurvlinder en de blauwtjes (Icarusblauwtje, bruin blauwtje).

 

De vogels die we zagen waren niet zo bijzonder, natuurlijk de natuurverwoestende aalscholvers en af en toe een buizerd. Het leukste was nog een sperwer die vrij dicht langs ons vloog.

De in ruime mate aanwezige paardenbijters waren vanaf dit moment vooral fotografie-object. Het zijn heel fotogenieke grote, mooi gekleurde libellen. Hun manier van vliegen is boeiend. Af en toe staan ze bijna stil in de lucht, soms zie je ze in glijvlucht met bewegingsloze vleugels en soms maken ze in volle vaart scherpe hoeken, waarbij krachten van meer dan 4g op de libel kunnen werken. Het fotograferen van paardenbijters in de lucht is een hele uitdaging en ook deze middag heeft dit voor veel mislukte foto’s gezorgd. Gelukkig bleven ze ook regelmatig even op een rietstengel of een boomtakje zitten, wat mooie plaatjes opleverde. Tandems van heidelibellen waren ondertussen hard bezig met eieren leggen.

paardenbijter
Topprestaties in de lucht

Nu leven libellen maar een kort deel van hun bestaan als een vliegend insect, maar ze kunnen beter vliegen dan de meeste insecten. Dat heeft vooral te maken met de manier waarop de vliegspieren georganiseerd zijn. Bij de meeste insecten, zoals bijen, worden de vleugels indirect bewogen door een vervorming van het borststuk: het rugschild wordt naar beneden geduwd, waardoor de vleugels omhoog gaan. In dat geval zijn voor- en achtervleugels met elkaar verbonden en bewegen dus gelijktijdig. Bij de libellen is dit heel anders: elke vleugel heeft zijn eigen spier. Voor- en achtervleugels bewegen niet gelijktijdig maar zijn ten opzichte van elkaar uit fase. Het relatief grote borststuk van een libel is grotendeels gevuld met vliegspieren. Bij veel insecten worden de vliegspieren ook gebruikt voor de beweging van poten. Tijdens het vliegen worden deze pootbewegingen uitgeschakeld. Dat is bij libellen niet het geval zodat ze tijdens het vliegen de poten kunnen gebruiken om prooien te vangen.

Na een uurtje paardenbijters fotograferen aan het water waar ik eerder een keer een  roerdomp van dichtbij zag en op een latere excursie van zijn tuba-klanken mocht genieten, liepen we verder de plas om. Het verhaal werd saai: paardenbijter, heidelibel, houtpantserjuffer ad infinitum. Een man met kinderen vroeg geïnteresseerd of we nog wat bijzonders hadden gezien. Ik beantwoord deze vraag zoals altijd ook nu bevestigend, maar leg dan wel uit dat we weliswaar geen bijzondere soorten op de lijst hebben staan, wél een bijzonder gebied en een bijzonder mooie natuur, ook al bestond die dan vandaag uit 10.000 paardenbijters en 20.000 heidelibellen. Ik bood man en kinderen een stroopwafel aan. Even later kwam zijn vrouw met nog meer kinderen erbij staan en was het pak gauw leeg.

Het was een mooie dag.

____

Literatuur

Ik vond een collegedictaat door Struyve Tim van het college in het kader van ‘Morfologie van invertrebraten’ van Prof. dr. M. Vinex: De morfologische aanpassingen aan het vliegen bij de libel. Heel specialistisch en gedetailleerd.

Meer toegankelijke informatie in: Veldgids Libellen, KNNV/Vlinderstichting 1997, 8e druk 2016.

Een lijstje van ‘mijn’ soorten (met mijn eigen foto’s) houd ik hier bij.

Absurde schepselen en een nieuwe verslaving

Libellenparing

Als je de natuur bestudeert en je kijkt naar al die vreemde details, dan kom je al  snel tot de conclusie dat er óf helemaal geen schepper bestaan heeft of dat hij licht bezopen was toen hij daar aan het scheppen was.

Secundair geslachtsorgaan

Vroege glazenmaker verplaatst sperma

Neem bijvoorbeeld de paring van libellen. In de natuur is paring meestal geen teder en liefdevol gebeuren. Ook bij libellen  kan ik me niet voorstellen dat ze er veel plezier aan beleven. Het mannetje heeft aan het einde van zijn lange libellenlijf een soort ‘tang’ waarmee hij het vrouwtje in haar ‘nek’ grijpt en niet meer loslaat, waarna zij als ‘tandem’ verder vliegen, het mannetje voorop.

Het mannetje produceert, zoals de meeste dieren, zijn sperma onder aan zijn lijf, maar voor het geslachtsorgaan is daar geen plaats meer, want daar zit het gereedschap om zijn partner mee in de nek te grijpen.

Paringswiel: lantaarntjes

Dat is nu bij het mannetje naar boven verplaatst, niet ver van zijn kop. Het mannetje pompt regelmatig zijn sperma naar dit zogenaamde secundaire geslachtsorgaan.  Een collega libellenverslaafde wees mij erop dat hij dit vaak in de lucht doet. Je ziet hem dan driftig zijn achterlichaam op en neer bewegen (zie foto).

Het vrouwtje, in de houdgreep van het mannetje, buigt nu haar lange lijf in de richting van het secundaire geslachtsorgaan om toegang te krijgen tot het spermavoorraadje van meneer, die wel even snel uit het uiteinde van zijn vriendin het overgebleven sperma van concurrerende mannetjes verwijdert. Van die lui moet hij niets hebben.

Paring van bruinrode heidelibellen

Copula en tandem

Op het moment dat het vrouwtje zich met het secundaire orgaan van het mannetje verbonden heeft, ontstaat de ‘copula’, het beroemde libellenwiel. Libellenparen zie je vaak aan een rietstengel hangen. Soms vliegen ze gezellig (?) samen door de lucht.

Oeverlibel heeft net een ei in het water gelegd en vliegt verder

Vaak willen de mannetjes voorkomen dat er nog meer heren willen paren en houden het vrouwtje in de greep totdat de met zijn sperma bevruchte eieren gelegd zijn. De eieren worden dan in tandemvlucht afgezet, zoals bij veel ‘juffers’ gebeurt, maar bij andere libellen (zoals de oeverlibel) strooit  het vrouwtje vaak in haar eentje eieren op het wateroppervlak uit. Soms zorgt het mannetje ervoor dat dit wel in zijn territorium gebeurt.

Een tandem bruinrode heidelibellen legt eieren in het water van een plasje bij Warmond

Libellenverslaving

Toen het voorjaar een beetje op zijn einde liep en er iets minder vogels te fotograferen waren, nam mijn belangstelling voor bijen, vlinders, vliegen en libellen toe. Ik plaatste wat libellenfoto’s op mijn natuur-appgroep. Ik kreeg veel positief commentaar, maar ook een waarschuwing: “Pas maar op Reinier, libellen zijn verslavend!” Prima, ik kon er wel een verslaving bij hebben en nu, drie weken later ren ik steeds vaker met mijn fotoapparatuur achter de libellen aan en ik begin steeds meer namen te kennen van al die ‘echte’ libellen en ‘juffers’.

Libellen in de vlucht

Natuurlijk kan ik ze hangend aan een rietstengel mooi met een macrolens fotograferen, maar de meest tijdrovende verslaving is libellen in de vlucht vastleggen. Dat kan alleen met een telelens en een hoop tijd. Sommige libellen zijn zo vriendelijk af en toe even in de lucht stil te hangen, maar dan wel razend snel onder een onberekenbare hoek verder te flitsen.

Studie van vliegende vroege glazenmakers

Nog moeilijker is het om de aanvliegende libelle recht van voren te fotograferen, maar als het lukt, worden het mooie plaatjes, die associaties met gevaarlijke bommenwerpers en ander oorlogstuig oproepen. Alweer een tijdje geleden (september 2020)  maakte ik een mooie foto van een paardenbijter en dit jaar waren het de vroege glazenmakers.

Paardenbijter

Toch maar zittend

Maar soms krijg je een lamme arm van het uren lang met de telelens volgen van vliegende libellen en dan zijn ze gewoon, hangend aan een rietstengel of zittend op de grond zeker zo mooi en minder vermoeiend voor de fotograaf.

P.S.

De werkelijkheid is nog wel iets gecompliceerder en genuanceerder dan in deze blog weergegeven. Er zijn grote verschillen tussen verschillende libellen, in de eerste plaats tussen de 'echte libellen' en de 'juffers', maar ook tussen soorten binnen deze hoofdgroepen. Heel goede informatie is te vinden in Veldgids Libellen, uitgegeven door KNNV in samenwerking met de Vlinderstichting 1997, 8e druk 2016. Het in bovenstaand verhaal genoemde 'in de nek' is eigenlijk 'achter de kop' bij echte libellen en 'aan het halsschild' bij juffers. De 'tang' in mijn verhaal wordt officieel met 'onderst(e) achterlijfaanhangsel(s)' aangeduid, zie hiervoor de literatuur.

Meer over libellen heb ik op deze pagina geschreven.

Een noot voor fotografen

Libellen in de vlucht
Heidlibel in de vlucht

Als je weinig tijd hebt, kan je dit beter geen libellen in de vlucht fotograferen. Wil je het toch proberen, dan een paar tips op basis van mijn ervaringen:

  1. Fotografeer met een behoorlijke telelens. Ik gebruik een telezoom die tot 600 mm gaat op een full-frame (Nikon D-610) of crop-camera (Nikon D-7100). Meestal gebruik ik de lens ingesteld op 350 mm, want anders is het moeilijk de libelle in beeld te krijgen. Beeldvullende opnames zijn vrijwel onmogelijk en ik moet behoorlijk bijsnijden achteraf (‘croppen’).
  2. Werk met de M-stand op 1/1000 f/8 (met stabilisatie) bij mooi weer of een iets opener lens bij minder mooi weer. Dat natuurlijk met auto-ISO. Op mijn full-frame kan ik vrij hoge ISO-waarden tot over de 2400 accepteren en toch goed kleuren behouden. 1/800 lukt soms ook wel. Wil je de vleugels er scherp op, dan heb je twee tegenstrijdige eisen. Je wilt een korte sluitertijd om de beweging van de libel en zijn vleugels te ‘bevriezen’ en je wilt veel scherptediepte (hoog diafragmagetal) om de vleugels over hele breedte scherpt te krjgen (als de libel evenwijdig aan de camera vliegt tenminste; als de libel op de camera af vliegt dan heb je minder scherptediepte nodig voor de vleugels). Dit vereist in de regel zo’n hoge ISO dat de kwaliteit sterk achteruit gaat. Gedeeltelijk onscherpe vleugels zijn daarom meestal niet te vermijden. 
  3. Werk in de regel met één scherpstelpunt. Is de achtergrond een egale lucht, dan kan het ook wel met 9 punten. Stel scherp op de kop.
  4. Probeer de libelle vast te leggen als hij even stil staat in de lucht. Bij paardenbijters, glazenmakers en heidelibellen lukt dat meestal wel. Bij oeverlibellen gaat het eigenlijk bijna nooit.

Meer over de instelling van de camera hier

Libellen determineren met foto’s

Vaak is een foto handig bij het determineren van libellen.

  1. Foto’s kunnen het beste met een redelijk lang macro-objectief of een telelens worden gemaakt, gewoon van libellen zittend op planten of op de grond.
  2. Voor het determineren van juffers is het beste een foto schuin van boven, zodat zowel de tekening van het borststuk als de tekening van de achterlijfsegmenten zichtbaar is.
  3. Voor het determineren van heidelibellen is het handig een foto recht van voren te hebben. Op die manier kan de steenrode heidelibel van de bruinrode heidelibel worden onderscheiden (met ‘hangsnor’, zonder ‘hangsnor’)

 

 

Voorjaarslied

Gewoon een paar plaatjes van het voorjaar 2022. De ontwikkelingen in de wereld zijn niet echt om vrolijk van te worden, maar de vogels zingen er vrolijk op los, alsof er niets aan de hand is. Hieronder heel gewone vogeltjes als de merel, de roodborst en de vink.

Maar ook het winterkoninkje kan er wat van. Ongelooflijk wat zo’n klein vogeltje aan stemgeluid kan produceren. Daaronder een tjiftjaf en een groenling.

En nog een groenling en een van de schaarse gele kwikstaarten dit jaar op Texel. Van de nachtegaal heb ik geen foto. Die laat zich niet zo gemakkelijk fotograferen, maar als hij er is, hoor je hem wel heel goed.

 

 

Nachtegaalconcert op een hyacintentapijt

Natuurexcursie van de KNNV Vogelwerkgroep Leiden naar Hyacintenbos en Solleveld op 1 mei 2022

Tekst eerder gepubliceerd als officieel verslag van de Werkgroep

Hyacinten

Om acht uur startte bij het landgoed Ockenburg een mooie natuurexcursie onder leiding van Ron (Ousen) en Marianne met verdere deelnemers Jan, Marian, Anita (introducee), Roelien, Rob en Reinier. Het was nog redelijk fris, maar de zon kwam al snel door. Het was een natuurexcursie met aandacht voor veel meer dan alleen vogels. Bij Ockenburg bloeiden voorzichtig al de eerste rododendrons. Al snel bereikten wij het prachtige hyacintenbos. Wat een schitterende kleuren: hyacintenblauw gemengd met het frisse groen van ontluikende varens en lelietjes van dalen onder een dak van net uitgekomen eikenbladeren.

Natuurlijk hoorden wij de eerste zwartkoppen, winterkoninkjes en merels, maar het gesprek (er werd druk gepraat op deze gezellige excursie!) ging aan het begin van de wandeling vooral over planten, waarbij onder meer eenstijlige en tweestijlige meidoorns, salomonszegel en daslook de revue passeerden. Even vroeg een overvliegende buizerd onze aandacht maar al snel was onze blik weer op de bomen dichtbij gericht, eigenlijk op het werk van een insect. Tussen de prille eikenbladeren hing een prachtige galappel, volgens mijn app veroorzaakt door de aardappelgalwesp. Interessant aan dit insect is de wisseling tussen twee generaties, die achtereenvolgens ‘aardappelgallen’ en ‘wortelgallen’ maken, te ingewikkeld om hier verder op in te gaan.

Hyacinten

Onze zintuigen werden verwend deze ochtend, niet alleen door de overweldigende geuren en kleuren, maar door het prachtige lenteconcert. Natuurlijk zongen er roodborstjes, winterkoninkjes, zwartkoppen, fitissen en tjiftjaffen, maar er was maar één solist, die alle andere zangers genadeloos uit de top tien verdreef: de nachtegaal (zie ook tekst uit 1903 hieronder). Ongelooflijk wat een repertoire! Hij beheerst het hele strijkorkest plus de meeste hout- en koperblazers. Alleen de tuba niet, die moet hij aan de roerdomp overlaten. Af en toe dachten wij even een zanglijster of een boomklever te horen. Mis! Alweer zo’n nachtegaal. Er zijn ergere teleurstellingen.

Thijsse over de nachtegaal in 1903

De nachtegaal heeft door de eeuwen de mens geïnspireerd tot liederen, gedichten en verhalen. Onze oude leermeester Jac. P. Thijsse schreef in 1903 de eerste versie van Het Vogeljaar, waarin beschrijvingen van de meeste bekende vogels te vinden zijn. Aan de nachtegaal besteedt hij bijzonder veel aandacht. Hier een klein fragment van zijn mooie verhaal. Meer dan honderd jaar geleden geschreven, maar volledig herkenbaar.

Wat enkel virtuositeit aangaat, overtreft de nachtegaal alle andere vogels. Hij kan hooger zingen dan een sijsje, lager dan een merel, sneller dan een goudhaantje en tonen voortbrengen die langer dan twee seconden aanhouden, nu eens in ’t allerfijnste pianissimo, dan weer met een forto, waar je van opschrikt. Alleen kan hij niet zooals leeuwerik en tuinfluiter een stuk leveren van langen duur. Wel kan hij uren onafgebroken achtereen zingen, maar dan bestaat zijn lied uit een aantal duidelijk te onderscheiden tiraden van korter of langer duur. Een geoefend oor kan echter bij den leeuwerik dit verschijnsel ook opmerken, bij den tuinfluiter heb ik er nog niets van bespeurd. Veelal, maar 't is geen regel, begint een tirade met tonen, die gelijken op den lokroep ‘wiet’ of de waarschuwingskreet ‘korrr’, dan volgen eenige tonen, die in hoogte weinig verschillen, soms gelijk blijven in tijdsduur en intensiteit, in andere gevallen zeer mooi rekken en zwellen en dan eindigt de strofe meestal met een krachtige figuur, een ‘forschen tjingel’. Ik moet even mijn verontschuldiging aanbieden over de ontoereikendheid en onwaardigheid van mijn beschrijvingen, gij moet echter in 't oog houden, dat ik mij nimmer vermeten zal, te probeeren het nachtegaallied weer te geven, of het geluksgevoel bij het aanhooren ervan te vertolken.

Jac. P. Thijsse, Het vogeljaar. Nederlandsche vogels in hun leven geschetst. W. Versluys, Amsterdam 1913 (tweede druk), p. 216-223. Te downloaden van https://www.dbnl.org/tekst/thij015voge01_01/index.php

We liepen verder door de Van Leydenhof, voortdurend begeleid door het nachtegaal-belcanto, terwijl het ook hier onmogelijk was geen wilde hyacinten te zien.

hindernis

Als snel kwamen we het Solleveld-gebied in door hekjes die niet alleen koeien en herten tegenhouden maar ook voor de obese mens een niet te nemen hindernis moeten zijn. Wij kwamen hierna ook geen dikke mensen meer tegen. We kwamen snel bij de rand van een plek waar de natuur hard bezig is zichzelf te vernietigen. Hier verft de aalscholverstront vanuit de tientallen goed bezette nesten de takken eronder wit. Aan sommige takken van die mooie dennen zit nog een enkele naald, maar hoe lang nog? Wij mochten van dit spektakel genieten: nu geen belcanto maar aalscholver –gerasp, een doordringende lucht van rotte vis en ammoniak en tegen deze achtergrond levendig heen en weer vliegende aalscholvers, soms met een snavel vol nestmateriaal.

 

Na de aalscholverplas duikt het Solleveld-pad weer even het bos in. In dat bos vind je de prachtigste eiken, prachtige eeuwenoude exemplaren die niet alleen omhoog maar vooral ook in de breedte groeien.

Onder de mooie eik

Even zagen we op een uítstekende eikentak een stel parende grote bonte spechten, maar die zochten toch meer privacy. Op de grond zagen wij veel mieren: je zou hier natuurlijk groene spechten verwachten, maar we zagen ze niet. Als je weer het bos uitkomt, het open Solleveld op, is er veel water. Hier hoorden en zagen we niet alleen rietzangers en een grasmus. Ook de waterral en de snor lieten daar van zich horen. Iets voor elven hielden wij een late koffie- of vroege lunchpauze, niet ver van een water met mooie rietvelden.

Hoewel de mist hier al zeker vier uur opgetrokken was, klonk hij dan toch eindelijk, de misthoorn, het enige instrument dat onze nachtegaal niet beheerst. Waar die het vandaan haalt, die roerdomp? Uit zijn tenen? Er zijn allerlei mythes over dat beest. Er zijn zelfs mensen die beweren dat hij dit absurde geluid onder water maakt. Leuk bedacht.

Het ging verder over het prachtige Solleveld. Er waren nogal wat discussie-vogels, vogels met een vraagteken, zoals gekraagde roodstaart?, boompieper? Over twee vogels was geen discussie mogelijk, de Cetti en de koekoek. Wel over de tuinfluiter, waarover dit gesprek plaatsvond. A: “Dit is zo duidelijk een tuinfluiter en geen zwartkop”. B: “Waaraan hoor je dat dan? Ik heb er altijd moeite mee!” A: “De tuinfluiter is sneller en slordiger, terwijl je de zwartkop aan het gave glasheldere liedje herkent”. Even later C: “Ik heb hem in de scoop! Duidelijk een zwartkop!”. A: “….”, zegt niets meer.

We liepen het pad verder en kwamen tenslotte weer aan de overkant van de aalscholverplas, waar we nog een kijkhut met ons bezoek vereerden en daar de ‘fuut’ als waarneming mochten noteren. Op de terugweg naar het Hyacintenbos kwamen we langs een bos met vrijwel uitsluitend dode bomen en we vroegen ons af, of dat ook het werk van onze aalscholvers geweest was. In bos luisterden we naar een tweede uitvoering van het zelfde concert in dezelfde prachtige zaal.
Op het zonnige terras van Kas Ockenburg genoten wij van warme dranken en gebak. We keken nog even naar de planten in de fraaie tuin daarnaast. Het was mooi geweest.

____

Voor een eerdere excursie naar dit gebied klik hier.

Beninger Slikken

Natuur aan het Haringvliet

Ik zou hier ongeveer hetzelfde verhaal kunnen schrijven als veertien dagen geleden: over de door de mens geschapen natuur in  Nederland. Maar dat zou een herhaling van zetten zijn. Toen gingen we met de Vogelwerkgroep naar de Hellegatsplaten, een stuk nieuwe natuur vlakbij het Hellegatsplein aan het Volkerak. Nu gingen we naar de Beninger Slikken aan het Haringvliet. Beide ‘natuurgebieden’ zijn ontstaan op de drooggevallen slikken in de afgedamde inmiddels zoet geworden wateren van de Delta. De verschillen tussen beide gebieden zijn toch groter dan je zou vermoeden. Hier een eerste indruk.

Getijden en zout in de afgesloten delta

De natuur van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse wateren is grotendeels ontstaan als gevolg van de grote veranderingen door de Deltawerken na de watersnoodramp van 1953. Die werken vonden tussen 1954 en 1997 plaats. Voor de natuur zijn de belangrijkste veranderingen natuurlijk het grotendeels verdwijnen van de getijdebeweging en het verdwijnen van zoute en brakke wateren. De natuur is nog lang niet op alle plekken in evenwicht gekomen.

Terwijl vroeger het zoute Noordzeewater vrij de delta in en uitstroomde en zich vermengde met het water van de grote rivieren, is er nu een situatie met heel verschillende regimes ontstaan, met betrekking tot zowel het getijde als het zoutgehalte.

Verschillende Combinaties   

Het Hollandsch Diep en het Haringvliet hebben een heel licht getijde van minder dan 40 cm en zijn volledig zoet. Het Volkerak heeft geen enkel getijde en is sinds de aanleg van de Philipsdam volledig zoet geworden. Een wereld van verschil is de Grevelingen, waar het water zo zout is als op de Noordzee, maar zonder enkel getijde. Op de Oosterschelde zijn zowel zoutgehalte als getij op ouderwets niveau. 
De figuur en de tabel zijn gebaseerd op informatie van Rijkswaterstaat: https://waterinfo.rws.nl/#!/nav/publiek/  Waterhoogte in cm boven of onder NAP. Twee getallen geven 'eb' en 'vloed' aan. 

 

De excursie

rietzanger
Beninger Slikken

Met dertien vogelaars reden wij naar het parkeerterreintje bij dit natuurgebied. Veel details over de vogels zal ik hier niet geven. Een lijst van vogels staat wel in het officiële verslag van de Werkgroep. Zo interessant is zo’n lijst ook weer niet. In zo’n gebied kan je verwachten dat de lijst met Aalscholver begint en, als je geluk hebt, eindigt die niet met Zwarte kraai maar met Zwartkopmeeuw. We hadden geluk.

Het is een mooi open land met brede kreken en daarin mooie droogvallende gedeelten. Het is toch geheel anders dan bij de Hellegatsplaten waar een leger van gevaarlijke heckrunderen de zaak open moet houden. Blijkbaar is hier het beetje getijdebeweging van zo’n 40 cm gecombineerd met variaties in de aanvoer van rivierwater (en de nodige aanvullende beheersmaatregelen) genoeg om hier nog voldoende dynamiek te behouden. Natuurlijk vind je hier de vogels, de planten en de vlinders die bij het landschap horen. Het zou vreemd zijn als je hier geen bruine kiekendieven zag vliegen en nog vreemder als er geen rietzangers en rietgorzen waren.

een kreek in de Beninger Slikken

Dat we nauwelijks blauwborstjes hebben gezien, kwam door de harde wind, maar ze waren er in grote hoeveelheid.  Het was leuk om nog eens goed naar de groenpootruiters op de slikken te kunnen kijken. Ik kende die vogels eigenlijk nog niet goed. We wandelden door een Nederlands ‘natuurgebied’: alles vrijwel perfect in orde, inclusief het handbediende pontje en het mooi aangelegde wandelpad. Maar dat de bouwers van vogelhutten nog steeds niet begrijpen op welke hoogte er kijkgaten voor een telescoop moeten zitten, konden we ook hier weer zien.

Land, water en slikken aan het Haringvliet

Aan de Zuidkant van Voorne en de Hoekse Waard liggen, gescheiden door de rivierarm het Spui (ontstaan toen bij de stormvloed van 2 november 1532 een dijk bij de oude Maas het begaf), twee natuurgebieden op de slikken van het Haringvliet, de Beninger Slikken en de Korendijker Slikken. Het Spui is de scheiding tussen Voorne-Putten en de Hoeksche Waard. Er liggen geen bruggen overheen. Even van de Beninger naar de Korendijker Slikken overwippen kan niet als je geen boot hebt.

Met het Spui is iets geks aan de hand: het is de enige rivier waarvan de loop door de Deltawerken omgekeerd is. Voerde het vroeger rivierwater aan naar het Haringvliet. Nu stroomt er het zoet water door vanaf het Haringvliet naar Oude Maas en Nieuwe Waterweg. 

Een zijrivier van het Spui is de Bernisse, de grens tussen de eilanden Voorne en Putten (hiernaast op een kaart uit 1645 zijn Haringvliet, Bernisse met 't Suydland, Spui en Oude Maas zichtbaar). In de Middeleeuwen was het een belangrijke verbinding tussen de Brielse Maas en het Haringvliet, maar na de Sint-Elizabethvloed van 1421 verzandde de Bernisse en uiteindelijk was scheepsvaart niet meer mogelijk op een ondiepe sloot van een paar meter breed. Maar tussen 1976 en 1979 werd de Bernisse weer uitgegraven en verbreed. Het werd een honderden hectare groot recreatiegebied.

Na de Deltawerken stroomt er door de kreken en over de Slikken aan het Haringvliet zoet water en is er een heel beperkt getijde. Dat kan in de toekomst nog wel iets veranderen. In 2000, nam de toenmalige regering het zogenaamde Kierbesluit, het besluit om de Haringvlietsluizen in beperkte mate open te stellen en zodoende iets meer eb- en vloedbeweging en iets meer zout in het Haringvliet toe te laten. Vanzelfsprekend waren en zijn hier allerlei belangen mee gemoeid, van scheepsvaart, landbouw en zoetwatervoorziening tot natuurbescherming zodat de het bijna 20 jaar duurde voordat voorzichtig aan de uitvoering begonnen werd. Af en toe staat de kier nu open. Het motto is “Lerend Implementeren”. Misschien dat het tenslotte iets voor het getijde in de Beninger en Korendijker Slikken zal betekenen. Maar omdat er afgesproken is dat het Haringvliet ten Oosten van de Spuimonding niet zouter mag worden, kunnen we met zoetwater bij de Slikken blijven rekenen.

Naar Zuidland

Hier was in de 14e eeuw de haven

Na de excursie reden we naar het mooie plaatsje Zuidland, waar we in het mooie historische oude centrum warme dranken en appeltaart met slagroom nuttigden. Wij zaten op een prachtig terras bij een uitspanning  aan de Ring. Waar nu de vijver in de Ring is, lag al in de 14e eeuw de haven aan een vertakking van de Bernisse. Bij de haven ontstond de plaats Zuytland. Het werd een belangrijke handelsplaats, maar heeft nooit stadsrechten gekregen. Als haven aan de verzande Bernisse verloor de plaats zijn betekenis, maar toch bleef het tot de Tweede Wereldoorlog groter dan Spijkenisse dat pas vanaf de jaren vijftig Zuidland snel zou inhalen.

aan de Ring (2016)

____