Terug naar de cultuur

Het was 1958. We woonden in Ede boven op de Paasberg. Met het hele gezin fietsten we over zandpaden bij Planken Wambuis en Mossel en weer terug over de Ginkelse Heide. De zon scheen heerlijk op de heide die al behoorlijk paars aan het worden was. Daar aten we onze meegebrachte boterhammen bij het gezoem van bijen en hommels, terwijl de leeuweriken geen enkel moment hun gezang onderbraken.

Op de Ginkelse Heide (november 2019)

Ede was het heidedorp met als toeristisch hoogtepunt de verkiezing van de heidekoningin die in een paars versierde wagen door de straten werd gereden. De paarse koets van Ede. Toch ging het de jaren daarop niet zo goed met de hei. In plaats van de mooie paarse struikjes groeide er steeds meer onsympathieke grassoorten. De korhoenders, waar wij als NJN-ers nog om vier uur in de ochtend naar gingen kijken, waren na een tijdje verdwenen.

grutto

Niet alleen de mooie heidenatuur verdween in een rap tempo, ook de mooie weidevogels op het land van traditionele boerenbedrijven werden schaars. De intensieve landbouw eiste zijn tol, vooral door het toegenomen gebruik van kunstmest, de drastische verlaging van de grondwaterstanden en – vooral door ruilverkaveling – het verdwijnen van aantrekkelijke landschapselementen zoals eeuwenoude heggen en wallen.

Het conflict tussen boer en natuur spitst zich nu toe op de noodzaak de stikstofbelasting van alle sectoren in Nederland terug te brengen. Als het niet lukt de boerenbedrijven minder stikstofintensief te maken, dan moeten de boeren maar verdwijnen. De boeren hebben niet meer de politieke en maatschappelijke steun van weleer. Het land mag dan vol staan met omgekeerde Nederlandse vlaggen, maar de boeren staan zwaar op verlies. In de wedstrijd natuur tegen boer staat het minstens 1-0, misschien al 3-0. Wie zal het zeggen?

Dat is prachtig! In Nederland kunnen we de natuur weer herstellen, nu we die rotboeren bijna uit ons paradijs verdreven hebben. Maar hoe gaat het dan verder? Laten we er nu eens vanuit gaan dat natuur daar maximaal ontstaat waar de mens zijn invloed tot nul terugbrengt. We laten het land aan zichzelf over: geen landbouw, geen industrie, geen afvalstromen of emissies van elders. Weg met de kunstmatige aanpassing van waterstanden, weg met kunstmest. We laten het land zonder menselijke invloed dichtgroeien en kijken wel wat voor planten en dieren we dan krijgen. Wat we dan krijgen, zal waarschijnlijk op het landschap de vroege middeleeuwen, voor het ontstaan van de landbouw, gaan lijken, misschien wel op het landschap van nog veel eerder, na de laatste ijstijd. Waarschijnlijk ontstaan er tussen de stedelijke gebieden grote beukenbossen en uitgestrekte moerassen, wie weet ook nog bevolkt door wolven, beren en wisenten.

Krijgen we dan onze mooie natuur terug? Hoe gaat het dan met onze paarse heide en met de mooie weidevogels? Het is misschien jammer, maar uitgestrekte heidevelden komen echt nooit meer terug. Hoewel de heide als soort al vóór de vroege middeleeuwen in onze omgeving voorkwam, zijn de uitgestrekte heidevelden (en zandverstuivingen) van veel latere datum. Heidevelden zijn ontstaan als nevenproduct van een vorm van landbouw, die zich op en rond ‘essen’ in een tijd van systematisch mesttekort ontwikkelde. De es werd bemest met een mengsel van stalmest en afgeplagde heide. Daar vond landbouw en veeteelt plaats. Heidevelden rondom de es waren het domein van schapen. De grote onvruchtbare heidevelden waren het gevolg van systematische verarming door eeuwenlange afplagging. De beste manier onze mooie heidevelden in stand te houden, is weer regelmatig op de oude manier af te plaggen. Doe je dit niet, dan verdwijnt de door de mens veroorzaakte onvruchtbaarheid. De huidige stikstofbelasting is niet de belangrijkste oorzaak van het verdwijnen van de heide. Heidevelden kunnen zelfs nog heel wat stikstof hebben, als je ze op de juiste manier onderhoudt. De heide is geen oorspronkelijke natuur, maar een cultuurlandschap van vóór de uitvinding van de kunstmest. Toen die uitgevonden was, had bijna niemand meer behoefte aan heidevelden, behalve dan het leger, waaraan wij het behoud van grote stukken heide te danken hebben.

Nederlandse ‘natuur’ in het Groene Hart

Ook onze mooie grutto’s, kieviten, wulpen, tureluurs en nog veel meer weidevogels zijn geen oorspronkelijke natuur. De Nederlandse weiden waar deze vogels zich eeuwenlang hebben thuis gevoeld zijn door de landbouw geschapen biotopen die oorspronkelijke, maar verdwenen, biotopen hebben kunnen vervangen. Je zou kunnen zeggen dat de natuur in de landbouw gevlucht is. Door de intensivering van de landbouw zijn deze landbouw-biotopen op een schrikbarende manier gekrompen en daarmee de overlevingskansen van grote vogelpopulaties. Terug naar de oorspronkelijke wildernis van vóór de landbouw zou een ramp betekenen, want daarmee ontstaat niet automatisch ruimte voor de weidevogels.

Terug naar de natuur! Dat klinkt goed, maar terug naar welke natuur? Terug naar een oorspronkelijke door landbouw en industrie niet gestoorde wildernis levert ons niet meer op dan een tamelijk saai boslandschap met hier en daar een moeras. We krijgen er de natuur waar we naar verlangen – steekwoorden: heidevelden en grutto’s – nooit mee terug. Het is goed ons te realiseren dat onze ‘natuur’ (in Nederland en West Europa), voor minstens 90% aan landbouw gebonden is. Willen we deze natuur behouden, of terug krijgen, dan is er een rol voor de landbouw weggelegd. In de strijd tussen natuur en landbouw staat het toch niet 1-0. De boeren staan op verlies, maar de natuur ook. Het staat op zijn best 0-0.

Tapuit in de boerennatuur

Het kan 1-1 worden als de boeren weer een positieve rol kunnen spelen in de creatie en het beheer van de natuur zoals ze al eeuwen hebben gedaan, maar dan moet er wel iets grondigs veranderen aan de landbouwsubsidies. Het inkomen van boeren in Nederland (en Europa) bestaat gemiddeld voor de helft uit subsidie. Die subsidie gaat nu nog in het stimuleren van intensieve landbouw ten koste van de natuur. De boer krijgt er de schuld van. De belangrijkste bijdrage van boerenbedrijven in veel gebieden zal ook in de toekomst het scheppen en beheren van onze zogenaamde ‘natuur’ moeten zijn en daarvoor moet hij betaald worden. Dat heeft meer zin dan de boeren uit Nederland en Europa weg te jagen en daar, op basis van een misplaatst romantisch verlangen naar een al meer dan duizend jaar geleden verloren gegane wereld – een verarmde wildernis, geen rijke natuur! – voor in de plaats te creëren. Terug naar de cultuur!

____

 

PS

  1. Ik worstel al een tijdje met de vraag, wat nu eigenlijk natuur is (in Nederland), zie bijvoorbeeld dit verhaal.
  2. In de intensieve landbouw is de boer vaak de vijand van de biodiversiteit. In oudere, minder intensieve vormen van landbouw draagt de boer juist bij aan het scheppen van biodiversiteit. Neem bijvoorbeeld de traditionele landbouw in Normandië, de combinatie van cider- en melkproductie en het resulterende ‘bocage’-landschap. Ik schreef erover in deze blog.
  3. De stikstofdenkfout: het is ontegenzeggelijk waar dat de te hoge stikstofbelasting van de bodem in Nederland tot het verdwijnen van veel mooie natuur heeft geleid. Het woord ‘stikstof’ vind je tegenwoordig steeds vaker  als de helft van het woordpaar ‘stikstof – natuur’. Natuur  is mooi en stikstof is slecht voor de natuur. Stikstof is antinatuur. Een toename van stikstof (eigenlijk gaat het niet om stikstof maar om stikstofverbindingen) leidt tot een afname van natuur. De grote denkfout die onmerkbaar in de politiek geslopen is, luidt: afname van stikstof leidt automatisch tot een toename van natuur. Dat is om meerdere redenen een riskante en meestal foute aanname. De ecologische kwaliteit van de bodem hangt van honderden factoren af, niet alleen stikstof. Bovendien kan de afname van stikstof gepaard gaan met maatregelen ten nadele van de natuur zoals het volledig verdwijnen van de landbouwbiotopen waarin de natuur zich thuis voelt.

Paddenstoelen in oktober

Ik laad mijn fietstassen vol met dure en zware foto-apparatuur. Twee digitale spiegelreflexen, een standaardzoom, een teleobjectief, een macrolens en een zwaar statief. Mijn telefoon doet dienst als infrarood-afstandsbediening. Ik fiets langs de gebouwen van Dekker in de richting van Warmond. Ik fiets de dorpsstraat van Warmond door tot het bruggetje bij de kleine zijingang van Huys te Warmont.

Daar komt net Benjamin Teensma aanfietsen, een krasse 90-jarige oud-hoogleraar Portugees en auteur van interessante boeken onder meer over de geschiedenis van Nederland en Portugal in Brazilië. Ik kom Benjamin vaak tegen op Koudenhoorn als hij daar zijn wandelingetje maakt. Nu is hij op zoek naar de groene knolamaniet, die zich hier ergens zou bevinden. Het is één van de giftigste paddenstoelen ter wereld, ‘death angel’ in het Engels. Ik spreek mijn waardering voor het wandelend publiek hier uit: niemand lijkt hier de paddenstoelen te vernielen. Dan citeert Benjamin een gedichtje dat zijn vader nog persoonlijk van de oude Thijsse heeft geleerd. Het gaat erover dat iedereen van de natuur mag genieten, maar dat niemand die bezit. Ik citeer dan ook maar  “Laat niet als dank voor ‘t aangenaam verpoozen, den eigenaar van ‘t bosch de schillen en de doozen.”.  Dan loop ik linksaf door het bos terwijl hij zijn reis naar de doodsengel voortzet. Zijn tekst ben ik alweer vergeten. Ik moet er nog eens naar vragen.

Ik ga paddenstoelen fotograferen. Het voordeel van paddenstoelen is dat zij niet wegvliegen. Je kan een foto stap voor stap voorbereiden. Er is geen haast. De enige onrust zit in mezelf, waardoor ik toch vaak slordige foto’s maak, waar niet alles op staat wat er op moet staan en, erger nog, er heel veel op staat wat ik er niet op wil hebben. Ik wil vandaag eens rustig de tijd nemen.

Niet ver van de vijver bij het ‘Huys’ ligt een mooie boomstam helemaal vol gegroeid met verse, glimmende porseleinzwammen. Ik zet mijn statief op, niet te hoog zodat ze er mooi op komen te staan. Op de achtergrond staan de nog erg groene bomen van het park. Ik maak met een standaardzoom  een aantal plaatjes met meerdere groepjes porseleinzwammen erop, maar dan probeer ik er met een telelens wat details uit te halen. Ik ben niet ontevreden, maar ook niet echt tevreden. Ik worstel met te veel contrast in nietszeggende achtergronden. De zorgen van een fotograaf.

Het loopt alweer tegen half vier wanneer ik een heel klein paddenstoeltje onder de donkere bomen zie staan. Er staan er nog twee vlak naast. Het is echt erg donker. Hier moet iets van te maken zijn, denk ik, maar het kan alleen maar met de camera bijna op de grond en een belichtingstijd van meerdere secondes. Ik haal de stang met de statiefkop uit mijn statief en stop hem er ondersteboven van onderen weer in. Ik heb dat nog nooit gedaan, dus het is wel een gepruts.

camera onder het statief met gedraaide statiefring aan de lens

De camera hangt nu ondersteboven aan het statief en dat is onhandig voor de bediening, maar dat probleem is snel opgelost. Ik gebruik mijn 180 mm Sigma macrolens, waaraan een draaibare statiefaansluiting zit. Ik kan de camera dus weer terugdraaien. Mijn camera hangt nu zo laag op de grond dat ik alleen door plat op de grond te liggen door de zoeker kan kijken. Gebruik van ‘live view’ op het schermpje van de camera is uitgesloten. Daarvoor is het veel te donker. Ik werk met een handmatige scherpstelling en dan gebruik ik mijn telefoon als afstandsbediening, maar die was ik kwijt. Ik vond de telefoon terug onder een dikke laag bladeren en na twintig minuten voorbereiden kan ik de foto nemen. Belichtingstijd 5 seconden.

het resultaat

Ik lig vlakbij een wat breder wandelpad. Regelmatig werpen wandelaars een wat ongeruste blik op me. Gaat het wel goed met die bejaarde? Af en toe vraagt er iemand: “Ziet u daar iets bijzonders?”. Ik antwoord in dat soort gevallen altijd: “Geen bijzondere soort, maar misschien een bijzondere foto.”. Ik denk niet dat ze het altijd begrijpen. Dan stapt er een wat oudere dame tussen de bomen door naar mij toe. Zelfde vraag, zelfde antwoord. Ik zeg ook nog: “ik heb deze vreemde opstelling nodig omdat hier zo weinig licht is en ik toch een goede foto wil maken.” Dan zegt ze: “Ik wil u graag even bijlichten met mijn telefoon.” Dat lijkt me geen goed idee en ik zeg iets ondiplomatieks als “alstublieft niet”, waarop zij volkomen terecht reageert met: “Sorry hoor, het was alleen maar een aanbod om u te helpen.”

Met een broek vol bruine vlekken van de half vergane humuslaag onder de bomen richt ik mij met enige moeite weer op en loop verder in de richting van de parkeerplaats.

Daar liggen een paar dode bomen die al jaren een eldorado voor paddenstoeljagers zijn. Vorig jaar zat het vol met bundelzwammen, nu zijn het vooral naast de porseleinzwammen de grote bloedsteelmycena’s, prachtige lichtpaarse parasolletjes, en zwavelkoppen. Met onmogelijke opstellingen van mijn statief tussen de dode boomstammen maak ik een heel aantal foto’s. Ik ben best tevreden.

Dan loop ik maar door. Ik word weer aangesproken door een vriendelijke vrouw: “mist u geen lensdop?” Er staat Nikon op. Ja, die mis ik, zie ik. “Hij ligt nog bij het bankje bij een veld niet ver van ‘Huys te Warmont’, we hebben hem daar maar laten liggen.” Ik ben blij dat er zulke behulpzame mensen rondlopen. Die ik heb ik wel vaak nodig helaas. Ik loop terug naar mijn eerste boomstam met porseleinzwammen én een mooie lensdop. Ik fiets naar huis, best tevreden over natuur en medemens.

Een eerder verslag over het zelfde onderwerp: Paddenstoelen in het Bentwoud.

Meer over het fotograferen van paddenstoelen: Paddenstoelen fotograferen

Noot

Ook hierna kwam ik Benjamin Teensma regelmatig tegen. Hij citeerde nog eens het rijmpje dat in deze blog genoemd wordt en ik schreef het maar snel op. Meer informatie daarover in deze blog.

____

 

Mooi weer

 

Aan het begin van de zomer realiseerde ik me nog eens op wat voor fantastische plek wij wonen. Je hoeft alleen maar een paar honderd meter te lopen of te fietsen en je bent midden in prachtige natuurgebiedjes, zoals de Strengen en de aangrenzende Tengnagel. Niet eens zo lang geleden zijn daar interessante ondiepe plasjes aangelegd.

Tengnagel in de winter

De plasjes  trokken al snel interessante vogels zoals de kleine plevier en de bonte strandloper. Het duurde niet lang voordat er prachtige libellen hun eieren dropten. Naast de oeverlibellen waren dat in het voorjaar vooral vroege glazenmakers.

Toen wij de tweede helft van juli in Frankrijk vakantie hielden, werd klimaatverandering al lang niets abstracts meer. Elke dag scheen de zon van ‘s morgens vroeg tot laat in de avond. Op een dag werd het 41 graden in de schaduw en hebben we de dag binnen doorgebracht, met de airconditioning aan.  Gelukkig was het niet altijd zo heet en konden we prachtige wandelingen maken. Bij riviertjes ten Zuiden van de Loire zagen we ijsvogels en de mooiste beekjuffers, maar regenen deed het niet. Van anderen hoorden we verhalen over onweersbuien met hagelstenen van 15 cm, maar dit bleef gelukkig ons bespaard.

Eind juli kwamen we terug en ook in Nederland viel geen spatje regen. Begin augustus deelde de Minister de kamer mee de verdeling van water bij het MTW, managementteam watertekorten te leggen. Daarbij ging het in de eerste plaats om de bescherming van dijken, veengebieden en kwetsbare natuur en in tweede instantie om drinkwatervoorziening en water voor landbouw en industrie. Het was wel duidelijk geworden dat regionaal grote problemen zouden ontstaan in de landbouw, met name in Zeeland.

Op 3 augustus kwam er een verklaring van de Europese Commissie, waarin de vrees voor opbrengstdaling van Europese landbouwoogsten werd uitgesproken: “In tijden van ongekende temperatuurpieken moeten we stoppen met het verspillen van water en deze hulpbron efficiënter gebruiken om ons aan te passen aan het veranderende klimaat”. Natuurmonumenten benadrukte nog eens dat we in Nederland meer aandacht hebben besteed aan het afvoeren van water dan het vasthouden ervan, met rampzalige gevolgen voor het milieu: “Er valt in een jaar meer regen dan vroeger, maar dit water voeren we bliksemsnel af naar zee. Als we dit water beter vasthouden hebben we in de toekomst geen last meer van tekorten.”

Toen ik zelf na terugkomst uit Frankrijk mijn lievelingsgebiedjes weer eens opzocht, schrok ik wel even. De plasjes op de Strengen en de Tengnagel waren verdwenen. Alleen een bodem met diepe barsten was zichtbaar. Waar de libellen tot voor kort hun eieren afzetten, was niets meer. Een hele generatie libellenlarven was verdroogd, dood. Het kan lang duren voordat zich dit weer herstelt. In de eerste week van september ging ik met Erik libellen bestuderen in een prachtig gebiedje bij Hoek van Holland. Zoals ik al eerder schreef, was dit gebiedje totaal verdroogd. Er was bijna niets meer over van de rijke natuur in de duinvallei. Daar bedroeg het neerslagtekort inmiddels 330 mm, dat is 330 liter per vierkante meter!

Strengen: uitgedroogd

Regen was er nodig en liefst heel veel regen. Op 5 september, twee dagen later dan oorspronkelijk verwacht, kwam hij dan. Ik liep de tuin in zonder jas en ving met open handen de regen op. Het voelde als een wonder, dat water uit de lucht. Daarna heeft het nog twee keer ‘s nachts geregend. Het was een goed begin: stukken van het gras op de dijk bij onze sloot verkleurden van donkerbruin naar licht groen. Maar het was te weinig. Toen na de laatste regenbui de zon weer doorkwam, voelde dit helemaal niet goed.

Toch maar even het weerbericht geraadpleegd. Buienradar schrijft vandaag:

 "In de loop van het weekend staat een mooie weersverbetering op het programma. Voor het zover is, vallen vandaag in het zuiden en zuidoosten stevige buien. Morgen belooft het een fijne najaarsdag te worden."

Misschien moeten we dat tegen de mensen in Afrika, van wie de oogst nu volledig mislukt ook maar zeggen: “Ook bij jullie gaat het voorlopig niet regenen. Het blijft mooi weer!”

 

_____

 

PS 1: Een hardnekkig misverstand

In de weerberichten zal de misvatting dat zon goed weer is en regen slecht wel een tijdje blijven bestaan. Ondanks de rampzalige watertekorten in het hele land zegt buienradar op 13 september:  “(een koufront) zorgt … vannacht en morgen voor veel regen, waarbij in Zuid-Limburg 25 mm kan vallen. Het beste weer vinden we steeds terug in het Noorden van het land.” Daarmee wordt bedoeld dat het daar niet gaat regenen: “geen regen is altijd mooi”.

PS 2: De goede regen

Het hoort natuurlijk bij ons van de natuur (en de landbouw) vervreemde leven dat we zon als goed en regen als slecht beschouwen. Het weerbericht is gemaakt voor barbecueënde middle-class burgers in mooie buitenwijken die voor hun levensmiddelen niet verder denken dan de schappen van de supermarkt. In de werkelijkheid van deze mensen is de regen somber en lelijk. Hoe aangenaam regen kan zijn (nog los van het feit dat we zonder regen helemaal geen voedsel zouden hebben), wordt volledig uit ons bewustzijn verdrongen. In de vroege jaren 1970 werd dit mooi geformuleerd in een Antwerps lied van Wannes v.d. Velde: “Ik kan nog altijd niet begrijpen, hoe in meer dan één chanson de goede regen wordt verweten dat hij treurig en grijs is …”. In de verschillende coupletten van dit lied bezingt Wannes de mooie kanten van de regen. Zie hier de tekst.

PS3: Mooi weer – slecht licht

Door het domme dogma van “zon = mooi weer” wordt ook vaak vergeten dat zon meestal esthetisch minder aantrekkelijk is dan heel veel andere weertypes. Voor een fotograaf is een stralend blauwe lucht één van de lastigste omstandigheden om onder te fotograferen. Wolken, mist en zelfs regen leveren veel betere kansen op een mooie foto. Zo klaagt een fotograaf van mooie landschappen, Ellen Borggreve, in haar News Letter van deze september: “I am now photographing two days per week… rain or shine …. Which unfortunately has been a lot of “shine” these past few months. I have had to resort to photographing in harsh light conditions, but all practice is practice .” Beter in slecht weer fotograferen dan helemaal niet, lijkt haar boodschap. Maar, kan ik haar geruststellen, er komt mooi weer aan: regen, mist, storm en donkere bewolking!

mooi weer!

 

___

Beautiful weather

[translated from Dutch original]

At the beginning of this summer, I realized what a fantastic place we live in. After only walking or cycling a few hundred meters, we are in the middle of small but beautiful nature reserves, such as ‘Strengen’ and the adjacent ‘Tengnagel’. Recently, interesting shallow pools were created there.

Tengnagel in winter

They soon attracted interesting birds such as the lesser plover and the sandpiper. It didn’t take long before beautiful dragonflies dropped their eggs. In Spring these were mainly black-tailed skimmers and green-eyed hawkers.

Climate change was no longer an abstract concept when we went on holiday in France in the second half of July. Every day the sun was shining from early in the morning until late in the evening. One day, the temperature reached 41 degrees in the shade and, with the air conditioning on, we could only stay indoors. Fortunately it wasn’t always that hot. So we could make beautiful walks. At rivers South of the river Loire, we saw kingfishers and the most beautiful damselflies. But there was no drop of rain.

When we returned to the Netherlands by the end of July, the weather remained completely dry. In early August, the Minister informed the Parliament that he had assigned the task of water distribution  to a special administrative body, the MTW, the water shortages management team: in the first place the protection of dikes, peatlands and vulnerable nature, in the second place drinking water supply and water for agriculture and industry. Major regional problems were arising in agriculture, particularly in the Zeeland province.

On 3 August, the European Commission issued a statement expressing fears of declining yields from European agricultural crops: “In times of unprecedented temperature spikes, we must stop wasting water and use this resource more efficiently to adapt to the changing climate.”. The Dutch nature conservation organization Natuurmonumenten emphasized once more that the Netherlands has paid more attention to the drainage of water than to its retention, with disastrous environmental consequences: “Annual rainfall is more than before, but we drain this water into the sea at lightning speed. Only if we retain this water better, will we no longer suffer from shortages in the future.”

Back from France, I visited my favourite nature areas again. I was shocked. The water areas on Strengen and Tengnagel were completely gone. Only a dry soil with deep cracks remained. Where, not long ago, dragonflies laid their eggs, nothing was left. An entire generation of dragonfly larvae was dried up, dead. Recovery will take a long time. In the first week of September, Erik and I went to a beautiful area near Hoek van Holland to study dragonflies. As I have written elsewhere (in Dutch), the area was completely dried up. Almost nothing had remained of the rich dune valley nature. The precipitation deficit was 330 mm, which means 330 litres per square meter!

Strengen: uitgedroogd / dried up

We needed rain, lots of rain. Finally, on September 5, two days later than originally expected, it arrived. I walked into the garden without a coat and caught the rain with open hands. It felt like a miracle, that water from the sky. After that, it rained again during two nights.

It was a good start: patches of grass near our home, dark brown because of the drought, gradually turned to light green. But it was not enough. When, after the last rain shower, the sun came back, it didn’t feel right at all.

Today I consulted the weather App ‘Buienradar’ on my mobile, where I read the following text:

 "A nice improvement in the weather is expected during the weekend. Before that, heavy showers will fall in the South and Southeast today. Tomorrow it promises to be a nice autumn day."

Should not we say that to the people in Africa, whose harvest is now being completely ruined?: “For the time being, it won’t rain in your region either. The weather will remain beautiful!”

 

_____

 

Libellen in september

Zonder water geen libellen

Om acht uur precies reden Erik en ik van de Merenwijk richting de A4 en verder via het Westland naar Hoek van Holland. Erik had al over de grote libellenrijkdom van dit kleine gebiedje in de Kapittelduinen verteld.

Vochtige duinvalleien en meertjes in duinen zijn ideaal voor libellen. Libellen leven het grootste deel van hun bestaan in het water. Soms leven ze meer dan een jaar als larve in het water totdat ze zo ver ontwikkeld zijn dat ze het water uit klimmen en, bijvoorbeeld hangend aan een rietstengel, uit hun nymfenhuid kruipen. Als ze dan ‘uitgeslopen’ zijn, leven ze nog hooguit een paar weken waarin de belangrijkste opdracht is: paren en eieren leggen. Wij, als libellenliefhebbers en libellenfotografen, zien alleen dat laatste stukje van hun leven als ze acrobatisch over en langs het water vliegen, al of niet in mooie tandemformaties en af en toe aan bij een plant langs de kant een kleine rustpauze inlassen.

Om iets voor negenen liepen wij het pad naar die mooie duinvallei in, maar wat wij zagen had weinig met boven geschilderde idylle te maken. De droge grond kraakte onder onze voeten en de toppen van de rietstengels waren geel en bruin verkleurd. De duinplas was gekrompen tot een plas van minder dan drie meter doorsnede. Er waren wel wat insecten te zien zoals hommels, bijen en een enkele vlinder. Naarmate de zon voor meer warmte zorgde, werden het wel meer, maar er zaten nauwelijks libellen tussen.  Leuk was wel dat er een paapje vloog, een vogel die veel insecten nodig heeft om zijn eetlust te bevredigen.

Niet ver van het pad naar het strand zagen we dan eindelijk de eerste libellen. Hier en daar vloog een paardenbijter en aan een rietstrengel hing een pantserjuffer, niet de gebruikelijke houtpantserjuffer maar de zwervende pantserjuffer, eenvoudig te herkennen aan het tweekleurige pterostigma. Een paar honderd meter hiervandaan bij het andere uiteinde van deze opgedroogde duinplas zagen we nog één libel, een heidelibel. Het was geen gewone (bruinrode of steenrode) heidelibel maar een prachtig gele zwervende heidelibel. Misschien niet toevallig dat we hier twee ‘zwervers’ tegenkwamen, die wellicht uit gebiedjes kwamen waar nog wel water is.

Wij vroegen ons af hoe lang het zou kunnen duren voordat het hier weer wemelt van libellen. Alle larven zijn opgedroogd, dood. Volgend jaar maar weer eens kijken, maar eerst even naar een gebied met water.

Duinen met veel water: veel libellen

bruine winterjuffer

Wij reden naar het Solleveld bij Monster, een prachtig duingebied van Dunea. Waterleidingduinen zijn een garantie voor water. En water is een garantie voor libellen. Dat bleek ook deze keer te kloppen. Al in de buurt van het toegangshek naar het gebied vloog de ene na de andere heidelibel over het pad en ze zaten bij bosjes op hekken en paaltjes. De soortenrijkdom hield niet over, maar het waren er veel, naast heidelibellen vooral heel veel paardenbijters. Waar het pad een stukje door het bos loopt, zagen we vooral veel houtpantserjuffers, maar ook een bruine winterjuffer. Het interessante van deze juffer is (lezen we in de onvolprezen KNNV-libellengids) dat deze als imago overwintert en dus het hele jaar waargenomen kan worden.

Eigenlijk leuker dan de libellen waren de vlinders zoals de kleine parelmoervlinder, de distelvlinder, kleine vuurvlinder en de blauwtjes (Icarusblauwtje, bruin blauwtje).

 

De vogels die we zagen waren niet zo bijzonder, natuurlijk de natuurverwoestende aalscholvers en af en toe een buizerd. Het leukste was nog een sperwer die vrij dicht langs ons vloog.

De in ruime mate aanwezige paardenbijters waren vanaf dit moment vooral fotografie-object. Het zijn heel fotogenieke grote, mooi gekleurde libellen. Hun manier van vliegen is boeiend. Af en toe staan ze bijna stil in de lucht, soms zie je ze in glijvlucht met bewegingsloze vleugels en soms maken ze in volle vaart scherpe hoeken, waarbij krachten van meer dan 4g op de libel kunnen werken. Het fotograferen van paardenbijters in de lucht is een hele uitdaging en ook deze middag heeft dit voor veel mislukte foto’s gezorgd. Gelukkig bleven ze ook regelmatig even op een rietstengel of een boomtakje zitten, wat mooie plaatjes opleverde. Tandems van heidelibellen waren ondertussen hard bezig met eieren leggen.

paardenbijter
Topprestaties in de lucht

Nu leven libellen maar een kort deel van hun bestaan als een vliegend insect, maar ze kunnen beter vliegen dan de meeste insecten. Dat heeft vooral te maken met de manier waarop de vliegspieren georganiseerd zijn. Bij de meeste insecten, zoals bijen, worden de vleugels indirect bewogen door een vervorming van het borststuk: het rugschild wordt naar beneden geduwd, waardoor de vleugels omhoog gaan. In dat geval zijn voor- en achtervleugels met elkaar verbonden en bewegen dus gelijktijdig. Bij de libellen is dit heel anders: elke vleugel heeft zijn eigen spier. Voor- en achtervleugels bewegen niet gelijktijdig maar zijn ten opzichte van elkaar uit fase. Het relatief grote borststuk van een libel is grotendeels gevuld met vliegspieren. Bij veel insecten worden de vliegspieren ook gebruikt voor de beweging van poten. Tijdens het vliegen worden deze pootbewegingen uitgeschakeld. Dat is bij libellen niet het geval zodat ze tijdens het vliegen de poten kunnen gebruiken om prooien te vangen.

Na een uurtje paardenbijters fotograferen aan het water waar ik eerder een keer een  roerdomp van dichtbij zag en op een latere excursie van zijn tuba-klanken mocht genieten, liepen we verder de plas om. Het verhaal werd saai: paardenbijter, heidelibel, houtpantserjuffer ad infinitum. Een man met kinderen vroeg geïnteresseerd of we nog wat bijzonders hadden gezien. Ik beantwoord deze vraag zoals altijd ook nu bevestigend, maar leg dan wel uit dat we weliswaar geen bijzondere soorten op de lijst hebben staan, wél een bijzonder gebied en een bijzonder mooie natuur, ook al bestond die dan vandaag uit 10.000 paardenbijters en 20.000 heidelibellen. Ik bood man en kinderen een stroopwafel aan. Even later kwam zijn vrouw met nog meer kinderen erbij staan en was het pak gauw leeg.

Het was een mooie dag.

____

Literatuur

Ik vond een collegedictaat door Struyve Tim van het college in het kader van ‘Morfologie van invertrebraten’ van Prof. dr. M. Vinex: De morfologische aanpassingen aan het vliegen bij de libel. Heel specialistisch en gedetailleerd.

Meer toegankelijke informatie in: Veldgids Libellen, KNNV/Vlinderstichting 1997, 8e druk 2016.

Een lijstje van ‘mijn’ soorten (met mijn eigen foto’s) houd ik hier bij.