Landschapsfotografie – inspiratie door de schilderkunst?

Volgens het boekje

Landschapsfotografie is moeilijk, heel moeilijk. Natuurlijk is het best leuk om een berg met een rivier erlangs of een molen met een laan knotwilgen te fotograferen en daarboven al of niet dreigende luchten, maar het resultaat is vaak niet meer dan een stereotiep mooi plaatje. Aan veel boeken over landschapsfotografie heb ik niet zo veel. Het boek van Ross Hoddinott en Mark Bauer (2011) bijvoorbeeld bevat zeker nuttige informatie. Het begint met allerlei technische details over apparatuur, belichting, scherptediepte, objectieven en filters om dan meteen over compositieregels te beginnen. De bekende ‘rule of thirds’, het gebruik van lijnen naar het onderwerp, diagonale en horizontale lijnen, symmetrie en het creëren van diepte passeren allemaal de revue voordat het  boek natuurlijk op licht en kleuren ingaat.

De belangrijkste vraag

De belangrijkste vraag wordt echter overgeslagen: wat wil je met een landschapsfoto eigenlijk laten zien? Dat vraag ik me bijvoorbeeld af als ik voorbeelden zie van het gebruik van sterke gegradueerde filters. De lucht kan daarmee zo zwaar gemaakt worden dat hij naar beneden dreigt te vallen. Wat heeft de fotograaf daar in godsnaam mee bedoeld? Het boek van Drost en anderen, praktijkboek landschapsfotografie, is iets beter in dit opzicht. In het hoofdstuk Soorten, stijlen en smaken, bespreekt het kort verschillende soorten landschapsfotografie en hun doelstellingen zonder er erg diep op in te gaan. Zulke fotohandleidingen geven nuttige informatie over het hoe maar nauwelijks over het wat. Wat wil ik eigenlijk fotograferen? Wat wil ik overbrengen?

Op het Dwingelder veld, eind 2020. Een poging de sfeer van toen vast te leggen. Nikon D610, 29 mm

Van Breughel via Rembrandt naar Monet en later

Landschapsschilders hebben door de eeuwen heen verschillende antwoorden gegeven. Misschien ook interessant voor fotografie. Ik ben zelf maar eens mijn verzameling catalogi van schilderijententoonstellingen ingedoken om inspiratie op te doen.

Pieter Breughel de Oude – De Oogst

Landschappen zie je natuurlijk in de middeleeuwse religieuze afbeeldingen. Als achtergrond voor Maria met het kind Jezus zie je soms uitgestrekte mediterrane landschappen met rivieren en bergen. Bij Pieter Breughel den Oude wordt het landschap meer een zelfstandig onderwerp, landschappen waarin boeren de oogst binnenhalen, bijvoorbeeld. Als landschapsfotograaf kan ik hier best nog iets van leren: de behandeling van perspectief, de plaatsing van onderwerpen zoals bomen op de voorgrond, lijnen naar de onderwerpen toe en de verandering van atmosfeer en kleuren op grotere afstand.

Rembrandt – Landschap met stenen brug 1638

Minder dan honderd jaar later schildert Rembrandt een indrukwekkend (fantasie)landschap met schitterend licht dat tussen de onweerswolken door een groepje bomen laat oplichten. Dit is een heel ander soort opvatting van een landschap dan bij Breughel: het licht speelt hier een zelfstandige hoofdrol. Zeker zo indrukwekkend is de molen in het onderstaande schilderij dat Rembrandtrond 1650 schilderde.

Jan van Goyen, Riviergezicht-met-kerk-en-boerderij

De landschappen van schilders als Jan van Goyen of Albert Cuyp uit de tweede helft van de 17e eeuw laten het Nederlandse landschap compleet met ruiters, koeien, boten, windmolens, rivieren en meren zien. Mooie luchten zijn vaak een heel belangrijk element van deze platen die in de woningen van de gegoede burgerij hingen.

In de romantische schilderkunst van het begin van de 19e eeuw legt de schilder veel meer zijn eigen emoties in het landschap, soms de emoties in verband met een door industrialisering snel verdwijnende wereld, soms de emoties van de eenzame mens in contact met de oneindige machtige natuur. Natuurlijk ook hier het gebruik van dreigende wolkenluchten en mooi beschenen delen van het landschap en de mensen daarin.

Impressionisme en later
Claude Monet, Honfleur 1864

In de tweede helft van de negentiende eeuw werd het schilderen in de open lucht (‘plein air’) steeds belangrijker. In dit verband speelde de  school van Barbizon vanaf rond 1850 een hoofdrol. Niet lang daarna ontstond het impressionisme, waarbij het steeds meer ging om het vastleggen van een uniek moment zoals een unieke belichting bij een een unieke wolkenlucht. De impressionisten zochten naar middelen om de unieke ervaring van het licht op een voorbijgaand moment nauwkeurig vast te leggen.

Claude Monet – Impression 1872.

Niet veel anders dan de landschapsfotograaf van nu gingen de impressionistische schilders op zoek naar bijzondere landschappen en bijzondere belichting op bijzondere momenten. De schilderijen van Monet, Pisarro en vele anderen uit die tijd zijn nog steeds van belang voor de fotograaf van nu: vooral hun grote belangstelling voor het steeds veranderende licht en de precisie waarmee zij dat vastlegden bij verschillende atmosferische omstandigheden. Maar aan de manier waarop zijn dat deden, heeft een fotograaf niet veel. Als een fotograaf de sfeer van de opgaande zon, die door een nevelige lucht op het water schijnt, wil weergeven, heeft hij heel andere middelen tot zijn beschikking dan de geniale blauwe en rode streepjes waarmee Monet dit effect bereikt in het schilderij ‘Impression’, het schilderij dat de naam leverde aan de nieuwe kunststroming van die tijd. In feite ging Monet een grote stap verder dan het weergeven van het landschap. Zijn schilderij bevat niet meer dan suggesties van dat landschap en de sfeer ervan zonder de details duidelijk weer te geven.

Van Gogh en daarna
Vincent van Gogh – Korenveld met Kraaien (1890)

In de schilderkunst aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw komt de nadruk steeds meer te liggen op de subjectieve ervaring van de kunstenaar en minder op de natuurgetrouwe weergave van vormen en kleuren. Natuurlijk worden er nog steeds mooie landschappen geschilderd zoals het prachtige Korenveld met kraaien van Vincent van Gogh uit 1890 of de stapels stro van Kees van Dongen uit 1905.

Kees van Dongen – Meules de Paille (1905)

Zulke schilderijen uit die tijd kunnen nog steeds een inspiratie leveren voor goede foto’s. De extreem lage horizon van het schilderij van Kees van Dongen zouden we best in een foto kunnen toepassen, maar de foto zal weinig op zo’n schilderij gaan lijken. Schilderen en fotograferen. zijn wel verschillende technieken.

Edward Hopper, Cobb’s Barns and Distant Houses, 1930–1933. Zo te gebruiken als een idee voor een goede foto.

Naarmate de schilderkunst abstracter wordt en minder realistisch is het moeilijker er ideeën voor fotografie uit te halen, maar niet alle schilderkunst na het begin van de vorige eeuw is abstract. De landschappen die Hopper in de jaren 1930 schilderde zijn een goed voorbeeld.

Wie en wat kan mij inspireren?

Als ik landschappen fotografeer, dan heb ik maar één doelstelling: ik wil de schoonheid van het moment laten zien, het mooie licht dat op de onderwerpen valt, de mooie vormen en kleuren, op zo’n manier dat iemand die de foto ziet iets van mijn verwondering op het moment kan herkennen. Het kan trouwens ook best om de lelijkheid van het moment gaan en mijn negatieve emoties daarbij.

In principe kan ik me door schilderijen uit elk tijdvak laten inspireren: van de mooie landschappen in de religieuze schilderijen tot en met de landschappen het expressionisme en later (als we even de schilderkunst uit andere culturen zoals de Chinese landschapstekeningen buiten beschouwing laten). Daarbij gaat het om minstens vier verschillende zaken: de keuze van het onderwerp (bijv. berg met rivier en kasteel), de compositie van het geheel (inclusief de frame-verhouding, het perspectief, het gebruik van lijnen, etc.), de kleuren en de belichting (kleurtemperatuur, verzadiging, etc.) en de toegepaste schildertechniek. Als fotograaf heb ik meestal aan het laatste punt niet zo veel. Fotograferen is geen schilderen.

Van oudere schilderijen (middeleeuwen, etc.) kan ik best iets leren, maar meestal niet op het gebied dat mij het meest interesseert: het bijzondere gebruik van licht en kleuren. Dat is heel anders bij Rembrandt en sommige tijdsgenoten. Van veel schilders (zoals Ruysdael) uit de gouden eeuw kan ik wel iets leren, maar de mooie landschappen van Albert Cuyp daarentegen zeggen mij niet veel:  keurige plaatjes volgens vaste conventies.  Verwantschap  met schilders uit de romantiek voel ik nog minder, zeker niet als ze hun overdreven gevoelens in bombastische wolkenluchten en dramatische lichteffecten willen uitdrukken.

Veel inspiratie vind ik niet toevallig bij de impressionisten. Zij waren in de eerste plaats geïnteresseerd in de wisselwerking van licht, atmosfeer en landschap. Hun interesse leek sterk op die van de landschapsfotograaf  die op zoek is naar unieke weergaven van bijzondere momenten in het landschap: bijzondere luchten, bijzonder licht en bijzondere belichting.

Als fotograaf heb ik nog steeds veel aan zo’n schilderij van Monet die een heel goed oog had voor de bijzondere lichtval en de schaduwen in een bos. Het licht komt van links voor en maakt niet alleen dat het bos aan de linkerkant van de weg pikdonker is maar ook dat de bomen rechts scherpe slagschaduwen werpen. Van de tweede boom zie je eigenlijk alleen de schaduw. De weg is voor de helft donker. Je kan dit zo in een foto gebruiken, maar dan moet je in de nabewerking niet proberen de details in de donkere gedeelten zichtbaar te maken door de schaduwen op te lichten. Daarmee zou er van de sfeer in de foto niets overblijven (Claude Monet, de weg bij Chailly in het bos van Fontainebleau, 1865 in museum Odrupgaard).

De impressionisten kunnen mij op drie van de vier bovengenoemde punten inspireren: onderwerp, compositie, licht en kleuren. Op het vierde punt heb ik niets aan hen. Impressionistische schildertechnieken kan ik als fotograaf niet gebruiken. Ik moet andere middelen zoeken. Het zelfde geldt nog sterker in het geval ik me laat inspireren door schilderstijlen die nog verder van een directe weergave van de werkelijkheid verwijderd zijn.

Als ik het mooie moment in het mooie landschap gevonden heb en de compositie heb bepaald, begint voor mij het werk als fotograaf. Tijdens het fotograferen kan ik gegradueerde filters en/of circulaire polarisatiefilters gebruiken, grijsfilters combineren met lange sluitertijden, de kleurtemperatuur instellen en nog veel meer. Na het fotograferen kan ik in Lightroom onder meer het kleurenpalet veranderen (kleurtemperatuur, verzadiging, etc.) en de belichting  voor het hele beeld of delen ervan aanpassen. Ik kan zelfs een stap verder gaan en echt grote verandering aan kleuren aanbrengen zodat luchten groen worden en bomen rood, maar wil ik dat?

Extreme landschapsfotografen

Voordat ik me overgeef aan de techniek van filters en complexe nabewerking moet ik me afvragen: wat wil ik laten zien? In handleidingen voor (landschaps-)fotografie zie ik tientallen foto’s van zwaar aangezette wolkenluchten (door het gebruik van gegradueerde filters), van bevroren watervallen of snelstromende rivieren (door lange belichtingstijden en donkere grijsfilters).

Ik houd absoluut niet van dit soort landschapsfotografie. Misschien knap, maar in mijn ogen oerlelijk.(Max Rive)

Ik vind het meestal niet mooi en vaak gewoon lelijk: slechte kitsch gerealiseerd met een overmaat aan techniek. De fotograaf heeft niet geprobeerd het landschap en zijn ervaring daarvan natuurgetrouw weer te geven maar heeft een fantasielandschap gecreëerd door het gebruik van allerlei filters en nabewerkingssoftware. Dat wil ik niet (zie ook een eerdere presentatie). Het lijkt wel of deze stroming van de landschapsfotografie in de hoogromantiek (in de stijl van Casper David Friedrich) is blijven steken en van de ontwikkelingen daarna niets heeft meegekregen.

Wat ik wel wil

Ik wil het gevoel oproepen dat ik had toen ik dat moment midden in het landschap stond, niet het gevoel dat pas ontstaat als ik de zwaar bewerkte foto bekijk.

Dit komt in de buurt van wat ik wil – de schoonheid van het moment vastleggen. Ergens in Drente 2021.

In die zin is kan ik van de impressionisten leren. Monet was bijvoorbeeld gefascineerd door de bijzondere effecten die de vroeg-industriële rookwolken van de vieze fabrieken in Londen op het licht hadden en schilderde net zo lang tientallen doeken totdat hij die effecten bevredigend had vastgelegd.

Ik wil op mijn bescheiden manier proberen te laten zien wat mij op een bepaald moment op een bepaalde plaats raakt. Tijdens een cursus van Ellen  Borggreve was dat het licht in het prachtige Speulderbos op de Noord Veluwe met de combinatie van kaarsrechte sequoia’s met kromme eiken op de achtergrond. Natuurlijk is onderstaande foto nabewerkt, niet om hem anders te maken dan de werkelijkheid maar juist om de werkelijkheid en mijn indrukken van dat moment nog beter te benaderen.

In het Speulderbos (2022) – met dank aan Ellen Borggreve

En de conclusie?

Mijn conclusie na al die catalogi doorbladeren met landschappen geschilderd vanaf de middeleeuwen is, dat je uit schilderijen van alle tijden en alle stijlen ideeën kunt halen voor landschapsfoto’s: onderwerpen, soorten compositie en het gebruik van kleuren. Schilders die zich heel fundamenteel met licht hebben bezig gehouden vind ik het interessantst. Dat is natuurlijk Rembrandt en zijn tijdgenoten en later zijn het de impressionisten. Van al die schilders zijn hun ogen voor de fotograaf van nu het belangrijkst. De bijzonderheden die zij in vormen, kleuren, licht en schaduwen opmerkten, zijn ook nu een goed startpunt voor bijzondere foto’s.

Er bestaat wel het gevaar dat wij de mooie plaatjes uit de Gouden eeuw te veel als een voorbeeld gaan zien. De stereotype beelden van molens, kastelen, rivieren en stranden zijn voor veel mensen conventies geworden, waarnaar ook fotografen zich richten. Er wordt dan gezegd dat een foto “net een schilderij is”.  Maar het doel van een mooie landschapsfoto kan niet zijn een Ruysdael na te bootsen, maar om de eigen ervaring van dat landschap zo goed mogelijk weer te geven, liefst met gepaste afstand tot de populaire stereotypen over wat mooi is.

Geraadpleegde literatuur

Markus Bertsch (Hrg), Impressionismus, Meisterwerke aus der Sammlung Ordrupgaard, Hamburger Kunsthalle 2019-2020.

Expressionismus in Deutschland und Frankreich – von Matisse zum Blauen Reiter, Kunsthaus Zürich, 2014.

Arjen Drost e.a., Praktijkboek landschapsfotografie – overbrug de kloof tussen werkelijkheid en foto, 3e druk 2016.

Ross Hoddinott, Mark Bauer, The Landscape Photography Workshop. East Sussex 2013.

Peter Watson, Light in the Landscape – A Photographer’s Year, Photographer’s Institute Press, 2005.

 

 

____

 

 

 

 

 

 

 

De avond valt in den Haag – op zoek naar uilen en vleermuizen

Natuurexcursie van de KNNV Vogelwerkgroep Leiden naar park Meer en Bosch en de Westduinen op 30 september 2023

Oorspronkelijk gepubliceerd als officieel verslag van de Vogelwerkgroep. In deze versie zijn de namen vervangen door XXX.

In het jaar 1606 kocht de visser Adriaen Maertenszoon van der Voort het visrijke duinmeertje Segmeer. Niet veel later werd er een boerderij gebouwd. In latere jaren trokken steeds meer welgestelden naar dit gebied om er te gaan jagen en te gaan wonen om de benauwde stad te ontvluchten. De boerderij werd verbouwd tot landhuis met koetshuis en schuur en er werden mooie tuinen aangelegd. Meer en Bosch was in de 17e en 18e eeuw een van de landgoederen rond den Haag. Pas aan het begin van de vorige eeuw werd het gebied openbaar toegankelijk en dat is het nog steeds.
Om iets voor zessen liepen wij het mooie park in. In het laatste daglicht liepen we door de prachtige lanen met hoge bomen waarvan de takken mooi tegen de nog lichte lucht afstaken.

Onze hoop was gevestigd op uilen, spechten, andere vogels en vleermuizen. We genoten van de mooie sfeer op deze zomeravond in de herfst. We hoorden meer vogels dan we zagen en naarmate de tijd vorderde, werd het steeds moeilijker nog iets te zien. We zagen onder meer blauwe reigers, kauwtjes, houtduiven, meerkoeten en knobbelzwanen. We hoorden een boomkruiper en een boomklever.

We zouden nog terugkomen in Meer en Bosch maar we wilden ook de Westduinen met een bezoek vereren. Wij liepen erheen langs de Haagse Beek. Die naam klinkt idyllischer dan de werkelijkheid: die ‘beek’ loopt wel dwars door den Haag met zijn keurige flats en appartementengebouwen. Toch kan je bij die beek allerlei leuks zien.

Even een visje doorslikken

Wij waren getuige van een blauwe reiger die een vrij grote vis ving en daarna in zijn keel liet glijden. Voor wie het nog niet gezien had, herhaalde hij zijn kunstje binnen vijf minuten. Hij ving er nog een, legde hem in de juiste richting in zijn snavel en liet daarna het arme beest levend in een plas maagzuur landen. Beestachtig.

Even later kwamen wij bij aan bij de Westduinen, een prachtig duingebied tussen Kijkduin en Scheveningen, dat maar weinig niet-Hagenaars kennen, ook ik niet. Het gebied had behoorlijk te lijden onder de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, met name door de bouw van bunkers en ondergrondse gangen. De laatste jaren is het gebied aangepakt met grootschalige herstelwerkzaamheden. De bunkers zijn inmiddels een onderdeel van de natuur geworden, een prachtige schuilplaats voor vleermuizen. Het ziet er nu weer schitterend uit, mooi begroeid met duindoorn, teunisbloem en het (invasieve) bezemkruiskruid. Wij konden geen topwaarnemingen van vogels noteren, maar wel van prachtige luchten bij zonsondergang.

De zon gaat onder in de Westduinen

Toen wij weer terugliepen naar Meer en Bosch, was de zon al ondergegaan. Vogels zien was uitgesloten. We konden alleen maar luisteren. Na vrij lang wachten hoorden we dan eindelijk de bosuil, niet het bekende “hoe-hoe” geluid van het mannetje, maar het iets hogere “ke-wik” van het vrouwtje. Het Segmeer van onze visser uit de zeventiende eeuw is er nog steeds. Of er nog vissen zwemmen, weet ik niet, maar er vliegen wel, vlak boven het water, watervleermuizen. XXX speelde hier een onmisbare rol: niet alleen had hij apparatuur meegenomen die de vleermuisgeluidjes hoorbaar maakt (bat detector), maar ook verbaasde hij ons met zijn uitgebreide kennis over dit onderwerp. Hij legde uit hoe de verschillende vleermuizensoorten op verschillende niveaus vliegen (watervleermuizen het laagst, daarboven de dwergvleermuis, etc.) en vertelde wonderlijke feiten over voortplanting, winterslaap en nog veel meer. Met zijn zaklantaarn scheen hij een lichtbundel over het water waar je dan de op de bat detector hoorbare vleermuizen doorheen zag vliegen. Heel veel waren het er niet, maar ze kwamen toch vaak langs tijdens hun vluchten over het water waar ze allerlei kleine insecten vangen. Het zijn kleine dieren die niet veel meer dan 15 gram wegen, maar hun vleugelspanwijdte is toch aanzienlijk: tot bijna 28 cm. Naast de watervleermuis hoorde XXXs apparaatje ook nog een dwergvleermuis (tot 8 gram, vleugelspanwijdte tot 24 cm).
Gezellig zaten we op bankjes bij het Segmeer naar de geluidjes uit de detector te luisteren en naar de verhalen van de deelnemers aan de excursie. Indrukwekkend vond ik het verhaal van XXX, die een keer op die plek had gezongen waarbij de zwanen gingen meezingen. Ik had het wel eens willen horen. Inmiddels was de avond echt gevallen. Met enige moeite liepen we terug naar de parkeerplaats. Een sloot bedekt met kroos lijkt in het donker verdacht veel op een wandelpad, maar niemand is erop gaan lopen. Het was een mooie avond.

De wandelroute

 

Anéantir – een bijzondere Houellebecq

 

Michel Houellebecq, Anéantir, Flammarion, 2022. 735 pagina’s.

Anéantir

Gisteren las ik de laatste 20 pagina’s van het 735 pagina’s tellende boek Anéantir van Houellebecq. Een heel ander boek dan we van hem gewend zijn. Het eerste deel bevat wel de gebruikelijke beschrijvingen van een kapotte samenleving en keiharde kritiek op politieke en economische systemen.  Het boek lijkt te gaan over vreemde complotten en aanslagen op containerschepen, spermabanken en belangrijke spelers in de technologische wereld. Het gaat ook over de Franse politiek, met name over de presidentsverkiezingen. Hier maken we kennis met de belangrijkste persoon van het boek, Paul, die samen met zijn vrouw Prudence een luxe appartement bezit maar verder niets met haar deelt: samen eten of slapen doen ze al lang niet meer. Paul werkt voor Bruno, de minister van Economische Zaken, die een belangrijke rol in de verkiezingen van 2027 speelt. Het boek laat, op een typische Houellebecq-manier, de leegte van de politiek, de banaliteit van de politieke adviseurs en de doortraptheid van het machtsspel zien. Veel van deze passages zijn echt humoristisch.

Ziekte, zelfmoord, liefde

Als de vader van Paul een ernstig herseninfarct krijgt en totaal verlamd in een verzorgingstehuis wordt opgenomen verschuift het perspectief van het boek. De lezer maakt kennis met de eigenaardigheden van Pauls familie: zijn traditioneel katholieke zus Cécile, haar man en haar dochter, zijn heel ongelukkig getrouwde jongere broer Aurélien, en met de vriendin van zijn vader. Als de omstandigheden in het verzorgingstehuis zo verslechteren dat de familie  bang is dat de vader daar snel zal overlijden, organiseren zij een ontvoering uit het ziekenhuis. Deze gebeurtenissen leiden tot een hernieuwing en versteviging van de familiecontacten en tot grote veranderingen. Het interessants van alles is dat Paul en Prudence een echte liefdesrelatie ontwikkelen. Zij doen voor het eerst sinds jaren weer dingen samen, eerst heel voorzichtig maar al snel delen zij weer hun woon- en slaapkamer. Natuurlijk wordt de uitbundige sex weer in (onnodig) detail beschreven. Aurélien wil scheiden nadat hij een relatie is begonnen met Maryse, de verpleegster uit Bénin die voor zijn vader zorgt. Maryse helpt bij de ontvoering van zijn vader. Dit komt helaas uit. Auréliens vrouw publiceert in een krant het hele verhaal dat ook politieke consequenties dreigt te hebben. Aurélien kan een vlotte scheiding nu wel vergeten en voor zijn vriendin dreigt ontslag. Even later wordt hij hangend aan een balk van het oude familiehuis waar zijn vader verblijft, gevonden. Maryse gaat terug naar Bénin. De familiebanden tussen de vader, Paul, Cécile en Prudence worden steeds sterker. Politiek en terrorisme verdwijnen vrijwel volledig naar de achtergrond.

Afscheid

Bij Paul wordt bij een bezoek aan de tandarts een kwaadaardig gezwel ontdekt. Het vervolg van het verhaal is een beschrijving van onderzoeken en behandelingen met heel veel details over MRI-scans, chemotherapie en immuuntherapie en chirurgie. Hij weigert een rigoureuze operatie waarbij hij ook zijn tong zou verliezen. Alles gaat nu naar het onvermijdelijke einde van zijn leven. Er is geen redding meer mogelijk. Zijn relatie met Prudence wordt elke dag intenser en ook ontstaat er veel warmte tussen zijn zus en hem. Nog één keer rijdt zij hem (hij kan niet meer rijden) naar het huis van zijn verlamde vader. Samen met zijn vader zit hij uren naar de ondergaande zon te kijken, maar zegt niets. Zijn vader kan niet praten.

Vernietigen

Terug in Parijs kan hij alleen nog op zijn dood wachten. De titel Anéantir (vernietigen) is misschien wat misleidend. De strekking van het verhaal lijkt toch te zijn, dat hij juist zijn vernietiging heeft kunnen vermijden. Door uit de oppervlakkige buitenwereld van politiek, economie, technologie en terrorisme terug te keren naar de binnenwereld van liefde en geborgenheid in de familie, heeft zijn leven er iets toe gedaan, is hij juist niet ‘vernietigd’. Een lezer op de Franse website babelio.com  vat het als volgt goed samen: hoe kan je weerstand bieden aan de definitieve vernietiging?

“Le monde est au bord du gouffre, mais face au vide civilisationnel se reflète aussi un néant existentiel. Le vide fascine. Sur quelle île de compassion se réfugier pour éviter de tomber dedans ? La famille, la foi, l’engagement, la spiritualité, et l’amour toujours. L’amour et la passion. Comment résister à l’anéantissement définitif ? Cela aurait pu s’appeler “Affronter”, ça s’appelle “Anéantir” et c’est un livre plus positif qu’il n’y paraît.”
https://www.babelio.com/livres/Houellebecq-Aneantir/1376626#!

Ik vond de beschrijving van de relaties tussen de hoofdpersonen hier en daar erg mooi. Het liefdesverhaal van Aurélien en Maryse is ontroerend net als de beschrijvingen van de ontwikkeling in de verhouding van Paul en Prudence en de intense band tussen hem en zijn verlamde vader. Dat Houellebecq ooit zoiets zou schrijven, had ik nooit vermoed. Maar ik kan me voorstellen dat er mensen zijn die naar de vroege Houellebecq terugverlangen als ze dit boek lezen en dat ze het schrijven van psychologische romans liever aan anderen overlaten (zoals Bas Heijne, zie hieronder).

Romantisch conservatisme

Je zou kunnen zeggen dat de hoofdpersoon Paul de maatschappijvisie van Houellebecq verwoordt:

“Aux yeux de Paul, le tout dernier alias fictif de Houellebecq, «si l’objectif des terroristes était d’anéantir le monde tel qu’il le conaissait, il ne pouvait pas leur donner tout à fait tort ».” https://www.ledevoir.com/lire/658551/fiction-francaise-aneantir-houellebecq-et-la-possibilite-de-l-amour

Uit eerdere boeken kende ik natuurlijk Houellebecq’s afkeer van de geglobaliseerde neoliberale economie en zijn opvattingen over het verdwijnen van menselijke waarden in een wereld waar alles om eigenbelang draait, goed samengevat door Paul in deze passage van het boek:

“La doxa libérale persistait à ignorer le problème, tout emplie de sa croyance naïve que l’appât du gain pouvait se substituer à toute autre motivation humaine, et pouvait fournir à lui seul l’énergie mentale nécessaire au maintien d’une organisation sociale complexe. De toute évidence c’était faux, et il paraissait évident à Paul que l’ensemble du système allait s’effondrer dans un gigantesque collapsus … … .” (p. 539)

Ik kan het best eens zijn met een veel van zijn constateringen maar ik zie niet duidelijk welk alternatief hij er tegenover stelt en voor zover ik het wel zie, word ik ook daar niet blij van. In Sérotonine (zie mijn eerdere blog) schildert hij de verloedering van het platte land in Normandië en lijkt romantisch terug te verlangen naar de gezonde menselijke verhoudingen in de traditionele samenleving, die door het neoliberalisme kapot gemaakt is. Over die verhoudingen heb ik mijn twijfels. In dit laatste boek proberen de verschillende personen op hun eigen manier iets van spiritualiteit terug te vinden. De atheïst Paul steekt af en toe een kaarsje aan in de kerk, zijn vrouw vlucht in de bedenkelijke wereld van het Wicca-geloof, terwijl het leven zijn zus Cécile door ultra-conservatief katholicisme wordt beheerst. Houellebecq gebruikt zijn boek als spreekbuis voor zijn eigen bedenkingen tegen euthanasie. Het romantische conservatisme in zijn boeken staat mij tegen. Vluchten in traditionele samenlevingsvormen of in vage spiritualiteit is geen oplossing voor de reële problemen die hij aan de orde stelt.

Boekbesprekingen

Henk Pröpper, Houellebecq slaagt erin de werkelijkheid geheel te omarmen  20 januari 2022, https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/houellebecq-slaagt-erin-de-werkelijkheid-geheel-te-omarmen~ba818768/ 
Ik ben het eens met wat Pröpper in deze bespreking schrijft: “De passages waarin Houellebecq Pauls ouderlijk huis en de familierelaties schetst, zijn van grote schoonheid en relevantie. Hij toont mensen elk met hun eigen eigenaardigheden en soms onbegrijpelijke beslissingen. Ook waar spreken onmogelijk blijkt, is een hoge vorm van vertrouwelijkheid mogelijk. In de beschrijvingen van het contact met Pauls vader gaat Houellebecq ver voorbij de vervreemding van de moderne wereld, en tast hij naar het eigene en intieme, daar waar mensen elkaar woordeloos aanraken. Van de lawaaiige buitenwereld naar een kwetsbare binnenwereld: dat is een opzienbarende stap in zijn oeuvre.”

Daan Pieters, Recensie: Michel Houellebecq – Anéantir, https://www.tzum.info/2022/01/recensie-michel-houellebecq-aneantir/

In de boekbespreking in de NRC wordt benadrukt dat het boek toch het centrale thema van Houellebecq behandelt: het onvermogen van de liberale wereld de mens zingeving te verschaffen:
“Het maakt anéantir tot een Houellebecq-slow, met een ambitieuze inzet en een tragisch-romantische visie op de toekomst van onze samenleving, een roman als een zwanenzang, met een ondertoon van compassie. Ook in Houellebecqs eerdere werk loerde de dood, het grote niets, voortdurend om de hoek. Van het begin af aan stonden het typisch Franse ‘miserabilisme’ en ‘declinisme’ hoog in zijn vaandel. Nu staat Magere Hein werkelijk voor de deur, de auteur wordt ook een dagje ouder en zijn lezers met hem. De liberale veronderstelling was ‘dat hebzucht iedere andere menselijke beweegreden kon vervangen’ en zo het ‘complexe sociale systeem’ in stand zou houden. ‘Maar dat was een vergissing.’ Het was gedoemd ineen te storten, met veel geweld en op korte termijn.”
nrc.nl/nieuws/2022/01/06/in-de-nieuwe-houellebecq-schuilt-het-ongeluk-in-het-gezin-a4075903

Niet iedereen is overtuigd van de literaire kwaliteiten van Houellebecq’s beschrijvingen van de psychologische verhoudingen tussen de personen in het boek. In een commentaar in de NRC schrijft Bas Heijne:
“Het getuigt van literaire moed dat Houellebecq aan zijn schurende ambivalenties, die zijn eerdere werk zo opwindend maakten, wil ontsnappen. Maar de antwoorden die hij in Vernietigen geeft zijn, op een enkele indrukwekkende passage na, vaak banaal en zelfs sentimenteel. Werkelijke intimiteit blijft op afstand. Vandaar wellicht die depressie, waaruit zijn vrouw hem liefdevol wilde verlossen met wat opbeurende porno.”
https://www.nrc.nl/nieuws/2023/03/09/met-vernietigen-probeert-michel-houellebecq-een-psychologische-roman-te-schrijven-a4159034

Uit de vorige eeuw

 

‘t Geboomt, ‘t Gebloemt

Ik woon in de Merenwijk Leiden, vlakbij Warmond. Regelmatig maak ik een ommetje naar één van de dichtbij gelegen gebiedjes, die ik pas goed in de Corona-tijd heb leren kennen. Ik ben niet de enige die dit doet en kom vaak dezelfde collega-zwervers tegen. Interessant zijn mijn ontmoetingen met Benjamin Teensma, oud-hoogleraar Portugees, geboren in 1932. Wij hebben dan leuke gesprekken, bijvoorbeeld over zijn vader die de oude Jac. P. Thijsse persoonlijk kende. Daarbij citeert hij teksten zoals ik hierboven op de foto van Huys te Warmont heb geplakt. De strekking van die tekst is verwant met het bekende (ook door hem geciteerde ) “Laat niet als dank voor ‘t aangenaam verpoozen, den eigenaar van ‘t bosch de schillen en de doozen!”. De bron van de tekst op de bovenstaande foto heb ik tot nu toe niet kunnen achterhalen. Ik heb hem opgetekend uit de mond van de heer Teensma, het hier wandelende geheugen uit een ver verleden.

Klassenstrijd in het bos

Wel heb ik uitgevonden dat de tekst van vóór mei 1920 moet zijn. In een nogal geïrriteerd commentaar in De Tribune (een blad van socialistische signatuur) van 27 mei 1920 windt de schrijver zich op over dit “laffe burgermansrijmpje”. Hij beschuldigt de grondbezitter van diefstal:

‘n Poëtische ontboezeming van den grondbezitter om het van Natuur genietend menschdom er aan te helpen herinneren, dat de aarde haar schoon kleed niet draagt voor heel het menschdom, maar voor slechts enkele bevoorrechten, die niettegenstaande zij zich schuldig maakten aan diefstal, het recht behielden om niet alleen vrij-uit te gaan, maar bovendien het door hen geroofde deel van de Natuur-schepping af te sluiten voor de bestolenen.’k Heb zo’n bordje uit den grond gerukt. «Verboden toegang» liet ik ongemoeid. ‘k Wilde m’n kleeren niet scheuren. Het laffe burgermansrijmpje kon ik echter niet  laten staan. Kinderachtig? Neen, lezer, woede, opgekropte woede door het telkens er aan herinnerd worden, dat een bezittersklasse het recht is gegeven, mij de schoonste natuurscheppingen te ontnemen.” (De Tribune, 27 mei 1920)

Laat niet als dank …

Tekst en plaat uit 1916

In 1916 schreef de ANWB een prijsvraag uit voor een tekst onder een affiche tegen de verontreiniging van bossen door achtergelaten afval. De winnende tekst is de bekende tekst “Laat niet als dank …”.  In de Graafschap-bode (en andere kranten) van 3 maart 1916 is te lezen:

“Op de prijsvraag voor een onderschrift onder de plaat, welke de A.N.W.B. zal uitgeven ter bestrijding van het ontsieren onzer bosschen door vruchtenschillen, eierschalen, boterhampapieren, enz., zijn vrij vele inzendingen gevolgd.
De prijs werd toegekend voor:
Laat niet, als dank voor ‘t aangenaam verpoozen,
Den eigenaar van ‘t bosch de schillen en de doozen.”

Nog in 1916 publiceerde de ANWB een plaat met deze tekst eronder.

Sluikreclame

Niet iedereen was zo blij met die ANWB-plaat. In een artikel uit het Algemeen Handelsblad van 4 augustus 1918 lezen we”:

De plaat uit 1916

“Dichterlijke vermaningen. – De A.N.W.B. wendt zich ook tot het publiek met het verzoek:
«Laat niet, als dank voor ‘t aangenaam verpoozen, den eigenaar van het bosch de schillen en de doozen», en het plaatst dit als bijschrift bij een reclameplaat, een saai en suf ding, dat meer heeft van een reclame voor een zeker merk fietsen (al te duidelijk vermeld op de rijwielen, waarop het stijve paar, dat in zoet gevrij onder een paar groote eiken rust, naar het bosch is komen rijden) en van zekere soorten versnaperingen, waarvan de firmanamen eveneens duidelijk op de doozen en flesschen te lezen zijn.  … … De vlakke fletskleurige plaat zal weinigen opvallen en dus – helaas – maar weinig dienst doen.”

Moderne plaat met oude tekst

Misschien was de ANWB het wel eens met deze kritiek en liet daarom in 1928 een nieuw affiche ontwerpen, nu door Willy Sluiter.

De opvolger van de plaat uit 1916, was moderner, meer aan de geest van de late jaren 20 aangepast. Het paar op de voorgrond is (voor die tijd) modern gekleed en de de kleuren zijn fel en vrolijk. De tekst uit 1916 was ongewijzigd en zou decennia lang bekend blijven. Wie die tekst geschreven had, bleef voorlopig geheim.

 

Bestuurslid wint de prijsvraag

Pas in 1930 komen we erachter wie deze tekst verzonnen heeft. In de Telegraaf van 24 december 1930 staat een kort artikeltje met de titel “LAAT NIET ALS DANK VOOR ‘T AANGENAAM VERPOOZEN ….” en ondertitel “Wie de auteur is”. In de vergadering van het algemeen bestuur van de ANWB spreekt de voorzitter waarderende woorden tot de aftredende bestuursleden Slicher en Kraaijenhoff. Hieraan besteedt ook de Kampioen van die maand aandacht. De Telegraaf zegt hierover:

 “De Kampioen herinnert bovendien aan Slichter’s medewerking aan dat blad en verklapt een klein geheim, door hem aan te wijzen als den auteur van het gevleugelde woord:«Laat niet, als dank….. ….. … doozen», … ... .”

Ik vraag me wel af, of het er bij de prijsvraag van 1916 eerlijk aan toe gegaan is. Volgens mijn informatie was Jacob Hendrik Slicher (1863-1938) van 1896 tot 1930 bestuurslid van de ANWB en vanaf 1901 eerste secretaris.  Als dat klopt, zat Slicher al twintig jaar in het bestuur van de ANWB toen zijn inzending werd uitgekozen voor de affiche van 1916. Eerlijk of niet, zijn tekst werd een succes en nog steeds kennen veel mensen deze meer dan honderd jaar oude woorden uit hun hoofd.

Noten

‘t Geboomt

In een berichtje uit de Haarlemsche Courant van 6 juli 1928 staat de tekst:
“‘t Geboomt, ‘t gebloemt, dat gij hier ziet,
Behoort aan anderen, aan u niet.
Laat vrij uw oog langs alles gaan,
Maar wil er nooit de hand aan slaan.”

Van Benjamin Teensma had ik begrepen: “… uw oog over alles gaan” en “Doch wilt er niet de hand aan slaan”.  Kleine verschillen.

Laat niet als dank …

Klassenstrijd

De achtergrond van dit soort rijmpjes was niet in de eerste plaats natuurbehoud maar de behartiging van de belangen van grondeigenaren. In die zin had de verbale woede-uitbarsting van de socialist in de Tribune wel een reële achtergrond. Op de website van de ANWB lezen we:

“Tijdens de aanleg van rijwielpaden en bij het uitzetten van langeafstandswandelpaden kreeg de ANWB namelijk klachten van eigenaren van landgoederen en bossen. Ze waren boos dat toeristen papier, blikjes, dozen en flessen achterlieten. Grondeigenaren waren bang dat wanneer ze meer toeristen zouden toelaten, hun terreinen ernstig vervuild zouden raken.”  https://www.anwb.nl/over-anwb/geschiedenis/laat-niet-als-dank—actie-zwerfvuil

 

De ANWB-plaat van 1939

Een nieuwere plaat

De ANWB bleef vernieuwen. In 1939 zijn de fellere kleuren behouden, maar ligt het afval weer op de voorgrond zoals in 1916. Het modieuze paar is vervangen door een gezin op de achtergrond.

Rijmpjes in Duitsland

Rijmpjes om de recreant aan te sporen zijn afval op te ruimen, waren niet alleen in Nederland, maar ook in Duitsland populair aan het begin van de vorige eeuw, bijvoorbeeld:

“Was im Stube gilt als simpel Brauch,
behalt das fest im Walde auch.
Lass niemals auf den Boden fallen
Papier, Orangen, Eierschalen.
Halt rein und sauber das Waldlokal,
So seid ihr willkommen allzumal.”
(uit Algemeen Handelsblad, 4 augustus 1916)

Oude kranten

Bij mijn zoektocht naar de oorsprong van de door Teensma geciteerde teksten heb ik dankbaar gebruik gemaakt van oude kranten die allemaal gedigitaliseerd (en doorzoekbaar) op https://www.delpher.nl/ staan. Ook heb ik gebruik gemaakt van ‘Het Geheugen’, een uitgebreid archief van oude plaatjes op dat zelfde delpher: https://geheugen.delpher.nl/nl

____

 

Det tredje riket

Morgenstjern deel 3

In januari van dit jaar schreef ik een blog over het tweede deel van de Morgenster-trilogie van Knausgård, Ulvene fra Evighetens Skog. Ik was niet helemaal overtuigd van dit boek en schreef: “Hij schijnt nog een afsluiting in voorbereiding te hebben. Het wordt dus een trilogie. Afwachten dan maar hoeveel pagina’s het zullen zijn.” Deze zomer kreeg ik van mijn zoon Hans  het inmiddels verschenen derde deel, 483 pagina’s. Gisteren las ik het uit. Ik vond het een mooi boek. Het speelt in dezelfde dagen als de eerste twee delen en alle personen in deel 3 waren al in boek 1 en boek 2 ten tonele gevoerd. Nu worden dezelfde gebeurtenissen vaak door de ogen van andere personen waargenomen en zijn niet echt meer dezelfde gebeurtenissen.

Tove komt uit de coulissen

Nu laat Knausgård Tove, de vrouw van Arne, een van de belangrijkste hoofdpersonen van het eerste deel, zelf aan het woord. Zij beschrijft een aantal dagen vóór het begin van Morgenstjernen en maakt de lezer deelgenoot van haar psychoses die haar isoleren van haar kinderen en haar man. Ook beschrijft zij in detail haar worsteling met haar schilderkunst. Beklemmende passages beschrijven de visioenen die zij op het dieptepunt van haar aanvallen heeft.

Line en Valdemar

Personen met schijnbaar onbelangrijke bijrollen in het eerste deel worden plotseling hoofdpersoon. Gebeurtenissen uit het eerste deel komen soms in een heel ander daglicht te staan. In het eerste boek maken we Solveig mee, hoofdverpleegster in het ziekenhuis waar de hersendode Ramsvik  plotseling tot leven komt. Solveig wordt daar opgebeld door haar dochter Line, die onverwacht een paar dagen wil komen logeren om daar voor een examen te studeren. Het telefoongesprek in Morgenstjernen vinden we letterlijk terug in Det Tredje Riket, met een belangrijk verschil dat nu Line aan het woord is. De lezer kent nu de werkelijke voorgeschiedenis van dit gesprek en is op de hoogte is van de onuitgesproken irritaties die de moeder bij Line teweeg brengt.  We weten nu dat de negentienjarige Line een charismatische zanger in een wonderlijke hard-metalband ontmoet heeft en dat er tijdens een concert in Zweden een relatie met deze vreemde Valdemar ontstaan is. Als zij even later bij haar moeder aankomt, weet zij inmiddels dat zij zwanger is en dat ze het wil kind behouden. Zodra je dat weet, lees je het hoofdstuk in het eerste  boek heel anders. De liefdesgeschiedenis tussen de naïeve (en intelligente) Line en de vreemde (en misschien gevaarlijke?) Valdemar is misschien één van de mooiste stukken van het boek.

Door de ogen van Gaute

In het eerste boek zien we hoe dominee Kathrine 0p weg naar huis besluit in een hotel te gaan overnachten en hoe haar man Gaute haar ervan verdenkt met een andere man geslapen te hebben, zeker als hij een zwangerschapstest in haar tasje vindt. Zij ontkent alles en eist absoluut vertrouwen. Dit zelfde verhaal komt nog eens in het derde deel, maar dan door de ogen van Gaute. Het is toch niet hetzelfde verhaal.

Geir en de duivel

De ‘detective’-geschiedenis uit het eerste deel, de driedubbele moord op de leden van een ultrarechtse hard-metalband en de rol van het overlevende lid Jesper komt natuurlijk ook in het derde deel  niet tot een duidelijke conclusie.  Journalist Jostein ligt nog steeds in coma, maar nu probeert detective Geir de zaak op te lossen. Tussen de bedrijven door lezen we over het onoprechte dubbelleven van Geir. Zijn vriendin weet niet eens dat hij getrouwd is. Geir houdt interviews met degenen die Jesper voor het laatst gezien hebben en bestudeert films die de band van zichzelf heeft opgenomen. Op die films meent hij de schim van de duivel zelf te ontwaren. Als hij later Kathrine vraagt naar het standpunt van de Noorse kerk over het bestaan van de duivel, heeft zij weinig zin hem te helpen.

Hoofdpersoon Syvert

De onbetwiste hoofdpersoon uit het tweede boek, begrafenisondernemer Syvert, speelt ook hier weer een centrale rol. Ook hier komen we pagina’s lange beschrijvingen van allerlei triviale gebeurtenissen tegen. Nu vond ik deze lange beschrijvingen niet altijd goed te verteren en gaf toen toch de voorkeur aan de meer filosofische en abstracte beschrijvingen (met alle verwijzingen naar Bijbelteksten en filosofen) in de tweede helft van het tweede boek. Daarmee is de literatuurcriticus Marius Emanualsen het niet echt eens:

“For meg var Syvert Løyning noe av en genistrek. Han var, kort sagt, det som skulle til for at jeg igjen skulle klare å forelske meg i Karl Ove Knausgård. Hadde Knausgård skrevet fire hundre sider til om Syvert, der han prøvde ut nye fiskeoppskrifter, og tenkte på nakne jenter, ville jeg vært all in. Syvert Løyning illustrerte ikke en døyt. Han var bare Syvert – fra minutt til minutt. Det var mer enn nok, og akkurat det denne idéspekkede apokalypsen trengte for å finne en sårt tiltrengt likevekt.”*)

In het tweede boek heeft Syvert zijn halfzus in Moskou gevonden en ontmoet. Zij zal hem nu in Noorwegen opzoeken. Hij besluit dit niet direct aan zijn moeder te vertellen. Als hij terloops tegen haar opmerkt dat in het oude paspoort van zijn vader veel visa voor Rusland staan, ontkent zij alles: “hij is daar nooit geweest”. Als een paar dagen later een oudere man  hem schrijft  dat hij met hem over een belangrijke zaak wil praten, is hij nog even bang dat hij er ook nog een halfbroer bij krijgt, maar het is de bekende architect Helge, die aan het begin van het tweede boek bekent dat hij als zestienjarige heeft gezien hoe de auto van Syverts vader in het water reed en toen de politie niet had gewaarschuwd. Had hij dat wel gedaan, dan had die vader misschien nog geleefd. Helge wil een soort vergiffenis van Syvert, maar het gesprek wordt niets. Syvert is alleen maar geïrriteerd.

De derde dag

Natuurlijk eindigt het boek zonder enige conclusie. Op de derde dag verdwijnt de nieuwe ster. Hoe het verder gaat, weten we niet.

Is het een goed boek?

Ik vond het een goed boek om te lezen, maar zonder de eerste twee boekdelen zou het niet veel waard zijn geweest. Het verwijst voortdurend naar zaken die de lezer al uit de eerdere duizend pagina’s weet. Dit boek is niet overladen met intellectuele hersenspinsels. Er staan nauwelijks verwijzingen naar de Bijbel in (afgezien van een tekst uit Leviticus) en naar grote filosofen zoeken we te vergeefs. De morgenster zelf en de vreemde gebeurtenissen sinds het verschijnen daarvan krijgen veel minder aandacht, maar de mensen en hun onderlinge verhoudingen komen beter uit de verf. Weer staat het boek vol minutieuze weergaven van banale gesprekken en beschrijvingen van triviale handelingen. Als ergens in detail beschreven wordt hoe iemand een snoepje uit het lastige snoeppapiertje haalt, denk ik soms: nu weet ik wel genoeg. Maar dit is Knausgård. Als je hier niet van houdt, moet je boeken van een andere schrijver gaan lezen. Met de geciteerde Noorse literatuurcriticus Emanuelsen ben ik het wel eens dat dit boek evenwichtiger en overtuigender is dan boek 2 met zijn overmaat aan abstract-filosofische gedachten. Toch mis ik passages zoals Vasilisa’s essay over de geschiedenis van de onsterfelijkheid in Rusland in boek 2 wel een beetje.

Literatuur

Karl Ove Knausgård, Det Tredje Riket, Forlaget Oktober 2023

Marius Emanuelsen, Mønsteret våkner, https://www.vinduet.no/kritikk/monsteret-vaakner-det-tredje-riket-av-karl-ove-knausgaard-anmeldt-av-marius-emanuelsen/  

*) vertaling van het geciteerde Noorse commentaar:

“Voor mij was Syvert Løyning een bijna geniale inval. Hij was, kort gezegd, dat wat er nodig was voordat ik weer in staat zou zijn verliefd te worden op Karl Ove Knausgård. Zou Knausgård nog vierhonderd pagina’s meer over Syvert geschreven hebben, waarin hij nieuwe visrecepten uitprobeerde en zat te denken over naakte meiden, dan zou ik all in zijn. Syvert Løying illustreerde helemaal niets. Hij was alleen maar Syvert – van minuut tot minuut. Dat was meer dan genoeg, en precies datgene dat deze met ideeën overladen apocalyps nodig had om voor een hard nodig tegenwicht te zorgen.”