Uit de vorige eeuw

 

‘t Geboomt, ‘t Gebloemt

Ik woon in de Merenwijk Leiden, vlakbij Warmond. Regelmatig maak ik een ommetje naar één van de dichtbij gelegen gebiedjes, die ik pas goed in de Corona-tijd heb leren kennen. Ik ben niet de enige die dit doet en kom vaak dezelfde collega-zwervers tegen. Interessant zijn mijn ontmoetingen met Benjamin Teensma, oud-hoogleraar Portugees, geboren in 1932. Wij hebben dan leuke gesprekken, bijvoorbeeld over zijn vader die de oude Jac. P. Thijsse persoonlijk kende. Daarbij citeert hij teksten zoals ik hierboven op de foto van Huys te Warmont heb geplakt. De strekking van die tekst is verwant met het bekende (ook door hem geciteerde ) “Laat niet als dank voor ‘t aangenaam verpoozen, den eigenaar van ‘t bosch de schillen en de doozen!”. De bron van de tekst op de bovenstaande foto heb ik tot nu toe niet kunnen achterhalen. Ik heb hem opgetekend uit de mond van de heer Teensma, het hier wandelende geheugen uit een ver verleden.

Klassenstrijd in het bos

Wel heb ik uitgevonden dat de tekst van vóór mei 1920 moet zijn. In een nogal geïrriteerd commentaar in De Tribune (een blad van socialistische signatuur) van 27 mei 1920 windt de schrijver zich op over dit “laffe burgermansrijmpje”. Hij beschuldigt de grondbezitter van diefstal:

‘n Poëtische ontboezeming van den grondbezitter om het van Natuur genietend menschdom er aan te helpen herinneren, dat de aarde haar schoon kleed niet draagt voor heel het menschdom, maar voor slechts enkele bevoorrechten, die niettegenstaande zij zich schuldig maakten aan diefstal, het recht behielden om niet alleen vrij-uit te gaan, maar bovendien het door hen geroofde deel van de Natuur-schepping af te sluiten voor de bestolenen.’k Heb zo’n bordje uit den grond gerukt. «Verboden toegang» liet ik ongemoeid. ‘k Wilde m’n kleeren niet scheuren. Het laffe burgermansrijmpje kon ik echter niet  laten staan. Kinderachtig? Neen, lezer, woede, opgekropte woede door het telkens er aan herinnerd worden, dat een bezittersklasse het recht is gegeven, mij de schoonste natuurscheppingen te ontnemen.” (De Tribune, 27 mei 1920)

Laat niet als dank …

Tekst en plaat uit 1916

In 1916 schreef de ANWB een prijsvraag uit voor een tekst onder een affiche tegen de verontreiniging van bossen door achtergelaten afval. De winnende tekst is de bekende tekst “Laat niet als dank …”.  In de Graafschap-bode (en andere kranten) van 3 maart 1916 is te lezen:

“Op de prijsvraag voor een onderschrift onder de plaat, welke de A.N.W.B. zal uitgeven ter bestrijding van het ontsieren onzer bosschen door vruchtenschillen, eierschalen, boterhampapieren, enz., zijn vrij vele inzendingen gevolgd.
De prijs werd toegekend voor:
Laat niet, als dank voor ‘t aangenaam verpoozen,
Den eigenaar van ‘t bosch de schillen en de doozen.”

Nog in 1916 publiceerde de ANWB een plaat met deze tekst eronder.

Sluikreclame

Niet iedereen was zo blij met die ANWB-plaat. In een artikel uit het Algemeen Handelsblad van 4 augustus 1918 lezen we”:

De plaat uit 1916

“Dichterlijke vermaningen. – De A.N.W.B. wendt zich ook tot het publiek met het verzoek:
«Laat niet, als dank voor ‘t aangenaam verpoozen, den eigenaar van het bosch de schillen en de doozen», en het plaatst dit als bijschrift bij een reclameplaat, een saai en suf ding, dat meer heeft van een reclame voor een zeker merk fietsen (al te duidelijk vermeld op de rijwielen, waarop het stijve paar, dat in zoet gevrij onder een paar groote eiken rust, naar het bosch is komen rijden) en van zekere soorten versnaperingen, waarvan de firmanamen eveneens duidelijk op de doozen en flesschen te lezen zijn.  … … De vlakke fletskleurige plaat zal weinigen opvallen en dus – helaas – maar weinig dienst doen.”

Moderne plaat met oude tekst

Misschien was de ANWB het wel eens met deze kritiek en liet daarom in 1928 een nieuw affiche ontwerpen, nu door Willy Sluiter.

De opvolger van de plaat uit 1916, was moderner, meer aan de geest van de late jaren 20 aangepast. Het paar op de voorgrond is (voor die tijd) modern gekleed en de de kleuren zijn fel en vrolijk. De tekst uit 1916 was ongewijzigd en zou decennia lang bekend blijven. Wie die tekst geschreven had, bleef voorlopig geheim.

 

Bestuurslid wint de prijsvraag

Pas in 1930 komen we erachter wie deze tekst verzonnen heeft. In de Telegraaf van 24 december 1930 staat een kort artikeltje met de titel “LAAT NIET ALS DANK VOOR ‘T AANGENAAM VERPOOZEN ….” en ondertitel “Wie de auteur is”. In de vergadering van het algemeen bestuur van de ANWB spreekt de voorzitter waarderende woorden tot de aftredende bestuursleden Slicher en Kraaijenhoff. Hieraan besteedt ook de Kampioen van die maand aandacht. De Telegraaf zegt hierover:

 “De Kampioen herinnert bovendien aan Slichter’s medewerking aan dat blad en verklapt een klein geheim, door hem aan te wijzen als den auteur van het gevleugelde woord:«Laat niet, als dank….. ….. … doozen», … ... .”

Ik vraag me wel af, of het er bij de prijsvraag van 1916 eerlijk aan toe gegaan is. Volgens mijn informatie was Jacob Hendrik Slicher (1863-1938) van 1896 tot 1930 bestuurslid van de ANWB en vanaf 1901 eerste secretaris.  Als dat klopt, zat Slicher al twintig jaar in het bestuur van de ANWB toen zijn inzending werd uitgekozen voor de affiche van 1916. Eerlijk of niet, zijn tekst werd een succes en nog steeds kennen veel mensen deze meer dan honderd jaar oude woorden uit hun hoofd.

Noten

‘t Geboomt

In een berichtje uit de Haarlemsche Courant van 6 juli 1928 staat de tekst:
“‘t Geboomt, ‘t gebloemt, dat gij hier ziet,
Behoort aan anderen, aan u niet.
Laat vrij uw oog langs alles gaan,
Maar wil er nooit de hand aan slaan.”

Van Benjamin Teensma had ik begrepen: “… uw oog over alles gaan” en “Doch wilt er niet de hand aan slaan”.  Kleine verschillen.

Laat niet als dank …

Klassenstrijd

De achtergrond van dit soort rijmpjes was niet in de eerste plaats natuurbehoud maar de behartiging van de belangen van grondeigenaren. In die zin had de verbale woede-uitbarsting van de socialist in de Tribune wel een reële achtergrond. Op de website van de ANWB lezen we:

“Tijdens de aanleg van rijwielpaden en bij het uitzetten van langeafstandswandelpaden kreeg de ANWB namelijk klachten van eigenaren van landgoederen en bossen. Ze waren boos dat toeristen papier, blikjes, dozen en flessen achterlieten. Grondeigenaren waren bang dat wanneer ze meer toeristen zouden toelaten, hun terreinen ernstig vervuild zouden raken.”  https://www.anwb.nl/over-anwb/geschiedenis/laat-niet-als-dank—actie-zwerfvuil

 

De ANWB-plaat van 1939

Een nieuwere plaat

De ANWB bleef vernieuwen. In 1939 zijn de fellere kleuren behouden, maar ligt het afval weer op de voorgrond zoals in 1916. Het modieuze paar is vervangen door een gezin op de achtergrond.

Rijmpjes in Duitsland

Rijmpjes om de recreant aan te sporen zijn afval op te ruimen, waren niet alleen in Nederland, maar ook in Duitsland populair aan het begin van de vorige eeuw, bijvoorbeeld:

“Was im Stube gilt als simpel Brauch,
behalt das fest im Walde auch.
Lass niemals auf den Boden fallen
Papier, Orangen, Eierschalen.
Halt rein und sauber das Waldlokal,
So seid ihr willkommen allzumal.”
(uit Algemeen Handelsblad, 4 augustus 1916)

Oude kranten

Bij mijn zoektocht naar de oorsprong van de door Teensma geciteerde teksten heb ik dankbaar gebruik gemaakt van oude kranten die allemaal gedigitaliseerd (en doorzoekbaar) op https://www.delpher.nl/ staan. Ook heb ik gebruik gemaakt van ‘Het Geheugen’, een uitgebreid archief van oude plaatjes op dat zelfde delpher: https://geheugen.delpher.nl/nl

____

 

Det tredje riket

Morgenstjern deel 3

In januari van dit jaar schreef ik een blog over het tweede deel van de Morgenster-trilogie van Knausgård, Ulvene fra Evighetens Skog. Ik was niet helemaal overtuigd van dit boek en schreef: “Hij schijnt nog een afsluiting in voorbereiding te hebben. Het wordt dus een trilogie. Afwachten dan maar hoeveel pagina’s het zullen zijn.” Deze zomer kreeg ik van mijn zoon Hans  het inmiddels verschenen derde deel, 483 pagina’s. Gisteren las ik het uit. Ik vond het een mooi boek. Het speelt in dezelfde dagen als de eerste twee delen en alle personen in deel 3 waren al in boek 1 en boek 2 ten tonele gevoerd. Nu worden dezelfde gebeurtenissen vaak door de ogen van andere personen waargenomen en zijn niet echt meer dezelfde gebeurtenissen.

Tove komt uit de coulissen

Nu laat Knausgård Tove, de vrouw van Arne, een van de belangrijkste hoofdpersonen van het eerste deel, zelf aan het woord. Zij beschrijft een aantal dagen vóór het begin van Morgenstjernen en maakt de lezer deelgenoot van haar psychoses die haar isoleren van haar kinderen en haar man. Ook beschrijft zij in detail haar worsteling met haar schilderkunst. Beklemmende passages beschrijven de visioenen die zij op het dieptepunt van haar aanvallen heeft.

Line en Valdemar

Personen met schijnbaar onbelangrijke bijrollen in het eerste deel worden plotseling hoofdpersoon. Gebeurtenissen uit het eerste deel komen soms in een heel ander daglicht te staan. In het eerste boek maken we Solveig mee, hoofdverpleegster in het ziekenhuis waar de hersendode Ramsvik  plotseling tot leven komt. Solveig wordt daar opgebeld door haar dochter Line, die onverwacht een paar dagen wil komen logeren om daar voor een examen te studeren. Het telefoongesprek in Morgenstjernen vinden we letterlijk terug in Det Tredje Riket, met een belangrijk verschil dat nu Line aan het woord is. De lezer kent nu de werkelijke voorgeschiedenis van dit gesprek en is op de hoogte is van de onuitgesproken irritaties die de moeder bij Line teweeg brengt.  We weten nu dat de negentienjarige Line een charismatische zanger in een wonderlijke hard-metalband ontmoet heeft en dat er tijdens een concert in Zweden een relatie met deze vreemde Valdemar ontstaan is. Als zij even later bij haar moeder aankomt, weet zij inmiddels dat zij zwanger is en dat ze het wil kind behouden. Zodra je dat weet, lees je het hoofdstuk in het eerste  boek heel anders. De liefdesgeschiedenis tussen de naïeve (en intelligente) Line en de vreemde (en misschien gevaarlijke?) Valdemar is misschien één van de mooiste stukken van het boek.

Door de ogen van Gaute

In het eerste boek zien we hoe dominee Kathrine 0p weg naar huis besluit in een hotel te gaan overnachten en hoe haar man Gaute haar ervan verdenkt met een andere man geslapen te hebben, zeker als hij een zwangerschapstest in haar tasje vindt. Zij ontkent alles en eist absoluut vertrouwen. Dit zelfde verhaal komt nog eens in het derde deel, maar dan door de ogen van Gaute. Het is toch niet hetzelfde verhaal.

Geir en de duivel

De ‘detective’-geschiedenis uit het eerste deel, de driedubbele moord op de leden van een ultrarechtse hard-metalband en de rol van het overlevende lid Jesper komt natuurlijk ook in het derde deel  niet tot een duidelijke conclusie.  Journalist Jostein ligt nog steeds in coma, maar nu probeert detective Geir de zaak op te lossen. Tussen de bedrijven door lezen we over het onoprechte dubbelleven van Geir. Zijn vriendin weet niet eens dat hij getrouwd is. Geir houdt interviews met degenen die Jesper voor het laatst gezien hebben en bestudeert films die de band van zichzelf heeft opgenomen. Op die films meent hij de schim van de duivel zelf te ontwaren. Als hij later Kathrine vraagt naar het standpunt van de Noorse kerk over het bestaan van de duivel, heeft zij weinig zin hem te helpen.

Hoofdpersoon Syvert

De onbetwiste hoofdpersoon uit het tweede boek, begrafenisondernemer Syvert, speelt ook hier weer een centrale rol. Ook hier komen we pagina’s lange beschrijvingen van allerlei triviale gebeurtenissen tegen. Nu vond ik deze lange beschrijvingen niet altijd goed te verteren en gaf toen toch de voorkeur aan de meer filosofische en abstracte beschrijvingen (met alle verwijzingen naar Bijbelteksten en filosofen) in de tweede helft van het tweede boek. Daarmee is de literatuurcriticus Marius Emanualsen het niet echt eens:

“For meg var Syvert Løyning noe av en genistrek. Han var, kort sagt, det som skulle til for at jeg igjen skulle klare å forelske meg i Karl Ove Knausgård. Hadde Knausgård skrevet fire hundre sider til om Syvert, der han prøvde ut nye fiskeoppskrifter, og tenkte på nakne jenter, ville jeg vært all in. Syvert Løyning illustrerte ikke en døyt. Han var bare Syvert – fra minutt til minutt. Det var mer enn nok, og akkurat det denne idéspekkede apokalypsen trengte for å finne en sårt tiltrengt likevekt.”*)

In het tweede boek heeft Syvert zijn halfzus in Moskou gevonden en ontmoet. Zij zal hem nu in Noorwegen opzoeken. Hij besluit dit niet direct aan zijn moeder te vertellen. Als hij terloops tegen haar opmerkt dat in het oude paspoort van zijn vader veel visa voor Rusland staan, ontkent zij alles: “hij is daar nooit geweest”. Als een paar dagen later een oudere man  hem schrijft  dat hij met hem over een belangrijke zaak wil praten, is hij nog even bang dat hij er ook nog een halfbroer bij krijgt, maar het is de bekende architect Helge, die aan het begin van het tweede boek bekent dat hij als zestienjarige heeft gezien hoe de auto van Syverts vader in het water reed en toen de politie niet had gewaarschuwd. Had hij dat wel gedaan, dan had die vader misschien nog geleefd. Helge wil een soort vergiffenis van Syvert, maar het gesprek wordt niets. Syvert is alleen maar geïrriteerd.

De derde dag

Natuurlijk eindigt het boek zonder enige conclusie. Op de derde dag verdwijnt de nieuwe ster. Hoe het verder gaat, weten we niet.

Is het een goed boek?

Ik vond het een goed boek om te lezen, maar zonder de eerste twee boekdelen zou het niet veel waard zijn geweest. Het verwijst voortdurend naar zaken die de lezer al uit de eerdere duizend pagina’s weet. Dit boek is niet overladen met intellectuele hersenspinsels. Er staan nauwelijks verwijzingen naar de Bijbel in (afgezien van een tekst uit Leviticus) en naar grote filosofen zoeken we te vergeefs. De morgenster zelf en de vreemde gebeurtenissen sinds het verschijnen daarvan krijgen veel minder aandacht, maar de mensen en hun onderlinge verhoudingen komen beter uit de verf. Weer staat het boek vol minutieuze weergaven van banale gesprekken en beschrijvingen van triviale handelingen. Als ergens in detail beschreven wordt hoe iemand een snoepje uit het lastige snoeppapiertje haalt, denk ik soms: nu weet ik wel genoeg. Maar dit is Knausgård. Als je hier niet van houdt, moet je boeken van een andere schrijver gaan lezen. Met de geciteerde Noorse literatuurcriticus Emanuelsen ben ik het wel eens dat dit boek evenwichtiger en overtuigender is dan boek 2 met zijn overmaat aan abstract-filosofische gedachten. Toch mis ik passages zoals Vasilisa’s essay over de geschiedenis van de onsterfelijkheid in Rusland in boek 2 wel een beetje.

Literatuur

Karl Ove Knausgård, Det Tredje Riket, Forlaget Oktober 2023

Marius Emanuelsen, Mønsteret våkner, https://www.vinduet.no/kritikk/monsteret-vaakner-det-tredje-riket-av-karl-ove-knausgaard-anmeldt-av-marius-emanuelsen/  

*) vertaling van het geciteerde Noorse commentaar:

“Voor mij was Syvert Løyning een bijna geniale inval. Hij was, kort gezegd, dat wat er nodig was voordat ik weer in staat zou zijn verliefd te worden op Karl Ove Knausgård. Zou Knausgård nog vierhonderd pagina’s meer over Syvert geschreven hebben, waarin hij nieuwe visrecepten uitprobeerde en zat te denken over naakte meiden, dan zou ik all in zijn. Syvert Løying illustreerde helemaal niets. Hij was alleen maar Syvert – van minuut tot minuut. Dat was meer dan genoeg, en precies datgene dat deze met ideeën overladen apocalyps nodig had om voor een hard nodig tegenwicht te zorgen.”

 

De automatische vogelaar

Het grote 1-april-interview

Eindelijk is die er dan, de volautomatische vogelaar, die ook nog perfecte plaatjes schiet. Hier een interview met, Henk Jansen, directeur van het bedrijf dat nu al bijna de vraag naar het nieuwste natuurspeeltje al niet meer aan kan.

RdM: Vertel eens Henk, hoe heet dat nieuwe product, wat kan het en waarom is er zoveel vraag naar. Maar ook: hoe heb je het uitgevonden?

HJ: dat zijn wel heel veel vragen tegelijk. Mag ik met de laatste beginnen? Hoe vind je zoiets uit? Eigenlijk alleen door goed te kijken wat er in de wereld aan de hand is, waar de ontwikkelingen naar toe gaan, hoe de mens zich ontwikkelt, welke puzzelstukjes je voorbij ziet komen.

AI

Eén puzzelstukje zouden we AI (artificial intelligence) kunnen noemen. Het is niet eens zo lang geleden dat mensen wel eens wat uit hun hoofd leerden. Vroeg je, “wat voor vogel is dat?”, dan antwoordden mensen, als ze het wisten, “ja dat is een vink met die mooie vleugelstreep en dat typische liedje, de vinkenslag”. Als het een moeilijkere vogel was, dan torsten ze een lijvig boekwerk met zich mee en dan vonden ze op bladzijde 223 bijvoorbeeld de kleine plevier, waarbij de oogringetjes een duidelijk verschil lieten zien ten opzichte van de bontbekplevier. Wie werkt tegenwoordig nog zo? Je houdt je telefoon gewoon in de richting van een dier. De camera voedt het beeld in AI-netwerken die zowat het hele internet hebben bestudeerd en meteen kunnen zeggen welk dier er in de camera staat. Een externe microfoon hoort in het bos de hoogste tonen van goudhaantjes die de bejaarde eigenaar van de smartphone al decennia niet gehoord heeft. Op het schermpje verschijnt binnen tiende van een seconde ‘vuurgoudhaantje’.

GIS

Het tweede puzzelstukje kan je aanduiden met de afkorting GIS, geografische informatiesystemen. Er was een tijd dat je had horen zeggen dat er in het bos bij Renkum zwarte spechten zouden zitten. Maar dat is lang geleden. We horen niets meer zeggen. Het staat gewoon op exacte coördinaten van Google Maps of dergelijke software. We vinden onze zeldzaamheden gewoon op waarneming.nl. Wij typen onze wensvogel in en we weten waar we heen moeten, op de meter nauwkeurig. Een fluitje van een cent om een uiterst zeldzame Pallas Boszanger dichtbij huis te vinden, zie hieronder.

DRONE

GERBA: Giga Efficient Remote Birding Application

Hoe ik het derde puzzelstukje moet noemen, weet ik niet precies. Ik gebruik maar het woord DRONE, ons vermogen om met kleine apparaatjes heel flexibel naar alle mogelijke plekken te vliegen, apparaatjes die in opdracht van ons allerlei dingen doen, waarvan wij de resultaten ergens anders kunnen bekijken. Ze zijn ook veel te klein om in of op te gaan zitten. Het zijn vooral onze vliegende ogen en oren op afstand. In de moderne oorlogsvoering hebben de drones het al gewonnen van de tanks. Ook op andere gebieden rukt de drone op en vervangt auto en fiets.

RdM: ja dat klinkt allemaal erg leuk, maar waar heb je het eigenlijk over. Wat voor product ontstaat uit het samenvoegen van die drie puzzelstukjes?

AGD-technologieën

HJ: Heel eenvoudig AI + GIS + DRONE levert AGD-technologieën waarmee wij allerlei verbazingwekkende resultaten kunnen behalen, zonder zelf meer te hoeven kunnen dan de AGD-software te bedienen. Persoonlijke kennis is een begrip uit een ver verleden.  Je kan dit op heel veel manieren implementeren. Ik heb het voorlopig zo gedaan. Ik heb een AGD-implementatie voor sublieme vogelwaarnemingen en sublieme vogelfoto’s gemaakt. We noemen het de GERBA, Giga Efficient Remote Birding Application. Iedereen kan op de bank thuis heel gerieflijk vogels waarnemen en daarbij ook nog natuurfoto’s maken met een bijzonder hoge kans op publicatie in een van de topbladen voor natuurfotografie. De gebruiker hoeft niets van vogels te weten en hoeft ook niet te kunnen fotograferen.

RdM: hoe gaat dat in zijn werk, wat moet de ‘user’ dan precies doen?

Op excursie

HJ: hij of zij hoeft niet zo veel te doen. Eerst moet de gebruiker natuurlijk de software zo kalibreren dat de AI-algoritmes genoeg weten over de voorkeuren en afkeuren van de gebruiker. De technische term voor een vlucht met de drone naar een of ander natuurgebied is een ‘excursie‘. De gebruiker geeft een paar ideeën aan voor een excursie (lengte van de excursie, soorten of hoeveelheden vogels, etc. etc.) of geeft juist de software hierbij veel vrijheid. Hij zet de drone bijvoorbeeld op het balkon en klikt in de software op START. Stel dat de excursie een uur of twee duurt, dan kan de gebruiker rustig twee uur koffie gaan drinken of videospellen spelen. De drone gaat zijn gang wel. De drone vliegt naar een gebied waar de opbrengst hoog lijkt te zijn, bijvoorbeeld omdat er veel spechten tegen de bomen klimmen. De drone raadpleegt voortdurende sites als waarneming.nl en als hij zelf iets onverwachts tegen komt, zendt hij ook nieuwe gegevens naar de waarnemingssites. Hij gebruikt de beste GIS-gegevens die er bestaan en mochten er beperkingen zijn aan het vliegen met drones, dan kan hij besluiten een stukje  te rijden (ook dat kan ons type drone!), als de ondergrond dit toelaat.

Dan komt hij aan bij het eldorado van de bonte, zwarte of groene spechten en als een volleerd fotograaf begint hij plaatjes te schieten: van afzonderlijke spechten, van spechtenparen en spechtenjongen, maar ook van de omgeving, mooie foto’s van de bomen en van het mooie licht dat hier en daar tussen de takken door schijnt.

De GIS-database bevat ook een catalogus van miljoenen mooie bomen en de AI software weet precies hoe een boom bij heersende weersomstandigheden zo gefotografeerd kan worden dat de natuurbladen niet kunnen wachten hem  te publiceren.

Alle foto’s worden direct naar onze centrale computer gestuurd, die alle beoordelingscriteria van de belangrijkste natuurbladen kent: Journal of Wildlife Photography, Lens Magazine, Outdoor Photographer blog en honderden meer. Bovendien is de central computer volledig geïnformeerd over komende fotowedstrijden, de daarbij geldende criteria en de samenstelling van de jury. Niet alleen selecteert de computer dan de veelbelovende foto’s uit de stroom binnenkomend materiaal. Ook zendt hij meteen terugkoppelingsinformatie naar de camera met de opdracht de foto’s toch hier en daar een beetje anders te maken. Als de gebruiker dit op prijs stelt, werkt de computer meteen aan een mooi excursieverslag in de gewenste stijl (kort zakelijk, wetenschappelijk, oubollige verenigingsstijl, romantisch-sentimenteel, etc. etc.) met een selectie van daarbij passende foto’s. De beste foto’s worden ogenblikkelijk ingezonden naar de natuurbladen en de organisatoren van wedstrijden. De gebruiker hoeft niets te doen.

RdM: En zijn de gebruikers nu enthousiast over het resultaat?

HJ: Enthousiasme is een zwak woord. Ze worden bijna overrompeld door hun eigen succes. Een vogelaar uit Barneveld die nog geen keep van een vink weet te onderscheiden, heeft plotseling een waarnemingslijst met beflijsters, raven, kleine bonte spechten en kruisbekken. Een amateurfotograaf uit  Tilburg heeft een serie van 20 foto’s in een leidend internationaal natuurtijdschrift weten te plaatsen! En dit is nog maar het begin. De integratie van AI, GIS en DRONE gaat verder terwijl alle drie de elementen binnenkort tien tot honderd keer zo goed zijn als nu.

Echte mensen

RdM: Wilt u nu zeggen dat uw AGD-implementatie de meer traditionele manieren van vogelen overbodig maakt?

HJ: Natuurlijk! Van die geitenwollensokken-figuren door sterke verrekijkers turend tijdens lange boswandelingen met in hun hand lijvige vogelboeken – het zal niet lang duren of niemand begrijpt meer wat in zulke scènes aan de hand was. Het product dat wij op de markt brengen is voor echte mensen! Echte mensen houden niet van werken. Echte mensen houden niet van leren. Ze houden wel van succes, maar het gros van de mensen heeft daar geen persoonlijke inspanning voor over. Wij begrijpen dat. Onze software begrijpt dat.

Zo vogelden we vroeger: onaangenaam vermoeiend door het vele lopen met de zware apparatuur, vaak koud en winderig en verrassend inefficient. Ook vermoeiend door al het bewuste nadenken. Tegenwoordig laten we denken liever over aan machines die dat sneller en beter doen.

___

Carola’s visioen

Circulaire landbouw

De toekomstvisie van het Nederlandse landbouwbeleid steunt sterk op het begrip ‘kringlooplandbouw’ of ‘circulaire landbouw’. De grondgedachte achter deze vorm van landbouw is dat kringlopen zo veel mogelijk gesloten worden, dat er zo min mogelijk inputs zoals kunstmest worden gebruik en dat er zo goed als geen afval ontstaat.

Circulaire economie als utopie

Circulaire landbouw is een bijzondere uitwerking van ‘circulaire economie’, een visie op een economie waarin geen afval meer overblijft omdat alle afval tenslotte weer grondstof wordt en waar geen andere energie aan het systeem wordt toegevoegd dan zonne-energie. Circulaire economie moet vooral gezien worden als een ideaal, een richting waarin de economie zich zou kunnen ontwikkelen.  Het is duidelijk dat dit ideaal nooit helemaal bereikbaar is, al was het alleen maar om de onmogelijkheid uit alle afvalstoffen weer nuttige grondstoffen te bereiden: onmogelijk omdat dit vrijwel oneindig veel (niet eenvoudig beschikbare) energie zou vergen, de vereiste technologieën ontbreken of er geen markt zal zijn voor de herwonnen grondstoffen. Circulaire economie is geen praktisch realiseerbaar systeem, eerder een utopie die richting kan geven aan een ontwikkeling naar beter gebruik van grondstoffen en energie. Zie hiervoor Lehmann et al., 2023 en de Man, 2023.

Circulaire landbouw

De grote omschakeling

Circulaire landbouw is een dergelijk ideaal. Zoals alle productiesystemen zijn landbouwsystemen per definitie open systemen waarin natuurlijke (zonlicht, water, kooldioxide, zuurstof etc.) en door de mens gemaakte (N, P, K, etc.) inputs in gaan en waar de outputs bestaan uit producten, afvalstoffen en emissies. Alles volledig in kringlopen te brengen, is onmogelijk. Neem bijvoorbeeld bemesting: het is onmogelijk om alle meststoffen met een 100% efficiëntie door de plant te laten opnemen.  Bij stikstof is 60% al heel veel. Dat geldt ook voor organische mest.

Wel beoogt circulaire landbouw een veel beter gebruik te maken van grondstoffen, energie en de bodem. In de visie van het Ministerie wordt de kringlooplandbouw als een ommekeer in de filosofie achter het landbouwsysteem gepresenteerd: “Het moet dus anders: van voortdurende verlaging van de kostprijs van producten naar voortdurende verlaging van het verbruik van grondstoffen. Die omschakeling is mogelijk.”

Verlaging van grondstofgebruik

Circulaire landbouw (kringlooplandbouw) draait in deze visie volledig om de verlaging van het grondstofgebruik. Niet anders dan in het algemene idee van ‘circulaire economie’ gaat het hier dus om het nul terug brengen van afvalstromen door alle materiaalstromen een nuttige functie te geven, zodat ook externe inputs grotendeels onnodig blijken. Voorbeelden zijn:

  • beter gebruik van rest- en nevenproducten uit de akkerbouw als veevoer;
  • beter gebruik van meststoffen uit de veeteelt (eventueel uit huishoudens) in de akkerbouw;
  • beter gebruik van voedselresten (van consumenten, supermarkten, voedingsindustrie) in de veeteelt.

Afstemming tussen ketens: nooit vanzelf

De verwachting is dat door dit betere gebruik van zulke rest- en nevenproducten het gebruik van kunstmest drastisch beperkt kan worden en dat door de toegenomen organische bemesting de bodemkwaliteit met sprongen wordt verbeterd. In de publicaties van politiek en beleid wordt dit eenvoudig zonder streng bewijs aangenomen. De eerste vraag die zich aandient luidt: in hoeverre is het mogelijk in werkelijkheid deze kringlopen zo drastisch te sluiten dat dit soort effecten te bereiken zijn?

Van ‘circulaire economie’ weten we dat dit soort fantasieën zeker met een korreltje zout te nemen zijn. Zij vereisen namelijk (nog afgezien van het energie-argument) in de regel een heel hoge afstemming tussen ketens in verschillende sectoren, een afstemming die vrijwel nooit vanzelf bereikt wordt als er voor de verschillende partijen niet veel winst te behalen is. Als ik de bemesting in de akkerbouw sterker afhankelijk maak van materiaalstromen (mest) uit de veeteelt dan moet ik op die stromen kunnen rekenen. Als ik delen van de veeteelt afhankelijk maak van reststromen uit de landbouw of voedselresten van consumenten of supermarkten, dan moet ik op die stromen kunnen rekenen. Als de verschillende materiaalstromen zich in hetzelfde bedrijf bevinden – zoals in het klassieke gemengde bedrijf – is de afstemming tussen de verschillende stromen relatief eenvoudig, maar als bedrijven afhankelijk worden van reststromen uit andere bedrijven en zelfs andere sectoren, dan wordt het moeilijker. Hoe sterker een systeem van stofstromen naar efficiëntie geoptimaliseerd wordt, hoe minder flexibel het wordt. De verschillende partijen in een ingewikkeld landbouwsysteem handelen op basis van eigen economische prioriteiten en niet op basis van de optimalisatie van het systeem als geheel. Elke speler in zo’n systeem heeft (binnen de beperkingen van wet en regelgeving) de vrijheid om over te schakelen op andere producten of productiemethoden zonder dat hij rekening hoeft te houden met een andere speler die zijn rest- of afvalstoffen wil afnemen. Hij beslist op basis van de markt voor zijn producten en nevenproducten en de kostprijs van zijn inputs. Volledige sluiting van ketens vergt een sturing die in het landbouwsysteem niet bestaat. Daarom is circulaire landbouw, net als ‘circulaire economie’ in het algemeen, een utopisch concept. We mogen ervan uitgaan dat de huidige pogingen op circulaire landbouw over te schakelen op zijn best maar gedeeltelijk zullen lukken.

Mocht het toch lukken alle ketens optimaal op elkaar af te stemmen, dan ontstaat daarmee onvermijdelijk een heel kwetsbaar en fragiel systeem. Volledig geoptimaliseerde complexe ketens kunnen nooit robuust zijn. Er hoeft maar één onderdeel weg te vallen en het geoptimaliseerde systeem valt als een kaartenhuis in elkaar. Het is daarom maar beter dat het niet zal lukken.

Overdreven verwachtingen

Toch zijn de door politiek en overheid geformuleerde verwachtingen aan de zegeningen van circulaire landbouw niet bescheiden. We komen onder meer de volgende verwachtingen tegen:

  • De milieukwaliteit van de landbouw verbetert met sprongen, vooral door de kwalitatieve verhoging van de bodemkwaliteit (meer organische bemesting, minder kunstmest). De emissies van de landbouw (bijvoorbeeld de ammoniakemissies van de veestapel) nemen sterk af. De nu negatieve trend in de ontwikkeling van de biodiversiteit wordt omgekeerd.
  • Het is mogelijk de trend in de landbouw om te buigen naar een drastische vermindering van grondstoffen.
  • Daarbij zal in de toekomst de boer een beter inkomen hebben op basis van betere producten met minder milieubelasting. Er zal vanuit de banken etc. een betere financiering van het boerenbedrijf gerealiseerd worden.
  • Circulaire landbouw kan de productiviteit van de landbouw sterk verhogen en daarmee een bijdrage leveren aan de voedselzekerheid in de wereld. Een filmpje op de website van WUR (2018) beweert dat de productiviteit met 70% omhoog kan!

Geen van deze verwachtingen wordt hard gemaakt. Natuurlijk zijn er argumenten die delen van deze uitspraken ondersteunen: als het bemestingsregime verandert naar minder kunstmest en beter gebruik van dierlijke mest en andere organische bestanddelen, dan kan een positief effect op de natuur wel verwacht worden, maar dit is geenszins zeker omdat natuurkwaliteit nog van veel meer zaken afhankelijk is. Of de in deze visie veranderde landbouwsystemen voldoende goed voedsel tegen de juiste prijs produceren voor de consument en tegelijkertijd de boeren een acceptabel inkomen leveren, wordt nergens bewezen. Ook de gigantische productiviteitsverhoging wordt gewoon beweerd zonder goede onderbouwing. Alles wordt eenvoudig zonder goede argumentatie aangenomen. Er zijn natuurlijk ook goede redeneringen mogelijk waarom de voorgestane landbouwrevolutie tot lagere opbrengsten zou kunnen leiden. Voorlopig lijkt er een markt te zijn voor overdreven optimistische verhalen zonder stevige onderbouwing.

Het visioen van Carola

Het Nederlandse beleid richting circulaire landbouw werd een aantal jaren terug geformuleerd door Minister Carola Schouten, niet op basis van een uitgewerkt plan, maar op basis van een grootse visie op hoofdlijnen.

In het Duits heet ‘een visie’ ‘eine Vision’. Daar gebruikt men het zelfde woord voor ‘een visioen’. Beroemd is de uitspraak van oud-bondskanselier Helmut Schmidt: “Wer Visionen hat, sollte zum Artzt gehen” (Wie visioenen heeft, zou naar de dokter moeten gaan). Hij schijnt dat gezegd te hebben toen zijn partij een breedsprakige toekomstvisie had ontwikkeld, een toekomstvisioen dus.

Het visioen van Carola Schouten combineert een zo grote hoeveelheid vaagheid met zulke overdreven pretenties, dat je ook aan een doorverwijzing naar een specialist zou denken.

Veelbelovend

Het stuk is nergens concreet, maar belooft heel veel. Het belooft vooral dat een overgang naar die zogenaamde kringlooplandbouw niet één maar honderd problemen zal oplossen. De oplossing is min of meer duidelijk (‘kringlopen sluiten’) maar de problemen worden niet echt expliciet genoemd. Of deze oplossing de genoemde problemen zal oplossen, moeten we maar aannemen. Zo passeren bijvoorbeeld de volgende thema’s: voedselveiligheid, aanpassing aan klimaatverandering, voedselverspilling, inkomensproblemen van boeren, biodiversiteit, concurrentiekracht van de Nederlandse landbouw en nog veel meer. Kringlooplandbouw lost de problemen op. Hoe? Daar moet je naar raden.

In de visie zelf lezen we dat de visie uit hoofdlijnen bestaat en dus verder uitgewerkt dient te worden in samenspraak met de verschillende partijen. Naar aanleiding van gesprekken met verschillende partijen heeft de Minister alle vertrouwen en de maatschappelijke acceptatie van haar visioen:

“De visie op hoofdlijnen die in deze nota is opgeschreven, is het resultaat van gesprekken met vele betrokkenen. Kringlooplandbouw was ook een centraal thema aan de Klimaattafel over landbouw en landgebruik. Het kabinet heeft hieruit het vertrouwen gekregen dat voor kringlooplandbouw een solide basis bestaat in de sector en de samenleving.”

Maar wat betekent dat? Misschien betekent het dat er een zekere overeenstemming is over het doel kringlopen te sluiten, maar niemand weet nog wat dit gaat betekenen voor de zaken die voor de afzonderlijke spelers werkelijk van belang zijn zoals inkomen van boeren, voedselprijzen en markten voor voedsel en grondstoffen. Hebben we het daarover, dan zal de basis wel wat smaller zijn dan de Minister veronderstelt.

Literatuur

Harry Lehmann, Christoph Hinske, Victoire de Margerie, Aneta, Slaveikova Nikolova, The Impossibilities of the Circular Economy, Routledge, 2023
https://www.taylorfrancis.com/books/oa-edit/10.4324/9781003244196/impossibilities-circular-economy-harry-lehmann-christoph-hinske-victoire-de-margerie-aneta-slaveikova-nikolova

Reinier de Man, Circularity Dreams: denying physical realities, in Lehmann et al. 2023, p. 3-10.

Landbouw, natuur en voedsel: waardevol en verbonden – Nederland als koploper in kringlooplandbouw, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, September 2018 https://web.archive.org/web/20200929231232/https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/beleidsnota-s/2018/09/08/visie-landbouw-natuur-en-voedsel-waardevol-en-verbonden/visie-landbouw-natuur-en-voedsel-waardevol-en-verbonden.pdf

Kringlooplandbouw: een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouw, Wageningen University & Research, 8 september 2018. https://www.wur.nl/nl/show-longread/kringlooplandbouw-een-nieuw-perspectief-voor-de-nederlandse-landbouw.htm  Hierin een filmpje met de titel Met kringlooplandbouw 70% meer voedsel produceren: https://youtu.be/bPqLiYKzYMg

____

Eerdere blogs over verwante onderwerpen:

Terug naar de cultuur over het belang van boerennatuur

Liegen voor de gezelligheid over circulaire economie

Natuurlijk vanzelfsprekend over natuurbescherming en het behoud van soorten

____

Ulvene fra Evighetens Skog

De wolven uit het bos der eeuwigheid

Denne teksten på norsk

Grote thema’s

Voor mijn verjaardag kreeg ik van Hans het laatste boek van Knausgård, dat zijn titel ontleent aan een wat ooit de Russische dichteres Tsvetaeva (1892-1941). schreef:

Uansett hvor mye du mater ulven, vil den alltid se mot skogen. Vi er alle ulver fra evighetens skog (Hoeveel je een wolf ook te eten geeft, hij zal altijd naar het bos blijven kijken. Wij zijn allemaal wolven uit het bos der eeuwigheid). 

Dit citaat verwijst al naar een van de grote inhoudelijke thema’s van het boek: het wezen van leven en dood, het verlangen naar en mogelijkheden van onsterfelijkheid en wederopstanding. De grote thema’s sluiten naadloos aan op de thema’s van Min Kamp en Morgenstjernen. Min Kamp begint met de zinnen:

“For hjertet er livet enkelt: det slår så lenge det kan. Så stopper det. Før eller siden, en eller annen dag, opphører denne stampende bevegelsen av seg selv, og blodet begynner å renne mot kroppens laveste punkt, hvor det samler seg i en liten kulp, synlig fra utsiden som et mørkt og bløtlig felt på den stadig hvitere huden, alt mens temperaturen synker, lemmene stivner og tarmene tømmes.” (“Voor het hart is het leven eenvoudig: het klopt zolang het kan. Dan houdt het op. Vroeg of laat, op een of andere dag, houdt deze bonzende beweging vanzelf op en begint het bloed naar het laagste punt van het lichaam te stromen, waar het zich verzamelt in een kleine plas, van buitenaf zichtbaar als een donkere en zachte plek op de steeds witter wordende huid, terwijl de temperatuur daalt, de ledematen verstijven en de darmen leeglopen.”). 

Terwijl de dood van zijn vader in Min Kamp nog een relatief eenvoudig definitief proces is, ontstaan er in de volgende boeken toch complicaties. In Morgenstjernen vlucht de dood van de mens weg, zo erg zijn de verschrikkingen uit de Openbaring van Johannes. Niemand kan meer sterven. In dit laatste boek gaat het toch in de eerste plaats over het leven en over de dood als een eigenschap van de gewelddadige natuur, waar we ons tegen moeten verdedigen: “Vi lar drepe oss!” (“We laten ons vermoorden!”). 

 

Twee delen

Maar het boek zou geen Knausgård zijn als het niet uit duizenden tot in detail uitgewerkte gesprekken en kleine gebeurtenissen zou bestaan. Het boek bestaat uit twee delen. Het eerste deel speelt ten tijde van de kernramp in Tsjernobyl in Noorwegen. Het tweede deel speelt zich in Rusland af tot op dezelfde dagen als het verhaal van Morgenstjernen.

De hoofdpersoon in het eerste deel is Syvert. Hij komt net uit dienst en moet weer een normaal leven proberen op te bouwen. De stijl lijkt wel wat op Min Kamp waar we Knausgård als adolescent meemaken. Hier zien we Syvert, zijn broertje en zijn moeder naast allerlei vrij oppervlakkige contacten met vrienden op de sportclub en in het café. Deel 1 zou goed gebruikt kunnen worden door historici die in het leven van de jaren 80 geïnteresseerd zijn. Er gebeurt niet zo veel, maar er wordt veel gekletst, gefeest en versierd. Dat zou, afgezien van de mooie beschrijving van de relaties tussen Syvert, zijn moeder en zijn broertje, niet zo interessant geweest zijn als Syvert niet een doos liefdesbrieven in het Russisch aan zijn een paar jaar daarvoor bij een ongeluk omgekomen vader had gevonden. Hij laat de brieven vertalen door de schrijver Krag, die geen betaling verlangt. Alleen moet hij beloven het boek Misdaad en Straf van Dostojevski te lezen, een boek dat hij kort tevoren  had gekregen van de dominee bij wie hij zich uit de kerk had laten uitschrijven.

Uit de brieven van Asja komt een hopeloze intense relatie zonder toekomst naar voren. Je vermoedt bij het lezen van de laatste brief al dat Asja zwanger was van Syverts vader. Syverts moeder is ernstig ziek en hij moet een vakantiebaan zoeken om voor geld te zorgen. De enige baan die hij kan vinden is helpen bij een begrafenisondernemer. Het werk wordt weer met de nodige Knausgård-details beschreven.

In het tweede deel komen we Syvert weer tegen, gelukkig getrouwd met de vriendin waar hij in deel 1 verliefd op werd. Hij is nu zelf begrafenisondernemer. Hij heeft inmiddels de heimelijke vriendin van zijn vader opgespoord en een brief naar Rusland gestuurd. Asja leeft niet meer, wel haar dochter, die inderdaad Syverts halfzuster blijkt te zijn.

Het leven en de dood

Voor in het boek staat een citaat uit de Openbaring van Johannes, een ander citaat dan in Morgenstjernen. Daar ging het erom dat zelfs de dood geen uitweg meer biedt uit het lijden van de mens. Hier wordt het eind van de dood als een verlossing gezien.

“Hij zal alle tranen van hun ogen afvegen. En de dood zal er niet meer zijn. Niemand zal nog verdrietig zijn, treuren of pijn hebben. Want de eerste dingen zijn voorbij.”

Het tweede deel van dit boek bevat lange verhandelingen over leven en dood in de vorm van gedachten en projecten van Alevtina en haar vriendin Vasilisa.

Alevtina

Wij kijken terug op een eerder fase van het leven van Alevtina, waarin ze biologiestudent was en aan een doctoraalproject zou beginnen. Alevtina raakt geïnteresseerd in de manier waarop schimmels lange netwerken tussen bomen onderhouden. Die netwerken omspannen meerdere bomen. Voor de bomen heeft dat een voordeel dat ze van meer schimmels profiteren en voor de schimmels geldt hetzelfde. Zij begint te fantaseren over de mogelijkheid dat de verbindingen tussen alle bomen via de verschillende schimmels een soort neuraal netwerk vormen en dat het bos misschien wel een groot organisme vormt met een soort bewustzijn en levend in een totaal andere tijdsdimensie dan de mens. Hoewel ze als natuurwetenschapper eigenlijk niets moet hebben van zulke dwaze theorieën, begint ze die fantasieën wel steeds serieuzer te nemen. Ze bemachtigt een mooie studieplek op een instituut aan de Witte Zee waar ze aan een dissertatie zou kunnen werken. Als ze daar een paar dagen heeft doorgebracht, vindt ze in het bos in de buurt hallucinogene paddenstoelen, die ze als experiment opeet. Ze fantaseert daarbij nog dat die paddenstoelen een deel van het neurale netwerk van het bos zijn en dat ze zo nog directer contact met het bos kan krijgen. Net op het moment dat ze denkt dat ze geen enkele werking lijken te hebben krijgt ze een zware aanval van kotsneigingen en hallucinaties. Je kan het wel aan Knausgård overlaten zoiets te beschrijven. Ze overleeft dit, maar dit is niet alleen het einde van haar verblijf op het onderzoeksstation Belomorskaia, maar ook van haar biologieloopbaan.

Vasilisa

Haar vriendin Vasilisa is een heel ander type, geen natuurwetenschapper, zij schrijft gedichten en is vooral geïnteresseerd in literatuur, godsdienst en geschiedenis. Zij wil een een stuk over de geschiedenis van de onsterfelijkheid en van de opvattingen daarover publiceren. Een eerste versie hiervan maakt deel uit van het boek. In die zin lijkt het op het essay dat Egil in Morgenstjernen schrijft. Het hoofstuk van Vasilisa heet Evighetsulvene, de eeuwigheidswolven. Het bevat de centrale thema’s die in de boektitel tot uitdrukking komen. Het is een  nogal rommelig verhaal  met allerlei verwijzingen naar literatuur (vooral Tsvjetajeva,  Rilke en Tolstoi) en naar allerlei experimenten met levensduurverlenging, verjonging tot en met pogingen de dood volledig uit te bannen. Het klopt wat ze tegen Alevtina zegt: ” .. det er … som et … langt essay som går hit og dit som det lyster. Litt som en hund. Den svinser og svanser og snuser på alt som dukker opp i dens vei.” (“het is … als een … lang essay dat dan hier dan daar gaat waar het maar zin in heeft. Een beetje zoals een hond. Die kwispelt  en snuffelt aan alles wat op zijn pad verschijnt”).

Een centrale figuur is de bibliothecaris van het Rumantsjev-museum in Moskou aan het eind van de 19e eeuw, die door Tolstoi vooral bewonderd werd om zijn ascetische levenswijze: Fjodorov. Deze Fjodorov heeft een plan ontwikkeld met als doel de opstanding van iedereen die ooit gestorven is: “vi må gjenopplive alle mennesker som noensinne har levd. Det er vår oppgave og vår plikt. … … … vi må overvinne døden og utrydde den.” (“we moeten alle mensen die ooit geleefd hebben laten herleven. Dat is onze taak en plicht. … … … we moeten de dood overwinnen en hem uitroeien)”. De plannen van Fjodorov worden uitvoerig besproken in het essay van Vasilisa. Praktische problemen als ruimtegebrek op aarde worden van de hand gewezen. We zullen eenvoudig andere planeten gaan bevolken met de onbeperkte reismogelijkheden die er zullen zijn. Ook zal het mogelijk zijn in de baan van de aarde in te grijpen en zo door het hele heelal te zwerven.

Het essay vervolgt met amusante verhalen over demonstraties in Moskou tegen de dood met spandoeken als “NEE TEGEN DE DOOD” en “OUDERDOM IS EEN ZIEKTE” en allerlei experimenten met levensduurverlenging door bloedtransfusies en het in leven proberen te houden van afgehakte hondenkoppen tot en met pogingen tot hersentransplantaties. De geschiedenis van de onsterfelijkheid beweegt zich inmiddels steeds meer weg van de religieuze sfeer (opstanding van Christus, het laatste oordeel, etc.) in de richting van de wetenschap. De kerk heeft steeds minder over het eeuwige leven te zeggen, de biologie en de medische wetenschap steeds meer. Verder in het hoofdstuk leggen we nog een bezoek af aan een gebouw waar in grote tanks lijken met hun hoofd naar beneden in een vloeistof van -250 graden hangen, 6 lijken per tank, wachtend op hun wederopstanding. 

De ontknoping

Alevtina bezoekt met haar oude vader (die net 80 geworden is en haar echte vader niet is) het graf van haar moeder. Daar geeft hij haar de brief die Syvert al een tijd daarvoor naar haar inmiddels overleden moeder had gestuurd. Na lang aarzelen stelt zij hem voor om elkaar in Moskou te ontmoeten. Er volgt een ongemakkelijke ontmoeting, die zij na drie kwartier plotseling beëindigt. Tenslotte vindt er toch nog een tweede ontmoeting plaats waar ze allebei behoorlijk dronken worden en waar toch iets meer communicatie tot stand komt. Het verhaal gaat nu vooral over de intensiteit van hun familieband via hun overleden vader.

Ze spreken af dat ze elkaar later in Noorwegen opnieuw zullen zien. Inmiddels staat de morgenster weer hoog aan de hemel en is het weer net zo onaangenaam warm als in Morgenstjernen. Ook gebeuren er weer allerlei onverklaarbare dingen. Voordat hij naar huis vliegt, wordt hij opgebeld door zijn bedrijf: er is geen werk, er overlijdt niemand meer.

Het lezen waard?

Bijna 800 pagina’s lezen. Was het de moeite waard? Voor het leren van Noors in ieder geval wel. Ik had er een luisterboek bij gekocht, waardoor mijn uitspraak van het Noors ook beter geworden is. Maar inhoudelijk?

Natuurlijk is de typische Knausgård-stijl ook hier fantastisch: de precisie van de dialogen, de beschrijving van details in de gedachten van de hoofdpersonen en kleine dingen in hun omgeving. De meeste details lijken toch niet overbodig. De relatie tussen Syvert en zijn broertje is prachtig uitgewerkt. Toch wordt het soms vermoeiend als hij de lege gesprekken tussen Syvert en iemand in het vliegtuig of ergens in een café in detail weergeeft. Mensen zijn beleefd, maar er gebeurt niets. Levensecht en oersaai.

Interessant zijn de gedachten van de twee belangrijkste vrouwen in dit boek: van de doctoraalstudent biologie Alevtina en haar vriendin Vasilisa.  Hier worden de centrale thema’s rond leven, dood en onsterfelijkheid mooi uitgewerkt zonder tot vaste conclusies te komen, behalve dan dat we zien dat onsterfelijkheid van de religie en mystiek naar de concrete biologie is verhuisd. Maar wat betekent dat eigenlijk?

Ik vind dit boek minder geslaagd dan Morgenstjernen. Ten eerste gebeurt er in het eerste deel vrijwel niets en wordt er niets gedaan met het thema Tsjernobyl, behalve dat Syvert zich af en toe afvraagt wat radioactiviteit dan wel is. De enige echte verbinding met Rusland zijn de reizen van zijn vader (wat deed hij daar?) en de heimelijke verhouding met Asja. Ten tweede is er aan het eind van een echte ontknoping geen sprake: een ongemakkelijk gesprek en een afspraak naar Noorwegen te komen terwijl die rare ster weer schijnt en er weer niemand dood lijkt te gaan.  Ten derde voegt de verschijning van die morgenster niets toe aan wat er al in Morgenstjernen staat. Ten vierde denk ik dat je met het thema onsterfelijkheid wel iets meer zou kunnen doen. Ik denk aan de uitzichtloosheid en zinloosheid van een leven zonder dood.

Na bijna 800 pagina’s ben ik niet echt tevreden. Hij schijnt nog een afsluiting in voorbereiding te hebben. Het wordt dus een trilogie. Afwachten dan maar hoeveel pagina’s het zullen zijn.

 

Naschrift op 7 februari 2023: 
met eeuwig leven geen toekomst!

Gisteren bezochten wij het theatrale concert van But What About met de titel About Time. De Tijd werd gespeeld door de 'performer' Sofie Kramer die in een drie kwartier durende voorstelling allerlei ideeën, theorieën en verhalen over het voetlicht brengt en daarbij de muziek professioneel verstoort. Bij de voorstelling moest ik denken aan het hier besproken boek van Knausgård, vooral aan het lange essay van Vasilisa en de discussies daarover met haar vriendin Alevtina: "Tanken er at evigheten har begynt. Det er det som har forandret seg. Framtiden har forsvunnet og evigheten har begynt (p. 465). ("De gedachte is dat de eeuwigheid begonnen is. Dat is wat er veranderd is. De toekomst is verdwenen en de eeuwigheid is begonnen"). Deze gedachten sluiten naadloos aan op Vasilisa's gedachten over onsterfelijkheid. Op het moment dat iedereen onsterfelijk is, verdwijnt de tijd en daarmee de toekomst. Met het eeuwige leven hebben we geen toekomst meer, lijkt de centrale boodschap te zijn. Tijdens het concert gisteren werden vanzelfsprekend ook dit soort thema's door De Tijd aangeroerd. Tijd, onsterfelijkheid, laatste oordeel, etc.

___