Natuurlijke historie

Een vroege veldbioloog en de stinkzwam

Dit jaar zag ik weer eens mooie grote stinkzwammen in een park bij Oegstgeest. In het Latijn heet de stinkzwam Phallus impudicus (schaamteloze penis). Ik vroeg mij af wie die naam ooit verzonnen had. Het was niet Linnaeus in de achtiende eeuw maar een veel vroegere Nederlandse geleerde, Hadrianus Junius.

Hij heeft die paddenstoel uitgebreid in het latijn beschreven in een klein  tractaat (in 1564). In een eerdere blog heb ik daar al aandacht aan besteed.  De publicatie van Junius was een doorbraak in de beoefening van de bestudering van de levende natuur in de Renaissance. Tot die tijd baseerden de meeste botanici en medici zich bijna uitsluitend op gezaghebbende teksten van de oude Grieken en Romeinen, maar Junius ging zelf op veldonderzoek uit.

Duizend jaar oude boeken

Tot in de zeventiende eeuw waren twee boeken van toen al meer dan duizend jaar oud misschien wel de belangrijkste bronnen van medische en biologische kennis:

(1) de Naturalis Historia van de Romeinse Plinius de Oudere (rond 24 tot 79 n. Chr. , de uitbarsting van de Vesuvius)  die diverse functies on de keizers Claudius en Nero vervulde.

(2) Περ ὕλης ἰατρικῆς (De materia medica), een uitgebreide farmacologische  encyclopedie door de Griek Pedanius Dioscorides, die als medicus ook voor keizer Nero werkte.

Ik zal hieronder kort iets over deze twee boeken schrijven en laten zien wat deze boeken over paddenstoelen te vertellen hebben.

De Natuurlijke Historie door Plinius  (rond 70 n.Chr.)

Het monumentale boek
De kopie uit de negende eeuw in Leiden

Een van de belangrijkste bron voor medische en biologische geleerden in de middeleeuwen en nog lange tijd daarna was een werk uit de Romeinse tijd waarin bijna de gehele natuur werd beschreven, inclusief planten, dieren, ziekten, geneesmiddelen. Maar ook astronomie, geologie en zelfs kunstgeschiedenis ontbraken niet in dit monumentale uit 37 boeken (met 2493 hoofdstukken) bestaande werk van Plinius de Oudere  uit 77 n. Chr.

De ons bekende tekst komt uit vroege kopieën uit de middeleeuwen, het resultaat van vele malen overschrijven van de Romeinse tekst die definitief verloren is gegaan. 

Waarschijnlijk bevatte de oorspronkelijke tekst geen platen. Een van de oudste versies van het boek stamt uit de negende eeuw en wordt in de Universiteitsbibliotheek van Leiden bewaard. Dit manuscript is het resultaat van 800 jaar overschrijven sinds de originele publicatie in Rome en zal zeker daarom veel fouten bevatten. Het eerste gedrukte exemplaar (oplage 100!) is uit 1469, minder dan 20 jaar na de uitvinding van de boekdrukkunst.

De eerste pagina van de druk uit 1469 van Naturalis Historia

Pas door de systematische beoefening van de natuurwetenschap vanaf de zeventiende eeuw kon het werk van Plinius als standaardwerk over de natuur naar de achtergrond gedrongen worden.

De titel van het boek, Naturalis Historia of Natuurlijke Historie heeft alle eeuwen overleefd en wordt nog steeds gebruikt als synoniem voor ‘biologie’. Nu betekent historia in het Latijn niet geschiedenis maar beschrijving.

 

Plinius over paddenstoelen

Plinius wijst er terecht op dat paddestoelen niet alleen voedzaam en smakelijk kunnen zijn maar ook gevaarlijk als je een giftige soort in de maaltijd verwerkt. Hij herinnert aan de recente vergifitiging van keizer Tiberius Claudius door Agrippina die hem een bord giftige paddenstoelen, mogelijk de groene knolamaniet, serveerde (in het jaar 54). Hiermee wilde zij waarschijnlijk de troonopvolging van Claudius door haar zoon Nero veilig stellen. Plinius schrijft hierover:

“Onder de zaken die zonder de nodige voorzichtigheid worden geconsumeerd, reken ik met recht paddenstoelen – weliswaar een voedzaam product, maar een dat in een kwaad daglicht is komen te staan door een gedenkwaardig historisch voorval: Agrippina gebruikte ze namelijk om keizer Tiberius Claudius te vergiftigen. Met deze daad liet zij een ander soort ‘gif’ op de wereld los: haar eigen zoon, Nero.”

Maar hoe kan je nu zien of een paddenstoel giftig is of niet? Volgens Plinius kan je dat soms wel eenvoudig zien: 

“Bij sommige soorten is de aanwezigheid van gif gemakkelijk te herkennen: een vage rode tint, een ziekelijk of verrot uiterlijk, een grauwe kleur aan de binnenzijde, barsten of scheuren, en een bleke rand rondom. Bij andere soorten ontbreken deze kenmerken; ze zien er droog en volkomen onschuldig uit, soms zelfs met witte vlekken op de hoed – overblijfselen van het vlies (of de ‘baarmoeder’) waaruit ze zijn voortgekomen. De aarde brengt namelijk eerst deze ‘baarmoeder’ voort, waarbinnen de paddenstoel zich ontwikkelt, vergelijkbaar met de dooier in een ei.”

Het lijkt niet of de auteur van de Romeinse natuurencyclopedie de consument van paddenstoelen voldoende aanwijzingen geeft om de giftigheid van een paddenstoel te bepalen. Hij noemt wel wat mogelijke aanwijzingen zoals het gevaar van paddenstoelen die op een plek met ijzerroest groeien (de paddenstoel zet die roest om in gif!) of het levensgevaarlijke verbond tussen giftige paddenstoelen en giftige slangen:

“… als een paddenstoel groeit in de nabijheid van een slangenhol — zeker wanneer deze in een vroeg ontwikkelingsstadium wordt blootgesteld aan de adem van de slang — kan hij het gif van het dier in zich opnemen, gezien de natuurlijke affiniteit tussen dergelijke substanties. Men dient daarom op zijn hoede te zijn in de periode voordat de slangen zich in hun holen terugtrekken.”

Hoe paddenstoelen ontstaan, daarover deden in de oudheid en tot in de zeventiende eeuw de vreemdste verhalen de ronde. Plinius zegt bijvoorbeeld:

“Ze ontstaan uit het slijm en de gistende sappen van vochtige aarde, of vaak bij de wortels van notenbomen. Aanvankelijk verschijnen ze als een kleverig schuim, dat vervolgens een vliesachtig omhulsel vormt, waarna de paddenstoel zelf tevoorschijn komt, zoals ik reeds heb beschreven.”

Het farmacologische handboek van Dioscorides (rond 70 n.Chr)

Het handboek

Dioscorides was een Griekse geleerde en lijfarts van keizer Nero. Hij schreef vrijwel in dezelfde tijd toen Plinius zijn natuurlijke historie schreef zijn uitgebreide farmacologische handboek, oorspronkelijk in het Grieks onder de naam Περ ὕλης ἰατρικῆς (in het Latijn ‘de materia medica’).  Waarschijnlijk hebben de twee auteurs elkaars werk nooit gezien. 

Blad 83r uit de Weense Dioscorides (uit het jaar 512)

Het werk van Dioscurides werd in de Middeleeuwen talloze malen gekopieerd en vertaald in het Latijn en het arabisch. Na de uitvinding de boekdrukkunst werd het herhaalde malen in verschillende talen uitgegeven, soms met prachtige (vaak met de hand ingekleurde) houtsneden.

Περ ὕλης ἰατρικῆς (de materia medica) was de basis voor bewerkingen in verschillende talen. Heel populair was het werk van de Italiaan Mattioli, waar ik hieronder op terugkom.

Dioscurides over paddenstoelen

Uit de Spaanse vertaling van het boek van Dioscurides: Fungi

Ook in het werk van Dioscurides vinden we belangrijke passages over paddenstoelen. In de Spaanse vertaling van het van kleurenplaten voorziene boek van Dioscurides uit 1555 lees ik (uit het Spaans vertaald door Google Translate):

“Er zijn twee soorten paddenstoelen: exemplaren die eetbaar zijn en exemplaren die volstrekt dodelijk zijn. Ze worden vaak giftig door uiteenlopende oorzaken – bijvoorbeeld wanneer ze groeien in de nabijheid van verroeste spijkers, verrottende stoffen, de nesten van giftige slangen of bomen die schadelijke vruchten voortbrengen. Dergelijke paddenstoelen bevatten een gestolde, kleverige substantie; zodra ze uit de grond worden geplukt, bederven en vergaan ze in snel tempo. Paddenstoelen die niet met giftige stoffen zijn besmet, smaken aangenaam wanneer ze aan stoofschotels worden toegevoegd – al kunnen zelfs deze, bij consumptie in grote hoeveelheden, vaak leiden tot wat men ‘cholera’ noemt”. 

Met ‘cholera’ bedoelde men in die tijd ernstige maag-darmklachten. Hoewel ze waarschijnlijk geen contact met elkaar hadden, presenteerden Plinius en Dioscurides bijna exact dezelfde populaire (maar onbewezen) kennis uit die tijd, zoals de nabijheid van verroeste spijkers en slangenholen. 

Het Kruidenboek van Mattioli (rond 1565)

Discorsi en Commentarii 

In de Renaissance bleef het boek van Dioscurides nog razend populair en het was de basis voor herdrukken en bewerkingen in verschillende talen. 

Heel populair was het werk van de Mattioli (1501-1577, ook als Matthioli geschreven) , die het oorspronkelijke werk uit het Grieks in het Italiaans vertaalde, er zijn eigen bijdragen aan toevoegde (gepubliceerd als Discorsi) en het geheel in de academische taal van tijd, Latijn, vertaalde (gepubliceerd als Commentarii). De Latijnse versie was weer de basis voor de duitstalige tekst van het New Kreüterbuch, waaraan voor de Duitse wereld interessante zaken zijn toegevoegd.

Paddenstoelen in Commentarii

Op p. 1104 van Commentarii staat een mooie plaat van verschillende paddenstoelen. Vlak boven deze plaat staat een tekst die vrijwel ongewijzigd uit het werk van Dioscorides lijkt te zijn gekopieerd.

Uit Commentarii van Mattioli

De Latijnse tekst boven de plaat vertaal ik als:

“Er zijn twee soorten paddenstoelen: sommige zijn eetbaar, terwijl andere dodelijk zijn. Ze kunnen om uiteenlopende redenen giftig worden – bijvoorbeeld wanneer ze groeien in de nabijheid van een verroeste ijzeren spijker, verrottende stof, het hol van een slang, of bomen die van nature schadelijke vruchten voortbrengen…. …. ….”

 

 

Het is de exacte tekst van het in die tijd al duizend jaar oude boek van Dioscurides! Daarom heb ik hierboven alleen de de eerste regels vertaald. 

Het Duitse kruidenboek: New Kreüterbuch

De bewerking van het oude boek van Dioscurides was ook in de Duitstalige wereld populair. Mattioli publiceerde daarom een versie in de Duitse taal als New Kreüterbuch.

Paddenstoelen in New Kreüterbuch

Het plaatje van paddenstoelen in Kreüterbuch, p. 476/

 

Wat betreft de paddenstoelen, staat er weer het zelfde plaatje in als in de eerder gepubliceerde Commentarii, maar nu hier en daar ingekleurd.

Het verhaal over roestige spijkers en slangenholen heb ik in deze uitgave niet meer kunnen vinden.

Interessant is  de tekst boven de figuur, die Mattioli heeft overgenomen van een ander kruidenboek uit die tijd: Hieronymus Bock, New Kreütterbuch (1539). In het Nederlands:

“Paddenstoelen zijn noch planten, noch wortels, noch bloemen, noch zaden; ze zijn niets anders dan het overtollige vocht van de aarde, bomen, verrottend hout en andere rottende zaken.”

Hieronymus Bock was in een opzicht zijn tijd ver vooruit. Tot 1969 werden paddenstoelen volkomen ten onrechte tot het plantenrijk gerekend. Bock had helemaal gelijk dat paddenstoelen geen planten zijn, maar had geen enkel idee van wat het dan wel zouden zijn. 

Dezelfde tekst van Bock verschijnt in de uitgave van 1611 onder een mooi ingekleurde andere plaat van paddenstoelen en morieljes. Zie hiernaast.

 

Paddenstoelen uit hertensperma

Op meerdere plekken in zijn publicaties vertelt Mattioli een verhaal dat waarschijnlijk niet uit de oudheid stamt. Hij heeft het over de ‘hertentruffel’ (Elaphomyces, niet te verwarren met de hertenzwam). Die zou op plekken groeien waar tijdens de paring van herten sperma uit het vrouwtje op de grond is gelopen.

Net ver na het plaatje met de paddenstoelen  in het Kreüterbuch staat er een korte passage over deze vreemde paddenstoel. Onder meer lees ik daar:

“Er wechst in Wälden da viel Hirschen wonen. Hat sein ursprung von den Hirschen Samen…”

Verder is mijn tekst slecht leesbaar, maar ik vind uitgebreidere informatie uit één van de brieven die Mattioli gepubliceerd heeft (Epistularum Medicinalium etc., 1561). In een brief aan de Zwitserse geleerde Gessner schrijft Mattioli (vertaald uit het Italiaans):

“Aangezien deze zwam voor u onbekend is, zal ik de achtergrond en de medicinale mogelijkheden ervan niet langer voor u verzwijgen. Jagers beweren dat de zwam ondergronds groeit, net als een gewone truffel, op plekken waar tijdens de paring sperma van een hert is terechtgekomen – vaak op een wijze waarbij het, vergelijkbaar met de opstuwende zee, uit het lichaam van het vrouwtje stroomt terwijl zij wegvlucht. “

Men geloofde in die tijd nog in ‘generatio spontanea’, spontane ontwikkeling van levende planten of dieren uit allerlei materie. Pas toen het inzicht cellen en sporen sprongsgewijs was toegenomen door de uitvinding van de microscoop, kwam aan dit geloof een einde. 

Junius, Mattioli en de hertenzwam

En dan eindig ik dit stuk waarmee ik begonnen was: de beschrijving van de grote stinkzwam door onze landgenoot Hadrianus Junius. In het voorwoord van zijn korte publicatie (1564) daarover noemt hij de medische brieven van Mattioli (1561) en gaat in op zijn verhaal over de Hertentruffel dat hem geïnspireerd had het verhaal over de stinkzwam te publiceren.

‘… …. …. Pietro Mattioli, een ware meester in de plantkunde en een man die uw beschermheren zeer is toegedaan; hij heeft de onuitputtelijke vruchtbaarheid van het plantenrijk uiterst nauwgezet in kaart gebracht en aan de schaduw ontrukt. Terwijl ik zijn medische brieven las – die u mij onlangs cadeau deed –, stuitte ik op een beschrijving van de Fungus Cervinus (hertenzwam), die, zoals hij zelf aangeeft, in Italië onbekend is. Op dat moment herinnerde ik me dat ik ooit een speels stukje had geschreven over de Phallus – een soort zwam die nergens anders voorkomt dan in de zandgronden van Holland ….” (vertaald uit het Latijn)

 

Gebruikte Literatuur

Pedanius Dioscorides, Περ ὕλης ἰατρικῆς (De materia medica), rond 70 n.Chr., oudste kopie te vinden in Wenen, de zogenaamde Vienna Discurides uit het jaar 512.  Afzonderlijke pagina’s zijn te zien op website van ÖNB
Een mooie Spaanse uitgave uit de 16e eeuw: Pediacio Discorides Anazarbeo, Acerca de la materia medicinal, y de los mortiferos, traduzido de lengua Griega, en la vulgar Castellana, etc. Antwerpen 1555, in te zien op Library of Congress

Hadrianus Iunius, Phalli, ex fungorum genere in Hollandiae sabuletis passim crescentis descriptio, 1564 . Een Nederlandse vertaling van het grootste deel van deze tekst is in het blad Levende Natuur van november 1906 te vinden: M. Greshoff, ‘Een natuurhistorisch Document der 16de eeuw’, De Levende Natuur, November 1906. Op dit artikel volgt de vertaling van een groot deel van het boek van Junius uit 1564 door Dr. A.H. Garrer. Voor deze blog heb ik Google Translate de oorspronkelijke latijnse tekst laten vertalen. 

Petro Andrea Mattioli, I discorsi nelli sei libri di Pedacio Dioscoride Anazarbeo, Venezia 1568 (de oorspronkelijke Italiaanse versie van Commentarii, voor het eerst in 1544 gepubliceerd), te downloaden van internet archive

Petro Andrea Mattioli, Commentarii in sex libros Pedacii Dioscoridis
Anazarbei de Medica materia (de latijnse vertaling van Discorsi) , voor het eerst in 1554 gepubliceerd.  Bijvoorbeeld te downloaden van biodiversity library

Pietro Andrea Mattioli,  Epistularum Medicinalium libri quinque, Lugduni,
Cesare Farina., 1561.  download van Google books. De Latijnse tekst van de brief aan Gessner over de hertenzwam met een Italiaanse vertaling heb ik gevonden op de Satanas-website

Pietro Andrea Mattioli, New Kreüterbuch (de Duitstalige versie van Commentarii, uitgegeven door Georg Handsch), Prag 1563    download van internet archive  / Zelfde in Digitale Sammlungen. Iets later werd het werk nog eens uitgegeven in Frankurt/ door Joachim Camerarius. De hier en daar gewijzigde tekst en plaatjes in deze internetversie zien er iets beter uit: Kreuterbuch Mattioli/Camerarius 1611

C. Plinii Secundi, Naturalis Historiæ, oorspronkelijk Rome 70 n.Chr. Een vroegmiddeleeuwse versie uit de zevende eeuw bevindt zich in de universiteitsbibliotheek van Leiden: download hier .   De eerste druk uit 1469 is hier te downloaden: De eerste druk van Naturalis Historia . Ik heb een later gedrukte versie gebruikt: Uitgave 1669 Leiden en Rotterdam: bron op google books

Voor de vertaling van Latijnse, Spaanse en Italiaanse teksten heb ik van Google Translate gebruik gemaakt.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *