Vijf soorten objectieven / vijf instellingen van een zoomlens
Tekst geschreven voor beginners
Als je een foto maakt kan je tussen verschillende objectieven met verschillende brandpuntsafstanden kiezen of een zoomlens op een bepaalde afstand instellen. Een standaardobjectief heeft op een ouderwetse full-frame-camera een brandpuntsafstand van 50 mm, op een APS-C-cropcamera 35 mm, op een NFT-camera 25 mm en op camera’s en telefoons met kleinere sensoren nog kleinere waarden. Ruwweg kunnen we 5 soorten objectieven onderscheiden. Tussen haakjes de brandpuntsafstanden voor full-frame, APS-C en NFT.
- super groothoek: brandpuntsafstand rond een derde van de standaard brandpuntsafstand (17 mm; 12 mm; 8 mm) of zelfs kleiner
- groothoek: brandpuntsafstand de helft van de standaard (25 mm; 17 mm; 12 mm)
- standaard (50 mm; 35 mm; 25 mm)
- matig tele: twee maal de standaard (100 mm; 70 mm; 50 mm)
- sterk tele: meer dan drie maal de standaard (>150 mm; 105 mm; 75 mm)
Welke lens of welke instelling van de zoomlens ik voor een bepaalde foto kies, hangt van twee zaken af: welk perspectief wil ik en welke scherptediepte?
Keuze van het perspectief
Als we even van super groothoek en super telelens afzien kan ik afhankelijk van het gewenste perspectief kan ik een onderwerp op drie manieren fotograferen.
- Voor een normaal natuurlijk aandoend perspectief neem ik de standaardlens;
- Wil ik het perspectief in elkaar drukken zodat de afstanden van voorwerpen voor en achter het onderwerp kleiner lijken, dan fotografeer ik het onderwerp van veraf met een telelens. Voor normale landschapsfotografie kies ik dan meestal een matige telelens (anderhalf tot drie keer standaard);
- Wil ik een onderwerp juist losmaken van alles wat erachter staat, dan fotografeer ik van dichtbij met een groothoeklens.
Het is belangrijk te benadrukken dat ik mijn standpunt kies op basis van de brandpuntsafstand die ik wil en niet andersom. De foto vanaf de plek waar ik toevallig sta, is meestal niet de beste.
Keuze van de scherptediepte
De keuze van de lens heeft ook invloed op de scherptediepte. Hoe langer de lens, des te kleiner de scherptediepte. Voor een mooie vage achtergrond kan ik vaak het best een telelens van veraf gebruiken. Met een kortere lens is dat moeilijker. Wil ik een onderwerp en alles erachter scherp krijgen, dan lukt dat het best met een korte groothoeklens, maar zelfs dan moet ik in de regel het diafragma sterk dichtknijpen naar waarden van 16 of zelfs hoger. Met een standaardlens lukt het soms met een nog dichter diafragma en met een telelens is het heel moeilijk of totaal onmogelijk.
Overzicht
| groothoek van dichtbij | standaard | tele van ver | |
|---|---|---|---|
| scherpte van achtergrond | heel scherpe achtergrond bij voldoende hoog f/-getal heel onscherpe achtergronden alleen bij wijd open lens | scherpe achtergrond mogelijk bij hoog f/-getal onscherpe achtergrond mogelijk bij klein f/-getal | achtergrond in de regel onscherp |
| breedte van achtergrond | wijde achtergrond, weinig keuze van achtergrond mogelijk bij opname | heel smalle achtergrond. Door kleine verandering in standpunt veel keuzemogelijkheden voor exacte achtergrond achter het het onderwerp. | |
| perspectief | uit elkaar getrokken perspectief. Onderwerp los van zijn omgeving. | In elkaar gedrukt perspectief. Onderwerp verbonden met zijn directe omgeving. |
N.B.
Voor camera’s met een kleine sensor (inclusief telefoons) bereik ik een grote scherptediepte bij relatief lage f/-getallen (bijv. 4 of 5,6). Mooie onscherpte bereik ik het best met camera’s met een grotere sensor (full-frame of APS-C), bijvoorbeeld met een diafragma f/2,8. Zulke mooie onscherpte bereik ik niet met een camera met een kleine sensor.