Een nieuwe richtingenstrijd

Fotocursussen

Ik neem af en toe deel aan fotocursussen. Daar ben ik vaak de enige deelnemer met een spiegelreflex. De anderen lopen allemaal met een kleine Olympus rond. Ik kan me het enthousiasme voor (spiegelloze) systeemcamera’s wel voorstellen. Ze zijn kleiner en lichter en de bijbehorende lenzen zijn natuurlijk ook kleiner, omdat de sensor kleiner is. Bovendien hebben die camera’s vaak een nog geavanceerdere software aan boord, die nabewerking met Lightroom vrijwel overbodig maakt. Alles kan op de camera worden gedaan en je krijgt wat je op je scherm ziet. Ook zijn ze stiller.

Systeemcamera versus spiegelreflex

Er is tussen fotografen weer een nieuwe richtingenstrijd ontbrand. Er was al een richtingenstrijd tussen full-frame en crop-camera’s. Full-frame-fanaten zweren bij de superieure kleurkwaliteiten van hun dure Nikons of Canons en zeulen met plezier hun kilo’s zware teleobjectieven door de natuur. Nu is er de richtingenstrijd tussen de moderne bezitters van four-thirds systeemcamera’s, de handzame Olympus- en Sonymodellen, en de conservatieve fotografen die aan hun spiegelreflexen vasthouden. De bezitters van systeemcamera’s brengen een bont mengsel van argumenten naar voren voor hun keuze: het gewicht van de camera, de kwaliteit van de software, het gemak van live-view-fotografie, etc. Dat zijn allemaal geldige argumenten, maar daarmee is de systeemcamera niet altijd de beste keuze.

Vier opties

Er zijn meer mogelijkheden:

  1. De beste kleinbeeldcamera van het moment is een spiegelloze full-frame (beste kleurkwaliteit en gevoeligheid, superieure auto-focus) camera, de Nikon Z7. Een nadeel: er zit een prijskaartje van €3849 aan (alleen body). Het gewicht is niet hoger dan van een DX-camera. De lenzen zijn wel zwaar.
  2. Gaat het om superieure beeldkwaliteit, maar is de Z7 toch te duur, neem dan een full-frame spiegelreflex, bijvoorbeeld een Nikon D810 voor € 2900 (body) of een goedkoper model. Hij is dan wel weer zwaarder dan de Z7. Ook de lenzen zijn zwaar.
  3. Wil je een lichte camera van hoge kwaliteit, koop dan een four-thirds systeemcamera zoals de Olympus EM-1 Mark 2, voor € 2259 inclusief objectief. Je neemt door de kleinere sensor (cropfactor 2) enig kwaliteitsverlies (vooral bij slecht licht) voor lief en je mist de artistieke mogelijkheid van lage scherptediepte van camera’s met grotere sensor. Het stroomverbruik is hoger dan van een spiegelreflex.
  4. Is het gewicht geen probleem en wil je iets minder geld uitgeven aan body en objectieven, dan is een DX-camera (cropfactor 1,5) een uitstekend compromis. Voor iets meer dan € 1000 heb je al een D7200 mét objectief.

De vaardigheid van de fotograaf

Met al deze camera’s (en zelfs met nog veel goedkopere compactcamera’s) kan je uitstekende foto’s maken. De vaardigheid van de fotograaf, niet de camera geeft de doorslag. Geen enkele soort camera is per definitie beter dan een andere. Het hangt er maar van af wat je wilt en hoeveel geld je hebt. Als ik veel geld had, kocht ik morgen nog een Z7. Gewoon de beste kwaliteit die er bestaat. Maar of ik dan ook betere foto’s maak? Ik weet het niet.

 

PS

Ik heb intussen een D610 (full frame) voor niet te veel geld erbij gekocht. Dit model gaat er binnenkort uit en een body is voor minder dan €700 te koop, tot voor kort de prijs van een occasion. Nu kan ik mijn oude 50 mm F/1.4 (!!) weer gebruiken om mooie foto’s met fantastisch vage achtergronden te maken. Voor het gewone werk heb ik er nog een 24-85  lens bij gekocht. Was dit nodig? Nee, maar wel leuk. Nu nog goede foto’s maken.

Is er leven vóór de dood?

Een onzinnige vraag

De vraag “is er leven na de dood?” schijnt nogal wat mensen bezig te houden. Mij niet. Wat een onzin. Natuurlijk is er geen leven na de dood. Logisch, want dood is gedefinieerd als de afwezigheid van leven. Een veel interessantere vraag is naar het leven vóór de dood. Biologisch gezien is iedereen die nog niet dood is in leven. Als ik dan toch de vraag stel “is er leven vóór de dood”, dan bedoel ik of dat leven zodanig de moeite waard is dat we niet onmiddellijk uitroepen “dit is geen leven!”

Het Zwitserleven

Op pad met de vogelwerkgroep

Veel mensen, die minder verwend zijn dan ik, zijn niet erg enthousiast over het leven tijdens hun werkzame bestaan. Ploeteren voor een vervelende baas zonder de waardering die je verdient, alleen maar omdat er brood op de plank moet komen en je een overstap naar een andere baas of een avontuurlijk ZZP-er-bestaan niet aandurft. Maar dan komt het grote moment van de pensionering niet lang na je 65e verjaardag. Het werkende bestaan was dan misschien geen leven, maar nu gaat het echte leven weer beginnen, misschien wel het Zwitserleven. Je wordt lid van vijf verenigingen, doet wat vrijwilligerswerk, koopt eventueel een kampeerbus, geeft je weer op voor teken- en muzieklessen, maar met de sport doe je het wat rustiger aan, want de gewrichten en spieren zijn al wat versleten en gekrompen. Het leven dat een jaar of 35 op stand-by heeft gestaan, kan aangezet worden!

Het leven vóór de dood

Tijd voor natuurfotografie …

Ik kan me bij al dat enthousiasme over het leven na de pensionering, of laten we het bij een treffendere naam noemen, het leven vóór de dood, niets positiefs voorstellen. Ik vind het verschrikkelijk. Jaren lang ontwikkel je je ervaring, je reputatie, je overtuigingskracht en al het plezier dat daarbij hoort en dan de kampeerbus in om te genieten van het Zwitserleven. Wat een totaal mensonwaardige onzin!

Ik heb vooral vanaf het moment dat ik met een eigen adviesbureau ben begonnen met heel veel plezier ideeën ontwikkeld, projecten op de rails gezet en zelfs belangrijke organisaties helpen opzetten.

Tijdens de grote katoenconferentie in Brazilië (2006)

Dat was niet altijd ‘leuk’ en ontspannend, maar het gaf wel heel veel voldoening en waardering van anderen. Ik heb dat tot rond mijn 68e verjaardag volgehouden en daarna ging het toch stap voor stap in de richting van een minder intensief arbeidsbestaan en meer tijd voor hobby’s als muziek maken, vogels kijken en fotograferen. Daar is niets mis mee. Maar op het moment dat mijn leven uitsluitend nog uit vrije tijd bestaat, excursies met de vogelclub, vioollessen, fotocursussen en dergelijke, voel ik een enorme leegte. Deze hobby’s geven mij lang niet de voldoening van het werk waar ik goed in was en nog steeds ben.

Mijn antwoord

presentatie in Hamar (Noorwegen, 2008)

Mijn persoonlijke antwoord op de vraag “is er leven voor de dood” is positief zolang het mij lukt ook de komende jaren een deel van mijn tijd door te gaan met waar ik echt goed in ben. Dat is niet muziek, fotografie of veldbiologie. Dat is het werken aan duurzame ketens in internationale industriële netwerken. Dat is ook schrijven van verhalen  en rapporten (in het Engels, Duits en Nederlands), het houden van lezingen, het organiseren en leiden van moeilijke bijeenkomsten (ook in het Duits of het Engels). Kortom, ik ben de komende tijd nog wel eens achter de computer, aan de telefoon, in de trein  of het vliegtuig, aan de vergadertafel of achter het spreekgestoelte aan te treffen.

Bij nader inzien …

Dat was in 2018. Nu is het meer dan twee jaar later. Het is toch iets anders gelopen dan ik toen dacht. Daarbij hebben Corona en mijn persoonlijke gezondheidsprobleem in 2020 zeker een rol gespeeld. Ik ben inmiddels, meer dan ik voor mogelijk hield, een gepensioneerde geworden. Ik houd me wel zeer intensief bezig met muziek, fotografie en talen. Veel werk doe ik niet meer…. Zie hiervoor een recentere blog. Zie ook deze blog uit 2022.

Naar Hoge Veluwe, Biesbos en Schier (1965-1966)

Bij de NJN

In het schooljaar 1964-1965 was ik 16 jaar. Ik had in de vierde klas van het gymnasium moeten zitten, maar ik was om verschillende vreemde redenen in de derde klas blijven zitten en deed het jaar dus over. Dat had ook voordelen. Ik had zeeën van tijd en ik zat in de klas met twee NJNers, Eric Gerding en Aart Noordam. Zij maakten mij enthousiast voor het lidmaatschap van de NJN afdeling Wageningen en vroegen mij een keer mee te gaan op excursie naar de Hoge Veluwe. Ik vond het fantastisch: leuke mensen, prachtige natuur, vrijheid en avontuur.

Op excursie

Mijn impressie van de Blauwe Kamer

In het schooljaar 1965-1966 werd ik lid van afdeling Wageningen en daarmee ook van district 9 (DIX) van de NJN. Vanaf dat moment ging ik elk weekend mee op excursie, soms wel zowel op zaterdag als op zondag en daarna maakten Aart en ik nog onze privé-tochten door de natuur. Ik had van mijn spaargeld een kijker gekocht. Later kocht ik ook een paar prachtige lieslaarzen, waarmee je honderden meters het Veluwemeer in kon lopen zonder nat te worden (zie ook label HEKA hieronder). Wij fietsten zelfs met die dingen aan. Ik ben dat schooljaar wel meer dan 23x op excursie geweest.

 

Vogels langs de Knardijk

De nadruk daarbij was op vogels, vooral watervogels in de Blauwe Kamer, in de Rijnuiterwaarden en langs de Knardijk. Een hoogtepunt was het HEKA (herfstkamp), van 31 oktober tot 3 november 1965. Ik herinner me de lange fietstochten langs de Knardijk naar het toen nog rudimentaire Lelystad – een paar huizen voor de werknemers van de Zuiderzeewerken en een simpele kantine: kantine Lelystad van E.J. Splinter. Op weg naar Lelystad aten we onze dik gesneden boterhammen op. Frits Boerwinkel had een literblik appelmoes bij zich. Ik was onder de indruk van de manier waarop hij dat ding met een zakmes opensneed. Vervolgens belegden wij onze boterhammen daarmee, terwijl wij ondertussen over het water naar langs vliegende vogels speurden.

Ik herinner mij de gigantische hoeveelheden watervogels. In mijn notities uit die tijd lees ik: 400 wintertalingen, 88 krakeenden, 600 pijlstaarten (met een vraagteken daarbij) en 800 slobeenden. Ook wordt er melding gemaakt van 200 graspiepers, 5 kepen en 10 kneutjes elders die dag. Ook fietsten en wandelden wij langs het Veluwemeer ten Noordoosten van Harderwijk in de buurt van Hulshorst (strand Hoophuizen). Op 1 november zouden wij bij Hoophuizen 2000 pijlstaarten en 1500 slobeenden gezien hebben. Zou dat werkelijk zo geweest zijn? Of waren we gewoon 15- tot 17-jarige opscheppers? Iets verderop deden we de waarneming van ons leven: 500 krooneenden bij een mooie ondergaande zon. We zijn de volgende ochtend nog eens gaan kijken en toen dreven er nog zeker 450 volgens mijn aantekeningen. Ook stond daar een eenzame flamingo in het water! Toen nog bijzonderder dan nu, denk ik.

Mijn aantekeningen van december 1965 (Knardijk etc.)

Verdwaald in de Biesbos (1966)

Een ander hoogtepunt was het PAKA (paaskamp) van 1966 (vanaf 10 april). Op 12 april roeiden we van het haventje van Drimmelen via de sloot van St. Jan naar de Turfzakken en de Visplaat. Het was nog een behoorlijk ruig gebied en de tochten door de kreken waren, vooral ook door het wisselende tij, heel avontuurlijk. Ik lees in mijn aantekeningen van die dag:

 

Labels van HEKA 1965 (blokfluit) en PAKA 1966 (lieslaarzen)

“Na een eind Amer weer naar de overkant een gat in. Hier bij donker worden verdwaald in de wildernis. Vele kreken onbevaarbaar. Bij opkomend tij tegen de stroom terug naar de goede weg. Succesvolle tocht naar het gat van St. Jan. Over de Spijkerboor op de Oostkil, ’t laatste eind stroom mee. … … 22.15 thuis in het kamp.” Waar dat kamp precies was, weet ik allang niet meer. Mijn aantekeningen leveren overigens uitsluitend informatie over de vogels en helemaal niet over de mensen die bij mij in de roeiboot zaten. Foto’s maakte ik in die tijd nog niet.

Eenzaam insectenonderzoek

Nog voordat ik bij de NJN kwam, had ik een belangstelling voor insecten, vooral loopkevers ontwikkeld. Dat was meer mijn privé-project. Ik had in het bos vlakbij huis, de Sysselt, conservenblikken (voorzien van gaatjes voor waterafvoer) ingegraven en die controleerde ik regelmatig op gevangen kevers. Soms zaten er vrij veel kevers in (heel veel van de zeer algemene soort Pterostichus niger, maar ook andere die maar moeilijk te determineren waren) en soms heel weinig. Ik ben toen uit de krant allemaal gegevens gaan verzamelen over temperatuur, luchtdruk, regenval, etc. Ik vermoedde bepaalde verbanden tussen deze gegevens en mijn keveractiviteit. Toen ik dat aan een van mijn mede-NJNers vertelde, zei hij: “je moet dat in ons afdelingsorgaan De Kemphaan publiceren”. Mijn antwoord was duidelijk: “Zolang ik wetenschappelijk nog niets bewezen heb, publiceer ik ook niets.”

De nadruk lag bij mij steeds meer op vogels. Vogels, vooral grote vogels in de herfst en winter, hebben het voordeel dat ze goed zichtbaar en goed herkenbaar zijn, in tegenstelling tot die rotinsecten, waar je met een vergrootglas naar de aanwezigheid van een of twee stipjes naast de inplanting van de voelspriet of iets dergelijks moet speuren.

ZOKA Schier I 1966

 

Het ZOKA-programma 1966 (klik op figuur)

Toch heb ik nog één poging gewaagd de wonderen van de insectenwereld te ontsluiten. Ik had mij opgegeven voor het ZOKA Schier I (“gespecialiseerd op insecten”) van 15 tot 25 juli 1966. Ik er op een gammele brommer naar toe. Onderweg had ik een paar keer technische problemen. Ik overnachtte bij een kennis van mijn moeder in Groningen en de volgende dag voer ik uit Zoutkamp naar Schiermonnikoog. Tot 1969 vertrok daar de boot. Pas toen de Lauwerszee was afgesloten, werd Lauwersoog de vertrekhaven.

 

Broscus cephalotes
Broscus Cephalotus (https://no.wikipedia.org/wiki/Sandgravere#/media/File:Broscus_cephalotes_oberseite.jpeg

Van het kamp zelf herinner ik me niet zo heel veel. Kevers determineren was best moeilijk. Mijn aantekeningen vermelden dat ‘Broscus cephalotes’ (‘dikkopzandgraver’)  er algemeen was, inderdaad een vrij normaal beestje in kustgebieden. Ik herinner me dat ik met enige jaloezie keek naar fotografen in het bezit van dure spiegelreflexen, tussenringen en wellicht ook macro-objectieven die die kleine rotbeestjes in de duinen fotografeerden.

Ik herinner me ook dat ik me wat vreemd voelde in deze NJN-cultuur met zijn eigen woorden en uitdrukkingen zoals ‘ritselen’ (even gaan pissen), ‘tijgeren’ (naar de ‘tijger’, de buiten-WC, gaan), ‘preu’ (stamppot), ‘wagensmeer’ (appelstroop), ‘technicolor’ (vruchtenhagel) en ‘hupsen’ (volksdansen). Nu was ik, geloof ik, geen groot liefhebber van ‘hupsen’.

Image result for wees wijs met de waddenzee

Op 18 juli gingen we naar de tentoonstelling “Wees Wijs met de Waddenzee”. Er waren in die tijd nogal rampzalige plannen voor een vaste oeververbinding met Ameland en er bestond de (gegronde) vrees dat dit de eerste stap kon zijn naar de inpoldering van de Waddenzee. Waarschijnlijk op de terugweg van het ZOKA deelden wij folders uit op de boot en gingen wij met toeristen in gesprek. Ik herinner me dat ik geschokt was door reacties als “Als de hoge heren in Den Haag het van plan zijn, dan heeft het helemaal geen zin om te protesteren. Die luisteren toch niet en drijven hun zin door”. Wij waren het hier helemaal niet mee eens en zetten ons actief in voor het behoud van de Waddenzee.

De Vereniging tot Behoud van de Waddenzee was in die tijd net opgericht (in 1965 op initiatief van een 16-jarige natuurliefhebber) en in 1971 maakte de regering bekend de Waddenzee te willen behouden. Ik zelf werd in 1966 lid van ‘Natuurmonumenten’ en in 2016 kreeg ik een lepeltje toegestuurd omdat ik 50 jaar lid was.

In het bestuur

In het schooljaar 1966-1967 werd ik nog actiever als lid van het NJN-bestuur afdeling Wageningen, waar ik verantwoordelijk werd voor het afdelingsorgaan ‘De Kemphaan’, maar daarover heb ik al in een ander blog geschreven.

P.S. over NJN-taal

Op https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/5491/hupsen-met-de-njn.html  vind ik:

"(Voorbeeld van een zin uit het verslag van een Four (bevoorrader): ‘Een aantal klunzen uit Labla kreeg last van slingertijger na het eten van bedorven bekklem, daardoor ontstond er een tekort aan tijgerfilm. De technicolor was al op.' Vertaling: Een aantal beginners van de afdeling Laren-Blaricum kreeg last van diarree na het eten van bedorven pindakaas, daardoor ontstond er een tekort aan wc-papier. De gekleurde hagelslag was al op.)"

NJN 1965-2018

Terug naar Wageningen-Hoog

Op 7 oktober 2018 neem ik de afslag Wageningen op de A12 en via Bennekom rijd ik naar Wageningen-Hoog en verder naar Renkum. Om half elf parkeer ik mijn auto tegenover het Informatiecentrum Renkums beekdal. Ik moet achter het dit informatiecentrum zijn, bij het Mussennest.

Ina Pons spreekt reünisten toe

Ik meld mij bij de tafel met naamkaartjes aan. Mijn naam ligt klaar. Ik kom hier voor de reünie van de afdelingen Wageningen, Arnhem, Nijmegen en Tiel van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. Rond 1965, 53 jaar geleden, werd ik lid. Vandaag zie ik meteen bekende namen op de naamkaartjes en tenslotte ook bekende gezichten, hoewel ik soms even moet kijken.

Annelies van Gijsen, Hein Pons, Ina Pons …

De mensen die in 1965 15 waren, zoals Hein Pons, Marja Kuiper en Jaap Wiertz zijn inmiddels 68. Even zie ik hen vooral als oude mensen, maar zodra ik de gezichten en de stemmen weer herken, lijkt niemand echt veranderd te zijn, ook Annelies van Gijsen niet, die als 65-jarige fris gepensioneerd uit Antwerpen naar Wageningen is teruggekeerd. Met mensen als Annelies en Hein had ik in mijn Utrechtse studenten tijd regelmatig en soms intensief contact.

Terug naar 1964-1968

Eric Gerding 2018

Ik zie ook Eric Gerding met wie ik in 1964 in de derde klas van het gymnasium zat samen met een andere actieve NJN-er, Aart Noordam, die er vandaag niet is. Eric en Aart hebben mij indertijd overgehaald om lid te worden. Na een proefexcursie naar de Hoge Veluwe, heb ik meteen ja gezegd. Ik heb daar geen moment spijt van gehad. Zie ook mijn eerdere blog: zestig jaar vogelen.

1964: 3 gymnasium Marnix College Ede: midden boven Eric Gerding, daarnaast Reinier de Man, derde van rechts Aart Noordam

Voor mij was de NJN een mogelijkheid om even te ontsnappen uit de benauwende huiselijke kring en even iemand anders te zijn. Ik werd een enthousiast vogelaar. Ik hield me ook met kevers bezig, maar voor de determinatie ervan beschikte ik niet over het noodzakelijke geduld en ook niet over de noodzakelijke literatuur. Met mensen als Frits Boerwinkel of Albert van den Brink fietsten wij met laarzen aan via Harderwijk over de Knardijk naar Lelystad in aanleg en zagen onderweg baardmannetjes, middelste zaagbekken en krakeenden. Ik herinner me schitterende excursies door het binnenveld, naar de blauwe kamer en zelfs helemaal naar de Biesbosch.

Drie bestuursleden van toen in 2018: Reinier, Jaap en Hein

Op 22 oktober 1966 vond in de Kelder van de familie Tjallingii de AV plaats en werd een nieuw bestuur gekozen. Hein Pons werd voorzitter in ik werd ‘Redac’, redacteur van het verenigingsblad ‘De Kemphaan’. Andere functies waren NS: Jaap Wiertz, ADM: Marja Kuiper, LZF: Marlies v.d. Vaart. 52 jaar later poseren Hein, Jaap en ik voor een foto.

Excursie 2018

Ouwe-sokken-excursie 2018

Het is die dag prachtig weer en we genieten van een goede lunch buiten het restaurant ‘De Beken’. Daarna is er een interessante excursie door het Renkums beekdal, waar de oude industrie (Van Gelder papier, etc.) plaats gemaakt heeft voor natuurontwikkeling. Voordat iedereen naar huis gaat, is er koffie, thee en een overdadige keus uit heerlijk gebak. Ik heb interessante gesprekken onder meer met Ingrid Petiet, Pieneke Wiertz en Ina Pons.

Naar Amsterdam!

Tijdens de reünie werp ik de vraag op waar het archief van de afdeling Wageningen gebleven zou kunnen zijn. Het antwoord luidt dat althans een deel van het archief zich in Amsterdam bevindt bij het International Institute  of Social History IISH. Het is interessant voor mensen die de geschiedenis van de Nederlandse groene jeugdbeweging willen bestuderen. De volgende dag ga ik naar de IISH-website waar ik de archieven kan reserveren om te komen bestuderen. Als ik op dinsdag in de trein naar Amsterdam zit, ben ik heel benieuwd wat ik daar aan zal treffen. Vanaf het centraal station neem ik de bus naar de Veelaan. Na een minuut lopen sta ik bij het mooie instituut. Vriendelijke mensen geven mij de archiefdozen. Met kloppend hart doe ik ze open. Terug naar meer dan 50 jaar geleden. Exemplaren van de ‘Kemphaan’, waarvoor ik als ‘Redac’ verantwoordelijk was, vind ik helaas niet.

Geroutineerde parlementariërs van 16 jaar oud

Wel vind ik een grote verzameling stukken behorende bij jaarvergaderingen, zoals notulen van de jaarvergadering, verslag van de voorzitter, verslag van de secretaris, verslag ‘Ping’ (= penningmeester), verslag keldercommissie, ledenlijsten, verslagen van bestuursvergaderingen, ingekomen brieven, etc. Vooral interessant zijn de vele moties die tijdens de AV werden ingediend, waarover gestemd werd en die dan werden aangenomen dan wel verworpen. Uit het vergeelde archief komt een goed ontwikkelde vergadercultuur naar voren. De AV was als een levendig parlement met ellenlange discussies over moties, inclusief moties van wantrouwen en voorstellen voor alternatieve bestuursleden. Daarbij moet je bedenken dat de geroutineerde parlementariërs hier hooguit zestien jaar oud waren, zoals Eric Gerding en Jaap Wiertz op de AV van 22-23 oktober 1966. Ik keek in die tijd heel erg op tegen mensen als Eric en Jaap, die als volleerde politici in statements van een half uur of langer met mooie correct geformuleerde volzinnen hun standpunten konden verdedigen in de vergadering.

De AV van 22 oktober 1966

Een greep uit het verslag. Na een opsomming van onproblematisch verlopen agendapunten lezen we:

“Hierna kwam echter de grote ramp, dat in de agenda als verslag NS stond. Het leek echter meer op een foldertje van de morele herbewapening en dan nog een slechte. Het werd dan ook niet geaccepteerd, zelfs niet door enkele leden van het bestuur.
Het verslag moest in de pauze overgeschreven worden.
Na de sjok waarnaar de AV al protesterend gevraagd had in een voortreffelijk koor o.l.v. Martien Bouman, en het hupsen kwamen eerst het verslag van de schuilhutcommissie en dat van de nestkastcommissie aan de beurt. Beide waren een klaagzang over de geringe belangstelling.
Hierna werd het verslag NS, dat nu in telegramstijl gesteld was, weer onder vuur genomen. Dit werd echter niet getolereerd en het moest nogmaals over. Dit bleek de laatste maal te zijn, maar ze stond niet op papier. Doch nu bracht de taperecorder uitkomst. Deze had het verslag geregistreerd en in die vorm zou het in de kemphaan gepubliceerd worden; hetgeen in het november/december nummer geschied is. Het beleid bestuur kwam nu echter in verdrukking. Volgens enkelen (die het goed wisten) kon het niet goedgekeurd worden. Desondanks is het na stemming erdoor gesleurd met de toezegging dat in het NS verslag na publicatie nog wijzigingen zouden kunnen worden aangebracht op verzoek van de leden.
Het punt verkiezing bleek overboding. Voor de vz-functie, waarvoor nog niemand was, werd door het AV Hein Pons voorgesteld, waarmee het bestuur volledig akkoord ging, allang blij dat er iemand was. Zodoende ruilden Pineke Wiertz en Hein Pons van plaats (vz); hetzelfde deden Aart Noordam en Jaap Wiertz (ns); ondergetekende en Marja Kuiper (admin.); Ernst Boerwinkel en Reinier de Man (redak.) en Albert v.d. Brink en Maries v.d. Vaart (lzf).”
Het bestuur 1966-1967: Marlies, Marja, Hein, Jaap, Reinier

Er waren die vergadering nogal wat moties. Eén motie (ik geloof, gezien het handschrift, dat ik de auteur was) verzocht om een heiligverklaring van het oude bestuur met de volgende tekst:

“Stemgerechtigde leden van de afdeling Wageningen van de Ned. Jeugdbond voor Natuur studie, in vergadering bijeen op 22 oktober 1966 te Wageningen, zijn van mening dat het aftredende bestuur heilig verklaard moet worden, alvorens in de duistere geschiedenis te verdwijnen”, ondertekend door o.a. Hugo Besemer, Rinse Wassenaar, Frits Boerwinkel, Rietje …, Matthieu Witmondt en Reinier de Man . De motie werd verworpen.

Interessant is hoe lang dit soort vergaderingen konden duren. De vergadering werd op 23 oktober om 2:30 in de ochtend gesloten. Het verslag vermeldt:

“Op 23 oktober te 2.30 werd de vergadering gesloten door het hoofd van Hein dat samen met de hamer door de slaap op de tafel neerdreunde. Vermeldenswaardig is het nog dat er ondanks de dreigementen geen politie verschenen is en dat de vele fotoenthousiasten die dachten het plaatje van hun leven te schieten teleurgesteld hun apparatuur weer opborgen.”

Redac Reinier de Man

Na de vergadering van 22-23 oktober 1966 werd ik dus Redac, belast met het uitgeven van ‘De Kemphaan’. Ik herinner me hoe ik de kopij overtypte op grote stencilbladen met de oude krakkemikkige afdelingstypmachine. Plaatjes overbrengen was wat moeilijker. Dat ging met speciale pennetjes en rollers voor arcering. Een spoedcursus hierin kreeg ik door een artikelenserie van Hein Pons over de sterren en planeten. Bij het tekenen van ronde of ovale planetenbanen dreigde soms een eivormig deel uit het stencilblad te vallen, maar met stippellijnen bleef de zaak heel. Af en toe veroorzaakte ik negatieve opwinding als ik een stuk te zeer redigeerde, d.w.z. het Nederlands grammaticaal aanpakte. Dan kreeg ik emotionele kritiek als “Wat er stond, is NJNs, dat mag je niet zomaar veranderen …”. Blijkbaar was ik te laat bij deze club gekomen, om de ongeschreven regels aan te voelen. Bovendien was ik zo elitair opgevoed dat ik nauwelijks normaal Nederlands kende. Daarvan getuigen ook de stijve brieven van mezelf die ik in het archief vond. Op 21 oktober 1967 zat mijn ambtsperiode er weer op en moest ik in de AV verslag uitbrengen.

De voorzitter (Hein Pons) was positief over de Kemphaan in zijn jaarverslag:

De Kemphaan, ons afdelingsblad, verscheen vrij regelmatig om de ±1¼ maand. Hij zag er (behoudens het feit dat sommige letters verzakten en niet goed doorkwamen) verzorgd uit. Midden in het jaar kwamen de activiteiten van de afdeling tot uiting in een Kemphaan van 14 pagina’s. … …”.

Zo te zien was de AV toch niet helemaal tevreden met mijn verslag. Een schriftelijk verslag van mijn hand heb ik niet gevonden, maar in de notulen van de AV lees ik:

“Verslag van de redac. Hier was veel op aan te merken. Dit bewees de motie wel die er binnen kwam. De A.V. vond dat iedere NS, Redac, DBer en belangstellende HBer een Kemphaan moest krijgen. Dat is het afgelopen jaar niet gebeurd of weinig. De meeste Kemphanen waren wel fijn. Ook dit verslag werd goedgekeurd.”

De stencils voor de Kemphaan werden steeds aan het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek in Wageningen ter verwerking gegeven. Ooit had ik aan de vader van een klasgenoot, die bij het IPO werkte, gevraagd de gestencilde Kemphaan van het IPO naar Ede mee te nemen. Met een kritische blik zei hij: “O, ik wist niet dat dat hier gebeurde. Vooruit dan maar.” Vanaf dat moment verkeerde ik in de veronderstelling dat dit illegaal was en dat het maar goed was dat die man de zaak niet had aangekaart bij het IPO. Maar nu vind ik in het Amsterdamse archief keurige nota’s aan Mej. M. Kuiper. Voor het stencilen van 1055 vel rekende het IPO in 1967 f 21,10 = 0,2 cent per pagina. Niet duur, maar we betaalden wel netjes de rekening.

Moties, moties, moties

In de oude stukken vind ik veel interessante moties, niet allemaal inhoudelijk interessant, maar opvallend door de formeel-bureaucratische stijl ervan. Voorbeeld (motie 25 april 1967):

“Wij ondergetekenden, stemgerechtigde leden der njn afdeling Wageningen, spreken onze verontrusting uit over het feit dat wij op vroege excursies zelden afdelingsbestuursleden aantreffen. Wij verzoeken daarom het AB een verklaring af te legen aangaande deze nalatigheid. Wij vragen ons af of dit te wijten is aan een verregaande luiheid, of dat het AB over zodanige telepatische gaven beschikt dat zij vanuit hun bed kunnen beoordelen of de vroege excursies de doelstellingen van de Bond, zoals beschreven in artikel 2 en 3 van de bondsstatuten, nageleefd worden met de daartoe geëigende middelen. Wij verwachten van het AB dat deze verklaring in de eerstvolgende uitgave van het afdelingsorgaan geplaatst wordt. … …” (ondertekend door o.a. Eric Gerding, Aart Noordam, Pieneke Wiertz, Frits Boerwinkel).

Motie met verzoek het NS-verslag opnieuw voor te lezen (22 okt. 1966)

Waar hadden die 16-jarigen zulk bureaucratisch geleuter geleerd? Waarschijnlijk in de NJN zelf. En zo vond ik nog tal van grappig en minder grappig bedoelde moties, zoals deze motie op de vergadering van 15 september, die ik zelf had ondertekend:

Afgekeurde motie over de drie roodharige/baardige oppositieleden …

“Wij stemgerechtigde leden der NJN afd. Wageningen in vergadering bijeen in de kelder van Marterlaan 10 te Wageningen-Hoog, gem. Wageningen, op 15 september 1968, vinden dat de vergadering niet genoeg in het openbaar gevoerd wordt en veroordelen het feit dat drie roodharige en/of baardige oppositieleden de enigen zijn die beschikking hebben over een tafel.”

De motie werd afgekeurd.

Mijn actieve NJN-tijd was voorbij

Blijkbaar was ik aanwezig op deze vergadering, maar mijn rol was al uitgespeeld nadat ik in september 1967 van Ede naar Bilthoven was verhuisd. Mijn brief van 18 september 1967, die ik in het archief aantref, stemt mij zelfs nu nog een beetje droevig. In onderkoeld, formeel Nederlands schrijf ik:

“… … Zoals je ziet is deze brief afkomstig uit Bos en Duin bij Bilthoven dat ik sinds enkele weken mijn woonplaats kan noemen. Hoewel dit niet zo ver van Wageningen ligt, zal het toch niet meer zo vaak zijn dat ik op vergaderingen aanwezig kan zijn. Dit is vooral lastig, zolang er nog geen definitief nieuw bestuur gekozen is. Jammer genoeg kan ik de reglementsvergadering die geachte Eric G. in onze maag gesplitst heeft niet bijwonen. Maar hierover valt ook niet meer zoveel te zeggen omdat eigenlijk (misschien niet geheel volgens de regels) het reglement allang aangenomen is. … …”.

Achteraf gezien was die verhuizing van Ede naar Bilthoven een grote fout. Weliswaar ontvluchtte ik bepaalde problemen thuis, maar ik was in een klap mijn sociale leven kwijt. Ik was het contact met mijn klasgenoten in Ede kwijt en deed examen op een andere school in een vreemde omgeving. De NJN, die voor mij op dat moment heel belangrijk was, viel ook nog eens weg. Toen ik na mijn Bilthovense tijd in Utrecht ging studeren, kon ik gelukkig met veel NJNers het contact vernieuwen en verstevigen. Jammer alleen dat ik  scheikunde was gaan studeren en al mijn vrienden biologie.

P.S. 1
Voor foto’s zie https://rdeman.nl/photos/index.php?/category/275 (ID=want2018, wachtwoord is gelijk aan het wachtwoord voor deze pagina)

P.S. 2
Tijdens een opruiming van onze vliering vond ik meer dan een hele jaargang kemphanen: Scans van de kemphaan

Een verzoek

Wie heeft er nog foto’s uit die tijd van excursies en/of AVs? Ik houd mij aanbevolen om ze hier op te nemen of er een website van te maken.  Graag aan reinier@rdeman.nl . Ook correcties/aanvullingen op dit verhaal zijn welkom. Dank!

____

 

Naar (Noord) Ierland

Eerste poging mislukt

Oorspronkelijk zouden wij op maandag 16 juli naar Dublin vliegen en dan een rondreis maken via Donegal, Connemara en County Clare met een paar nachten in Dublin als besluit. Het heeft niet zo mogen zijn. Petra brak haar pols op de donderdag voor de vakantie en werd geopereerd op de dinsdag daarna. Door dit ongeluk en door familieomstandigheden moesten wij de geplande vakantie afzeggen.

Toch naar Ierland

Begin augustus zijn we dan toch nog naar Ierland gegaan. Twee weken naar uitsluitend het Noorden, zowel naar de Republiek (Donegal) als naar het Britse Noord Ierland. Ik had rustige plekken geboekt (B&B’s en hostels) die ik grotendeels al kende. Geen enkele verrassing. Ik wist wat we konden verwachten: vriendelijk mensen, mooie uitzichten over de zee en genoeg pubs voor een pint Guinness of fish & chips. We hadden een auto gehuurd. Ik was de enige chauffeur, want Petra’s pols moest nog herstellen. We zijn een heel aantal dagen in hostels verbleven, waar we zelf konden koken. Ik was de enige kok. Zelfde verhaal.

RM3_9126.jpg
Het kiezelstrand bij Scraig (Arranmore)

Voor foto’s zie mijn foto-site.

Blogs over onze Ierse vakantie 2018

Hier geen letterlijk verslag van onze vakantie, maar een viertal verhaaltjes die de sfeer goed weergeven.