Is er leven vóór de dood?

Een onzinnige vraag

De vraag “is er leven na de dood?” schijnt nogal wat mensen bezig te houden. Mij niet. Wat een onzin. Natuurlijk is er geen leven na de dood. Logisch, want dood is gedefinieerd als de afwezigheid van leven. Een veel interessantere vraag is naar het leven vóór de dood. Biologisch gezien is iedereen die nog niet dood is in leven. Als ik dan toch de vraag stel “is er leven vóór de dood”, dan bedoel ik of dat leven zodanig de moeite waard is dat we niet onmiddellijk uitroepen “dit is geen leven!”

Het Zwitserleven

Op pad met de vogelwerkgroep

Veel mensen, die minder verwend zijn dan ik, zijn niet erg enthousiast over het leven tijdens hun werkzame bestaan. Ploeteren voor een vervelende baas zonder de waardering die je verdient, alleen maar omdat er brood op de plank moet komen en je een overstap naar een andere baas of een avontuurlijk ZZP-er-bestaan niet aandurft. Maar dan komt het grote moment van de pensionering niet lang na je 65e verjaardag. Het werkende bestaan was dan misschien geen leven, maar nu gaat het echte leven weer beginnen, misschien wel het Zwitserleven. Je wordt lid van vijf verenigingen, doet wat vrijwilligerswerk, koopt eventueel een kampeerbus, geeft je weer op voor teken- en muzieklessen, maar met de sport doe je het wat rustiger aan, want de gewrichten en spieren zijn al wat versleten en gekrompen. Het leven dat een jaar of 35 op stand-by heeft gestaan, kan aangezet worden!

Het leven vóór de dood

Tijd voor natuurfotografie …

Ik kan me bij al dat enthousiasme over het leven na de pensionering, of laten we het bij een treffendere naam noemen, het leven vóór de dood, niets positiefs voorstellen. Ik vind het verschrikkelijk. Jaren lang ontwikkel je je ervaring, je reputatie, je overtuigingskracht en al het plezier dat daarbij hoort en dan de kampeerbus in om te genieten van het Zwitserleven. Wat een totaal mensonwaardige onzin!

Ik heb vooral vanaf het moment dat ik met een eigen adviesbureau ben begonnen met heel veel plezier ideeën ontwikkeld, projecten op de rails gezet en zelfs belangrijke organisaties helpen opzetten.

Tijdens de grote katoenconferentie in Brazilië (2006)

Dat was niet altijd ‘leuk’ en ontspannend, maar het gaf wel heel veel voldoening en waardering van anderen. Ik heb dat tot rond mijn 68e verjaardag volgehouden en daarna ging het toch stap voor stap in de richting van een minder intensief arbeidsbestaan en meer tijd voor hobby’s als muziek maken, vogels kijken en fotograferen. Daar is niets mis mee. Maar op het moment dat mijn leven uitsluitend nog uit vrije tijd bestaat, excursies met de vogelclub, vioollessen, fotocursussen en dergelijke, voel ik een enorme leegte. Deze hobby’s geven mij lang niet de voldoening van het werk waar ik goed in was en nog steeds ben.

Mijn antwoord

presentatie in Hamar (Noorwegen, 2008)

Mijn persoonlijke antwoord op de vraag “is er leven voor de dood” is positief zolang het mij lukt ook de komende jaren een deel van mijn tijd door te gaan met waar ik echt goed in ben. Dat is niet muziek, fotografie of veldbiologie. Dat is het werken aan duurzame ketens in internationale industriële netwerken. Dat is ook schrijven van verhalen  en rapporten (in het Engels, Duits en Nederlands), het houden van lezingen, het organiseren en leiden van moeilijke bijeenkomsten (ook in het Duits of het Engels). Kortom, ik ben de komende tijd nog wel eens achter de computer, aan de telefoon, in de trein  of het vliegtuig, aan de vergadertafel of achter het spreekgestoelte aan te treffen.

Naar Hoge Veluwe, Biesbos en Schier (1965-1966)

Bij de NJN

In het schooljaar 1964-1965 was ik 16 jaar. Ik had in de vierde klas van het gymnasium moeten zitten, maar ik was om verschillende vreemde redenen in de derde klas blijven zitten en deed het jaar dus over. Dat had ook voordelen. Ik had zeeën van tijd en ik zat in de klas met twee NJNers, Eric Gerding en Aart Noordam. Zij maakten mij enthousiast voor het lidmaatschap van de NJN afdeling Wageningen en vroegen mij een keer mee te gaan op excursie naar de Hoge Veluwe. Ik vond het fantastisch: leuke mensen, prachtige natuur, vrijheid en avontuur.

Op excursie

Mijn impressie van de Blauwe Kamer

In het schooljaar 1965-1966 werd ik lid van afdeling Wageningen en daarmee ook van district 9 (DIX) van de NJN. Vanaf dat moment ging ik elk weekend mee op excursie, soms wel zowel op zaterdag als op zondag en daarna maakten Aart en ik nog onze privé-tochten door de natuur. Ik had van mijn spaargeld een kijker gekocht. Later kocht ik ook een paar prachtige lieslaarzen, waarmee je honderden meters het Veluwemeer in kon lopen zonder nat te worden (zie ook label HEKA hieronder). Wij fietsten zelfs met die dingen aan. Ik ben dat schooljaar wel meer dan 23x op excursie geweest.

 

Vogels langs de Knardijk

De nadruk daarbij was op vogels, vooral watervogels in de Blauwe Kamer, in de Rijnuiterwaarden en langs de Knardijk. Een hoogtepunt was het HEKA (herfstkamp), van 31 oktober tot 3 november 1965. Ik herinner me de lange fietstochten langs de Knardijk naar het toen nog rudimentaire Lelystad – een paar huizen voor de werknemers van de Zuiderzeewerken en een simpele kantine: kantine Lelystad van E.J. Splinter. Op weg naar Lelystad aten we onze dik gesneden boterhammen op. Frits Boerwinkel had een literblik appelmoes bij zich. Ik was onder de indruk van de manier waarop hij dat ding met een zakmes opensneed. Vervolgens belegden wij onze boterhammen daarmee, terwijl wij ondertussen over het water naar langs vliegende vogels speurden.

Ik herinner mij de gigantische hoeveelheden watervogels. In mijn notities uit die tijd lees ik: 400 wintertalingen, 88 krakeenden, 600 pijlstaarten (met een vraagteken daarbij) en 800 slobeenden. Ook wordt er melding gemaakt van 200 graspiepers, 5 kepen en 10 kneutjes elders die dag. Ook fietsten en wandelden wij langs het Veluwemeer ten Noordoosten van Harderwijk in de buurt van Hulshorst (strand Hoophuizen). Op 1 november zouden wij bij Hoophuizen 2000 pijlstaarten en 1500 slobeenden gezien hebben. Zou dat werkelijk zo geweest zijn? Of waren we gewoon 15- tot 17-jarige opscheppers? Iets verderop deden we de waarneming van ons leven: 500 krooneenden bij een mooie ondergaande zon. We zijn de volgende ochtend nog eens gaan kijken en toen dreven er nog zeker 450 volgens mijn aantekeningen. Ook stond daar een eenzame flamingo in het water! Toen nog bijzonderder dan nu, denk ik.

Mijn aantekeningen van december 1965 (Knardijk etc.)

Verdwaald in de Biesbos (1966)

Een ander hoogtepunt was het PAKA (paaskamp) van 1966 (vanaf 10 april). Op 12 april roeiden we van het haventje van Drimmelen via de sloot van St. Jan naar de Turfzakken en de Visplaat. Het was nog een behoorlijk ruig gebied en de tochten door de kreken waren, vooral ook door het wisselende tij, heel avontuurlijk. Ik lees in mijn aantekeningen van die dag:

 

Labels van HEKA 1965 (blokfluit) en PAKA 1966 (lieslaarzen)

“Na een eind Amer weer naar de overkant een gat in. Hier bij donker worden verdwaald in de wildernis. Vele kreken onbevaarbaar. Bij opkomend tij tegen de stroom terug naar de goede weg. Succesvolle tocht naar het gat van St. Jan. Over de Spijkerboor op de Oostkil, ’t laatste eind stroom mee. … … 22.15 thuis in het kamp.” Waar dat kamp precies was, weet ik allang niet meer. Mijn aantekeningen leveren overigens uitsluitend informatie over de vogels en helemaal niet over de mensen die bij mij in de roeiboot zaten. Foto’s maakte ik in die tijd nog niet.

Eenzaam insectenonderzoek

Nog voordat ik bij de NJN kwam, had ik een belangstelling voor insecten, vooral loopkevers ontwikkeld. Dat was meer mijn privé-project. Ik had in het bos vlakbij huis, de Sysselt, conservenblikken (voorzien van gaatjes voor waterafvoer) ingegraven en die controleerde ik regelmatig op gevangen kevers. Soms zaten er vrij veel kevers in (heel veel van de zeer algemene soort Pterostichus niger, maar ook andere die maar moeilijk te determineren waren) en soms heel weinig. Ik ben toen uit de krant allemaal gegevens gaan verzamelen over temperatuur, luchtdruk, regenval, etc. Ik vermoedde bepaalde verbanden tussen deze gegevens en mijn keveractiviteit. Toen ik dat aan een van mijn mede-NJNers vertelde, zei hij: “je moet dat in ons afdelingsorgaan De Kemphaan publiceren”. Mijn antwoord was duidelijk: “Zolang ik wetenschappelijk nog niets bewezen heb, publiceer ik ook niets.”

De nadruk lag bij mij steeds meer op vogels. Vogels, vooral grote vogels in de herfst en winter, hebben het voordeel dat ze goed zichtbaar en goed herkenbaar zijn, in tegenstelling tot die rotinsecten, waar je met een vergrootglas naar de aanwezigheid van een of twee stipjes naast de inplanting van de voelspriet of iets dergelijks moet speuren.

ZOKA Schier I 1966

 

Het ZOKA-programma 1966 (klik op figuur)

Toch heb ik nog één poging gewaagd de wonderen van de insectenwereld te ontsluiten. Ik had mij opgegeven voor het ZOKA Schier I (“gespecialiseerd op insecten”) van 15 tot 25 juli 1966. Ik er op een gammele brommer naar toe. Onderweg had ik een paar keer technische problemen. Ik overnachtte bij een kennis van mijn moeder in Groningen en de volgende dag voer ik uit Zoutkamp naar Schiermonnikoog. Tot 1969 vertrok daar de boot. Pas toen de Lauwerszee was afgesloten, werd Lauwersoog de vertrekhaven.

 

Broscus cephalotes
Broscus Cephalotus (https://no.wikipedia.org/wiki/Sandgravere#/media/File:Broscus_cephalotes_oberseite.jpeg

Van het kamp zelf herinner ik me niet zo heel veel. Kevers determineren was best moeilijk. Mijn aantekeningen vermelden dat ‘Broscus cephalotes’ (‘dikkopzandgraver’)  er algemeen was, inderdaad een vrij normaal beestje in kustgebieden. Ik herinner me dat ik met enige jaloezie keek naar fotografen in het bezit van dure spiegelreflexen, tussenringen en wellicht ook macro-objectieven die die kleine rotbeestjes in de duinen fotografeerden.

Ik herinner me ook dat ik me wat vreemd voelde in deze NJN-cultuur met zijn eigen woorden en uitdrukkingen zoals ‘ritselen’ (even gaan pissen), ‘tijgeren’ (naar de ‘tijger’, de buiten-WC, gaan), ‘preu’ (stamppot), ‘wagensmeer’ (appelstroop), ‘technicolor’ (vruchtenhagel) en ‘hupsen’ (volksdansen). Nu was ik, geloof ik, geen groot liefhebber van ‘hupsen’.

Image result for wees wijs met de waddenzee

Op 18 juli gingen we naar de tentoonstelling “Wees Wijs met de Waddenzee”. Er waren in die tijd nogal rampzalige plannen voor een vaste oeververbinding met Ameland en er bestond de (gegronde) vrees dat dit de eerste stap kon zijn naar de inpoldering van de Waddenzee. Waarschijnlijk op de terugweg van het ZOKA deelden wij folders uit op de boot en gingen wij met toeristen in gesprek. Ik herinner me dat ik geschokt was door reacties als “Als de hoge heren in Den Haag het van plan zijn, dan heeft het helemaal geen zin om te protesteren. Die luisteren toch niet en drijven hun zin door”. Wij waren het hier helemaal niet mee eens en zetten ons actief in voor het behoud van de Waddenzee.

De Vereniging tot Behoud van de Waddenzee was in die tijd net opgericht (in 1965 op initiatief van een 16-jarige natuurliefhebber) en in 1971 maakte de regering bekend de Waddenzee te willen behouden. Ik zelf werd in 1966 lid van ‘Natuurmonumenten’ en in 2016 kreeg ik een lepeltje toegestuurd omdat ik 50 jaar lid was.

In het bestuur

In het schooljaar 1966-1967 werd ik nog actiever als lid van het NJN-bestuur afdeling Wageningen, waar ik verantwoordelijk werd voor het afdelingsorgaan ‘De Kemphaan’, maar daarover heb ik al in een ander blog geschreven.

P.S. over NJN-taal

Op https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/5491/hupsen-met-de-njn.html  vind ik:

"(Voorbeeld van een zin uit het verslag van een Four (bevoorrader): ‘Een aantal klunzen uit Labla kreeg last van slingertijger na het eten van bedorven bekklem, daardoor ontstond er een tekort aan tijgerfilm. De technicolor was al op.' Vertaling: Een aantal beginners van de afdeling Laren-Blaricum kreeg last van diarree na het eten van bedorven pindakaas, daardoor ontstond er een tekort aan wc-papier. De gekleurde hagelslag was al op.)"

Naar (Noord) Ierland

Eerste poging mislukt

Oorspronkelijk zouden wij op maandag 16 juli naar Dublin vliegen en dan een rondreis maken via Donegal, Connemara en County Clare met een paar nachten in Dublin als besluit. Het heeft niet zo mogen zijn. Petra brak haar pols op de donderdag voor de vakantie en werd geopereerd op de dinsdag daarna. Door dit ongeluk en door familieomstandigheden moesten wij de geplande vakantie afzeggen.

Toch naar Ierland

Begin augustus zijn we dan toch nog naar Ierland gegaan. Twee weken naar uitsluitend het Noorden, zowel naar de Republiek (Donegal) als naar het Britse Noord Ierland. Ik had rustige plekken geboekt (B&B’s en hostels) die ik grotendeels al kende. Geen enkele verrassing. Ik wist wat we konden verwachten: vriendelijk mensen, mooie uitzichten over de zee en genoeg pubs voor een pint Guinness of fish & chips. We hadden een auto gehuurd. Ik was de enige chauffeur, want Petra’s pols moest nog herstellen. We zijn een heel aantal dagen in hostels verbleven, waar we zelf konden koken. Ik was de enige kok. Zelfde verhaal.

RM3_9126.jpg
Het kiezelstrand bij Scraig (Arranmore)

Voor foto’s zie mijn foto-site.

Blogs over onze Ierse vakantie 2018

Hier geen letterlijk verslag van onze vakantie, maar een viertal verhaaltjes die de sfeer goed weergeven.

 

Golven zonder wind – zeeziek in Ierland

Boottochtjes

Petra op weg naar Inishbofin (1988)

Geen vakantie zonder speciale uitjes. Zo’n uitje is het bezoek aan een museum, het beklimmen van een berg (al dan niet gecombineerd met het overnachten in een berghut), meerijden met een stoomtrein die langzamer rijdt dan een fiets of natuurlijk een boottochtje. Nu hebben we al heel wat boottochtjes meegemaakt vooral ook omdat wij van kust, zee en eilanden houden inclusief de natuur die daarbij hoort. Een van de eerste gezamenlijke tochtjes (en de eerste keer dat ik meemaakte dat Petra zeeziek werd) die ik mij herinner was aan de Ierse Westkust (1988) naar Inishbofin.

Nu zijn dat soort boottochtjes niet alleen maar leuk, soms zijn ze ronduit vervelend, zoals die keer (1996)  dat we over een wilde zee naar de Lofoten voeren. Misselijker dan toen ben ik nooit geweest. Mijn evenwichtsorgaan wist het verschil tussen boven, onder, links en rechts niet meer en mijn maaginhoud kon ik niet meer binnenhouden.  Een paar jaar later, ook in Noorwegen, ging het iets beter tijdens een walvis-safari omdat we pillen hadden genomen, waarvan we wel voortdurend in slaap vielen.

IMG_6714.JPG
Bij Mingulay (2014)

In het meer recente verleden maakten we een prachtige boottocht van Castlebay op Barra (Outer Hebrides, Schotland) naar het verlaten eiland Mingulay. Er was een behoorlijke deining en na een prachtige tocht vlak langs hoge rotswanden met nestelende zeevogels trok Petra toch behoorlijk wit weg. Op het verlaten eiland konden we even bijkomen voordat we weer terugvoeren.

Twee jaar later maakten we een mooie boottocht op de Shetlands naar het vogeleiland Noss. Voorzover ik me kan herinneren een fantastische tocht met veel vogels en verder geen problemen (zie https://rdeman.nl/photos/picture.php?/10801/category/shetork2016 en verder, inloggen vereist).

RM2_4290_20.jpg
Op de ‘Ruby May’ bij Noss (2016)

Arranmore

Op deze vakantie in Donegal  gaan we er optimistisch vanuit dat problemen in het verleden geen enkele garantie zijn voor problemen in de toekomst. Alweer zijn we op een eiland aan de Westkust van Ierland: Arranmore. De eigenaar van onze Bed & Breakfast, Jim Muldowney, heeft een boot en biedt verschillende tochtjes aan. Voordat we die avond (9 augustus) het eiland verlaten, gaan we mee op zo’n tocht. Van de haven aan de Oostkant van het eiland varen we naar Burtonport op het vaste land. Na lang wachten op een medepassagier die eerst bij de verkeerde haven stond, maken we een tocht langs de eilandjes tussen Arranmore en Burtonport (zie https://rdeman.nl/photos/picture.php?/15066/category/Ierland-2018 en verder, inloggen vereist).

RM3_9146.jpg
Ooit was hier industrie en handel

Er was hier indertijd een bloeiende visindustrie en de eilandjes zoals Inishcoo en Rutland waren belangrijk voor de handel. Op Inishcoo woonden in 1861 47 mensen. Tegenwoordig zijn er een paar vakantiehuizen. Jim vertelt in groot detail over het leven op deze eilandjes en geeft toelichting bij de huizen en ruïnes waar we  langs varen. Dan varen we met hogere snelheid weer naar Arranmore en volgen een groot stuk de Oostkust tot aan het uiterste Noorden en nog een stukje richting vuurtoren. We zien nu van de zeekant het kiezelstrand bij Scraig, waar ik de dag daarvoor nog was (zie deze pagina voor een foto). Als de golven het strand op rollen, maakt het strand een ratelend geluid van de rollende kiezelstenen. Naarmate we dichterbij de Noordpunt komen, wordt de deining heftiger. We varen langs hoge ‘cliffs’ en zien de Noordse stormvogels op de rotsen zitten en langs de rotsen vliegen.

RM3_9185.jpg
Tussen de rotsen door …

We varen tenslotte tussen twee rotsen door en de boot begint nu behoorlijk te rollen. Petra wordt zeeziek en gaat, zoals zij het zelf uitdrukt, met haar hoofd over de reling “de vissen voeren”.  Er is niets tegen te doen behalve wachten tot het weer over is. Als we weer een stuk naar het Zuiden zijn gevaren, wordt de boot weer rustiger. Petra is blij dat het voorbij is.  Ik zeg dat we de volgende keer pilletjes moeten nemen tegen zeeziekte.

Slieve League

Vier dagen later neem ik het initiatief voor boottochtje nr. 2: onderlangs de ‘cliffs’ van Slieve League. De folders en de websites lokken ons met foto’s en video’s van dolfijnen die met de boot meezwemmen.  Misschien toch leuk om eens mee te maken. We reserveren een tochtje vanaf de haven van Teelin. Ik zeg dat het misschien goed is om pilletjes tegen zeeziekte te kopen, maar dat lijkt niet nodig, want het is windstil. We varen van de haven een stuk langs de Zuidkust van Donegal en dan in Noordwestelijke richting naar Slieve League. Er is inderdaad geen wind, maar de deining is aanzienlijk. Die deining (‘swell’) wordt niet door de plaatselijke wind veroorzaakt maar komt van honderden kilometers ver over de oceaan aanzetten. Ook nu heeft Petra weinig plezier meer. De zeeziekte slaat weer toe.

RM3_9267.jpg
Slieve League met wachttoren

Eigenlijk was er behalve uitzicht op de rotsen en de Mortello towers (torens gebouwd door de Britten tegen een mogelijke aanval van de Fransen in het begin van de 19e eeuw) niets te zien. De dolfijnen blijven weg. Veel heeft deze boottocht niet opgeleverd afgezien van het inzicht dat er geen wind nodig is voor hoge golven op de oceaan.

Meer blogs over onze Ierse vakantie 2018