Pools praten in de praktijk …

Mówimy po polsku

In de zomer van 1977 ging ik met mijn toenmalig vriendin Hanneke van der Tak voor het eerst naar Polen. Rond die tijd begon ik ook de beginselen van de Poolse taal te leren uit het goed opgebouwde leerboek Mówimy po polsku (wij spreken Pools). Een kennis smokkelde mij het talenlab van de Leidse universiteit binnen waar ik verschillende lesjes met bandrecorder en koptelefoon doornam. Dat ik bij het hardop herhalen van de Poolse zinnetjes zoals Moja siostra ma miłego psa – mijn zus heeft een aardige hond – ook het geluid van de hond nadeed, zal niet iedereen gewaardeerd hebben. Later in de jaren zeventig was ik regelmatig in Polen, ook om een Poolse vriendin op te zoeken. Een beetje Pools kon ik wel spreken, maar veel is het nooit geworden. Die taal is gewoon te moeilijk. Afgezien van de complexe grammatica met zeven naamvallen en eigenlijk vier geslachten (gezien het onderscheid tussen mannelijke personen en mannelijke voorwerpen), heel ingewikkelde werkwoordsvormen en een volledig ander gebruik van werkwoordstijden dan in het Nederlands, Engels of Frans, is de moeilijkheid in de eerste plaats dat bijna geen enkel woord op onze woorden lijkt. Je moet weten dat  ‘niedźwiedź’ een beer is en betalen ‘zapłacić’. Pas als je de meest voorkomende woordstammen, voor- en achtervoegsels kent, begint de taal iets vertrouwds te krijgen, eerder niet. Kortom, hoewel ik de grammatica al redelijk begreep, is mijn spreekvaardigheid meer dan dertig jaar op een absoluut beginnersniveau blijven hangen. Ik kende te weinig woorden.

Duolingo

Dit jaar dacht ik: nu of nooit. Als ik nu niet een stap verder kom, kan ik dat Pools wel vergeten. Op aanraden van een kennis die, omdat hij naar Hongarije verhuisde, snel Hongaars had geleerd via de app Duolingo, ben ik maar eens met Duolingo begonnen. De methode biedt een grote hoeveelheid lesjes aan die voor een deel gestructureerd zijn op basis van typische taalproblemen (enkelvoud-meervoud, tegenwoordige-verleden -toekomstige tijd, etc.) en voor een deel op praktische situaties (in huis, reizen, cultuur, eten en drinken, etc.).

Een van de duizenden opdrachten in Duolingo

Elk onderwerp bevat een reeks lesjes op vijf niveaus die je in die volgorde moet doorlopen. Onderwerpen onderin de lijst zijn pas toegankelijk als je onderwerpen boven in de lijst hebt afgerond. Ik heb tot dit moment (juli) 150 dagen lang elke dag minimaal vijf lesjes, vaak ook meer, gedaan en ik ben nu ongeveer op 80%. Door de eindeloze herhaling van steeds dezelfde en op elkaar lijkende zinnetjes, wordt de vergaarde kennis diep in je zenuwstelsel opgeslagen. Ik heb in deze vijf maanden zeker veel geleerd, maar ik ben nog steeds een beginner, vooral omdat ik nog veel te weinig woorden ken. Met de Poolse grammatica heb ik nauwelijks een probleem, maar ik vraag  me af hoe ver ik alleen op basis van duolingo gekomen zou zijn. Als je niets begrijpt van de verschillende verbuigingen van de verschillende geslachten en van het verschil tussen woorden met stammen op een harde dan wel op een zachte medeklinker, dan moet het wel erg moeilijk zijn om te weten dat het meervoud van ‘niedźwiedź’ (beer) ‘niedźwiedzie’ (beren) is, terwijl het correcte meervoud van ‘kot’ (kat) ‘psy’ (katten) is.

Pools praten

Ik heb met heel veel plezier met veel Polen gepraat, vooral met gastheren en gastvrouwen in de Poolse ‘agroturystyka’. Met mijn kennis van de telwoorden kon ik goed opscheppen niet alleen over het aantal kilometers dat ik gefietst had (‘osiemdziesiąt pięć kilometrów na rowerze’, 85 kilometer op de fiets), maar ook over mijn gevorderde leeftijd (‘mam siedemdziesiąt lat’, ik ben 70 jaar), waarop de gastvrouw vol ongeloof kon uitroepen dat ik dat zeker niet was, hooguit ‘pięćdziesiąt pięć lat!’ (55 jaar).  Van mijn kant kon ik de verhalen van de Poolse meneer en mevrouw goed volgen als de foto’s van de kleinkinderen in hun mooie kleren voor de eerste communie werden getoond op hun i-pad. We konden praten. Belangrijk was vooral mijn woordenkennis, niet of ik het juiste meervoud van ‘niedźwiedź’ wist. Op mijn vraag of er in de omgeving veel ‘niedźwiedz…..’ waren, kreeg ik als antwoord dat er vooral ‘wilki’ (wolven) waren. Natuurlijk maakte ik de ene grammaticale fout na de andere, maar dat was geen probleem. Als ik verder wil komen, moet ik drie tot viermaal zoveel woorden kennen.

Taal leren in drie weken. Bedrog.

Net zo min als je in drie maanden viool kunt leren spelen – reken 30 jaar – is het mogelijk om binnen een aantal weken een taal te leren. Op internet adverteren sites als ‘Babbel’ met het etaleren van overdreven verwachtingen: “Na slechts drie weken met Babbel konden deze gewone mensen gesprekken voeren in het Spaans”. Onzin natuurlijk. Na drie weken heb je het allerlaagste leerniveau bereikt waarbij je een aantal woorden en een beperkt aantal standaardzinnetjes kent. Eigen zinnen maken, kan je wel vergeten. De site ‘Fast Phrases’ maakt het nog bonter:  “… zal u de basiskennis van de taal naar keuze beheersen op ongeveer 10 dagen tijd …, … na nog eens twee weken zal u de taal beheersen op een gemiddeld gevorderd niveau”. Nog grotere nonsens.

Ik ben nu met duolingo opgeklommen van absolute beginner tot één niveau hoger. Met heel veel moeite kan ik zelf zinnetjes maken, maar ik ken nog steeds veel te weinig woorden. Ik maak eerst duolingo af en ga dan aan mijn woordenschat werken.

 

  1. Fietsen in Polen
  2. Orthodoxe kerken in het Oosten
  3. Verdacht aan de buitengrens van de EU
  4. De Poolse taal in de praktijk
  5. Vogels onderweg
  6. Weerzien na 42 jaar
  7. De periferie van Europa

Voor mijn verhalen uit 2018 zie deze pagina.

 

Verdacht aan de grens

Op 6 juni 2019, precies om 13:59 uur, fietste er een oudere man op een al wat oudere Nederlandse fiets op een wel heel vreemde plek in Polen. Hij reed in Zuidelijke richting door het gehucht Klukowicze, een paar honderd meter van de Wit-Russische grens. Wat deed die man op zo’n rare plek?

Het bewuste kruispunt bij Klukowicze. Linksaf gaat de weg naar Wyczolki aan de Wit-Russiche grens

Dat vroegen de leden van het team van de Poolse grenspolitie (Straż Graniczna) zich ook af toen zij hem op het kruispunt van het weggetje naar het aan de grens gelegen Wyczolki tegenkwamen. De man wilde de auto nog netjes doorlaten en ging vriendelijk aan de kant rijden, maar de auto van de grenspolitie hield in en ging naast hem rijden.

Het raampje aan de rechterkant werd opengedraaid. De man zag dat er aan die kant een niet onaantrekkelijke jonge vrouw zat. Hij moest toegeven dat hij wel hield van mooie jonge vrouwen in uniform.

Vlak na Wyczolki begint Wit Rusland

De  politieman achter het stuur zei niets, maar de vrouw gaf aan dat de man beter maar van zijn fiets kon afstappen: controle. Ze vroeg om ‘dokumenty’. De man groef diep uit zijn fiettas een mooi Nederlands paspoort op. De politievrouw gaf het aan de politieman, die er in keek, gegevens noteerde en begon te bellen met het hoofdkantoor. Gaat u maar even in de schaduw staan, zei de vrouw. Blijkbaar kon het even gaan duren.

De mooie uniformvrouw wilde precies weten wat die rare man hier  deed. “Ben u alleen? Waarom dan? Wat doet u hier.” De man antwoordde de meeste vragen in het Pools en gooide er af en toe een Engels zinnetje tussendoor. Toen hij merkte dat de vrouw dit minder goed begreep schakelde hij weer terug naar het Pools. “Lubię oglądać ptaki” (ik houd van vogels kijken), “Na tej drodze jest bardzo piękna przyroda” (op deze route is heel mooie natuur) en “Jadę na rowerze szlakiem rowerowym turystycznym” (ik fiets de toeristische fietsroute). Nu leek dit de grenspolitie niet helemaal gerust te stellen. “Dlaczego pan mówi po polsku? Czy pan pracuje w Polsce?” (Waarom praat u Pools? Werkt u in Polen?) Blijkbaar is kennis van de Poolse taal niet alleen een voordeel hier, dacht hij. Meer dan “Język polski to tylko moje hobby” (De Poolse taal is alleen maar mijn hobby) wist hij niet uit te brengen. De man werd een beetje zenuwachtig en liet de uitgeprinte facebook-discussie maar zien waarin hij zijn volgende agroturystyka had gereserveerd. De vrouw gaf aan dat dit nuttige informatie voor haar was. Inmiddels was de grenspolitieman achter het stuur druk aan het telefoneren. Uit Warszawa was geen belastende informatie gekomen. Het was natuurlijk wel een rare man die hier fietste, maar niets wees erop dat hij gevaarlijk was. Het paspoort werd teruggegeven. De politieman zei nog iets als “Dziękuję bardzo, pan może jechać dalej” (dank u wel, u kunt verder gaan). Om 14:16 uur vervolgde de man zijn tocht naar het Zuiden.

  1. Fietsen in Polen
  2. Orthodoxe kerken in het Oosten
  3. Verdacht aan de buitengrens van de EU
  4. De Poolse taal in de praktijk
  5. Vogels onderweg
  6. Weerzien na 42 jaar
  7. De periferie van Europa

Voor mijn verhalen uit 2018 zie deze pagina.

 

Aan de periferie van Europa

Vakantie-idylle

Het is heerlijk fietsen dichtbij de grenzen van de EU. Ik geniet van de rust in de eenvoudige dorpen waar, als er niet toevallig een tractor doorheen rijdt, de ooievaars met hun geklepper en de leeuweriken met hun onophoudelijke liedjes hoog in de lucht alleen maar de stilte onderstrepen. Fantastisch zo’n gierpontje  dat door de stroming van de rivier wordt voortbewogen. Ik weet  niets van die boer die daar met zijn tractor op dat primitieve pontje staat.

Het pontje bij Wybrzeże

Ik kan er dus op los fantaseren, net zoals indertijd Vincent van Gogh over de boeren schreef: “Ik denk er zoo dikwijls aan dat de boeren een wereld op zich zelf zijn, in veel opzigten zooveel beter dan de beschaafde wereld.” Maar wat zie ik eigenlijk? Een gelukkig boer die, dichtbij de natuur, met volle teugen van het buitenleven geniet? Of eerder een man die zich voor een hongerloontje afbeult en op zijn vijfenveertigste al meer versleten is dan ik, de verwende Nederlandse fietser van zeventig?

Een hard leven

Aan de weg bij Dubiecko

Het is leeg in dit gedeelte van Polen. Behalve de boerenbedrijven is er heel weinig te doen. Er is weinig industrie en wie geld wil verdienen, kan het beste maar op reis gaan naar Duitsland, Nederland of Engeland. Als ik langs de provinciale weg bij Dubiecko fiets, kom ik langs een groot advertentiebord met verschillende teksten, onder meer “Praca w Holandii – szklarnie”(Werk in Holland – kassen”). Uit dit soort streken komen dus de Polen die hier gewaardeerd worden om hun discipline, hun vakkundigheid en hun lage lonen. Zonder deze Polen zouden er geen asperges bij Albert Heijn liggen.

Tijdens deze fietstocht ga ik ergens op een terras van één van de schaarse restaurants iets drinken en ik raak in gesprek met een wat ouder echtpaar dat met de (elektrische) fiets onderweg is. De man heeft in Duitsland gewerkt en spreekt Duits met mij. De vrouw begrijpt er niet veel van. Uit zijn verhaal blijkt dat hij een zelfstandig ondernemer geweest is en jarenlang voor zijn pensioen gespaard heeft. Tweehonderd Euro krijgt hij per maand, meer niet. Ik vertel hem over onze AOW, maar dat had ik beter niet kunnen doen. Alleen al mijn AOW is bijna vier keer zo veel als wat hij krijgt.

Aan de rand van het bos

Facebook-conversatie

Mijn laatste Agroturystyka voordat ik via Rzeszów weer naar huis zou reizen was bij Słonne aan de mooie rivier de San. Ik vond deze mooie plek – met de mooie naam Na skraju lasu = aan de bosrand – via Internet en via hun Facebook account kon ik voor één nacht een kamer reserveren voor 40 zł. (€ 10). Voordat ik erheen fietste, vroeg ik nog of ze een avondmaaltijd konden verzorgen. Ik kreeg als antwoord “z kolacją nie będzie problemu, tradycyjna czy obiadokolacja?” (met het avondeten is er geen probleem, traditioneel of een ‘lunch-diner’ (of zoiets)?”.  Ik heb maar geschreven dat ik niet wist wat obiadokolacja is en dat ze zelf maar moeten beslissen. Voor een ontbijt zouden ze niet kunnen zorgen.

Ik kwam vroeger aan dan gepland. Ik werd hartelijk ontvangen door de man van het huis die mijn mijn appartement met keuken, woonkamer, twee slaapkamers en badkamer liet zien. Na het douchen werd ik meteen aan het avondeten in hun eigen huis uitgenodigd. Het bleek dat ik mijn Facebook-discussie had gevoerd met hun dochter in de stad, maar zij had het allemaal keurig doorgegeven. Het maal was heel eenvoudig. Tijdens het eten vertelde de man iets over zijn leven. Hij had veel in de bouw gewerkt en, ondanks het feit dat hij problemen had met zijn rug, deed hij nog veel, niet te zware klussen.’ Hij had veel in Engeland en in Duitsland gewerkt. Het nagerecht was mooi en smakelijk zelfgemaakt gebak. Tenslotte werd er een heel klein glaasje (zelf gemaakte) sterke drank bij geschonken.

De volgende ochtend kreeg ik, tegen mijn verwachting, toch nog een echt ontbijt aangeboden in het huis van meneer en mevrouw. Meneer was al veel eerder vertrokken. Het zal een uur of vijf geweest zijn toen een busje met bouwvakkers hem kwam ophalen voor de rit naar Dresden, minimaal 8 uur rijden via Kraków, Katowice en Wrocław. Ik neem aan dat hij die avond niet meer thuis gekomen is. Mevrouw had nogal vieze zoete thee voor me ingeschonken. Misschien zat er honing in. Ik durfde niet te zeggen dat ik het niet lekker vond. Uit vriendelijkheid dronk ik het zo snel mogelijk op.

Aan de periferie van Europa

Het mooie landschap van de Podkarpaten

Niet veel later fiets ik- zonder rugpijn – door het mooie het landschap, kijk naar de vogels en voel de warme zon op mijn huid.

Toch kan ik niet alleen maar van de rust, het weer, de vogels en het landschap genieten. Ik moet denken aan mijn gastheer. Misschien had hij op de bouw in Dresden al op dat moment wel zijn eerste pijnstiller achter de kiezen.

Is dit werkelijk het Europa dat we willen? Wie profiteert eigenlijk van die mooie liberale samenleving? De goedkope arbeidskrachten uit de arme periferie van Europa mogen het leven van de rijke mensen in het rijke centrum steeds aangenamer maken. Maar wat krijgen zij er voor terug? Geen wonder dat in landen als Polen, Hongarije en Bulgarije enge politici aan de macht komen. Dat is zeker niet toe te juichen, maar wel goed te begrijpen.

  1. Fietsen in Polen
  2. Orthodoxe kerken in het Oosten
  3. Verdacht aan de buitengrens van de EU
  4. De Poolse taal in de praktijk
  5. Vogels onderweg
  6. Weerzien na 42 jaar
  7. De periferie van Europa

 

Voor of tegen Europa? Wat een onzin

Iedereen die verder kijkt dan ideologische vereenvoudigingen van de werkelijkheid zal moeten bekennen dat de EU niet alleen veel voordelen heeft gebracht voor veel (maar niet alle) inwoners van de lidstaten, maar ook heel veel nog onopgeloste problemen heeft veroorzaakt. De invoering van de Euro – een politiek gemotiveerd maar economisch weinig doordacht experiment – heeft bijvoorbeeld heel veel ellende gebracht voor mensen in landen als Griekenland en Spanje. In de Europese verkiezingen heb ik D66 gestemd, een partij die de noodzaak van goede Europese samenwerking in het vaandel heeft geschreven. Toch heb ik me nogal geërgerd aan de verkiezingsleus “Vóór Europa!”. Daarmee spiegelt deze partij met een even simplistische leus de simplistische leuzen van de rechtse of linkse populisten, allerlei variates op “Tegen Europa!”: de SP met “Laat Brussel niet de Baas zijn” en de Nexit-leuzen van Wilders.

Als we de slogans van de politici willen geloven, gaat het er dus om vóór of tegen Europa te zijn. Maar wat betekent dat eigenlijk, voor of tegen Europa zijn? Ik zou het niet weten. Ook ik ben niet enthousiast over alles wat er in Brussel gebeurt, maar een Europa zonder EU lijkt me een heel gevaarlijk scenario. Als we de EU slopen, dan is er nog steeds een Europa, hoe zeer wij ook “tegen Europa” zijn. En ik vermoed dat dit Europa armer, gevaarlijker en onrechtvaardiger zal zijn dan het huidige Europa. Toen ik onlangs het hokje D66 met mijn potlood rood maakte, was dat niet omdat ik zo enthousiast ben over Europa. Dat ben ik echt niet, maar dat is geen reden om voor de Europese zelfmoord met PVV, SP en Forum voor Democratie te kiezen.

 

 

Voorjaar in een vogelparadijs

Eerder gepubliceerd als officieel verslag van de Vogelwerkgroep KNNV Leiden

Excursie van de Vogelwerkgroep KNNV Leiden naar het Oostvaardersveld op 6 april 2019

Meer dan genoeg te zien

Met grote snelheid rijden we over de A6 richting Lelystad. In de auto is een heftige discussie over Brexit losgebroken. De burgeroorlog in het Verenigd Koninkrijk die ik voorspel, gaat één mede-vogelaar veel te ver. Maar ook onze auto is al veel te ver. Ik had niet moeten kletsen maar moeten opletten. Anke kan nog zulke mooie briefjes maken, maar als Arthurs persoonlijke navigator ben ik niets waard.

Vanmorgen vertrokken 15 vogelaars in 4 auto’s vanaf het zwembad richting de Flevopolders. We razen nu via de verkeerde baan van de snelweg over de bodem van de voormalige Zuiderzee en missen afslag 7. Na een kleine omweg via afslag 8 komen we bij de eerste kijkplek aan, de grote praambult. Tegen half tien staan wij daar met zestien vogelaars (één deelnemer sluit zich ter plekke aan). De omstandigheden zijn niet ideaal. Er wordt gepraat over winterkleding die nog thuis hangt en er wordt geklaagd over de mistigheid waar zelfs de duurste Swarovski-kijker niet doorheen komt. Voor wie goed kijkt, is er toch veel te zien.

Het weelderige Praambos

Liefhebbers van ‘biomassaliteit’ komen zeker aan hun trekken met minstens 20 zilverreigers op het veld, heel veel kokmeeuwen en ontelbare brandganzen verderop. Geen tijd om koffie in te schenken: op een dwarsbalk van de hoogspanningsmast zien we twee slechtvalken bij een nest en, ja hoor, daar komt een derde slechtvalk aan. Er worden hypotheses opgesteld over de familieverhoudingen en over mogelijke vechtscheidingen in de valkenwereld. Of komt er gewoon een familielid even buurten? Wij weten het niet. We stappen in de auto’s en rijden nog een stukje verder naar het begin van de wandeling. Wij realiseren ons dat we als resultaat van deze tocht we niet met een paar koolmezen of krakeenden thuis kunnen komen.

Op ons rust de verplichting minstens (1) blauwborstjes, (2) baardmannetjes, (3) een zeearend en mogelijk nog wat andere zeldzame roofvogels op onze lijst te hebben vanavond bij de borrel. We besluiten de telescopen maar in de auto’s te laten en beginnen aan een prachtige wandeling in Zuidoostelijke en later Oostelijk richting. Niet aan de temperatuur nog maar wel aan de uitbundige vogelzang kun je horen dat het lente is. We horen zwartkoppen, we zien kneutjes, rietgorzen en nog veel meer. Dan komen we door het Praambos . Dit is niet zomaar een bos.

Dit is een volledig spontaan na de inpoldering van Flevoland ontstaan wilgenbos. Geen bomen op nette rijtjes, maar overal prachtige kromgegroeide takken, dood hout, een rijke onderbegroeiing en – last but not least – een uitbundig lenteconcert. Je zou misschien beter kunnen opschrijven wat je hier niet hoort, maar ik noem er toch maar een paar: alarmroep van boomklevers, het geroffel van een bonte specht, en dan het karakteristieke geluid van matkoppen, het beste kenmerk om ze van hun glanzende familie te kunnen onderscheiden.

Oostvaardersplassen

De Oostvaardersplassen zijn eigenlijk door toeval ontstaan. Aan het eind van de negentiende eeuw waren er al vergevorderde plannen om de Zuiderzee in te polderen en in 1891 kwam ingenieur Lely  met zijn 'Plan Lely' , de basis voor de Zuiderzeewet van 1918. Twee factoren waren van invloed op de aanname van deze wet: de watersnoodramp van 1916 en de voedselschaarste tijdens de Eerste Wereldoorlog. Begonnen werd met de drooglegging van de Wieringermeer en in 1932 was de afsluitdijk gereed. De in het Plan Lely voorziene polders (Noordoostpolder, Oostelijk en Zuidelijk Flevoland) werden met kleine aanpassingen aangelegd, maar toen de dijk Enkhuizen-Lelystad er al lag werd in 2003 definitief van de inpoldering van de Markerwaard afgezien.[1] In de oorspronkelijke plannen was het Oostvaardersdiep gepland, een scheepvaartroute door een diepe geul tussen de Markerwaard en Flevoland. In de definitieve opzet werd de dijk van de Flevopolder een stukje naar het Noordwesten verplaatst: het Oostvaardersdiep lag nu achter de dijk en veranderde in de Oostvaardersplassen.  De bestemming  van het gebied was oorspronkelijk industrie, maar die kwam er niet. Inmiddels ontwikkelde zich spontaan een schitterend maar nog volledig onbeschermd natuurgebied dat tenslotte het visitekaartje zou worden voor een nieuwe benadering van het Nederlandse natuurbeheer, de 'natuurontwikkelingsvisie' als alternatief voor de traditionele opvatting over natuurbescherming. In 1986 werd bijna 6000 ha onder de Natuurbeschermingswet gebracht. Voor het beheer werden op grote schaal grote grazers zoals heckrunderen, wilde paarden en edelherten ingezet.[2] In 1992 werden er 40 edelherten losgelaten. In 2017 waren dat er al meer dan 3900. Over de problemen van het faunabeheer, de noodzaak van afschieten en de heftige emoties bij botsende opvattingen over natuurbeheer en dierenbescherming zullen we het hier maar niet hebben. De discussie is nog niet voorbij.

Aan de rand van het bos openen enkele deelnemers hun thermosflessen met koffie, terwijl anderen al doorlopen naar een grote kijkhut verderop bij het water. Vanuit de hut is niet heel veel te zien, maar met veel geduld ontdekken we toch een paar dodaarsjes in de mistige verte. Leuk zijn dan vooral de grote groepen boerenzwaluwen die gezellig in een grote dode boom gaan zitten met z’n allen.  En dan zien we de matkop ook nog eens goed. Het veld is hier opener met minder begroeiing. Waarschijnlijk zijn hier de Konik-paarden aan het werk geweest.

 

 


Puttertjes (AB)

Boerenzwaluwen (AB)

Geen gebrek aan vinkachtigen vandaag: heel mooie puttertjes op veel plekken en hier en daar ook een groenling. Dan wordt er “robotap” geroepen en dat blijkt een roodborsttapuit te zijn. Eerst een schitterend gekleurd mannetje en dan komt ook een vrouwtje erbij.

Oostvaardersveld

Het Oostvaardersveld ligt ten Oosten van de Oostvaardersplassen, in het gebied tussen de A6 en de spoorweg van Almere naar Lelystad. Het is een recent ontwikkeld natuurgebied. Staatsbosbeheer heeft dit gebied laten ontwikkelen met het doel "in te richten als de 'etalage' van de Oostvaardersplassen. De bezoeker kan hier kennis maken met het 'wetland' ecosysteem en de bijbehorende natuurlijke processen."[3]  "Het Oostvaardersveld bestaat voor de helft uit bos. Het meeste bos bestaat uit het ruim 50 ha grote Wilgenbos. Dit bos is bijzonder, omdat het zich sinds de drooglegging van Zuidelijk Flevoland in 1967 spontaan heeft kunnen ontwikkelen en er niet of nauwelijks is ingegrepen in de ontwikkeling van het bos. Er is veel dood hout aanwezig en de vegetatie is zeer weelderig, vooral bestaande uit brandnetel, kleefkruid en riet."[4] In tegenstelling tot het grotendeels gesloten gebied van de Oostvaardersplassen is het Oostvaardersveld het gehele jaar toegankelijk. Er zijn vier wandelroutes.
Blauwborst (AB)

We zijn natuurlijk blij met staartmezen en kneutjes, maar we willen blauwborstjes zien! Om 12:00 uur nog steeds geen blauwborst. Maar dan, om kwart over twaalf, is het eindelijk raak, wel heel ver, maar onmiskenbaar een blauwborst.

Het is al tegen tweeën (en een stuk mooier weer!) als we bij het bezoekerscentrum voor een consumptieve stop aankomen. Maar het vogelen is nog niet voorbij.

Vlakbij de parkeerplaats – waar wij zeker niet de enige auto’s zijn – zien we nog een blauwborst en verderop vliegt een mooie bruine kiekendief.

Zeearend (EvB)

Wij bestellen onze cappuccino’s, appeltaarten, kroketten en meer vogelaarsvoedsel. De telescopen worden op het terras opgesteld en dan is het tijd om vanuit onze terrasfauteuils eens goed naar een zeearend aan de overkant van de plas te gaan kijken. Hij zit ver weg boven in een boom, maar hij is, ondanks de wat heiige lucht, goed zichtbaar, vooral als hij ons zijn kop en profil  laat zien. Wat een joekel van een snavel!

Vlak voordat we vertrekken verschijnt er nog een mooie buizerd. Een dame van een andere groep vindt zichzelf nogal deskundig en beweert dat het een wespendief is en draagt daartoe weinig overtuigende argumenten aan. Nuchter als wij zijn, geloven we daar niets van.

Na deze late lunchpauze bezoeken we nog een aantal uitkijkpunten. Eerst gaan we naar de vogelkijkhut De Grauwe Gans bij de Knardijk. Het aantal slobeenden bij elkaar is indrukwekkend! Ook zien we hier nog pijlstaarten en kluten. Lopend van de hut naar de auto horen we een rietzanger van wie het liedje niet echt op gang komt. Hij moet nog oefenen. De volgende stop maken we op de Oostvaardersdijk met uitzicht op aan de ene kant de Grote Plas (Oostvaardersplassen) en aan de andere kant het Markermeer.

Hier weer heel mooie kluten en rietgorzen. Er ontspint zich een discussie die wel vaker plaatsvindt op excursies van de Vogelwerkgroep. Stan heeft een grote mantelmeeuw gezien: met roze poten. Anderen zien diezelfde meeuw door hun scope met duidelijk gele poten. Stan schijnt de wereld door een roze bril te zien. Wij gaan daar niet in mee. Het blijft een kleine mantelmeeuw. Tijd om er eens mee op te houden.

Kluten (EvB)

We hoeven ons voor de lijst – ondanks het dramatisch ontbreken van de baardman – niet te schamen.

Wij mogen naar huis. In de auto zwengel ik weer allerlei discussies aan. Arthur heeft niets aan mij, maar gelukkig brengt zijn Tom-Tom ons zonder problemen naar het zwembad. Het was een mooie dag.

 

De wandeling

 

De gehele route

 

 

[1]  https://www.bureau-maris.nl/projecten/oostvaardersveld-lelystad/ .

[2] https://www.sovon.nl/sites/default/files/doc/Rap_2013-11_KotterbosZK.pdf

[3] https://nl.wikipedia.org/wiki/Zuiderzeewerken

[4] https://nl.wikipedia.org/wiki/Oostvaardersplassen#Oorsprong en https://nl.wikipedia.org/wiki/Frans_Vera