Texel 16

Niets nieuws

Wij houden van Texel. We houden ervan langs de zee bij de slufter, langs de waddendijk of door de duinen te lopen. Wij gaan niet naar Texel omdat we verwachten er veel nieuws tegen te komen. We gaan niet voor bijzondere waarnemingen van zeldzame vogels, wel voor de duizenden wulpen, rotganzen, rosse grutto’s, scholeksters en smienten die je er altijd wel ziet. Ik was er voor de zestiende (als je kortere vogelexcursies niet meerekent) en Petra pas voor de elfde keer .

Drie jaar later. Niet vrolijker.

Precies drie haar geleden, in februari 2022, hadden we hetzelfde huisje als nu gehuurd, de ‘houtsnip’ op het bungalowpark van Prins Hendrik. Ik schreef toe in mijn blog:

"Een stralende lage februarizon scheen recht de mooie woonkamer in. Prachtig weer, einde Coronabeperkingen. Toch geen reden tot uitbundige vrolijkheid. Rusland was de Oekraïne binnengevallen. In onze naïviteit hadden we het niet voor mogelijk gehouden."
Huisje ‘De Houtsnip’

Helaas was er deze keer nog minder reden tot vrolijkheid. In de Verenigde Staten was sinds een maand een president aan de macht die niet van plan is enig tegenwicht tegen Poetin te bieden.  Dat de Amerikanen zo’n volslagen onbetrouwbare oplichter voor de tweede keer tot president zouden kiezen, had ik alweer in mijn naïviteit niet echt voor mogelijk gehouden.

Je kan je niet de hele dag met dit soort onvoorstelbaarheden bezighouden. Je bereikt er niets mee. Dan maar genieten van het moois dat er ondanks alles gelukkig wel te beleven is. 

Huisje aan de vogelboulevard

Rotganzen (Wagejot)

Voor de vierde keer huurden wij een huisje bij Prins Hendrik, prachtig gelegen achter de waddendijk, vlakbij het mooie Utopia. Van daar naar het Zuiden rijdend kom je langs de prachtige binnendijkse vogelgebiedjes aan de zogenaamde vogelboulevard: Wagejot, de IJzeren kaap, Minkewaal, Zandkes, Dijkmanshuizen en Ottersaat niet ver van de havenplaats Oudeschild. Kom je wat later in het seizoen dan kan je hier genieten van grote sterns en lepelaars.

Kluten en wintertalingen bij Wagejot

Deze keer was het er relatief rustig. Het meeste was nog te zien bij Wagejot met honderden kluten en duizenden rotganzen. Maar overal zie je grote groepen scholeksters, erg veel smienten, af en toe een paar bonte strandlopers, brandganzen, grauwe ganzen, wilde eenden, kuifeenden en hier en daar wintertalingen, slobeenden en pijlstaarten. Overal hoorde je de vrolijke roep van tureluurs en hier en daar ook een paar wulpen. Aan de waddenkant zwommen regelmatig eidereenden. Het was niets nieuws, maar fijn om te zien en te horen dat ze er nog zijn. 

Als je op de dijk bij de vogelboulevard loopt, kom je regelmatig enthousiaste vogelaars tegen, de een nog zwaarder met telescopen en telelenzen bewapend dan de ander. Zij zijn vaak op zoek naar zeldzaamheden. Nu zou er iets zitten als de brileider.

Smienten bij Wagejot

Bij de IJzeren Zeekaap stopte een auto met een Pools nummerbord bij me en door het open raampje vroeg een man in het Engels of ik eidereenden had gezien. Dat had ik niet, dus ik schudde ontkennend mijn hoofd. Later begreep ik dat het om die brileider gegaan moet zijn. Hopelijk hebben ze hem toch nog gevonden, maar zeldzame vogels vind ik zelf niet zo interessant. 

Tienduizenden vogels

Geef mij maar de tienduizenden vogels die overdag op het wad foerageren en bij hoog water hun toevlucht zoeken bij een gebied als de Schorren, dat hooguit twintig minuten lopen van Prins Hendrik ligt. Op twee avonden viel hoogwater en zonsondergang vrijwel samen en zijn wij naar het uitkijkpunt over de schorren gelopen. Heen loop je langs Utopia. Daar was deze keer niet zo veel te zien. Ik herinner me van de vorige keer nog wilde zwanen,  kleine zilverreigers en meer pijlstaarten. Deze keer moesten we het doen met veel smienten, rotganzen en scholeksters. Maar op het moment dat je de dijk bij de schorren op loopt, verandert het beeld totaal. De slikken bij de Schorren zitten volgepakt met vlakbij duizenden wulpen en iets verderop waarschijnlijk meer dan tienduizend rosse grutto’s. Er zitten ook wat andere soorten tussen zoals kluten, tureluurs, bonte strandlopers, bergeenden, pijlstaarten en andere eenden. Maar het beeld is niet statisch.

Rosse grutto’s bij de Schorren

Voortdurend vliegen er duizenden vooral rosse grutto’s op en vliegen in steeds veranderende formaties over het wad: soms lijkt zo’n groep een dikke vis, dan rekt die uit tot een lange streep of trekt zich samen tot een grote bol. Veranderen ze plotseling van richting, dan hoor je het luide geruis van hun vleugels. Een onvoorstelbaar mooi schouwspel. Toen het te donker werd om nog veel te zien zijn we over de dijk met uitzicht op het wad teruggelopen. 

Vooral rosse grutto’s (de Schorren)
Rosse grutto's op de wadden

De rosse grutto broedt niet in Nederland, maar is uitsluitend wintergast en doortrekker. Het gaat daarbij om twee ondersoorten. De ondersoort lapponica broedt in Scandinavië en overwintert vooral op de wadden en een klein deel in het Deltagebied. 

In het voorjaar trekt een grote groep van de ondersoort taymyrensis door. Zij komen naar het Waddengebied om op te vetten op hun reis van West Afrika naar Siberië. In de winter bevinden er zich zo'n 65.000 rosse grutto's in Nederland, maar in het late voorjaar kunnen dat er meer dan 180.000 zijn. Wij zagen op de Schorren deze februari-vakantie toch zeker 10.000 exemplaren, een aanzienlijk deel van de Nederlandse winterpopulatie. De West-Afrikaanse exemplaren zullen zeker pas tussen maart en mei aankomen.  Het voedsel op de Waddenzee is onmisbaar als voorbereiding op de lange thuisreis naar de broedgebieden. Uit onderzoek blijkt dat in jaren wanneer het wad minder pieren bevat er minder vogels in de Siberische broedgebieden terugkeren dan in de vette jaren. Door de klimaatverandering zijn die wadpieren nog belangrijker geworden dan ze al waren. Siberië warmt sneller op dan de gematigde streken, waardoor de natuur daar eerder op gang komt, inclusief de ontwikkeling van insecten die een belangrijke voedselbron voor de net uitgebroede vogels vormen. De vogels vliegen daarom eerder naar Siberië terug en hebben iets minder tijd om op te vetten. 

Rosse grutto's kunnen onvoorstelbaar lange stukken vliegen. Een derde populatie (die niet door Nederland trekt) broedt in Alaska en overwintert bij Nieuw Zeeland en Australië (Tasmanië). Een rosse grutto vloog in 2002 in 11 dagen zonder onderbreking van Alaska naar Tasmanië, een afstand van 13.560 km!


meer informatie: Waddenzee sleutel tot succes rosse grutto, NIOZ 2018
De wereld door de ogen van de Rosse Grutto, National Geographic, 2022
Nieuw vliegrecord rosse grutto, Roots magazine 2022
Rosse grutto’s in het voorjaar op Texel (2021)

Vijf wandelingen

Elke keer maken wij op Texel vrijwel precies dezelfde wandelingen (voor een kaartje,  zie hier):

(1) Een wandeling bij de vuurtoren;

(2) Een rondwandeling vanaf Café-Restaurant de Slufter langs  de Slufter naar het strand en dan tot aan de Koog voor een consumptie bij een van de strandrestaurants daar (Bries 20 of Dikke Zeehond). Via de Nederlanden en de Muy terug naar de Slufter;

(3) Een wandeling vanaf de parkeerplaats Turfveld in het bos ten Zuiden van de Koog, door het bos en door de prachtige Bollekamer naar het strand bij Paal 9 (den Hoorn) en grotendeels langs het strand terug alvorens weer een stuk door duin en bos naar de parkeerplaats terug te lopen;

(4) Een wandeling langs de horsmeertjes en door de hoge en brede duinen naar het strand tot aan Paal 9 en dan weer terug naar de Horsmeertjes. Wij konden de weg terug niet goed vinden. Dat was maar goed ook, want onze geplande route bleek te nat en vrijwel onbegaanbaar, hoorden we van mensen die hem wel hadden geprobeerd;

(5) Wandelen bij de Hoge Berg tussen Den Burg en Oudeschild, inclusief de Georgische begraafplaats Loladse.

Muziek, foto’s en mosselen

Wij huren een huisje op Texel om van de actieve rust te genieten. Dat betekent in de praktijk vooral vogels kijken, wandelen en – in combinatie daarmee – fotograferen. Altijd nemen wij muziekinstrumenten mee. Soms spelen we samen, maar Petra gebruikt zo’n korte vakantie vooral om eens extra te kunnen studeren, terwijl ik nog wat naar vogels kijk en fotografeer.

Het is niet de belangrijkste attractie tijdens zo’n week, maar horeca-bezoek hoort er ook bij. De mosselmaaltijd bij Eetcafé De Rog smaakte uitstekend. Het is er gezellig en de bediening is vriendelijk. Natuurlijk bezoeken wij ook de strandtenten met  romantische namen als Paal 9 of Paal 19, waar we ons steeds weer verbazen over de hoge prijzen. Hebben we misschien nog de prijzen van 20 jaar geleden in ons hoofd? 

Brandganzen en de molen van Oost

Eerdere blogs over Texel

Texel, het vogeleiland (2022)

In de Texelse winterzon (2022)

Een mooie relatie (2021)

Zestig jaar vogelen – een korte terugblik (2017)

_____________________

Inburgering

De smalle waterpest

Een heel algemeen waterplantje in Nederland is de smalle waterpest (Elodea nuttallii). Eigenlijk geen plantje maar een plant met stengels die wel 4 meter lang kunnen worden. De plant komt oorspronkelijk uit Noord Amerika en werd pas rond 1940 voor het eerst in Nederland aangetroffen.

Smalle waterpest

Inmiddels is er bijna geen plek meer in Nederland waar de plant niet voorkomt zoals te zien is op de Verspreidingsatlas Vaatplanten van 
Floron. 

Het is een snelle groeier en kan ervoor zorgen dat hele vijvers en sloten volledig dichtgroeien en kan daarbij andere soorten verdringen en zuurstoftekorten veroorzaken. Daarom staat de smalle waterpest sinds 2017 op de Unielijst Invasieve Exoten. Uit een ‘factsheet’ van de Nederlandse overheid citeer ik:

"Een soort die op de Unielijst staat mag onder andere niet meer worden verhandeld en gehouden in EU-lidstaten. Verder geldt voor lidstaten de plicht om in de natuur aanwezige populaties op te sporen, te verwijderen, of als dat niet lukt, zodanig te beheersen dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het houden van deze soorten in botanische collecties is alleen mogelijk voor (wetenschappelijk) onderzoek of ex-situ bewaring. Hiervoor moet een vergunning worden aangevraagd bij RVO.nl.
...
Deponeer overtollige planten van deze en andere soorten waterplanten altijd in de gft-container of op de composthoop 0in uw eigen tuin. Gooi waterplanten nooit in openbaar water, omdat de plant zich zal gaan
verspreiden en schade veroorzaken."

Als ik dit lees, moet ik toch een beetje lachen. Een plant die zich al overal in Nederland gevestigd heeft, mag je niet bij het schoonmaken van je aquarium in de sloot kieperen! Wat maakt dat nu uit, dat ene plantje bij de tienduizenden exemplaren die zich al in de directe omgeving bevinden?

De brede waterpest

Explosieve verspreiding

Misschien kunnen we  iets van het broertje van deze plant, of beter van het zusje (want in Europa komen alleen de vrouwelijke planten voor), de brede waterpest, leren. De brede waterpest kwam al eerder uit Noord Amerika naar Nederland aan het eind van de 19e eeuw. In 1842 werd in Schotland een exemplaar gevonden en tien jaar later had de brede waterpest zich al over heel Engeland verspreid en leverde daar de nodige problemen waaraan de plant zijn naam te danken heeft. Ik citeer uit het artikel De Zegetocht van de Waterpest door de heer Bijhouwer  in het blad Levende Natuur uit 1934:

"De plant trok reeds spoedig de aandacht door de verbazingwekkend snelle wijze, waarop ze zich vermeerderde en op nieuwe vindplaatsen de oorspronkelijke vegetatie verdrong. Zoo verstopte zij in 1851 bij Burton-on-Trent, waar ze voor het eerst was waargenomen in 1849, een van de twee stroompjes, waarin de Trent zich daar verdeelt. De Curator van de Cambridge Botanic Garden, die een exemplaar van het nieuwe gewas
van Prof. Babington in 1847 had ontvangen, zette dit het jaar daarop uit in een zijriviertje van de Cham. Vier jaar later was het tot de hoofdrivier doorgedrongen, en blokkeerde deze dermate, dat het water meerdere inches rees; visschen, roeien en zwemmen was uitgesloten, en de scheepvaart
ondervond veel hinder."
Plaatje uit het artikel in Levende Natuur
Uitgeraasd

Ondanks de afwezigheid van een beleid om zulke invasieve exoten te bestrijden, is de plant toch geleidelijk voor iets minder problemen gaan zorgen. Vier jaar na het overzichtsartikel van de heer Bijhouwer over de ‘Zegetocht’ verscheen van zijn hand een kort artikel met de veelzeggende titel De Achteruitgang van de Waterpest. Het artikel laat verschillende hypotheses over de oorzaak de revue passeren, maar concludeert tenslotte:

"De geschiedenis van Elodea zou aanleiding kunnen zijn tot het neerschrijven van plantensociologische hypothesen, doch daar wij liever met beide beenen op den grond blijven staan, is het beter te erkennen, dat het verdwijnen van haar groeikracht ons vooralsnog duister is."

Deze teruggang wordt ook gesignaleerd in In Sloot en Plas van Heimans en Thijsse (1e druk 1895). Ik citeer uit de achtste druk (1950).

Nu zult ge u misschien er over verwonderen, dat men tegenwoordig zo weinig hoort van last door waterpest veroorzaakt. Dat was in mijn jeugd heel anders. Vijf en zestig jaar geleden werd er op school van verteld en ploeterden wij bij het roeien om door de waterpest heen te komen. Maar thans is hij om zo te zeggen uitgeraasd. Zijn overweldigingskracht lijkt uitgeput en tenminste bij ons te lande is hij niet lastiger dan een half dozijn andere waterplanten die sinds vele eeuwen hier thuis zijn.
Zo'n ongewone uitbarsting van levenskracht doet zich ook wel in meer gevallen voor bij de vestiging van planten in een voor hen heel nieuw gebied, al is het dan zelden zo treffend als met die waterpest."
Brede waterpest
Op de rode lijst!

Wie schetst mijn verbazing toen zag dat de Heukels Flora (24e druk) vermeldde dat de brede waterpest als gevoelig op de rode lijst stond? Ik heb de bron er maar eens op nageslagen, de geactualiseerde Rode lijsten flora en fauna in het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 15 oktober 2015. Het blijkt te kloppen. De onoverwinnelijke invasieve exoot uit het eind van de negentiende eeuw blijkt een gewone plant geworden te zijn, die nu zelf het stempel ‘gevoelig’ heeft gekregen. Het was dus, in de woorden van Heimans en Thijsse, een tijdelijke ongewone uitbarsting van levenskracht. 

Op de Floron-verspreidingsatlas lezen we over de deze interessante stap van hinderlijke exoot naar rode-lijstplant het volgende:

"Vanwege de sterke achteruitgang gedurende de tweede helft van de 20e eeuw is Brede waterpest tegenwoordig opgenomen in de Rode Lijst. De achteruitgang is vrij zeker veroorzaakt door verslechtering van de algemene waterkwaliteit."

Ik neem de vrijheid om bij dit ‘vrij zeker’ toch een paar vraagtekens te zetten. De ecosystemen waarin deze plant een plaats heeft verworven, stellen in ieder geval in toenemende grenzen aan de in het begin ‘ongewone uitbarsting van levenskracht’. Dit was mogelijk ook gebeurd als de waterkwaliteit niet omlaag was gegaan. De brede waterpest is geen exoot meer, maar heeft een volwaardige maar bescheiden plaats verworven als inheemse plant in de inheemse structuren, zou je kunnen zeggen. Dat moet bij de smalle waterpest nog gebeuren, lijkt het. 

Ambtenarennatuur en de werkelijkheid

Stel dat we in 1850 een beleid tegen invasieve exoten hadden gehad maar dat er toch een paar takjes waterpest in onze wateren terecht waren gekomen, die zich razendsnel hadden vermeerderd. In dat geval zou het handelen in waterpest en het in het water brengen van deze planten meteen zijn verboden en de overheid zou de verplichting tot tegenmaatregelen hebben gehad. Had dat iets uitgemaakt? Helemaal niets! Het onheil was al geschied. De kanalen waren toen al aan het dichtgroeien en het maakte echt niets meer uit of er hier en daar wat weggehaald werd of dat er een paar aquaria minder in de sloot werden geleegd. Maar het leuke was dat de natuur zelf effectief heeft ingegrepen, goed verwoord door Heimans en Thijsse: ‘de overweldigingskracht was uitgeput’.

De brede waterpest staat inmiddels op de rode lijst, maar op de smalle waterpest zijn nog allerlei beleidsregels voor invasieve exoten van toepassing. Dat zal natuurlijk geen enkel effect hebben. Er is bijna geen plek te vinden waar zich de plant niet bevindt en hier en daar iets weghalen of voorkomen dat iemand een paar aquariumplanten in het water gooit, zal een druppel op een gloeiende plaat zijn.

In de ambtelijke fantasie wordt gedaan of de natuur regelbaar is. Maar helaas: als het hek van de dam is, kan zelfs de beste ambtenaar vrijwel niets meer uitrichten tegen de invasie. In de werkelijke natuur moet de natuur het werk zelf doen. Bij de brede waterpest is dat in een jaar of 60 gelukt. Hoe lang het bij de smalle waterpest zal duren, weten we niet. 

Bij veel invasieve exoten stelt de natuur tenslotte zelf grenzen aan de ‘overweldigingskracht’, bijvoorbeeld door toename van natuurlijke vijanden zoals watervogels die leren rivierkreeften te verorberen of schimmels die de Amerikaanse vogelkers aanvallen. Langzaam maar zeker worden de exoten, als zij uitgeraasd zijn, deel van onze natuur. Ingeburgerde exoten zijn geen exoten meer.

Een paar bronnen

A.P.C. Bijhouwer, De Zegetocht van de waterpest, Levende Natuur, 38e jg., okt. 1933, 188-184

A.P.C. Bijhouwer, De achteruitgang van de waterpest, Levende Natuur, 42e jg., okt. 1937,  186-188

Alle oudere nummers van de Levende Natuur zijn beschikbaar op https://www.dbnl.org/titels/tijdschriften/tijdschrift.php?id=_lev013leve01

E. Heimans, J.P. Thijsse, In Sloot en Plas (8e druk), Ploegsma, Amsterdam 1950: p. 89-95 (waterpest). De eerste druk uit 1895 is te downloaden op https://books.google.nl/books?id=_WOEEy6umvcC&printsec=frontcover&hl=nl&source=gbs_ge_summary_r&cad=0#v=onepage&q&f=false 

Floron, Rode Lijst Vaatplanten 2012, https://www.floron.nl/publicaties/rode-lijst-2012

NVWA, Unielijst invasieve exoten, https://www.nvwa.nl/onderwerpen/invasieve-exoten/unielijst-invasieve-exoten

NVWA, Factsheet Smalle Waterpest, https://www.nvwa.nl/onderwerpen/invasieve-exoten/documenten/plant/planten-in-de-natuur/exoten/risicobeoordelingen/factsheet-smalle-waterpest

Dank

Met dank aan Jeannette Teunissen, die mij op het idee bracht deze blog te schrijven en mij inlichtte over de aanwezigheid van brede waterpest op de rode lijst, wat ik eerst niet geloofde. Ik ben vooral geïnspireerd geraakt door haar verhalen over de schimmels die op invasieve soorten als de Amerikaanse vogelkers te vinden zijn en een bijdrage kunnen leveren aan het in toom houden van zulke exoten. 

Zij is op geen enkele manier verantwoordelijk voor de inhoud van dit verhaal.

Dank ook aan mijn al geruime tijd overleden vader, die mij op 27 november 1959, toen ik in het ziekenhuis van een operatie lag te herstellen, het boek In sloot en plas cadeau gaf, een belangrijke bijdrage aan mijn ontwikkeling als amateur-veldbioloog. Dat ik nog eens uit dit boek zou citeren, had ik niet verwacht. 

P.S.

Nog even een voorbehoud bij dit verhaal: bij snelle lezing ervan zou je kunnen denken, dat ik blij ben met alle invasieve exoten en dat je er niets tegen zou moeten doen. Natuurlijk zie ik in dat veel van die exoten voor problemen en soms grote problemen zorgen. Soms moet je ook maatregelen nemen zoals tegen de muskusrat die onze dijken vernielt. Maar vaak kan je niet echt veel doen en zal je met de indringers moeten leven. Bestrijding is vaak bijna onmogelijk, maar er is een lichtpuntje aan de horizon: soms grijpt de natuur zelf in, zoals uit dit ongelooflijke verhaal over de waterpest blijkt: de exoot die op de rode lijst terecht kwam. 

____

 

 

 

Naar de slaapbomen

De veranderende natuur

Het klimaat verandert. De landbouw verandert. De steden veranderen. De natuur past zich aan. In hoog tempo verdwijnen vertrouwde planten en dieren. In hoog tempo komen er nieuwe planten en dieren uit andere streken bij. Ik kan me nog herinneren dat er in de  jaren vijftig over het schoolplein in Ede  kuifleeuweriken hipten. Voor zilverreigers moest je in die tijd nog naar Zuid Frankrijk en als we in de jaren zestig een keer een krakeend in bij de bijna drooggelegde Flevopolders zagen zwemmen, was dat de waarneming van de dag. Sommige soorten die nu in grote getale stad en land bevolken, worden officieel als invasieve exoot bestempeld: soorten die minder recht op overleven schijnen te hebben en zo nodig bestreden moeten worden. Zie hier voor de officiële definities.

De halsbandparkiet, ooit ontsnapt uit volières, is zo’n invasieve soort die zich razendsnel als broedvogel vooral in het Westen van Nederland verspreid heeft. In 2022 waren er zeker al 22.000 exemplaren in Nederland, een verdubbeling in 10 jaar. Toplocaties zijn Amsterdam, den Haag en Rotterdam. Maar ook Leiden/Leiderdorp heeft belangrijke, en groeiende, populaties: in december 2021 toch zeker 1650 stuks. Halsbandparkieten slapen in het late najaar en de winter met grote groepen in bomen. Vaak komen de parkieten uit de wijde omgeving naar zo’n boom of bomengroep waar niet zelfden meer dan duizend stuks de nacht doorbrengen. SOVON, de Stichting Vogelonderzoek Nederland houdt de ontwikkeling van de parkieteninvasie al een aantal jaren in de gaten door het tellen van het aantal op de slaapplaatsen. Ik heb actief aan de telling van 2021/22 meegewerkt en ben nu ook betrokken bij de telling van 2024/25.

Tellen bij Topaz

In december 2021 ging ik onder leiding van Ron Mes voor het eerst parkieten tellen. Na een korte telinstructie  bij Laan van Ouderzorg in Leiderdorp ging ik maar eens kijken of de van vorige jaren bekende telplek bij het Topaz-verzorgingshuis bij de Willem de Zwijgerlaan nog in gebruik was. En ja hoor, er overnachtten daar in twee bomen honderden lawaaiige halsbandparkieten. Ik kon er gemakkelijk van mijn huis naar toe fietsen.  Ik telde er toen rond 600, die even voor zonsondergang kwamen aanvliegen en even na zonsondergang rustig werden. Ik had alleen twee vragen: ten eerste: waar kwamen ze allemaal vandaan? Ten tweede: waren er in Leiden nog meer zulke slaapplaatsen? We kenden al een grote slaapplaats bij de Lammenschansweg, maar waren er nog meer? Om beide vragen te beantwoorden ben ik in december voortduren achter groepjes parkieten aan gefietst. De slaapplaats bij het verzorgingshuis bleek te worden bevolkt door parkieten uit een groot deel van Leiden en waarschijnlijk ook Warmond. Slaapplaatsen die ik meende te ontdekken bij de Hortus van Leiden bleken slechts verzamelpunten te zijn voor parkieten die toch daarna naar ‘mijn’ telplek  (Topaz) doorvlogen.  Na meer dan honderd kilometer achter deze lawaaischoppers aan te fietsen vond ik toch geen  andere slaapplaatsen dan Topaz en Lammenschansweg. Voor een verslag van drie jaar geleden, zie deze pagina.

Het gesloten Parkietenhotel

Verzamelplek achter Topaz Rhynhof

Drie jaar gingen er voorbij en de halsbandparkiet-invasie was nog niet voorbij. Integendeel. Overal hoorde en zag je deze lawaaiige schepsels door de parken vliegen. Het waren gewone vogels geworden waar je normaal gesproken geen aandacht aan besteedt. Maar toch vond SOVON het tijd worden de invasie weer eens wat beter in de gaten te houden. Tijd voor een voortzetting van de parkietenpret van 2021!  Het leek mij eenvoudig. Tegen zonsondergang fietste ik op 18 november over de IJsselmeerlaan richting ‘Tuinvereniging Ons Buiten’ en vandaar  naar Topaz Overrhyn. En ja hoor, net als drie jaar geleden zaten de bomen aan de kant van het Noorderpark al vol schreeuwlelijken. Toen er op een bepaald moment een grote groep het verzorgingshuis overvlogen, verwachtte ik dat ze daar op hun bekende slaapbomen zouden landen. Maar nee, ze vlogen de flats over richting Willem de Zwijgerlaan. Toen was ik ze kwijt. Inmiddels was het donker geworden. Een dag later ben ik weer gaan kijken.

Zwerven door de verkeerschaos

Ik zag toen dat een grote groep het kruispunt met de Sumatrastraat bij de twee benzinestations overvlogen. Ik stond met mijn fiets achter een rood stoplicht te wachten. Ik was niet suïcidaal genoeg om de parkieten te volgen voordat het licht op groen sprong. Van parkieten heb ik weinig gezien die avond. Wel heb ik weer veel geleerd over de huidige verkeerschaos, vooral over het heterogene mengsel van fietsen met en zonder licht, bromfietsen, elektrische fietsen, elektrische bakfietsen en vooral ook fatbikes. Jongetjes van 14 jaar komen (telefoon in de linkerhand) aanracen op zulke gevaartes met de veel te sterke koplamp naar boven gericht zodat ze je nog eens extra kunnen verblinden. Ze vinden dat erg grappig.

Het leuke van de parkietenjacht is dat die precies samenvalt met het begin van de avondspits. Het verkeer is dan oorverdovend maar de parkieten kunnen er ook wat van. Hun schrille geluid komt moeiteloos boven de auto’s, bussen en de fietsenchaos uit. Prettig als je ze wilt volgen.  Een paar dagen later ging ik vóór de parkieten het kruispunt over en wachtte op de eerste groepen  die de Willem de Zwijgerlaan over vlogen.

Vanaf het Zuidelijke benzinestation vlogen ze naar de Zijl. Ik zag ze nog net de Zijl oversteken, richting de Praxis van Leiderdorp, maar ook deze keer raakte ik ze kwijt. Er zat niets anders op dan ze aan de overkant van de Zijl op te gaan wachten.  Dat deed ik een dag later en het raadsel werd opgelost. 

Parkieten in de vogelwijk

Net iets na zonsondergang kwamen er honderden de Zijl over vliegen, ook nu weer richting Praxis. Ze vlogen nog iets verder Leiderdorp in, maar niet helemaal tot aan Engelendaal. Ze volgden het water dat hier parallel aan loopt achter de grote flats die hier Schansen heten: Oosterschans, Houtschans, etc. Hier waren ze gemakkelijk te volgen. Eerst dacht ik dat de slaapplaats zich hier bevond, maar na een paar minuten zitten vervolgden alle groepjes hun weg naar de slaapplaats, die zich bij de Roodborststraat bleek te bevinden, niet ver de Houtkamp. Drie jaar geleden bevond die zich een kilometer verder bij de Laan van Ouderzorg. Daar bij de Roodborststraat was het weer een drukte van jewelste: een oorverdovend geluid van honderden roepende halsbandparkieten in drie of vier bomen.

Van een deel van deze misschien wel acht honderd parkieten wist ik waar ze vandaan kwamen, het Noorderpark, maar waar komen de anderen vandaan? Om dat uit te vinden heb ik nog heel wat kilometers in de avondspits tussen auto’s, fietsen en fatbikes doorgebracht. Moderne natuurbeleving. Ik ben eerst maar eens bij Witte Singel en de Hortus gaan kijken. Drie jaar geleden vlogen ze vandaar allemaal naar het Noorden, naar het Topaz-verzorgingshuis. Dat deden ze deze keer niet. Ze vlogen van het plantsoen naar de Hoge Rijndijk en richting Oude Rijn. Toen raakte ik ze weer kwijt. Maar toen ik nog een keer aan de Oude Rijn in Leiderdorp ging kijken, zag ik ze met honderden tegelijk uit de Leidse binnenstad komen. Ze vlogen niet naar de Lammenschansweg maar rechtstreeks naar de grote slaapplaats in Leiderdorp. Van mede-parkietentellers kreeg ik de informatie dat ze van de Rhijnhof richting Witte Singel vlogen en van de Leidse Hout (en waarschijnlijk ook uit Oegstgeest) richting Willem de Zwijgerlaan. Misschien kwamen ook de Warmondse parkieten daarheen. Het beeld werd duidelijk, één giga-slaapplaats in Leiderdorp. 

Het beeld eind december 2024

Generale repetitie

Het werd tijd om maar eens te gaan tellen als generale repetitie van de officiële telling van 21 december. Merkwaardig genoeg waren er niet méér slaapplaatsen gevonden dan die op de Roodborststraat. Met vijf man stonden we in de regen te wachten rond zonsondergang. Toen kwam er af en toe eentje aan vliegen, daarna groepjes van 10, 50, 100 en 150 tegelijk. Ze bleven eerst in een paar bomen op een paar honderd meter zitten om dan in grote groepen naar de bomen aan de Roodborststraat te komen. Ik had mijn auto daar eerst geparkeerd, maar ik had geen zin in een verplichte autowasbeurt de volgende dag. Ik heb hem maar 100 meter verder gezet. Onder de bewuste bomen was de straat wit van de parkietenstront. Wij telden op verschillende plekken waar je net iets andere parkieten zag aankomen. Iets meer dan een half uur na zonsondergang zaten de bomen vol en werd het geluid minder. Een optelsom van de verschillende tellingen, gecorrigeerd voor dubbeltellingen, leverde het indrukwekkende getal van 2400 halsbandparkieten op. Ik zat er wel behoorlijk naast met mijn oorspronkelijke schatting van 800! 

Première en tweede uitvoering

Het is een bekend verschijnsel bij concerten. Soms is de generale nog een puinhoop maar het concert is een groot succes. Maar het kan ook andersom. Een week na de generale repetitie staan de teller weer op hun posities te wachten op het aanvliegen van het lawaaiige parkietenvolk. Het is koud, het regent en er staat een bijna stormachtige wind. Iets na half vijf komen ze aan. Zoals de vorige keer blijven ze eerst in de bomen bij de koolmeesstraat zitten totdat ze in groepen het laatste stuk naar de Roodborststraat vlogen.  Een klein deel kwam uit de Nachtegaalstraat en ook behoorlijk wat uit de richting van de Houtkamp. Waarschijnlijk door de harde wind waren de vliegroutes onoverzichtelijk. Soms vlogen ze eerst over een flatgebouw heen om dan even later weer terug te komen. Soms leken ze te gaan zitten in de bomen op de eindbestemming maar vlogen toch weer door.

Het was weer een hels kabaal bij de bomen van de Roodborststraat, maar om kwart over vijf gebeurde er iets wonderlijks. Het leek of iemand de hoofdschakelaar omzette. Het was binnen een paar seconden helemaal stil. Geen parkiet meer te horen. Verhalen van de buurtbewoners dat de parkieten hun de hele nacht uit de slaap zouden houden, moeten wel met heel veel korreltjes zout genomen worden.

Toen de tellers hun resultaten vergeleken, was het moeilijk er een eenduidig beeld uit te destilleren. Schatting varieerden tussen 1500 en meer dan 3000. Middelen was een optie geweest maar daarover was geen overeenstemming te krijgen. In de levendige appgroep-discussie die hierop volgde, stonden kreten als ‘volledig onwaarschijnlijk’ en ‘totaal belachelijk’ en even leek het over vertrouwen en wantrouwen te gaan. Er was maar één oplossing: opnieuw! 

Een paar dagen later stonden wij met drie tellers opnieuw bij de parkietenbomen. Deze keer probeerden we heel precies de drie stromen aanvliegers uit elkaar te houden. Ook deze keer kwamen er erg veel uit de richting Koolmeesstraat, meer dan 2000. Het eindresultaat, meer dan 2800, leek nu plausibel. De hoge telling van de vorige telling leek toch zo slecht nog  niet. Maar het kan dat ik, zonder de professionele hulp van Ron, mijn parkieten toch wel iets te hoog heb ingeschat. Maar of het er nu 2500 zijn of 3000,  het blijven er erg veel.

Het derde concert

SOVON had voor 11 januari een tweede slaapplaatsentelling gepland. Omdat die dag slecht uitkwam, zouden wij op 10 januari gaan tellen. Het leek eenvoudig: gewoon de routine oppakken van onze telling bij de Roodborststraat. Maar even na nieuwjaar bereikte ons het bericht dat er toch weer parkieten waren gesignaleerd op een slaapplaats die in december nog verlaten was: Topaz Overrhyn . Ik ging op woensdag 8 januari daar maar eens kijken. Het leek eerst nogal rustig te zijn, afgezien van de honderden (duizenden?) kauwtjes, maar vanaf ongeveer tien over vijf kwamen ze in grote hoeveelheden aanvliegen. Een haastige telling leverde bijna 800 stuks op. Ik was blij dat ‘mijn’ slaapplaats weer bezet was en dat ik hier de officiële telling kon toen. Inmiddels was ook duidelijk dat de oude plek aan de Lammenschansweg weer beslapen werd.

We hadden plotseling drie slaapplaatsen te tellen, dachten we. Na wat heen en weer geapp, besloten we met vier personen in Leiderdorp te gaan tellen en met elk één teller bij de Lammenschansweg en Topaz Overrhyn. Die laatste teller was ik dus. Ik ging er op vrijdag 10 januari nog ruim voor zonsondergang heen. Dat was veel te vroeg. Er zaten in  bomen in de directe omgeving al veel parkieten. Het was koud en het regende een beetje. In de twee slaapbomen zat nog geen enkele parkiet. Blijkbaar wachten ze op elkaar voordat ze er vrijwel tegelijk naar toe gaan vliegen. Wat er wel zat, waren een paar duiven en een ekster. Er vlogen vrij veel kauwtjes tussen de bomen heen en weer.  Toen de zon al twintig minuten onder was, begon de grote verhuizing van de parkieten in de bomen vlakbij naar de twee slaapbomen. Het ging razendsnel. In een kwartier tijd telde ik er meer dan duizend in groepjes van 3, 5, 10,  20 en soms wel 60 of meer. 

Toen ik mijn onverwacht hoge aantal doorgaf aan de telgroep, bleek dat nu de parkietenslaapplaats in Leiderdorp verlaten was. Exact aantal parkieten: nul. Zelfs met mijn hoge aantal bij de Willem de Zwijgerlaan, leken wij nog zo’n 1700 parkieten te missen. Maar het bericht van de teller op de Lammenschansweg dat hij er daar 1720 geteld had, maakte het plaatje volledig duidelijk. Onze Leiderdorpse populatie van 2800 parkieten had zich gesplitst in twee groepen, één van ongeveer 1050 en één van ongeveer 1750. Hoe deze splitsing tot stand is gekomen, zullen we wel nooit weten. Misschien was er in Leiderdorp zoveel vuurwerk  dat de parkieten naar een andere plek zijn gegaan. Opvallend is dat ze naar die plekken zijn gegaan waar in vorige jaren al honderden/duizenden parkieten hebben geslapen. Bestaat die informatie in die groep? Zijn er leiders waar de andere parkieten achteraan vliegen? En hebben de leiders ‘besloten’ maar eens ergens anders de nacht door te brengen? We weten het niet en het is maar de vraag of je daar ooit achter komt.

De grote verhuizing: zelfde aantal, andere slaapplaatsen

Wat heb je aan zulke tellingen?

Als teller wil je er natuurlijk veel tellen, maar waarom eigenlijk? Moeten we wel blij zijn met zoveel halsbandparkieten? Het zijn natuurlijk invasieve exoten die mogelijk met waardevolle vogelsoorten zoals boomklevers en spechten concurreren. De schade schijnt nog mee te vallen, maar, als we er nu achter komen dat de schade toch aanzienlijk is, wat hebben we dan aan onze mooie tellingen? Weinig, neem ik aan. De halsbandparkieten zijn er en breiden zich uit. Ze terug stoppen in de kooitjes waaruit ze ontsnapt zijn, lukt natuurlijk niet. Ze afschieten (als je dat al zou willen) gaat evenmin. Bestrijding van invasieve exoten is een gevecht tegen de natuur. De winnaar van dit gevecht staat bij voorbaat vast. 

 

Een paar getallen

Het totale aantal halsbandparkieten in Nederland was in de jaren 2010-2015 rond 10.000. Toen er in 2021-22 opnieuw tellingen werden georganiseerd, was dit getal verdubbeld tot rond 20.000. Wat het dit jaar zal zijn, weten nog niet. 

Het totaal voor Leiden+Leiderdorp was in de tellingen van 2014-2015 nog onder de 1000. In 2021-2022 was het opgelopen tot 1650. Maar in Leiden zijn ze dit jaar (2024) verdwenen.

De ontwikkeling in Leiderdorp is interessant: van maximaal 101 in 2012-2013 naar 280 en 703 in de twee jaren daarna, 500 in 2021-2022, en meer dan 2500 in december 2024! De gigantische groei in 2024 is maar gedeeltelijk te verklaren uit het verdwijnen van de slaapplaatsen uit Leiden. 

Maar in januari 2025 is dit beeld weer totaal veranderd: alle halsbandparkieten uit Leiderdorp zijn weer naar Leiden verhuisd, verdeeld over twee slaapplaatsen. In Leiderdorp is het weer rustig.

De groei voor Leiden + Leiderdorp bedraagt ongeveer 70% in 3 jaar. Dat is bijna 20% per jaar.

 

Een prettige teleurstelling

De afgelopen weken ben ik op zoek geweest naar beelden van die rare natuur in mijn directe omgeving, ingeklemd tussen snelwegen, spoorlijnen, industrieterreinen en de laatste stukjes landbouw. Het resultaat viel niet tegen. Ik schoot mooie beelden van de treinen die langs de vogelplassen van de Polders Poelgeest razen en van de vrachtwagen die vlakbij het wulpenparadijs Munnikenpolder hun tank vol dieselolie gooien. Ik sloot het drieluik af met troosteloze beelden van de Nieuwe Driemanspolder met de Zoetermeerse skibaan en de flats van den Haag als achtergrond van grote groepen eenden, ganzen en meeuwen. Zie mijn vorige blog.

Maar ik wilde nog wel een gebied toevoegen aan mijn verzameling. Niet ver van Rotterdam verwachtte ik bij Eendragtspolder en Rottemeren minstens even troosteloze beelden te kunnen schieten. Het weer was gunstig: koude en grijze luchten voor een goede dosis somberheid. Vol verwachting stormde ik met ons autootje het Clausplein over en dan via Zoetermeer naar het Zuiden recht op de parkeerplaats af bij de Eendragtspolder met een mooie uitkijktoren op de Willem-Alexander-roeibaan. Ik was de enige bezoeker. In het onaangename weer liep ik, gewapend met twee camera’s en een verrekijker, langs de mooie vogelplas.

Eendragtspolder

Erg bijzonder waren deze keer de vogels niet afgezien van wat tafeleenden, kuifeenden, een enkele zilverreiger en de onvermijdelijke meerkoeten. De mist maakte het landschap niet lelijk. Integendeel, de vage contouren van de kolossale flatgebouwen van Rotterdam Nesselande hadden bij dit weer iets moois. Ze leken de ongewone rust te onderstrepen in dit gebied niet ver van een van de drukste steden van Europa. Verkeer was er nauwelijks. Af en toe vlogen er groepjes eenden over en de meeuwen op een bouwland achter de dijk profiteerden van het werk van een tractor.  

 

Na mijn bezoek aan de Eendrachtspolder en de roeibaan reed ik een stukje naar het Zuiden om daar bij de Zevenhuizer plas aan te komen. Ik dronk een kopje koffie bij de aan de strandweg gelegen Pannenkoe. Ik vroeg aan het meisje van de bediening waar de WC zich bevond: “Ga de deur in waarop Stieren staat”. Een pannenkoekenrestaurant rond het thema koe en stier. Leuk.  Van hier zie je weer dezelfde hoge flats als vanaf de Eendragtspolder. Ze staan niet ver van  het strand van Nesseland aan overkant van de plas.

Ik wilde hierna nog even aan de andere kant van de Rotte gaan kijken. Met de fiets had ik het bruggetje bij Vijfhuizen kunnen nemen. Met de auto moest ik helemaal via Terbregge (Rotterdam Alexander) rijden, meer dan 15 km langer. Na mijn kleine uitstapje naar Rotterdam reed ik dan aan de andere kant van de Rotte naar het Noorden, vooral over de slingerende Rottebandreef, waar hard rijden vrijwel onmogelijk wordt gemaakt door een overdaad aan verkeersdrempels. Langzaam gaat de stad hier in een iets landelijker omgeving over, waar ook de beter gesitueerde Rotterdammers hun optrekjes hebben gebouwd. Het werd steeds mooier en steeds rustiger. Ik parkeerde op een parkeerplaats aan de Rottemeren. 

Herfst bij de Rottemeren

Ik wandelde een stukje langs een van de meertjes: mooie herfstkleuren aan het mooie water, een idyllisch bruggetje en tenslotte over de Rottedijk naar het kunstwerk ‘Ritme van drie’ van Lon Pennock, drie identieke gebogen metalen (?) vormen. Op het bordje bij het kunstwerk kan je zien wat het allemaal moet betekenen: de harmonie van de elementen land, lucht en water en ook nog de gebogen houding van havenkranen of reigers. Altijd mooi zo’n verklarende tekst erbij. Vanaf het kunstwerk heb je mooi uitzicht op de molen aan de overkant van de Rotte: de Eendragtsmolen. Ik was dus weer heel dicht bij het begin van mijn expeditie naar dit gebied.

Ritme van drie en de Eendragtsmolen

Bibberend van de kou at ik mijn brood op een bankje bij het kunstwerk en dronk er een warme kop koffie bij uit mijn thermosfles. Door het mooie parklandschap liep ik terug naar de parkeerplaats. Ik moest concluderen dat mijn expeditie mislukt was. Ik was op zoek naar weer een toppunt van lelijkheid, van schreeuwende contrasten tussen betonnen steden, razende snelwegen en wat er van natuur is overgebleven. Die lelijkheid had ik niet gevonden. De flats bij Nisselande waren bijna mooi en ik heb genoten van de weldadige rust in dit gebied. Een teleurstelling: ik heb niet gevonden wat ik zocht, maar deze teleurstelling was best wel prettig.

Rotte – Willem Alexander baan – Eendragtspolder – Zevenhuizer plas

_____ 

Natuur tussen flats en snelwegen

Polders Poelgeest

Hier in het Westen van Nederland zijn prachtige natuurgebieden, dat wil zeggen: gebieden waar de mooiste en soms zeldzaamste dieren en planten te vinden zijn. Maar denk bij natuur hier niet aan romantische wildernis als eenzame heidevelden, uitgestrekte bossen of door zeewater omspoelde zandbanken. 

 

Op de slaapplaats in de Munnikenpolder bij Leiderdorp landen vlakbij de snelweg bij zonsondergang in de winter groepen van meer dan duizend wulpen. Waar de ene trein na de andere voorbij raast, staan de prachtige lepelaars in het ondiepe water in de Polders Poelgeest te vissen. 

De bij den Haag gelegen Nieuwe Driemanspolder is het eldorado voor vogelaars die met als achtergrond de absurde skibaan van Zoetermeer grote groepen smienten slobeenden en pijlstaarten zien vliegen terwijl in het water een rosse franjepoot zwemt en een kleine zilverreiger zenuwachtig heen en weer loopt.  

Munnikenpolder en benzinestation

Ons beeld van ‘natuur’ is aan herziening toe. Het is interessant om te zien hoe mensen de werkelijkheid proberen te ontkennen door een slootje in de Munnikenpolder zo te fotograferen dat de flats in Leiderdorp er net niet op komen te staan. Mijn foto’s kunnen dit beeld een beetje corrigeren.

Met uitzondering van gebieden als de Waddenzee heeft onze natuur niets meer van een ongerepte wildernis. Onze natuur bevindt zich midden in de stad en tussen steden, snelwegen en spoorlijnen. Beter dan de romantische illusie die probeert de oorspronkelijke natuur van voor de industriële revolutie en zelfs van voor de landbouw te herstellen, inclusief beren en wolven, is het van de nu echt aanwezige natuur, inclusief de oprukkende invasieve soorten zoals  halsbandparkiet en rivierkreeft het beste te maken. 

PS

Dit stukje is een nevenproduct van een opdracht bij de fotocursus voor gevorderden die ik dit jaar bij het LAK onder leiding van Harry Otto volg. Zie ook mijn vorige blog.

Zie ook in deze blog van een jaar geleden.
Voor nog meer overpeinzingen over het vreemde begrip 'natuur', zie deze blog.

_____