Krooneenden in het vaarwater

Af en toe zeul ik zware telelenzen en statieven naar mijn vogelplekjes hier in de buurt. Je moet tijdens deze ‘lock-down’ toch iets te doen hebben. Met  mooi weer ben ik nooit zo blij, want dan zijn er te veel mensen op de smalle paden langs de Kagerzoom. Een anderhalve-metersamenleving is niet gebaat bij veel zonneschijn. Het is gelukkig vrij koud, maar de zon schijnt toch volop. Het is inmiddels voorjaar geworden en we gaan Pasen tegemoet. Ik fiets naar het bruggetje voorbij de broekdijkmolen. Aan de overkant zet ik mijn fiets neer, haal de fotografische apparatuur uit mijn tas, monteer de camera op het statief en loop dan naar links over het pad aan de rand van ‘de Strengen’. Tegenover de molen is een soort klein baaitje, waar nog een klein zijpad langs loopt.

Krooneenden

Ik kijk door mijn verrekijker en dan zie ik ze in het mooie licht: prachtige krooneenden, twee mannetjes en een vrouwtje. Eigenlijk zijn dit Corona-eenden, denk ik nog. De mannetjes vallen op door hun bijna overdreven donkerrode snavel en oranjeachtige kop, maar ook het vrouwtje is, hoewel minder kleurig, erg mooi. Ik zet mijn statief aan de rand van het water en ik schiet veel te veel plaatjes. Ik kan er maar niet genoeg van krijgen.

Dan komen er twee kano’s achter elkaar de baai in gepeddeld. De krooneenden zwemmen weg. Ik ben boos. Ik roep een aantal vloeken naar de voorste kano-man en dan: “Weten jullie wel wat jullie doen? Jullie hebben net een aantal heel mooie en vrij zeldzame eenden verjaagd!”. Het antwoord luidt: “Wij mogen hier gewoon door, dit is wel vaarwater!” Nog even kan ik mijn eenden, die hoog over de molen wegvliegen, bewonderen. Ik blijf alleen achter aan het vaarwater.

Krooneend

Naar de Zuiderzee

Verslag der Vogelwerkgroep Leiden van de Koninklijke Natuurhistorische Vereeniging K.N.N.V. van de excursie op Zondag 23 April 1922.

Leiden

Vanmorgen liepen twee dames en drie heeren door de mooie Leidsche binnenstad naar het spoorwegstation van Leiden. De locomotief van den trein naar Utrecht stond al te stomen. De excursie was georganiseerd door Mej. Dra. A.M.M. Burgers, tot niet zo heel lang geleden leerares biologie aan een Hoogere Burgerschool te Leiden. Met onbluschbaren ijver organiseert zij de eene excursie na de andere. Zij stond als eerste, uitgedoscht met een fraaie plunjezak op het eerste perron. waarna even later zich de heer Drs. A. Staal, nog steeds werkzaam in het onderwijs, maar dan aan een Lagere School met den Bijbel, en de heer Drs. S. van der Laan, sinds kort werkzaam voor de plantsoenendienst der Stad Leiden, en de heer Drs. Th. Bijvoet, door de week verantwoordelijk voor de Nederlandsche Cultuurpolitiek in ’s-Gravenhage, bij het groepje enthousiaste vogelliefhebbers voegden. Toen ook Mej. M. Stahlie – in onze kringen zeer gewaardeerd om haar inzet voor het overbrengen van natuurkennis en natuurliefde aan de o zoo belangrijke jongere generatie  – het perron op kwam loopen, was het om 7:04 uur hooge tijd voor het vertrek richting Utrecht en verder. Ondergeteekende, Dr. R. de Man (gepensioneerd adviseur van groote Nederlandsche en buitenlandsche ondernemingen), stapte op het stationnetje Lammenschans den trein in.

De treinen van de Nederlandsche Spoorwegen zijn rap tegenwoordig. In iets meer dan een uur naar Utrecht geboemeld. Na overstappen in Utrecht en Amersfoort in den trein richting Zwolle. In Putten, aankomst 9:56 uur, stond onze vriend Professor Dr. Harkema, een goede vrind van Drs. Staal, klaar om ons met zijn eigen automobiel van het station af te halen. We zouden vogels gaan kijken bij de Zuiderzee. Over vijf jaar wordt begonnen met de aanleg van de ‘afsluitdijk’. Zuiderzee wordt IJsselmeer. Hoe zal het met de vogels gaan? Onze grote voorvechter van het behoud van de Nederlandse natuur, Jac. P. Thijsse, heeft daar onlangs in het blad ‘De Levende Natuur’ over geschreven, waaarbij hij  de noodzaak van natuurstudie benadrukt: “Hoe beter wij de vogelwereld van de Zuiderzee kennen, des te meer kans bestaat er, dat we de perikelen van de droogmaking tot een minimum beperken. Ik weet, dat de Directie der Zuiderzeewerken in dit opzicht tot de allerwelwillendste medewerking bereid is.” Maar gelukkig is het nog niet zo ver.

Het is maar een klein eindje rijden naar de kust. Dat is maar goed, want de Professor moest twee keer rijden. Zoo groot is die auto ook weer niet. Bij een klein haventje aan den Zuiderzeekust lag de kleine visschersboot van de heer Harm Dekkers, een Harderwijker visscher, een type van een vent, wel wat los in zijn mond, maar vol leuke opmerkingen, die vaak iemand karakteriseerden. Zo noemde hij Mej. Burgers, wier naam hij niet kende, Prinses Kiekema, en dat was zo teekenend, ook volgens de dame in kwestie, dat het zelfs door haar niet kwalijk genomen werd. Mej. Burgers had een heel mooi kiektoestel meegetorscht en maakte tijdens de geheele excursie de mooiste prenten.

Harderwijk

De dames en heeren, met uitzondering van den Professor, gingen aan boord van de kleine visschersboot en het avontuur kon beginnen. Wij zeilden een stukje evenwijdig aan de kust richting Harderwijk en vervolgens vlak langs de haven van Harderwijk zonder daar aan te leggen. Drs. Bijvoet was de gelukkige eigenaar van een Carl-Zeiss-binoculair, een staaltje van grootsche techniek, niet minder kostbaar dan vernuftig. Als wij beloofden, de nodige voorzichtigheid in acht nemen, mochten wij er even door loeren.

Aalscholver

Vol enthousiasme riep Mej. Stahlie: “drie aalscholvers, een groep smienten, en kijk daar eens even, daar staan kluiten met hun lange pooten in het zoute water”. “Mocht er een Schepper bestaan”, verzuchtte onze schoolmeester van de School met den Bijbel, “dan heeft hij het niet slecht gedaan! Wat een mooie ranke vorm, wat een mooi minimaal kleurenpalet”. Mej. Burgers voegde daaraan toe, dat deze vogel ideaal was om te kieken: een “zwart-wit-vogel” grapte deze, anders zoo serieuze, biologe.

De heer Dekker stuurde zijn scheepje bij Harderwijk verder het ruime sop op, verder van den kust. De deining nam iets toe, maar zonder onaangenaam te worden. De Zeiss ging van hand tot hand (en van oog tot oog), waarbij Drs. Bijvoet niet steeds gelukkig keek, alsof hij vreesde dat zijn zoo kostbare bezit op de bodem van het scheepje zou eindigen. Dat gebeurde niet. Onze plantsoenambtenaar, die over de beste oogen van ons allen beschikt, riep plotseling: “meneer Dekker, graag de boot hier stilhouden. Leg hem even tegen de wind”, commandeerde hij den armen bootsman wel heel erg direct en bijna onbehoorlijk. Maar niet zonder reden! Wat zag Drs. Van der Laan? “Beste menschen, kijk nu eens aan, daar drijft zowaar een groote groep Middelste Zaagbekken”.

Brilduiker

Zij waren nog ver weg, maar de Zeiss van Drs. Bijvoet haalde ze dichtbij. Wat waren ze mooi! Maar dit was nog zeker niet het einde van het verhaal. Vlak in de buurt van de Zaagbekken zwommen een paar Nonnetjes. “Gek”, zei Dr. de Man, “dat we een mannetje van het nonnetje geen patertje noemen”. Niemand lachte, maar zelf vond hij het een leuke grap.

De heer Staal had van zijn echtgenoote een heele verzameling koeken meegekregen. Die koek ging erin als koek. Een perfecte dag, een frische wind, het geluid van allerlei vogels, een mooi zonnetje en een allergezelligst gezelschap.

We voeren niet heelemaal naar Enkhuizen maar we draaiden naar links richting het Gooi. De deelnemers aan deze prachtige excursie werden hierna nog getracteerd op brilduikers, heel veel futen, een paar dodaarsjes en natuurlijk de gebruikelijke meeuwen. Mej. Burgers kiekte, dat het een lieve lust was, alsof ze haar bijnaam “Prinses Kiekema” moest bewijzen.

Niet ver van Spakenburg kwamen we weer dichtbij het vaste land. Daar werden we nog even verrast door een heele groote groep grutto’s, wel zeker 250 tot 300 stuks. Prachtig, zooals die roodachtige tinten schitterden in den laten middagzon.

Grutto’s

Vervolgens zagen wij de fraaie bosschen van de Noord Veluwe in de verte, maar daarheen gaan wij zeker een andere keer. Het zat er bijna op. Toen wij tegen zevenen bij het haventje bij Putten aankwamen, stond professor Harkema, geleund tegen zijn voertuig, al op ons te wachten. Hij reed ons in twee ritten naar het spoorwegstation van Putten, waar we om 7:53 in den avond vertrokken. Het was nu eenvoudiger om via Amsterdam naar Leiden te reizen, waar we om 12:03, net na middernacht aankwamen. Op het Centraalstation van Leiden namen de deelnemers afscheid. Dr. de Man had nog zeker drie kwartier te loopen, want een trein naar Lammenschans zou pas den volgenden ochtend vertrekken.

 

Waarnemingen
1.      Aalscholver

2.      Blauwe Reiger

3.      Brandgans

4.      Brilduiker

5.      Buizerd

6.      Dodaars

7.      Fuut

8.      Groote Mantelmeeuw

9.      Grutto

10.  Kievit

 

11.  Kluit

12.  Knobbelzwaan

13.  Kokmeeuw

14.  Kuifeend

15.  Meerkoet

16.  Middelste Zaagbek

17.  Nonnetje

18.  Scholekster

19.  Smient

20.  Tafeleend

21.  Tureluur

22.  Waterhoen

23.  Wilde Eend

24.  Wintertaling

25.  Wulp

26.  Zilvermeeuw

 

 

Eenige Achtergronden

Voor degenen, die zich interesseeren voor achtergronden van dit curieuze verslag, heeft Dr. de Man nog een speciale pagina gemaakt.

Vreemde Vogels

Brilduiker – Starrevaart, jan. 2020

Ik ben in een fase van mijn leven beland waar mijn ooit zo serieuze werk stapje voor stapje wordt weggeconcurreerd door mijn nog veel serieuzere hobby’s. Schreef ik vroeger ontzagwekkende dikke rapporten over ecologisch ketenbeheer, mensenrechten en biodiversiteit, nu gaat het vooral om viool spelen, onmogelijke talen leren, fietstochten maken in rare landen, de natuur bestuderen, ironische stukjes schrijven en tenslotte fotograferen met een uit de hand gelopen verzameling camera’s en objectieven.

De omgedraaide vogelaar

Dat leidt ook tot leuke combinaties zoals fotograferen in de natuur: macrofoto’s van vliegende bijen en telefoto’s van zeldzame eenden of ganzen. Maar misschien nog leuker dan al die vogels en insecten zijn de vogelaars.

Vogelaars

Als je je standpunt als vogelfotograaf gewoon 180 graden draait, weet je soms niet wat je ziet.

Beelden zeggen hier meer dan woorden. Zie daarvoor de slide-show op deze pagina.

Vogels onderweg

De vogels komen naar mij toe

Ik ben een luie vogelaar. Ik heb meestal geen zin om achter de vogels aan te gaan. Ze komen maar naar mij toe. Deze houding bespaart

Bij Białowieża

niet alleen veel kilometers. Het vogelen wordt er ook veel leuker door. Je rijdt niet achter een of andere internetmelding aan. De waarnemingen zijn onverwacht en soms volledig verrassend. In Polen reed ik zowel in 2018 als in 2019 door en langs de mooiste natuurgebieden. In 2018 was het vooral het nationale park van de Biebrza. Nu reed ik niet alleen door de bossen van Białowieża (vlakbij het beroemde oerbos), maar ook door prachtige gebieden in andere gedeelten van de Pools-Witrussische en Pools-Oekraïense grens.

Leeuweriken, vinken en grauwe klauwieren

Het meest nog genoot ik van de zang van veldleeuweriken van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat bijna overal langs de route. Soms kostte het even moeite om ze hoog in de lucht boven de bouwlandjes met klaprozen en korenbloemen te ontwaren. Maar dat waren natuurlijk lang niet de enige zangers.

Grauwe klauwier

Vrijwel overal maakten de vinken behoorlijk wat lawaai. Ze zouden die vinken best wel wat zachter kunnen zetten, dacht ik soms. Ook heel veel witte en gele kwikstaarten, zwarte roodstaarten , geelgorzen, roodborsttapuiten, groenlingen en af en toe een kneu of een paapje. In de bossen veel bonte spechten en hier en daar een groene specht. De zwarte specht zag ik vorig jaar wel maar dit jaar niet. In de rietvelden natuurlijk rietgorzen, rietzangers en zowel kleine als grote karekieten. Bovendien regelmatig bruine kiekendieven en buizerds en een keer een zwarte stern. Twee keer zag ik een mooie hop en één keer vloog er een ongelooflijk gele wielewaal door mijn beeld.  Natuurlijk zag ik ook veel zwaluwen (boeren-, huis- en gier-). De grauwe klauwier was op veel plekken heel algemeen. En laat ik het klapperen van de overal aanwezige ooievaars niet vergeten.

Grijskopspecht en Oehoe

Als ik me voor een speciale excursie in Białowieża  had opgegeven, stonden wellicht de witrugspecht en de middelste bonte specht op mijn lijstje, maar ik was al lang tevreden met een toevallige ontmoeting met een grijskopspecht. Eerst dacht ik een groene specht te zien, maar er klopte van alles niet aan dat beest. Het was een prachtige grijskopspecht ergens in de bossen aan de Oekraïense grens.

Mijn meest bijzondere waarneming was vanaf dat zelfde fietspad vlakbij de grens. Ik kwam rustig aanfietsen. Een bospad was afgesloten met een slagboom. Op één van de palen waarop de slagboom rustte zat een gigantische uil, zeker 80 cm hoog, onmiskenbaar een oehoe. Ik probeerde zo min mogelijk geluid te maken, haalde voorzichtig mijn camera uit het tasje, keek nog eens en weg was hij. Ik had niets gehoord, maar het is bekend dat uilen volledig geruisloos kunnen vliegen. Hij was zo stil weggevlogen dat ik mij afvroeg of hij er echt wel geweest was…

Ooievaars in Polen

Natuurlijk zijn de grijskopspecht en vooral de oehoe heel bijzondere waarnemingen, maar als ik aan de vogels van Polen denk, dan hoor ik vooral het lied van de leeuweriken en zie ik de ooievaars in de boerendorpen.

 

 

 

    1. Fietsen in Polen
    2. Orthodoxe kerken in het Oosten
    3. Verdacht aan de buitengrens van de EU
    4. De Poolse taal in de praktijk
    5. Vogels onderweg
    6. Weerzien na 42 jaar
    7. De periferie van Europa

Voor mijn verhalen uit 2018 zie deze pagina.

 

Voorjaar in een vogelparadijs

Eerder gepubliceerd als officieel verslag van de Vogelwerkgroep KNNV Leiden

Excursie van de Vogelwerkgroep KNNV Leiden naar het Oostvaardersveld op 6 april 2019

Meer dan genoeg te zien

Met grote snelheid rijden we over de A6 richting Lelystad. In de auto is een heftige discussie over Brexit losgebroken. De burgeroorlog in het Verenigd Koninkrijk die ik voorspel, gaat één mede-vogelaar veel te ver. Maar ook onze auto is al veel te ver. Ik had niet moeten kletsen maar moeten opletten. Anke kan nog zulke mooie briefjes maken, maar als Arthurs persoonlijke navigator ben ik niets waard.

Vanmorgen vertrokken 15 vogelaars in 4 auto’s vanaf het zwembad richting de Flevopolders. We razen nu via de verkeerde baan van de snelweg over de bodem van de voormalige Zuiderzee en missen afslag 7. Na een kleine omweg via afslag 8 komen we bij de eerste kijkplek aan, de grote praambult. Tegen half tien staan wij daar met zestien vogelaars (één deelnemer sluit zich ter plekke aan). De omstandigheden zijn niet ideaal. Er wordt gepraat over winterkleding die nog thuis hangt en er wordt geklaagd over de mistigheid waar zelfs de duurste Swarovski-kijker niet doorheen komt. Voor wie goed kijkt, is er toch veel te zien.

Het weelderige Praambos

Liefhebbers van ‘biomassaliteit’ komen zeker aan hun trekken met minstens 20 zilverreigers op het veld, heel veel kokmeeuwen en ontelbare brandganzen verderop. Geen tijd om koffie in te schenken: op een dwarsbalk van de hoogspanningsmast zien we twee slechtvalken bij een nest en, ja hoor, daar komt een derde slechtvalk aan. Er worden hypotheses opgesteld over de familieverhoudingen en over mogelijke vechtscheidingen in de valkenwereld. Of komt er gewoon een familielid even buurten? Wij weten het niet. We stappen in de auto’s en rijden nog een stukje verder naar het begin van de wandeling. Wij realiseren ons dat we als resultaat van deze tocht we niet met een paar koolmezen of krakeenden thuis kunnen komen.

Op ons rust de verplichting minstens (1) blauwborstjes, (2) baardmannetjes, (3) een zeearend en mogelijk nog wat andere zeldzame roofvogels op onze lijst te hebben vanavond bij de borrel. We besluiten de telescopen maar in de auto’s te laten en beginnen aan een prachtige wandeling in Zuidoostelijke en later Oostelijk richting. Niet aan de temperatuur nog maar wel aan de uitbundige vogelzang kun je horen dat het lente is. We horen zwartkoppen, we zien kneutjes, rietgorzen en nog veel meer. Dan komen we door het Praambos . Dit is niet zomaar een bos.

Dit is een volledig spontaan na de inpoldering van Flevoland ontstaan wilgenbos. Geen bomen op nette rijtjes, maar overal prachtige kromgegroeide takken, dood hout, een rijke onderbegroeiing en – last but not least – een uitbundig lenteconcert. Je zou misschien beter kunnen opschrijven wat je hier niet hoort, maar ik noem er toch maar een paar: alarmroep van boomklevers, het geroffel van een bonte specht, en dan het karakteristieke geluid van matkoppen, het beste kenmerk om ze van hun glanzende familie te kunnen onderscheiden.

Oostvaardersplassen

De Oostvaardersplassen zijn eigenlijk door toeval ontstaan. Aan het eind van de negentiende eeuw waren er al vergevorderde plannen om de Zuiderzee in te polderen en in 1891 kwam ingenieur Lely  met zijn 'Plan Lely' , de basis voor de Zuiderzeewet van 1918. Twee factoren waren van invloed op de aanname van deze wet: de watersnoodramp van 1916 en de voedselschaarste tijdens de Eerste Wereldoorlog. Begonnen werd met de drooglegging van de Wieringermeer en in 1932 was de afsluitdijk gereed. De in het Plan Lely voorziene polders (Noordoostpolder, Oostelijk en Zuidelijk Flevoland) werden met kleine aanpassingen aangelegd, maar toen de dijk Enkhuizen-Lelystad er al lag werd in 2003 definitief van de inpoldering van de Markerwaard afgezien.[1] In de oorspronkelijke plannen was het Oostvaardersdiep gepland, een scheepvaartroute door een diepe geul tussen de Markerwaard en Flevoland. In de definitieve opzet werd de dijk van de Flevopolder een stukje naar het Noordwesten verplaatst: het Oostvaardersdiep lag nu achter de dijk en veranderde in de Oostvaardersplassen.  De bestemming  van het gebied was oorspronkelijk industrie, maar die kwam er niet. Inmiddels ontwikkelde zich spontaan een schitterend maar nog volledig onbeschermd natuurgebied dat tenslotte het visitekaartje zou worden voor een nieuwe benadering van het Nederlandse natuurbeheer, de 'natuurontwikkelingsvisie' als alternatief voor de traditionele opvatting over natuurbescherming. In 1986 werd bijna 6000 ha onder de Natuurbeschermingswet gebracht. Voor het beheer werden op grote schaal grote grazers zoals heckrunderen, wilde paarden en edelherten ingezet.[2] In 1992 werden er 40 edelherten losgelaten. In 2017 waren dat er al meer dan 3900. Over de problemen van het faunabeheer, de noodzaak van afschieten en de heftige emoties bij botsende opvattingen over natuurbeheer en dierenbescherming zullen we het hier maar niet hebben. De discussie is nog niet voorbij.

Aan de rand van het bos openen enkele deelnemers hun thermosflessen met koffie, terwijl anderen al doorlopen naar een grote kijkhut verderop bij het water. Vanuit de hut is niet heel veel te zien, maar met veel geduld ontdekken we toch een paar dodaarsjes in de mistige verte. Leuk zijn dan vooral de grote groepen boerenzwaluwen die gezellig in een grote dode boom gaan zitten met z’n allen.  En dan zien we de matkop ook nog eens goed. Het veld is hier opener met minder begroeiing. Waarschijnlijk zijn hier de Konik-paarden aan het werk geweest.

 

 


Puttertjes (AB)

Boerenzwaluwen (AB)

Geen gebrek aan vinkachtigen vandaag: heel mooie puttertjes op veel plekken en hier en daar ook een groenling. Dan wordt er “robotap” geroepen en dat blijkt een roodborsttapuit te zijn. Eerst een schitterend gekleurd mannetje en dan komt ook een vrouwtje erbij.

Oostvaardersveld

Het Oostvaardersveld ligt ten Oosten van de Oostvaardersplassen, in het gebied tussen de A6 en de spoorweg van Almere naar Lelystad. Het is een recent ontwikkeld natuurgebied. Staatsbosbeheer heeft dit gebied laten ontwikkelen met het doel "in te richten als de 'etalage' van de Oostvaardersplassen. De bezoeker kan hier kennis maken met het 'wetland' ecosysteem en de bijbehorende natuurlijke processen."[3]  "Het Oostvaardersveld bestaat voor de helft uit bos. Het meeste bos bestaat uit het ruim 50 ha grote Wilgenbos. Dit bos is bijzonder, omdat het zich sinds de drooglegging van Zuidelijk Flevoland in 1967 spontaan heeft kunnen ontwikkelen en er niet of nauwelijks is ingegrepen in de ontwikkeling van het bos. Er is veel dood hout aanwezig en de vegetatie is zeer weelderig, vooral bestaande uit brandnetel, kleefkruid en riet."[4] In tegenstelling tot het grotendeels gesloten gebied van de Oostvaardersplassen is het Oostvaardersveld het gehele jaar toegankelijk. Er zijn vier wandelroutes.
Blauwborst (AB)

We zijn natuurlijk blij met staartmezen en kneutjes, maar we willen blauwborstjes zien! Om 12:00 uur nog steeds geen blauwborst. Maar dan, om kwart over twaalf, is het eindelijk raak, wel heel ver, maar onmiskenbaar een blauwborst.

Het is al tegen tweeën (en een stuk mooier weer!) als we bij het bezoekerscentrum voor een consumptieve stop aankomen. Maar het vogelen is nog niet voorbij.

Vlakbij de parkeerplaats – waar wij zeker niet de enige auto’s zijn – zien we nog een blauwborst en verderop vliegt een mooie bruine kiekendief.

Zeearend (EvB)

Wij bestellen onze cappuccino’s, appeltaarten, kroketten en meer vogelaarsvoedsel. De telescopen worden op het terras opgesteld en dan is het tijd om vanuit onze terrasfauteuils eens goed naar een zeearend aan de overkant van de plas te gaan kijken. Hij zit ver weg boven in een boom, maar hij is, ondanks de wat heiige lucht, goed zichtbaar, vooral als hij ons zijn kop en profil  laat zien. Wat een joekel van een snavel!

Vlak voordat we vertrekken verschijnt er nog een mooie buizerd. Een dame van een andere groep vindt zichzelf nogal deskundig en beweert dat het een wespendief is en draagt daartoe weinig overtuigende argumenten aan. Nuchter als wij zijn, geloven we daar niets van.

Na deze late lunchpauze bezoeken we nog een aantal uitkijkpunten. Eerst gaan we naar de vogelkijkhut De Grauwe Gans bij de Knardijk. Het aantal slobeenden bij elkaar is indrukwekkend! Ook zien we hier nog pijlstaarten en kluten. Lopend van de hut naar de auto horen we een rietzanger van wie het liedje niet echt op gang komt. Hij moet nog oefenen. De volgende stop maken we op de Oostvaardersdijk met uitzicht op aan de ene kant de Grote Plas (Oostvaardersplassen) en aan de andere kant het Markermeer.

Hier weer heel mooie kluten en rietgorzen. Er ontspint zich een discussie die wel vaker plaatsvindt op excursies van de Vogelwerkgroep. Stan heeft een grote mantelmeeuw gezien: met roze poten. Anderen zien diezelfde meeuw door hun scope met duidelijk gele poten. Stan schijnt de wereld door een roze bril te zien. Wij gaan daar niet in mee. Het blijft een kleine mantelmeeuw. Tijd om er eens mee op te houden.

Kluten (EvB)

We hoeven ons voor de lijst – ondanks het dramatisch ontbreken van de baardman – niet te schamen.

Wij mogen naar huis. In de auto zwengel ik weer allerlei discussies aan. Arthur heeft niets aan mij, maar gelukkig brengt zijn Tom-Tom ons zonder problemen naar het zwembad. Het was een mooie dag.

 

De wandeling

 

De gehele route

 

 

[1]  https://www.bureau-maris.nl/projecten/oostvaardersveld-lelystad/ .

[2] https://www.sovon.nl/sites/default/files/doc/Rap_2013-11_KotterbosZK.pdf

[3] https://nl.wikipedia.org/wiki/Zuiderzeewerken

[4] https://nl.wikipedia.org/wiki/Oostvaardersplassen#Oorsprong en https://nl.wikipedia.org/wiki/Frans_Vera