Een nieuwe richtingenstrijd

Fotocursussen

Ik neem af en toe deel aan fotocursussen. Daar ben ik vaak de enige deelnemer met een spiegelreflex. De anderen lopen allemaal met een kleine Olympus rond. Ik kan me het enthousiasme voor (spiegelloze) systeemcamera’s wel voorstellen. Ze zijn kleiner en lichter en de bijbehorende lenzen zijn natuurlijk ook kleiner, omdat de sensor kleiner is. Bovendien hebben die camera’s vaak een nog geavanceerdere software aan boord, die nabewerking met Lightroom vrijwel overbodig maakt. Alles kan op de camera worden gedaan en je krijgt wat je op je scherm ziet. Ook zijn ze stiller.

Systeemcamera versus spiegelreflex

Er is tussen fotografen weer een nieuwe richtingenstrijd ontbrand. Er was al een richtingenstrijd tussen full-frame en crop-camera’s. Full-frame-fanaten zweren bij de superieure kleurkwaliteiten van hun dure Nikons of Canons en zeulen met plezier hun kilo’s zware teleobjectieven door de natuur. Nu is er de richtingenstrijd tussen de moderne bezitters van four-thirds systeemcamera’s, de handzame Olympus- en Sonymodellen, en de conservatieve fotografen die aan hun spiegelreflexen vasthouden. De bezitters van systeemcamera’s brengen een bont mengsel van argumenten naar voren voor hun keuze: het gewicht van de camera, de kwaliteit van de software, het gemak van live-view-fotografie, etc. Dat zijn allemaal geldige argumenten, maar daarmee is de systeemcamera niet altijd de beste keuze.

Vier opties

Er zijn meer mogelijkheden:

  1. De beste kleinbeeldcamera van het moment is een spiegelloze full-frame (beste kleurkwaliteit en gevoeligheid, superieure auto-focus) camera, de Nikon Z7. Een nadeel: er zit een prijskaartje van €3849 aan (alleen body). Het gewicht is niet hoger dan van een DX-camera. De lenzen zijn wel zwaar.
  2. Gaat het om superieure beeldkwaliteit, maar is de Z7 toch te duur, neem dan een full-frame spiegelreflex, bijvoorbeeld een Nikon D810 voor € 2900 (body) of een goedkoper model. Hij is dan wel weer zwaarder dan de Z7. Ook de lenzen zijn zwaar.
  3. Wil je een lichte camera van hoge kwaliteit, koop dan een four-thirds systeemcamera zoals de Olympus EM-1 Mark 2, voor € 2259 inclusief objectief. Je neemt door de kleinere sensor (cropfactor 2) enig kwaliteitsverlies (vooral bij slecht licht) voor lief en je mist de artistieke mogelijkheid van lage scherptediepte van camera’s met grotere sensor. Het stroomverbruik is hoger dan van een spiegelreflex.
  4. Is het gewicht geen probleem en wil je iets minder geld uitgeven aan body en objectieven, dan is een DX-camera (cropfactor 1,5) een uitstekend compromis. Voor iets meer dan € 1000 heb je al een D7200 mét objectief.

De vaardigheid van de fotograaf

Met al deze camera’s (en zelfs met nog veel goedkopere compactcamera’s) kan je uitstekende foto’s maken. De vaardigheid van de fotograaf, niet de camera geeft de doorslag. Geen enkele soort camera is per definitie beter dan een andere. Het hangt er maar van af wat je wilt en hoeveel geld je hebt. Als ik veel geld had, kocht ik morgen nog een Z7. Gewoon de beste kwaliteit die er bestaat. Maar of ik dan ook betere foto’s maak? Ik weet het niet.

Is er leven vóór de dood?

Een onzinnige vraag

De vraag “is er leven na de dood?” schijnt nogal wat mensen bezig te houden. Mij niet. Wat een onzin. Natuurlijk is er geen leven na de dood. Logisch, want dood is gedefinieerd als de afwezigheid van leven. Een veel interessantere vraag is naar het leven vóór de dood. Biologisch gezien is iedereen die nog niet dood is in leven. Als ik dan toch de vraag stel “is er leven vóór de dood”, dan bedoel ik of dat leven zodanig de moeite waard is dat we niet onmiddellijk uitroepen “dit is geen leven!”

Het Zwitserleven

Op pad met de vogelwerkgroep

Veel mensen, die minder verwend zijn dan ik, zijn niet erg enthousiast over het leven tijdens hun werkzame bestaan. Ploeteren voor een vervelende baas zonder de waardering die je verdient, alleen maar omdat er brood op de plank moet komen en je een overstap naar een andere baas of een avontuurlijk ZZP-er-bestaan niet aandurft. Maar dan komt het grote moment van de pensionering niet lang na je 65e verjaardag. Het werkende bestaan was dan misschien geen leven, maar nu gaat het echte leven weer beginnen, misschien wel het Zwitserleven. Je wordt lid van vijf verenigingen, doet wat vrijwilligerswerk, koopt eventueel een kampeerbus, geeft je weer op voor teken- en muzieklessen, maar met de sport doe je het wat rustiger aan, want de gewrichten en spieren zijn al wat versleten en gekrompen. Het leven dat een jaar of 35 op stand-by heeft gestaan, kan aangezet worden!

Het leven vóór de dood

Tijd voor natuurfotografie …

Ik kan me bij al dat enthousiasme over het leven na de pensionering, of laten we het bij een treffendere naam noemen, het leven vóór de dood, niets positiefs voorstellen. Ik vind het verschrikkelijk. Jaren lang ontwikkel je je ervaring, je reputatie, je overtuigingskracht en al het plezier dat daarbij hoort en dan de kampeerbus in om te genieten van het Zwitserleven. Wat een totaal mensonwaardige onzin!

Ik heb vooral vanaf het moment dat ik met een eigen adviesbureau ben begonnen met heel veel plezier ideeën ontwikkeld, projecten op de rails gezet en zelfs belangrijke organisaties helpen opzetten.

Tijdens de grote katoenconferentie in Brazilië (2006)

Dat was niet altijd ‘leuk’ en ontspannend, maar het gaf wel heel veel voldoening en waardering van anderen. Ik heb dat tot rond mijn 68e verjaardag volgehouden en daarna ging het toch stap voor stap in de richting van een minder intensief arbeidsbestaan en meer tijd voor hobby’s als muziek maken, vogels kijken en fotograferen. Daar is niets mis mee. Maar op het moment dat mijn leven uitsluitend nog uit vrije tijd bestaat, excursies met de vogelclub, vioollessen, fotocursussen en dergelijke, voel ik een enorme leegte. Deze hobby’s geven mij lang niet de voldoening van het werk waar ik goed in was en nog steeds ben.

Mijn antwoord

presentatie in Hamar (Noorwegen, 2008)

Mijn persoonlijke antwoord op de vraag “is er leven voor de dood” is positief zolang het mij lukt ook de komende jaren een deel van mijn tijd door te gaan met waar ik echt goed in ben. Dat is niet muziek, fotografie of veldbiologie. Dat is het werken aan duurzame ketens in internationale industriële netwerken. Dat is ook schrijven van verhalen  en rapporten (in het Engels, Duits en Nederlands), het houden van lezingen, het organiseren en leiden van moeilijke bijeenkomsten (ook in het Duits of het Engels). Kortom, ik ben de komende tijd nog wel eens achter de computer, aan de telefoon, in de trein  of het vliegtuig, aan de vergadertafel of achter het spreekgestoelte aan te treffen.