Natuurbeleving in Fochteloërveen en Weerribben

Waarnemen en Beleven

Op pad met de Vogelwerkgroep KNNV Leiden naar Fochteloërveen en de Weerribben op 17 en 18 juni 2017

 

De kraanvogel

Het was vroeg die ochtend. Dozen met krentenbollen, broden, plakken kaas, gekookte eieren en nog veel meer de auto inladen bij het huis van Anke en dan naar het zwembad. De mede-vogelaars die er nog niet stonden, kwamen snel aan en toen kon een rit van meer dan 200 km beginnen. Het was rustig op de weg. Gelukkig waren er nog vele miljoenen Nederlanders die niet op zo’n dwaas idee gekomen waren RM3_2845als vogeltjes kijken op de grens van Friesland en Drenthe. Als autorijden niet saai is, is het meestal gevaarlijk. Het was gelukkig saai. Niet lang na tienen beklommen wij de malle uitkijktoren aan de rand van het Fochterloërveen, ook wel ‘De Zeven’ genoemd naar zijn opvallende vorm. Op de website van Natuurmonumenten lezen wij: “De uitkijktoren in het Fochteloërveen met zijn adembenemende uitzicht is een opvallende verschijning. De belangrijkste eis vooraf was om een toren te ontwerpen die ook gebruikt zou kunnen worden door mensen met enige hoogtevrees. De gekozen oplossing is een knik in de steile trap. Je kunt hierdoor de totale hoogte niet overzien. De 18 m hoge toren is als een gedraaide zeven en wordt ook wel de periscoop genoemd.” Werden alle minderheden maar zo goed bediend als die kleine groep natuurliefhebbers met hoogtevrees. Het zijn nogal wat treden, maar dan heb je ook wat. Toen Anke de eerste kraanvogels had gelokaliseerd en de hele groep trillend van opwinding door de telescopen naar deze bijzondere vogels had geloerd, was voor de groep een belangrijk doel bereikt: de kraanvogel stond op de lijst.

Een eilandje in de intensieve landbouw

Het Fochteloërveen is het laatste overblijfsel van een ooit uitgestrekt hoogveengebied. Als een verloren eilandje te midden van de intensief gebruikte landbouwgronden met hun sterk verlaagde waterspiegels, probeert het met hulp van natuurbeschermers, beleidsmakers en wetgevers te overleven. Dat is helemaal niet eenvoudig omdat het fragiele ecosysteem het vervuilde water uit de omgeving niet kan verdragen en helemaal van zuiver regenwater afhankelijk is, dat door een sawa-achtig systeem van dijkjes in het veen gehouden wordt. Overal rukken de struiken en boompjes op. Een te kleine schaapskudde kan hier een daar ingezet worden, maar met beperkt resultaat. De boeren in de omgeving zijn er niet altijd zo blij mee. Eén boer stak de zaak niet zo lang geleden op meerdere plekken in brand, waarvoor hij niet in de gevangenis maar in de psychiatrische inrichting belandde.

RM3_2842

Ik was net van een lange fietstocht in Schotland teruggekeerd. De eindeloze hoogvenen op de Hebriden (Lewis, Harris, Uist, etc.) zijn wel iets anders dan dit postzegeltje veen dat hier nog in Friesland ligt. Ik was daarom niet echt onder de indruk. Leuk dat het er nog is, maar het stelt zeker kwantitatief niet zoveel voor, hoewel er heel mooie dingen te zien zijn. Ik moest ook denken aan de hoogveengebieden die ik voor mijn werk in Estland had bezocht. Tientallen kilometers hoogveen met alleen maar zielige boompjes erop en miljarden insecten voor wie daarvan houdt.

Bed, wastafel, prullenbak

Na waarneming van een grauwe klauwier, een blauwborst, lepelaars en nog meer kraanvogels in het veen in de buurt van de werkschuur van Natuurmonumenten, gingen we even naar het Natuurvriendenhuis in Darp bij Havelte. De sfeer van dat soort huizen is heel bijzonder. De kamers stralen een soort gereformeerde (of wellicht socialistische) Rust, Regelmaat en Reinheid uit.

IMG_3525(1)(1)

De hele entourage lijkt te suggereren: hier komen alleen eerlijke oprechte mensen met belangstelling voor de zuiverheid van de natuur, zonder ziekelijke neigingen als ruzie maken of stomdronken worden. De kamer bestaat uit een bed, een wastafel, een prullenbak en een doekje om de wastafel mee schoon te maken. Geen overbodige plaatjes aan de muur. Je zou er eigenlijk nog een Bijbel of een ander stichtelijk schrijfsel verwachten. Vergelijkbare kamers ken ik van de ‘Evangelische Akademien’ in Duitsland. Daar zit of lig je alleen op je kamer in je contact met God en de Schepping. Een plaats van ‘Wahrheit und Demut’.

Birding breaks, birding freaks

Na deze korte stop vlakbij de hunebedden, gingen we maar eens eten. Uitstekend eten vlakbij de golfbaan. Waar praten vogelaars eigenlijk over? Het is zeker geen verrassing dat vogelaars veel over vogels praten, niet alleen over hun waarnemingen in binnen- en buitenland, maar ook over verre vogelreizen, met organisaties waarvan ik tot voor kort het bestaan niet vermoedde zoals ‘Birding Breaks’.

RM3_2875

Er wordt nuttige informatie uitgewisseld niet alleen over de bestemmingen, de kwaliteit van de overnachtingen, maar ook – zeker niet onbelangrijk – de deskundigheid en de sociale vaardigheden van de groepsleider bij reizen naar Donaudelta, Spaanse hoogvlakte of Afrikaanse rivierdalen. Ik gun iedereen van harte dit soort reizen, maar ik krijg het al benauwd als ik de verhalen hoor. Twee dagen vogels kijken overschrijdt bij mij al bijna mijn tolerantiegrens. Een hele week of twee weken achter de vogels aan, ik moet er niet aan denken.

Terug naar de tempel van de zuivere natuurliefde

RM3_2883

Na de stop in Appelscha ging het nog eens naar de schuur van Natuurmonumenten, waar we na een vrij klunzig filmpje een rondleiding kregen van een boswachter. Zijn sterke punten lagen duidelijk ergens anders dan een groep gevorderde vogelaars iets nieuws te vertellen, maar ik vond het een aardige man, met het hart op de goede plaats. Ik had nog een aangenaam gesprek met hem terwijl de muggen mij probeerden lek te prikken. Sommige mensen waren teleurgesteld, maar ik vond het tot dit moment een leuke avond.

Voor mij kwam de echte domper op de feestvreugde pas toen we weer in het Natuurvriendenhuis aankwamen. Na al dat achter de vogels aan sjokken, leek mij een gezellig samenzijn met een gezellig drankje de enig juiste volgende stap. Er was geen pilsje te krijgen. Ik keek nog jaloers naar een paar mensen die hun eigen zondige drank de tempel van de zuivere natuurliefde hadden binnengesmokkeld. Ik overwoog nog hen te overvallen, maar dit ging zelfs mij te ver. Even later zat ik met een glas water op de rand van mijn bed een verantwoord boekje te lezen bij de energiezuinige klimaatvriendelijke LED-verlichting.

Doodzonde: vloeken tegen de wielewaal

De volgende ochtend, moet ik met schaamte toegeven, werd ik vloekend wakker van het uitbundige vogelgezang. Ik overwoog nog het raam dicht te doen en dacht nog even aan mijn studententijd waarin wij, als de vogels rond een uur of vier begonnen te zingen, de muziek harder zetten om even te vergeten dat het ochtend en geen avond meer was. Ik sliep hierna gewoon door tot een uur of zeven en kwam op tijd aan het heerlijke door Anke tot in de puntjes voorbereide (iedereen 1 krentenbol en 1 mueslibol, etc.) ontbijt. Daar hoorde ik lyrische verhalen over de zang van de wielewaal. Ik had dus tegen een wielewaal liggen vloeken, idioot die ik was! Dat is geen goed begin van een vogeldag.

Bert Garthoff, IVN en Weerribben (1965)

weerribben IVN 2

Voor de zondag stond het gebied ‘De Weerribben’ op het programma, voor mij een gebied met een bijzondere herinnering. Tussen 1955 en 1978 werd elke zondag het programma ‘Weer of geen weer’, de voorganger van ‘Vroege Vogels’ uitgezonden. Bert Garthoff was daar de hoofdredacteur en presentator. Ook trad Fop I. Brouwer met zijn “Alles wat leeft en groeit en ons altijd weer boeit” daar op. Bert Garthoff besteedde rond 1965 aandacht aan de IVN-kampen waar jongeren mee konden helpen met natuurbeheer.

weerribben IVN

Mijn moeder hoorde dat en suggereerde dat dat iets voor mij zou zijn. Ik gaf me toen op voor een week werken in de Weerribben. Ik herinner me de golvende graslanden, de vele muggen- en dazensteken en het zware werk op het veld (aan het werk op foto links en midden in de boot op de foto hierboven). Ik ben daarna lid geworden van de NJN en ben de rest van mijn leven een natuurliefhebber gebleven.

 

Na allerlei discussies over het precieze programma (wel of niet roodhalsfuten gaan zien? etc.) werd besloten maar meteen richting Weerribben te gaan, een wat mij betreft gelukkige beslissing. Nog een zeldzame soort erbij hoefde voor mij niet zo nodig. Mij gaat het om de natuurbeleving en niet om de waarneming van soorten. Met die natuurbeleving zat het wat mij betreft meteen goed.

De betrokken buitenstaander

Niet zo ver van het Natuurvriendenhuis ligt het gebied ‘De Auken’. Door het riet liepen wij naar een uitkijktoren. Wat we vanuit deze uitkijktoren zagen, was voor mij het hoogtepunt van het weekend en zeker een hoogtepunt van een heel jaar vogels kijken, RM3_2909RM3_2940 ook al zagen wij – in termen van de waarnemingslijsten – helemaal niets nieuws, geen nieuwe soorten. Wat wij zagen, was in mijn ogen veel mooier.

Purperreigers vlogen af en aan naar hun foerageergebied. Steeds kwamen ze in wisselend vliegrichtingen met wisselende belichting over, dan weer laag, dan weer wat hoger.

Niet ver hier vandaan stonden meerdere zilverreigers, inmiddels een algemene vogel van dit soort gebieden maar daarom niet minder mooi.

Visdiefjes doken regelmatig van grote hoogte loodrecht in de plas. In de directe omgeving bevond zich een nest van bruine kiekendieven. Een heel mooi moment was toen er een prooioverdracht tussen het echtpaar kiekendief plaatsvond. Er was voortdurend bedrijvigheid in, boven en naast de plas.

RM3_2899

Onafhankelijk van elkaar waren de verschillende vogelsoorten druk bezig met de door hun instinct voorgeschreven taken. Wij stonden erbij en keken ernaar. Zolang wij de natuur een beetje ruimte geven, kan dit miljoenen jaren zo door gaan. Dat noem ik natuurbeleving: betrokken raken bij een wereld waarin je totale buitenstaander bent.

Opwinding tussen de telescopen

Wat mij betreft, hadden we nu naar huis kunnen gaan. Dit was perfect. We gingen nog naar verschillende andere plaatsen, zoals een uitkijktoren bij Scheerwolde. Door een navigatiefout kwam ik samen met Philip daar veel te laat aan. Wij zagen dat daar boven op het kleine platform een bijna hysterische opwinding was ontstaan.

RM3_2950

Er was een roerdomp gesignaleerd. Ik probeerde mijn telescoop in het woud van telescopen te planten. Met hulp van anderen kreeg ik de bruine vogel met enige moeite enige tijd in beeld. Heel klein en heel ver. Het kon mij niet zo boeien. Misschien zie ik er nog wel eens een van iets dichterbij. Dat zou wel leuk zijn. Veel leuker vond ik de oeverzwaluwen, die daar af- en aanvlogen in de speciale oeverzwaluwwand en ook de geoorde futen, die ik tenminste goed kon zien.

RM3_2952

Uitbundig waterplezier en een hap tot slot

Tenslotte kwamen we nog op een plek waar van rustig genieten van de natuur geen sprake meer kon zijn. Hier werd onrustig, luidkeels (in het Nederlands en Duits) van het weer en het water genoten. Het was schitterend weer en alle beschikbare bootjes dreven, gevuld met halfnaakte lijven, op het water in de buurt van Giethoorn. Ik vind het grappig wat er gebeurt in Nederland als het eens zulk fantastisch weer is. Totale gekte en ongeremde lol. Ook leuk. Die vogels hadden we toch al gezien.

RM3_2959

Het was goed dat we iets eerder dan voorzien de terugtocht aanvaardden en onderweg bij een wegrestaurant een best redelijke maaltijd nuttigden. Geen rustieke plek, maar redelijk eten en vriendelijke bediening. Leuk om nog even na te praten.

 

Forty Years Publishing in Energy Policy: 1977-2017

Burning Ten Guilder Notes for Energy Conservation

Energy Policy 1977: Depletion Policy Options for Western Europe

I was still a student when I published my first professional publication in the authoritative journal Energy Policy, together with professor Jan Kommandeur (see picture below) and associate professor Bert de Vries. It was an article on the policy options for depleting Europe’s oil and gas reserves, mainly the then recently developed North Sea fields. We ran a computer simulation model on the central computer of Groningen University, a system with less computing capacity than an average smartphone today. At the time, using the computer added credibility to your work. Only a select elite had access to the new technology.

IMG_0009-me

The calculations were pretty straightforward though. We used oil reserve data, some assumptions on growing reserves (new reserves and increase in existing reserves) and depletion rates to forecast future output. Jan, Bert and I prepared the semi-final draft of the article during a weekend in a holiday home somewhere in the forests of Drenthe around October 1976. The room was heated by an old-fashioned wood-stove. In the evening, after a day of hard work, we discussed the policy implications of our calculations and, after considerable quantities of cold beer, we moved towards more general and more philosophical issues. When addressing the issue of energy conservation, we discussed the problem of monetary savings as a result of reducing energy use. What are we going to do with the money we save? If we use it for an additional holiday flight to Barcelona, net energy savings will be negative. We took another beer and concluded that the only safe way to conserve energy was to destroy money. Then all three of us threw a ten guilder note into the stove. Happy about our heroic contribution to sound energy policy, we went to bed. The next day we finalized the article. It was published in December 1977.

A Good Text Ruined by Social Science Jargon

Energy Policy 2017: Certifying the sustainability of biofuels

My next major article for Energy Policy was 40 years later. My main work from the 1990s until present is on sustainability and supply chains, including certification systems for sustainable raw materials. Setting up the Roundtable on Sustainable Palm Oil for WWF and private sector players was one of my major achievements in that time.

In 2015, I was asked by the Institute for Advanced Sustainability Studies in Potsdam to participate in their workshop ‘Bioenergy: Status Quo, Trends and Sustainability Governance’ on October 15-16 of that year, travel costs and hotel paid. I thought it was a good opportunity to bring in my knowledge and experience in the field of sustainability and supply chains.

Young academics like to make things more complicated than they are

If I had checked the programme and the participants a bit more carefully, I would probably not have participated. Most participants were younger academics fighting their way to recognition in a world dominated by journals, reviews, quotation indices and what have you. Intelligent people with a structural lack of knowledge about the real world. I always see my role (and generally the role of practical research and consultancy) in making complex issues simple. These young academics apparently specialize in complicating simple issues by using difficult jargon.

x

During the workshop the idea was born to bundle our contributions into a Theme Issue of the Energy Policy Journal. I agreed to write one article and to include some of the work by other participants. I wrote an article in which I managed to use a number of practical lessons from my own work. I still think it is one of my best and most practical publications on the sense and nonsense of private sector driven certification systems.

Not my most convincing text, I am afraid

Apparently, the organizers had difficulties to get my article accepted. It took more than a year and eventually my article was drastically revised by a social scientist. As I was on holiday in Scotland, I did not have a chance to take control. As a result, my clear and simple line of argumentation was hardly visible anymore. References had been included to authors who do not have a clue about the real issues, but manage to get their complicated social science jargon published. The paragraphs on ‘methodology’ that had been added, did not have any relationship with the way I develop my arguments and collect my data in real life. After all this editing, the article was accepted by the Journal, but it is certainly one of the least convincing texts I have ever contributed to.

R. de Man, J. Kommandeur, B. de Vries, Depletion Policy Options for Western Europe, Energy Policy, December 1977.

R. de Man, L. German, Certifying the sustainability of biofuels: Promise and Reality, Energy Policy, 2017, vol. 109, issue C, 871-883.